Een nieuw seizoen!

Het is alweer september! We hebben de zomer (bijna) achter ons, al lijkt het erop dat we nog wat zonnige dagen voor de boeg hebben. We hopen dat jullie heerlijk hebben kunnen ontspannen, dat je alleen of met je dierbaren tot rust kon komen van alles wat in het voorbije jaar je aandacht en energie vroeg, en dat je mooie dingen hebt om naar uit te kijken!

Bij ACE Aware gaan we ook weer volop aan de slag. We hebben nog een paar bijzondere interviews op de plank liggen die het verdienen zo snel mogelijk te worden uitgewerkt, zodat de wijsheid die de geïnterviewden met ons hebben gedeeld, voor jullie beschikbaar komt!

Zo spraken we met Bertus Jeronimus, werkzaam aan de Faculteit Gedrags- en Maatschappijwetenschappen van de Rijksuniversiteit Groningen (RUG). Hij studeerde daar klinische en ontwikkelingspsychologie en Nederlands recht en promoveerde op een onderzoek naar de wederkerigheid tussen persoonlijkheid en levensgebeurtenissen. Op dit moment werkt hij aan een beter begrip van persoonlijkheid en hoe mensen hun welbevinden ervaren. We spraken hem naar aanleiding van zijn artikel over ‘Het (on)geluk van een coronageneratie’, waarin hij aandacht vraagt voor het feit dat voor jonge mensen elkaars dichte nabijheid een levensbehoefte is. Hij benoemt dat veel pijn onder jongeren schade geeft die je niet meteen ziet en die daarom wordt onderschat.

Verder interviewden we, eveneens in Groningen, Jessica Boerema; zij geeft vanuit haar eigen praktijk ‘Contact in beeld’ trainingen aan ouders en professionals om meer inzicht te creëren in het belang van effectieve communicatie met jonge kinderen op moeilijke momenten. Communicatie waarbij je als volwassene de baby of het jonge kind goed begrijpt en de signalen leert ontcijferen, helpt enorm om te zorgen dat een baby zich veilig voelt en vertrouwen ontwikkelt in de wereld. Dat is natuurlijk een prachtige manier om de veerkracht van een kind van jongs af te ondersteunen.

In Amsterdam ontmoetten we Beatrijs Smulders, bekend auteur en verloskundige. Ze heeft de afgelopen vier decennia een prominente rol gespeeld in de verloskundige zorg en is een hartstochtelijk voorvechter van de thuisbevalling en een vernieuwer in hart en nieren. Ze begeleidt tegenwoordig geen bevallingen meer, maar geeft via consulten wel persoonlijke begeleiding en adviezen op het gebied van vrouwenzaken. Ze heeft in de loop van haar carrière duizenden moeders en vaders een start zien maken in het ouderschap en heeft op grond daarvan een eigenzinnige visie ontwikkeld die is gebaseerd op haar professionele ervaring, gecombineerd met wetenschappelijke inzichten. Kortom: een boeiende gesprekspartner, met ideeën die tot nadenken uitnodigen en uitdagen!

Er zijn ook nog wat bijzondere professionals die graag geïnterviewd willen worden, maar met wie de datum nog niet vastligt. Ook daaraan gaan we vlot een vervolg geven. Werk je in de gezondheidszorg, het onderwijs, de juridische sector of ben je een professional die werkt met een traumageïnformeerde benadering? We horen graag van je en wellicht kunnen we een interview arrangeren! 

Verder staan er nog interviews op de rol met mensen die ongunstige ervaringen hebben doorgemaakt toen ze opgroeiden. Hen noemen we respectvol ‘ervaringsdeskundigen’, mensen die experts zijn omdat ze op grond van hun eigen ervaring weten wat de impact van toxische stress en trauma kan zijn. Hun namen kunnen we uiteraard niet delen, maar dat maakt hun verhaal niet minder belangrijk. In feite zijn het die verhalen die de kern vormen van het werk voor ACE Aware NL; die maken zichtbaar hoe vroege ervaringen doorwerken in het latere leven. Wanneer mensen terugkijken op hun jeugd in een fase waarin ze wat meer afstand hebben kunnen nemen, komen er soms veel dingen naar boven. Soms ook is het confronterend om aspecten van die levensfase geconfronteerd als ze in de ouderrol keuzes moeten maken. De behoeften en eigenheid van de eigen kinderen kunnen soms heel confronterend zijn. Die kunnen vragen oproepen over hoe het was om als kind de steun van je ouders nodig te hebben en die niet te krijgen, of om het gevoel te hebben dat je niet gezien werd en het bijna nooit goed genoeg kon doen. Dat kan veel verdriet losmaken. Verdriet kan er uitzien als boosheid of frustratie of ongeduld, maar in de kern is dan toch vaak het verdriet om de pijn en het gevoel van onveiligheid en eenzaamheid onderliggend. En wat doe je in dat geval…? Slaag je erin lief te zijn voor jezelf? Gun je jezelf tijd en ruimte om erover te praten met een naaste? Heb je een sociale omgeving tot je beschikking die aandacht voor je heeft en waar je veilig kwetsbaar kunt zijn? Het kan al helpen als je weet dat je niet alleen bent in je verdriet en dat het bevrijdend kan werken om erover in gesprek te gaan, zeker ook wanneer het ouderschap aanstaande is of net begonnen. Ook aan dit aspect zullen we dit jaar concreet handen en voeten geven door bijeenkomsten te organiseren.

Begin oktober zal Marianne Vanderveen-Kolkena een presentatie geven voor GOLD Learning namens ACE Aware NL in het Early Years-symposium. Ze zal onder andere spreken over het verschil tussen het vermijden van risico’s en het opzoeken van wat ons als mens goed doet, oftewel het verschil tussen een salutogenetische benadering (wat hebben we nodig om gezond te blijven?) en een pathogenetische (wat moeten we vermijden om niet ziek te worden?). Ook komt aan bod dat gezondheid geen individuele aangelegenheid is, maar sociaal geconstrueerd wordt en dus het resultaat is van de interactie tussen de omgeving en het individu. Verder zal het idee van ‘adult supremacy’ de revue passeren, het idee dat volwassen belangen vaak zwaarder wegen dan de belangen van het afhankelijke jonge kind dat volop in ontwikkeling is.

Kortom: er is veel waarmee we aan het werk gaan!
Tijdens de vakantieperiode kregen sommige thema’s op meer creatieve wijze gestalte en we delen graag een foto met gedicht met je.
Veel leesplezier en we kijken ernaar uit je ergens te ontmoeten, live of online!

Het belang van ons taalgebruik

Deze week willen we het hebben over een belangrijk onderwerp, namelijk de manier waarop we taal gebruiken wanneer we bepaalde thema’s bespreken, vooral rond gezondheidskwesties.
Het belang van taal en de invloed ervan op hoe mensen een onderwerp of een concept zien of begrijpen, werd mij voor het eerst op indringende wijze duidelijk via een artikel van Diane Wiessinger, getiteld ‘Watch Your Language’ (‘Let op je woorden’). Jaren later gaf Karleen Gribble een mooie voordracht over het onderwerp. Beide vrouwen spreken over borstvoeding als de biologische norm om baby’s te voeden en over hoe borstvoeding in plaats daarvan vaak wordt omschreven als ‘gezonder’ en ‘risicoverlagend’ en ‘intelligentieverhogend’. Uit het gebruik van deze comparatief (de vergrotende trap) blijkt dat borstvoeding wordt vergeleken met iets anders, wat in plaats daarvan blijkbaar als de norm wordt beschouwd, hoewel niet expliciet. De verborgen norm in dit soort bewoordingen is kunstmatige zuigelingenvoeding. Als we spreken in termen van ‘breast is best’, borstvoeding is de gouden standaard, geeft betere uitkomsten en een betere ontwikkeling… dan impliceren we dat borstvoeding het ideaal is en allerlei extra voordelen biedt. Omdat echter niemand perfect is, is de normale (of de verborgen norm) dan dus kunstmatige zuigelingenvoeding.

Vorig jaar, in augustus 2020, gaf Diane Wiessinger een presentatie waarin ze nog dieper in de materie duikt van het ‘let op je woorden’-idee. Ze legt de basisregels van de wetenschap uit, zoals het verschil tussen de controlegroep en de experimentele groep. De controlegroep is de groep die de normale biologie heeft en waarmee niets wordt gedaan. Die groep is nooit de focus van de studie. De focus ligt altijd op de experimentele groep, de groep die een interventie krijgt, iets heeft laten doen of gebeuren, en dan een variatie laat zien, een afwijking van de norm van de controlegroep. Wanneer we de variatie statistisch beschrijven, wordt het gebruik van de verkeerde norm zeer problematisch. Kijk maar eens naar de afbeelding hieronder.

Als we zeggen dat gezonde gewoontes het risico op iets met 50% verminderen, dan zeggen we in feite dat ongezonde gewoontes het risico daarop met 100% verhogen! Met andere woorden: de cijfers die met de boodschap aan de lezer of luisteraar worden overgebracht, zijn afhankelijk van welke norm we hanteren. Onderzoekers, beleidsmakers en zorgverleners proberen waarschijnlijk niet bewust een bedrieglijk beeld te geven van bepaalde risico’s, maar toch kan dat onjuiste beeld het gevolg zijn van het taalgebruik. Dit maakt geïnformeerde besluitvorming tot een zeer moeilijk proces. Op een bepaalde manier formuleren heeft dus bepaalde mechanismen tot gevolg en die vereisen een gedegen filosofische en ethische beschouwing aangaande de vraag wat we op een bepaald gebied als de norm zien en hoe we daar vervolgens over spreken.

In deze context is het interessant om te kijken hoe we praten over ongunstige ervaringen in de kindertijd en over trauma in het algemeen. Als we zeggen dat veilige gehechtheid het risico op probleemgedrag verkleint, hebben we onveilige gehechtheid als onze verborgen norm. Als we zeggen dat goede coregulatie de kans op een toxische stressreactie verkleint, hebben we een gebrek aan goede coregulatie als onze verborgen norm. Als we zeggen dat mededogen empathie en veerkracht vergroot, hebben we hun afwezigheid als onze verborgen norm.

Hoe komt het dat we vaak de neiging hebben om zulke bewoordingen te gebruiken…? Het heeft waarschijnlijk te maken met het feit dat andersom formuleren als erg ongemakkelijk kan worden ervaren. Zeggen dat een kille benadering (of gebrek aan mededogen) de ontwikkeling van empathie en veerkracht in gevaar brengt, kan heel confronterend aanvoelen. Het geeft aan waar we tekortschieten en wat de nare gevolgen daarvan kunnen zijn. Als we het zo omschrijven, is de kans veel groter dat we aansprakelijk worden gesteld, waardoor onze verantwoordelijkheid zichtbaar wordt en waarschijnlijk ook de status quo van culturele praktijken en machtsverhoudingen wordt opgeschud.

Met betrekking tot ongunstige ervaringen in de kindertijd (of ACE’s), zouden we een denkoefening kunnen doen om tot een ​​biologische norm te komen. Wanneer we onveilige hechting, onvoldoende coregulatie en gebrek aan mededogen als de (verborgen) norm nemen, creëren we een behoorlijk trieste visie op normale menselijke eigenschappen. Zoals het gezegde luidt: ‘Humans are hardwired for connection.’ Mensenbaby’s komen op de wereld met een prosociale houding: ze zoeken actief naar positieve relaties met anderen. Het is hun aangeboren neiging; alleen zo kunnen ze overleven. Het is via sociale verbinding dat ze zich ontwikkelen van gezonde baby’s tot gezonde kinderen en volwassenen. Gedurende de hele evolutionaire geschiedenis van de mensheid hebben mensen het overleefd omdat ze elkaar veiligheid konden bieden door middel van nauwe banden, zinvolle relaties met zorgzame anderen, en dus een gevoel van verbondenheid en een doel in het leven. Zonder dit alles kunnen mensen niet overleven, laat staan ​​gedijen. Wederkerigheid is de ‘sociale lijm’ van de samenleving. Op basis van onze zoogdier-erfenis kunnen we daarom gerust zeggen dat verbinding en een veilig gevoel de norm zijn voor overleving en gezonde sociale relaties binnen gemeenschappen.

Dit betekent dat als we een boodschap willen overbrengen over gezondheidsrisico’s, we dus het risico van *gebrek* aan gezonde sociale relaties moeten noemen. En als we merken dat uiteenlopende vormen van structureel geweld, zoals armoede, racisme en andere ongelijkheid een rijke relatieopbouw in gevaar brengen, moeten we die verschijnselen bestempelen als risicofactoren of sociale determinanten van een slechte gezondheid. Hoe confronterend dit ook moge klinken… door het op deze manier te formuleren, voorkomen we het oneerlijke, onethische verbergen van de verkeerde norm in termen als ‘voordelen’ en ‘winst’ van het tegenovergestelde. Ethische, wetenschappelijk verantwoorde bewoordingen (focus op impact van interventie/experiment) kunnen ons als samenleving helpen om beter te begrijpen waartegen we in opstand moeten opkomen en wat verandering behoeft. De grondregel in de gezondheidszorg is immers ‘Ten eerste/in ieder geval, geen kwaad doen’, of oorspronkelijk: ‘Primum non nocere’. Benoemen wat schadelijk is, vergemakkelijkt de aanpak ervan. Het schadelijke niet benoemen is een onethische, bedrieglijke vorm van achterhouden van informatie. Toxische stress of te veel werkuren of het laten huilen van baby’s aanduiden als risicofactoren, wijst ons in de richting van hoe we het risico kunnen wegnemen of verminderen. Verschillende gewoontes vergelijken in wetenschappelijk onderzoek of in beleidssettings is uiteraard noodzakelijk om te achterhalen waar zich de risico’s bevinden. Aan de andere kant zouden we in gesprekken met elkaar in andere sociale omgevingen kunnen besluiten om helemaal niet te vergelijken. Zoals de afbeelding laat zien, kunnen we ervoor kiezen om een concept weer te geven door te beschrijven, niet door te vergelijken. Zo’n benadering kan helpen om ons meer bewust te worden van het feit dat het leven geen wedstrijd is, waarbij alles constant wordt vergeleken met iets of iemand anders die beter of slechter is. Het helpt polarisatie te voorkomen en kan het gemakkelijker maken om een proces als een continuüm te zien in plaats van als een zwartwitte ‘het-één-of-het-ander’-categorie.

Het punt moge duidelijk zijn: telkens als we een vergrotende trap hanteren in ons spraakgebruik, hebben we bewust of onbewust besloten wat onze norm is, ons referentiepunt, de standaardwaarde. Welke situatie, welk gedrag beschouwen we als de norm? Wat zien we als de essentie van onderlinge menselijke verbinding? Het kan heel verhelderend zijn hierover na te denken en om, als we dan al een norm moeten kiezen, dit bewust en zorgvuldig te doen. Zoals Diane zegt: ‘Alles verandert als we de norm veranderen’, inclusief hoe media berichten over gezondheidsrisico’s. Om consequent een gerechtvaardigde norm te hanteren in ons taalgebruik, kan een uitdaging zijn, maar het kan zeker worden aangeleerd. Waarom zouden we dat proberen? Omdat, zoals we van Diane Wiessinger leerden, onze woorden ertoe doen en het motto ‘Let op je woorden’ aandacht verdient!

Van kindertijd naar levensgeluk – onze vragenlijst, Deel 2

In het blog van afgelopen week begonnen we met een blik op de eerste resultaten van onze vragenlijst, ‘Van kindertijd naar levensgeluk’. Na wat aandacht te hebben gewijd aan opvallende demografische gegevens, spraken we over hoe mensen geneigd zijn zich hun kindertijd te herinneren, welke dingen er over de hele linie voor zorgen dat die levensfase als een veelbelovende of juist meer verdrietige ervaring wordt beleefd, en over de vraag welke specifieke gebeurtenissen of periodes op de lange termijn het zwaarst lijken te wegen. Deze week geven we een vervolg daaraan en onderzoeken we welke links mensen zien tussen hun kindertijd en hun persoonlijkheid nu, tussen hun verleden en hun heden.

Om te beginnen zien de respondenten, op één na, een duidelijke link tussen hun kindertijd en de belangrijkste thema’s in hun huidige leven. Het beeld lijkt helder en krachtig. Eenzaamheid en een gemis aan verbinding in de kindertijd lijken verbonden met een vurig verlangen om erbij te horen en deel uit te maken van de omringende sociale kring. Constante onzekerheid en gebrek aan veiligheid lijkt te leiden tot een aanhoudend gevoel van twijfel over het eigen handelen, tot onvolwassen reacties op alledaagse stressfactoren en het zoeken naar veiligheid in de nabijheid van anderen. Soms realiseren mensen zich pijnlijk genoeg dat hun vroegkinderlijke trauma ertoe leidt dat ze richting hun kinderen weer precies hetzelfde gevoel van onveiligheid creëren dat voor henzelf zo moeilijk was. Een gebrek aan erkenning en aan ruimte om jezelf te laten zien kan tot gevolg hebben dat mensen een lager energieniveau ervaren in hun leven, dat ze het gevoel hebben ‘te veel’ te zijn voor anderen; mensen ontwikkelen daardoor geregeld de neiging om zich in zichzelf terug te trekken.

Deze thema’s worden op consistente wijze weerspiegeld in de moeilijkheden waar mensen in hun dagelijks leven tegenaan lopen. Wat onze respondenten noemden in verband hiermee was: geen vertrouwen hebben in jezelf of in anderen, het moeilijk vinden om mensen los te laten, faalangst ervaren, onzekerheid en problemen met het stellen van eigen grenzen in relatie tot anderen, een algehele beleving van gebrek aan zelfvertrouwen, het gevoel hebben nooit goed genoeg te zijn, of depressieve gevoelens ervaren. Soms gaan zulke moeilijkheden gepaard met of lopen ze uit op hun trouwe metgezellen: ‘slechte gewoontes’. Het lijkt erop dat ‘slechte gewoontes’ globaal in twee categorieën kunnen worden ondergebracht: sociaal-emotionele gewoontes en gewoontes met middelengebruik. In de eerste categorie zijn mensen geneigd om ‘een muurtje op te trekken’ rondom zichzelf, om ‘mooi weer te spelen’, om moeilijke situaties in het werk uit de weg te gaan door ‘out of the blue’ ervan weg te lopen en te vluchten, om gemakkelijk in paniek te raken of te defensief te reageren. Ook lukt het vaak niet goed om met kritische feedback om te gaan. In de tweede categorie vinden we een ander paar ‘ouwe getrouwen’ – veel roken, veel alcohol, veel drugs, soms als recreatief gebruik, maar ook in de vorm van verslaving, vaak al beginnend op jonge leeftijd, waardoor gewenningspatronen worden gecreëerd waarop men later in het leven blijft terugvallen. Een rode draad hierin? Een echo die doet denken aan onveilige hechting.

Richting het einde van de vragenlijst klaart de lucht wat op en verandert de toon enigszins. De sfeer wordt frisser, lichter, positiever; er komt hoop om de hoek kijken. Dit herinnert ons aan een belangrijke pijler onder het ACE-gerelateerde werk: veerkracht. Mensen boren vaak onverwachte bronnen van kracht aan om te overleven, en hoop houdt hen gaande – die sterft niet maar zo. Ondanks de moeilijkheden en de levensverhalen die we hierboven en vorige week in vogelvlucht hebben beschreven, noemen mensen hun gezondheid in het algemeen ‘okay’, soms beter dan dat, soms slechter. Geregeld is er sprake van chronische ziektes (opnieuw een bekrachtiging van de link tussen ACE’s en chronische aandoeningen), en je ‘okay’ is niet het ideale scenario voor hoe je mensen hun gezondheid het liefst zou zien omschrijven. Toch vinden mensen bronnen van geluk, van zingeving; dat kan zijn in kinderen en kleinkinderen, honden of andere huisdieren, het proces van dingen creëren of tot stand brengen, tijd doorbrengen in de natuur, lezen, genieten van muziek, koken, vrijwilligerswerk doen, of andere vormen van andere mensen helpen en kennis delen. Belangrijk is ook het verbinden met andere mensen en luisteren naar elkaars verhalen, of de bewustwording dat men de kracht heeft om een ‘destructieve familiecirkel’ te doorbreken. Mensen gaan door (vaak langdurige, ingewikkelde en moeilijke) processen van heling. Op de één of andere manier, of er nu een vorm van therapie aan te pas komt of niet, mensen ontwikkelen strategieën om te leren leven met hun chronische aandoeningen. Ze vinden een vorm van gemoedsrust en zetten hun vaardigheden in om tot een vervuld leven te komen. Niet altijd lukt dat en weg daar naartoe is zwaar, maar het doet ons heel erg goed om te horen dat velen er toch in slagen.

Zoals één van de respondenten het zei: “Doordat ik erin slaag om de cirkel van trauma te doorbreken en door intensief aan mezelf te werken, ben ik eindelijk in staat om mijn verleden te begrijpen en het te aanvaarden.” Begrijpen, aanvaarden, helen – een mooie manier om het proces te beschrijven.
Daar willen we graag mee afronden, met het bewustzijn dat we er allemaal een bijdrage aan kunnen leveren dat onze medemens door deze fases heen kan gaan, als dat nodig is, door verbinding te voeden, door compassie te hebben, en door moed te tonen om naar zulke levensverhalen te luisteren, hoe moeilijk of het misschien ook is om ze werkelijk te horen. Niemand is te ver heen voor genezing, voor welke mate van herstel dan ook. Onze oprechte, niet-(ver)oordelende nieuwsgierigheid en erkenning kunnen precies die ruimte scheppen voor persoonlijke authenticiteit die mensen in hun kindertijd hebben gemist. Wanneer mensen, via verbinding met compassievolle anderen, eindelijk de verbinding met zichzelf hervinden, wanneer we hun het gevoel kunnen geven dat ze erbij horen, dan kunnen ze ten langen leste toegroeien naar het dat diepe gevoel van ‘erbij horen’ in hun eigen leven.

Van kindertijd naar levensgeluk – onze vragenlijst

Voor het blog van deze week nemen we graag een ‘duik’ in de eerste antwoorden op de ACE Aware NL vragenlijst ‘From Childhood to Life Happiness’, die we in dit blog hebben geïntroduceerd en die je te allen tijde ook hier kunt vinden. Daarmee willen we de vragenlijst ook graag aanreiken aan degenen die hem nog niet hadden gezien, omdat we denken dat de lijst een goede gelegenheid biedt om te reflecteren op de kindertijd en daarnaast een waardevolle bron van relevante data kan worden, zodra er nog meer antwoorden binnenkomen.

Met een gemiddelde leeftijd van 45 jaar komen de respondenten zowel uit Nederland als van elders, zijn ze zowel hier geboren en getogen als elders, zowel generaties lang gevestigd in dit gebied als tweede generatie Nederlandse burgers met een migratieachtergrond of expatriates. Met andere woorden: we boffen, want we hebben een keurig gemengde groep deelnemers… of misschien toch niet?
Op dit moment is 100% van onze kleine groep respondenten vrouw. Wat zou ons dat kunnen vertellen? Is het grootste gedeelte van ons publiek vrouw en voelen vrouwen zich door de wetenschap rondom ACE’s meer aangesproken? Zijn vrouwen meer bereid om over persoonlijke dingen te praten? Zijn mannen in de hedendaagse samenleving (in ieder geval in Nederland) opgevoed met het idee dat ze ‘stoer’ moeten zijn en beter geen openheid van zaken kunnen geven over emotionele verhalen die soms diepe wortels hebben in de kindertijd? Of is het tot nu toe gewoon toeval? We weten het nog niet, en gaandeweg, als de antwoorden binnendruppelen, zullen we moeten zien wat erover te zeggen valt. Desondanks vinden we het op dit moment een interessant gegeven om over na te denken.

Als we nog wat dieper in de materie duiken, worden de dingen… tsja… wat minder ‘netjes’. Een eerste blik op hoe de deelnemers zich hun kindertijd herinneren, geeft een opmerkelijk pijnlijk beeld: verwaarlozing, misbruik, pesten, eenzaamheid, gecompliceerde familierelaties, verlies van een dierbare, problematische seksuele ervaringen, gebrek aan veiligheid, gebrek aan emotionele ondersteuning… en de lijst is lang. Het lijkt haast alsof je een presentatie over ACE’s leest of een beschrijving in een trauma-geïnformeerd handboek. Dit zijn echter geen theoretische beschrijvingen – dit zijn echte levensverhalen die we lezen uit de eerste hand. De eerste vraag die opkomt, is: is dit een vertekend beeld van de werkelijkheid? Betekent het dat mensen die in ons werk geïnteresseerd zijn, vaak meer betrokken zijn bij of gericht zijn op dit onderwerp en daarom inherent vaak een meer problematische kindertijd hebben gehad? We zijn ons ervan bewust dat hun pijnlijke ervaringen wellicht precies de reden zijn dat ze überhaupt meededen met de vragenlijst, met als doel dat hun verhaal eindelijk wordt gehoord. Aan de andere kant kun je je ook afvragen of dit erop wijst, zoals door anderen wordt verondersteld, dat een ongelukkige, traumatische kindertijd veel vaker voorkomt dan we ons durven voor te stellen of dan we als werkelijkheid kunnen verdragen. Ook hier geldt: we weten het niet en we zullen meer data moeten analyseren, naarmate meer mensen de lijst invullen en hun verhalen met ons delen.
Toch voedt deze eerste indruk onze nieuwsgierigheid naar het onderwerp, naar de ervaringen. Bovendien versterkt deze impressie onze compassie voor al diegenen onder ons die vaak onzichtbaar de littekens met zich meedragen van hun jonge jaren. Wat een zorgeloze levensfase zou moeten zijn, een blij verleden dat een mooie toekomst ondersteunt, is voor meer mensen dan we zouden wensen nog overduidelijk nog steeds een rusteloos heden dat veel moeilijke dingen triggert.

En als we nog verder kijken, wat blijken dan de rode draden te zijn, de momenten of ervaringen die de meeste indruk maken en die als geestelijke of lichamelijke herinneringen voor altijd bij ons blijven? Wat zijn de eigenschappen van de kindertijd die vormend zijn voor de persoonlijke ontwikkeling? Als mensen onbevangen over hun ervaringen spreken en zich kwetsbaar opstellen, wat noemen ze dan als eerste? Wel… dat verschilt. Soms gaat het om een eenmalige gebeurtenis, zoals de geboorte van een broer of zus, het overlijden van een ouder, of ziekte in de familie. Een andere keer is het een overgangsperiode, zoals leren borstvoeding te geven, uitvinden hoe om te gaan met heftige gevoelens of uitdagingen in het leven, of zelfs de tijd in de baarmoeder. Soms spelen deze gebeurtenissen ook een rol in de beleving van onze kindertijd als goed of slecht, als vreugdevol of traumatisch, als een mooie droom of als een nachtmerrie. Een gedeeld narratief, wellicht niet heel verrassend, is echter de emotionele omgeving waarin het kind opgroeit, de kwaliteit van de hechting tussen ouder en kind: een toxische relatie, de ervaring van gebrek aan liefde, van aanhoudend gepest worden op school zonder bufferende bescherming thuis, of, wanneer we naar het andere einde van het spectrum kijken, een ouder die blij is over je mijlpalen, je emotioneel begrepen en gehoord voelen, de ervaring dat er vanaf het begin een mooie levensenergie in je is opgewekt. Wat uiteindelijk ook het beeld is, één ding is duidelijk – levensverhalen kunnen en mogen niet worden beschouwd als simpelweg een verzameling achtereenvolgende gebeurtenissen die als nummers in een statistische dataset kunnen worden verwerkt; levensverhalen zijn veel meer dan dat. Het doet ertoe hoe mensen zich voelen gedurende hun reis door het leven, te beginnen in de kindertijd. Dit zijn biopsychosociale processen die hun neurofysiologische werk doen: ze hebben de zorgwekkende potentie om een pad te banen van een gebrek aan veiligheidsbeleving in de kindertijd naar een moeilijk leven in de volwassenheid.

Volgende week zullen we ons precies daarop richten, op de links tussen de kindertijd en het volwassen leven, tussen het verleden en het heden. Deze links komen alleen maar aan het licht doordat jullie je inzichten en verhalen delen, iets wat we oprecht zeer op waarde schatten. Vandaar onze vraag om, als je de tijd hebt, neem dan gerust een kijkje bij onze ‘Van kindertijd naar levensgeluk’-enquête en weet dat we je inbreng van harte verwelkomen. Bij voorbaat onze dank daarvoor en voor het delen van de link met anderen van wie je denkt dat ze erin geïnteresseerd zijn! (https://forms.gle/tJrPh7vcV3zbpv7W9).

Van kindertijd naar levensgeluk!

Heb je je ooit afgevraagd waarom je je sommige dingen uit je kindertijd heel levendig herinnert en andere niet? Reflecteer je weleens op hoe je bent opgegroeid tot de volwassene die je vandaag de dag bent? Overkomt het je soms dat je ernstig twijfelt aan je vaardigheid om dingen gedaan te krijgen, ondanks je kwaliteiten en gewoonlijk het bewijs van het tegendeel? Erger je je bij vlagen aan hoezeer je je kunt ergeren? Word je af en toe overvallen door een gevoel van eenzaamheid dat uit het niets lijkt te komen? Ben je bij tijd en wijle geneigd tot negatieve zelfpraat?

Vanuit ACE Aware NL zouden we voor dit soort vragen graag meer aandacht zien ontstaan, zowel in de wetenschap als in de samenleving in bredere zin, omdat de processen die met deze vragen verbonden zijn, vaak een link blijken te hebben met ervaringen in de kindertijd. De wijze waarop je als kind de wereld ervaart, waarop er met je wordt omgegaan, en de relatie die je opbouwt met de mensen die het dichtst bij je staan, blijken vaak de drijvende kracht te zijn achter hoe je blik op de wereld en je gedrag tot uiting komen. In diverse wetenschappelijke disciplines hebben grote aantallen studies getracht vast te stellen hoe deze ontwikkelingsprocessen in hun werk gaan.

Het geval is echter dat veel van de literatuur en het onderzoek onder allerlei groepen in bevolking dat erop is gericht om de inzichten rondom Adverse Childhood Experiences (ACE’s, ongunstige ervaringen in de kindertijd) te vergroten, is gebaseerd op tamelijk droge en cijfermatige analyses. Vragen als ‘hoe vaak komen ze werkelijk voor in de algemene bevolking’, ‘hoezeer beïnvloeden ze het functioneren van volwassenen in het heden’ en ‘wat zijn de belangrijkste ontdekkingen die we kunnen gebruiken om ACE’s te voorkomen’ worden nu grotendeels beantwoord via kwantitatieve enquêtes en tabellen. Zo koppelen onderzoekers bijvoorbeeld scores op een internationaal gebruikte ACE-scorelijst (persoon X voldoet aan de criteria voor N-aantal ACE’s) aan (langetermijn)metingen of observaties van stoornissen, ziektebeelden of risicogedrag later in de volwassenheid.

Wij vinden dat deze manier van het bestuderen van het belang van de vroege jaren voor de menselijke ontwikkeling in het algemeen en voor ACE’s in het bijzonder, geen recht doet aan meer diepgaande, persoonlijke, verhalende inzichten. We zien het pad van een mensenleven als te kleurrijk, te veelzijdig en te uniek om het samen te vatten in hokjes die je moet aanvinken, in vooraf vastgestelde categorieën en in omschrijvingen waarmee wetenschappers op de proppen komen, hoe toepasselijk die hier en daar ook mogen zijn. Waar wij heel graag meer over te weten willen komen, is hoe jij zelf de link zou omschrijven tussen je vroege jaren en je huidige zelf. We nodigen je daarom uit om iets lekkers te drinken te pakken, er op je gemak voor te gaan zitten op een plek waar je je prettig voelt, en herinneringen op te halen. Hoe was je kindertijd voor jou? Hoe veilig en geborgen voelde je je? Welke hindernissen wierp je kindertijd voor je op? Wie maakte voor jou een wezenlijk verschil in het overwinnen van de moeilijkste omstandigheden? Wie was degene die jou werkelijk zag zoals je bent?

Kwalitatieve onderzoeksmethodes zoals enquêtes met open vragen, diepte-interviews en themagesprekken hebben een geschiedenis waaruit blijkt dat ze de diepere lagen meer zichtbaar kunnen maken. Vanuit dat idee sluiten we ons vandaag aan bij internationale collega’s die aanmoedigen tot het gebruik van kwalitatieve inzichten en het gebruik van meerdere methodes om dit onderwerp te onderzoeken; we doen dat door een online-vragenlijst beschikbaar te maken met de titel ‘Van kindertijd naar levensgeluk’, ‘From Childhood to Life Happiness’. De vragenlijst is zowel in het Nederlands als het Engels geschreven en is bedoeld voor zowel leken als professionals op dit gebied. Er zijn zowel bondige gesloten vragen als verdiepende open vragen. We denken dat de lijst kort genoeg is om niet te veel tijd van je te vragen, en gedegen genoeg om je de zo gewenste ruimte te geven voor een genuanceerd beeld van je persoonlijke ervaringen. We benadrukken dat de vragenlijst volledig anoniem is en we hopen dat dat gegeven je tot steun is bij het open omschrijven van wat destijds belangrijk was voor je leven van nu. Het doel is de vragenlijst breed in Nederland verspreid te zien raken, zodat de resultaten een eerlijke weergave vormen van de inzichten van zoveel mogelijk mensen aangaande de link tussen de kindertijd en de volwassenheid.

We kijken uit naar je antwoorden, die via meer persoonlijke inzichten en nog weinig verkende contexten een waardevolle bijdrage zullen leveren aan de wetenschappelijke kennis over hoe belangrijk onze vroege levensjaren en onze liefdevolle relaties met anderen werkelijk zijn.
Bij voorbaat veel dank voor je oprechte gedachten en je vertrouwen in onze inspanningen om ze in te zetten ten gunste van een ieders reis ‘van kindertijd naar levensgeluk’!