Professionals en ACE-bewustzijn; Aflevering 2 – Deze keer: Henriëtte Markink, Deel 2 (English below)

Afgelopen week bespraken we Henriëtte Markinks start van het werken met mensen met trauma. Vandaag reizen we verder met haar mee, op weg naar meer ‘waardenvolle’ inzichten van haar ontdekkingstocht.

Ik vraag haar naar haar werkplek en ze vertelt dat ze als verpleegkundig specialist/traumabehandelaar tegenwoordig in een kleine GGZ-praktijk werkt. “In de kleinere praktijk waar ik nu werk, streven we naar korte lijntjes in de communicatie en ook naar korte wachtlijsten. Iemand die lang had moeten wachten, zei een keer tegen me: ‘Ik heb een afschuwelijke winter gehad. Ik had wel dood kunnen zijn.’ Die persoon was heel erg boos op mij en ik begreep dat ook, al had ik juist mijn stinkende best gedaan om die cliënt zo snel mogelijk aan de beurt te laten komen.”
Ik kijk haar aan en probeer haar lichaamstaal te lezen: “Het klinkt alsof er voor jou aan die wachtlijsten een ethische component zit…?”
Ze knikt en kijkt fel: “De wachtlijsten voor psychotraumabehandeling, soms wel bijna driekwart jaar, zijn echt een groot en landelijk probleem en ik ervaar dat zeker als een ethische kwestie. Ik vermoed dat achter de wachtlijsten een politiek spel zit dat te maken heeft met zorgverzekeraars en hun voorwaarden richting zorginkopers, maar daar weet ik niet genoeg van, dus daar kan ik me beter niet over uitlaten.”
Ze houdt de handen langs het gezicht in een gebaar van oogkleppen en zegt: “Ik heb ooit besloten om me voortaan verre te houden van al die politieke en beleidsmatige zaken, om me daar niet meer over op te winden en alleen maar patiëntgericht te werken.”

Daarmee komen we op de essentie van haar werk; ik vraag haar er expliciet naar, hoe ze die ziet. “De essentie van mijn werk…” Ze kijkt peinzend en denkt een poosje in stilte na. “Ja, dat vind ik wel een lastige… er komen allerlei dingen in me op… Heel erg van belang is om mensen die vroegkinderlijk getraumatiseerd zijn, weer hoop te geven, om die te ontschuldigen, om ze de ruimte te geven die ze zelf niet innemen… maar de essentie is misschien toch wel om goed te luisteren, want mensen hebben een chronische behoefte om gehoord en gezien te worden. Dat geldt natuurlijk voor iedereen, maar als je een beetje leuk uit de klei getrokken bent, dan heb je in de volwassenheid niet meer die voortdurende behoefte om gezien te worden en tegelijkertijd ook om juist niet gezien te worden.

We praten verder over ‘niet gezien willen worden’: “Vanochtend had ik een online groepsbehandeling samen met een collega en we vroegen iedereen of ze konden stilstaan bij zichzelf en konden voelen hoe het met ze ging. Dat was voor velen heel confronterend. Sommigen zeiden: ‘Ik wil WEG!’ Iemand anders zei: ‘Ik vond dit een AFSCHUWELIJK uur!’ Die trok dat bijna niet.” Ik vraag hoe dat zichtbaar werd, nu alles via een beeldscherm verloopt. Henriëtte breekt open in een lach: “Oh, dat was heel duidelijk!” Ze draait haar hoofd en haar ogen weg, kijkt naar het plafond, naar links, naar rechts, naar haar schoenen: “Die persoon keek ook voortdurend om zich heen en het was duidelijk dat die vooral niet met het besproken thema bezig wilde zijn. Dat is heel moeilijk om te ervaren, want zo iemand heeft eindelijk een groep waarin er wél wordt geluisterd, maar durft dan eigenlijk niet gehoord te worden, omdat dat een leven lang niet is gelukt. Zulke mensen zijn zo geraakt en gekwetst door alles wat ze is overkomen, dat de confrontatie met hun pijn in een liefdevolle, aandachtige omgeving bijna te veel voor ze is. Daarom streef ik er altijd naar om met compassie en zonder oordeel te luisteren. Je moet ze leren voelen dat ze echt gehoord mogen worden. Er is vaak zozeer níet geluisterd naar sommige mensen…”

We komen op de vraag wat er in haar werkomgeving onder trauma wordt verstaan. Ze geeft aan dat ze de omschrijving van de DSM-5 aanhouden, de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders. Bij PTSS gaat het dan onder andere om seksueel misbruik, mishandeling en getuige zijn van een plotselinge dood, en de effecten daarvan, zoals nachtmerries, vermijding en stemmingsproblematiek. Ze maakt onderscheid tussen situaties waarin een persoon wel of niet goed wordt opgevangen na een ingrijpende gebeurtenis en dat die opvang het verschil kan maken tussen wel of geen trauma ontwikkelen. Dit doet me denken aan de omschrijving van trauma door Gabor Maté: ‘Trauma is een psychische wond die je psychologisch hard maakt en die dan je mogelijkheden om te groeien en je te ontwikkelen, in de weg staat. Het doet pijn en nu handel je vanuit pijn. Het creëert angst en nu handel je vanuit angst. Trauma is NIET wat er met je gebeurt. Trauma is wat er binnen in je gebeurt als gevolg van wat er met je gebeurt.’

Henriëtte denkt mee: “Dat is een mooie omschrijving! Ik vind het namelijk problematisch dat verwaarlozing en gepest worden niet in de DSM staan, terwijl die zo’n enorme impact hebben. Daar moet echt nog veel veranderen. En tegelijk lijkt het woord ‘trauma’ soms ook wel een beetje een afvalbak geworden, een verzamelnaam voor van alles. Mensen zeggen soms bij iets wat niet lukt: ‘Ik krijg er een trauma van!’ Aan de ene kant maak je het daarmee te simpel, maar aan de andere kant laat het toch ook zien dat dit onderwerp maatschappelijk misschien meer aandacht begint te krijgen. Toen ik sociotherapeut werd, wilde eigenlijk nog niemand met getraumatiseerde mensen werken. Ken je het boek van Judith Herman? Dat was mijn ‘bijbel’ en is het eigenlijk nog steeds. Echt een aanrader.”

Dat Judith Hermans boek nog steeds haar ‘bijbel’ is, komt omdat het nog steeds actueel is: “Herman legt uit hoe de vraag of er wel of niet over trauma mag worden gepraat, heel erg samenhangt met de maatschappelijke trends op dat punt. Ergens willen we namelijk allemaal helemaal NIET weten dat er ellendige dingen zijn gebeurd. We willen niet weten over misbruik, over mishandeling, over ouders die dat doen of die dat laten gebeuren, want we willen ons dat eigenlijk niet kunnen voorstellen – het is te pijnlijk. Nu er meer behandelmogelijkheden zijn, lijkt het alsof er ook meer over mag worden gesproken. Overigens is het natuurlijk nog steeds moeilijk werk en als je niet transparant en ‘down to earth’ bent met je cliënten en een verborgen agenda hebt, dan gaat het mis. Dan krijg je frictie en gaan mensen de grenzen opzoeken. En daar zijn ze heel goed in, want dat hebben ze hun hele leven al moeten doen. Dan ontstaat er een sfeer van: ‘Ik zal eens even kijken of je wel werkelijk te vertrouwen bent. Wanneer spuug ook jij mij weer uit, omdat je zat van me bent?’

We kijken elkaar aan en laten de heftigheid van een dergelijke grondbeleving tot ons doordringen. “Sommige mensen zijn zó beschadigd… die hebben een leven lang niets anders ervaren dan dat. Nu we meer weten over de neurofysiologie, is het ook voor therapeuten iets gemakkelijker om te begrijpen wat er gebeurt als mensen moeilijk te hanteren gedrag laten zien en om dan met meer begrip achterover te blijven zitten en niet persoonlijk te worden getriggerd. Dat gebeurt weleens… ik ben ook een mens en dan realiseer ik me dat ze op mijn pijnpunt zitten… (ze lacht), maar met meer ervaring is het veel gemakkelijker om weer terug te keren en de verbinding proberen aan te gaan. Verbinding… ook dat is een deel van de essentie van mijn werk. Het duurt soms lang voor je die hebt met mensen, maar dan is ‘ie er!”

NL-Trust

We bespreken wat Henriëtte het meeste voldoening geeft in haar werk. “De vooruitgang, de groei, het feit dat mensen ook zelf leren zien hoe krachtig ze werkelijk zijn. Veel van mijn cliënten voelen zich extreem kwetsbaar, ondanks dat ze soms een ogenschijnlijk normaal leven leiden, met gezinnen, banen en studies. Ik probeer er dan altijd op te wijzen dat ze heel krachtig zijn, omdat ze anders nooit tot hier hadden kunnen komen, dwars door alle ellende heen. Velen met vroegkinderlijk trauma hebben comorbide klachten: daar speelt van alles door elkaar heen wat lang niet altijd aan dat trauma wordt gelinkt. Dan wordt er soms min of meer gezegd: ‘Jammer voor je, maar jouw problemen zijn te ingewikkeld; die kunnen we met methode X of Y niet behandelen.’ Mensen worden geregeld van het kastje naar de muur gestuurd… Er is op veel plekken nog veel meer psycho-educatie nodig om te zorgen dat we in de zorg en in de samenleving als geheel veel beter leren begrijpen waar het mee te maken heeft dat je als persoon op een bepaalde manier in elkaar zit.”

Dat bij allerlei problematiek de kindertijd een belangrijke rol speelt en veel meer in de belangstelling zou moeten staan, staat voor Henriëtte vast: “Ik zou willen dat er veel beter naar kinderen wordt geluisterd, ook in de jeugdzorg. Als ik de volwassenen zie, weet ik niet of ik ze als kind zou kunnen helpen. Ik denk dat ik te overweldigd zou zijn, te bang voor een slecht afloop. De volwassen cliënten hebben het in ieder geval tot daar overleefd! En ik heb echt buikpijn van wat kinderen nu door de lockdown allemaal overkomt. Over de hele linie staat het kindwelzijn volgens mij niet centraal in onze samenleving; er is te veel focus op prestatie, al vanaf dat ze baby zijn. Met drie maanden moeten ze bij wijze van spreken al een groentehap…” Ze wiebelt op de bank heen en weer en laat haar hoofd van links naar rechts en voorover zakken: “Tol… tol… tol…” We lachen samen om het treurige beeld van een baby die nog niet kan zitten, maar al van alles moet. “Laat ze toch lekker baby zijn!”

Dat is een mooi motto: baby’s de ruimte geven om er gewoon te zijn, met alle behoeften die daarbij horen, en tegelijkertijd beseffen dat baby’s in al hun kracht en kwetsbaarheid volwaardige mensjes zijn met een rijk gevoelsleven. Wanneer we hun behoeften en gevoelens respecteren, helpen we ze om met compassie naar zichzelf en de wereld te kijken.
Volgende week zetten we onze tocht met Henriëtte voort en bespreken we onder andere veiligheid en authenticiteit.

Professionals and ACE-awareness; Episode 2 – This time: Henriëtte Markink, Part 2

Last week, we discussed Henriëtte Markink’s start of her work with people with trauma. Today, we travel on with her, on our way to more ‘value-ful’ insights of her discovery journey.

I ask about her workplace and she tells how, as a nurse practitioner/trauma therapist, she presently works in a small organisation for mental health. “In the smaller practice where I work right now, we strive for short communication lines and also for short waiting lists. Someone who had had to wait for a long time once said to me: ‘I had a terrible winter. I could easily have been dead.’ That person was very angry with me, and I understood that, even though I had done my utmost to get that client their turn as soon as possible.”
I look at her and try to read her body language. “It sounds as if for you, there is an ethical component to those waiting lists…?”
She nods with a fierce look on her face: “The waiting lists for psychotrauma treatment, sometimes up to three quarters of a year, are really a big and nation-wide problem and I most certainly consider that an ethical issue. I do suspect, however, that behind those waiting lists, there is a political game related to health insurers and their conditions towards health ‘buyers’ [organisations that contract health care – the way this works in the Netherlands], but I do not know enough about that, so I’d better not venture an opinion on that.”
She holds her hands alongside her face in a gesture of wearing blinders: “At a certain point, I decided to maintain a proper distance from all those political and policy issues, to no longer get all frustrated about them, and to only work from a patient-oriented perspective.”

This brings us to the essence of her work; I explicitly ask how she would define it. “The essence of my work…” She looks thoughtful and thinks in silence for a bit. “Yes, that I find a tough question… there are many things that come to mind… Of great importance in working with people with childhood trauma is to give them hope, to deguiltify them, to give them the space they themselves do not take up… but in the end, the essence is careful listening, because people have a chronic need to be heard and seen. That applies to everyone, of course, but if you have been ‘pulled from the clay’ [as the Dutch saying goes] in a nice way, if you have been raised well, there will not be this incessant need in adulthood to be both seen and not seen at the same time.”

We continue to talk about ‘not wanting to be seen’: “This morning, I had an online group treatment session with a colleague and we asked everyone to stand still and pay attention to how they felt, how things were right now. For many, this was very confronting. Some said: ‘I want to LEAVE!’ Someone else said: ‘This was a HORRIBLE hour!’ This person hardly made it through.” I ask how that was visible, now that so much has to be done with the help of computer screens. Henriëtte breaks open in a big smile: “Oh, that was very clear!” She turns her head and averts her eyes, looks at the ceiling, to the left, to the right, at her shoes: “This person was constantly looking around and it was very clear that the theme we discussed, was a topic to be avoided. That is very hard to notice, because finally there is a group where people do listen, but then this person cannot find the courage to be heard, because they failed to be heard all throughout their lives. These people are so hit and hurt and harmed by all that happened to them, that the confrontation with their pain in a loving, attentive environment is almost too much for them. That is why I always strive to listen to people with compassion and without judgment. You have to teach them to feel that they really deserve to be heard. So often, these people have not been listened to in the most dreadful ways…”

We get to the question of how trauma is defined in her work environment. She indicates that they stick with the description of the DSM-5, the Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders. For PTSS, this comprises among other issues sexual abuse, physical abuse, witnessing a sudden death, and their effects, such as nightmares, avoidance and mood swings. She differentiates between situations where a person is or is not well supported after serious events; this support, she says, can make the difference between developing trauma or not. This reminds me of the description of trauma by Gabor Maté: ‘‘Trauma is a psychic wound that hardens you psychologically and that then interferes with your ability to grow and develop. It pains you and now you’re acting out of pain. It induces fear and now you’re acting out of fear. Trauma is NOT what happens to you. Trauma is wat happens inside of you as a result of what happens to you.’

Henriëtte thinks along: “That is a beautiful description! What I find problematic is that neglect and bullying are not in the DSM, although they have a huge impact. Still a lot has to change there. And at the same time, the word ‘trauma’ also seems to have become a ‘waste bin’ category for all kinds of problems. When something doesn’t work out, people sometimes say: ‘It gives me a trauma!’ On the one hand, you make it too simplistic that way, but on the other hand this might be a sign of this topic slowly but surely getting more attention from society. When I became a sociotherapist, almost no one wanted to work with traumatised people. Do you know the book by Judith Herman? It was my ‘bible’, and in fact it still is. Wholeheartedly recommended.”

Why Judith Herman’s book is still her ‘bible’, is because it is still very current: “Herman explains how the question of whether or not trauma can be discussed, is very closely related to societal trends regarding the topic. Somehow, you know, all of us do NOT want to know at all those appalling things that have happened. We do not want to know about sexual abuse, about physical abuse, about parents who do that or let that happen. We do not want to be able to imagine all that – it is too painful. Now that we have more treatment options, it seems as if there is more room to discuss these issues. Despite all that, the work with traumatised people is still highly complex and if you are not transparent and ‘down to earth’ towards your clients and you harbour a hidden agenda, then things get out of hand. You will get friction and people will start looking for the boundaries. They are very good at that, because they have had to do so all of their lives. Then you get into this atmosphere of: ‘I will try and see whether I can really trust you or not. When will you, too, spit me out again, because you are fed up with me?’

We look at each other and let the intensity of such a primal perception sink in. “Some people are so damaged… their whole lives, they have not experienced anything different than that. Because we know more about neurophysiology now, it is a bit easier for therapists to understand what happens if people show behaviours that are hard to deal with and, to then sit and lean back and not become personally triggered. It happens… I’m human, too, and then I realise they have touched upon my own vulnerabilities … (she laughs), but with more professional experience it is much easier to return to and to establish or restore the connection. Connection… that is also part of the essence of my work. It may take a long time before that needed connection is there, but when it’s there, it’s there!”

We talk about what gives Henriëtte most satisfaction in her work. “The progress, the growth, the fact that people learn to see how powerful they really are, how much strength they have. Many of my clients feel extremely vulnerable, despite their apparently normal lives, with families, jobs and studies. I always try to point out how powerful they are, because otherwise they would never have been able to make it until here, straight through all of the misery. Many people with childhood trauma have comorbidities: numerous issues intermingle, but they are not always being linked to trauma. Then people sometimes get a message that more or less says: ‘Well, sorry, but your problems are too complicated; we cannot treat those with method X or Y.’ People are often given the runaround… In many places, there is still a need for much more psychoeducation to make sure that both in healthcare and in society at large, we call come to understand much better why people turn out and behave the way they do, about how their personality has been shaped.
That childhood plays an important role in many problems and disorders, and should get much more attention, is a true fact according to Henriëtte: “I wish that children would be much better listened to, also in youth care and social services. When thinking of all the adults I see, I’m not so sure I would be able to help them if they were children. I think I might feel too overwhelmed, too afraid of a bad ending. The adult clients at least survived until now! It really makes me sick, to see what children and young people have to go through right now due to the lockdown. Overall, I think child wellbeing is not given priority in our society; there is too much focus on achieving, even when they are still babies. Sometimes, at the age of three months, it seems they are already supposed to eat vegetables…” She wiggles to and fro on the couch and lets her head fall from left to right and to the front: “Spin… spin… spin…” We laugh about the sad image of a baby who cannot sit yet, but from whom so much is already expected. “Just let them be babies!”

That is a great motto: give babies the space to just be, with all needs attached, while simultaneously being aware of the fact that in all of their vigour and vulnerability, babies are full-fledged humans with rich emotional lives. When we respect their needs and feelings, we help them to view themselves and the world with compassion.
Next week, we will continue our journey with Henriëtte and we will, among other topics, address security and authenticity.

Professionals en ACE-bewustzijn; Aflevering 2 – Deze keer: Henriëtte Markink; Deel 1 (English below)

Als ik de voordeur open, staat Henriëtte Markink, verpleegkundig specialist, met een stralende lach voor me. We hebben elkaar nog nooit ontmoet, maar het voelt meteen alsof we een fijn gesprek gaan hebben. We babbelen al in de hal over de charme van oude huizen. Die hebben zo hun gebruiksaanwijzing en eigenzinnigheden en ook hun sterke en zwakke punten, maar vooral, zo zijn we het eens, laten ze hun eigen karakter prachtig zien. Dat voel je, als je in zo’n doorleefd pand bent, waarin zich hoogte- en dieptepunten hebben afgespeeld. Pas achteraf bedenk ik me dat dit een rode lijn is in ons gesprek.

Het is begin januari; de kerstboom is weg, maar een paar laatste kerststukjes verraden dat de feestdagen pas net voorbij zijn. Omdat het nog vroeg donker is, heb ik kaarsen aangestoken en we drinken verse thee met een nieuwjaarsversnapering erbij. Dat morgen in de persconferentie zal worden meegedeeld dat de huidige lockdown, die half december inging, met drie weken zal worden verlengd, is al uitgelekt naar de media. We spreken over onze zorgen aangaande de impact daarvan op de mate waarin voor velen de stress oploopt. Veel mensen kunnen maar heel beperkt positieve sociale ervaringen opdoen of worstelen met inkomensonzekerheid of met het thuiswerken met alle kinderen over de vloer. Henriëtte woont in de Achterhoek en haar partner zit in de horeca, dus ze ervaren de problemen allebei heel direct, zij door extra werk met patiënten, hij door gebrek aan werk met gasten. Beiden hebben ze te maken met de complexiteit van het zoeken naar creatieve oplossingen.

Hij is samen met haar naar Assen gekomen, zodat ze een uitje hadden. We lachen erom, maar bespreken ook hoe vreemd en triest het is, dat je bijna zenuwachtig blij wordt af en toe, als je met andere mensen aan één tafel zit en het fijn hebt met elkaar. Zo diep zit de behoefte aan menselijk contact in ons allemaal ingebakken. Ontbreekt dat contact, dan lopen velen spaak. Henriëtte ziet in haar omgeving dat het leven voor sommige jongeren momenteel heel complex is en dat als gevolg van eenzaamheid en verveling het drugsgebruik toeneemt.

Zo komen we van de huidige corona-omstandigheden bij haar werk met patiënten met psychotrauma en stressgerelateerde klachten in een kleine GGZ-instelling. Via een ontroerend interview met haar daarover, ben ik bij haar terechtgekomen. Ik heb simpelweg de stoute schoenen aangetrokken voor een gesprek met haar, omdat ik het zo hoopgevend en inspirerend vind om met professionals te spreken voor wie die vroege fase centraal staat als fundament onder het leven dat erop volgt. “Bij drugsgebruik is er vaak maar één vraag: ‘Hoe ga je het nu anders doen?’, maar dat is niet voldoende. Ik moet denken aan een patiënte die tegen me zei: ‘Ik heb nog nooit zo veel verteld over de achtergrond van mijn trauma als nu bij jou.’ Ze voelde zich schuldig over van alles en nog wat en dan vraag ik: ‘Ga eens terug dan, naar die gebeurtenis; hoe oud was je? Weet je nog hoe en wat? Kun je de dingen in een context plaatsen?’ Voor veel vroegkinderlijk getraumatiseerde mensen is dat moeilijk, maar als je ze daarbij helpt en uitlegt wat er in je lijf gebeurt in relatie tot zulke gebeurtenissen, dan realiseren ze zich dat je je als kind niet schuldig hoeft te voelen.”


Na haar HBO-V-opleiding (1993) behaalde Henriëtte een propedeuse voor Sociologie aan de Universiteit van Amsterdam en naast de studie werkte ze als verpleegkundige in de psychiatrie. In dat jaar kreeg ze een vaste baan op een opnameafdeling in de psychiatrie. Na de geboorte van haar kinderen werd ze sociotherapeut en kreeg ze te maken met jongvolwassenen die soms al een flinke bagage meebrachten: “Die jongeren kwamen uit een nest en daar zat van alles achter, achter hun verhalen. Ik was inmiddels zeer geïnteresseerd geraakt in kindontwikkeling en hechting en binding; ik heb dat altijd een heel boeiend thema gevonden. Ze vroegen iemand voor een traumagroep. Dat kwam toen nog bijna niet voor, maar na overleg in een denktank zochten ze een vrouwelijke sociotherapeut voor die groep en mij leek dat wel wat. Ik ging er tamelijk bleu in, in de zin dat ik weinig wist van traumabehandeling. Ik had nog weinig kaas gegeten van het effect van trauma op een mensenleven. Gelukkig werkte ik met een zeer ervaren klinisch psycholoog in een periode waarin er nog veel tijd was voor intervisie, terwijl de literatuur er nog niet zoveel over te melden had. Gaandeweg kwamen er meer behandelmogelijkheden, waarbij lichamelijke methodes ook een belangrijke rol gingen spelen, zoals psychomotorische therapie, traumasensitieve yoga, of anderszins een meer lichaamsgerichte benadering in de psychologische behandeling. Het belangrijkste was echter dat mensen hun verhaal konden doen en dat ze hun eigen verhaal konden horen, dat ze uit hun hoofd gingen en meer gingen voelen met hun lijf. Ik was totaal geboeid door de verhalen. In de groepstherapie vertelden mensen die verhalen aan ons als therapeuten, maar daarmee stelden ze zich ook open richting de groep. Ze kwamen één keer in de week een hele dag. Daarbij was het belangrijk dat we ze leerden zien wat hun overlevingsmechanismes waren. We bespraken dat het goed was dat die strategieën hadden gewerkt, maar dat ze dat nu niet meer deden en zelfs disfunctioneel waren geworden. Dan werd de vraag hoe ze dat konden veranderen en hoe ze patronen konden doorbreken.”

Toen ze meer uitdaging zocht, begon ze aan de opleiding tot verpleegkundig specialist (2010), die toen nog in de kinderschoenen stond. “Het was mij namelijk opgevallen dat mensen met trauma in de voorgeschiedenis veel lichamelijke klachten hadden, zoals astma en fibromyalgie, maar ook langdurige en traumatische baringservaringen. Meer en meer dacht ik… dit kan geen toeval zijn… of is het wél toeval? Dat wilde ik onderzoeken. Toen heb ik voor mijn studie een literatuuronderzoek gedaan bij lichamelijke klachten na een geschiedenis van trauma en zo kwam ik rond 2008, 2009 met de ACE-studie van Anda en Felitti in aanraking. En ik las nog veel meer waaruit bleek dat er wel degelijk een verband was tussen chronische stress en lichamelijke klachten. Zowel voor mij als voor mijn cliënten viel er toen veel op z’n plek! Ik kon ze eindelijk uitleggen dat het niet zo raar was dat ze van dit en dit en dit last hadden. Als je voortdurend een gespannen lijf hebt, dan kun je je wel voorstellen dat dat invloed heeft op je gewrichten, en op je ademhaling en op je hart. Dat werkt ook heel ontschuldigend voor mensen. Toch houd ik me bij de heftige ziektes op de vlakte. Ik leg uit dat je van chronische stress lichamelijke kwalen kunt krijgen, maar ik noem dan niet astma of kanker, ondanks dat we weten dat de kans op kanker ook veel groter is bij chronische stress. Een vrouw die ik ooit begeleidde en die uiteindelijk is overleden aan kanker, zei tegen me: ‘Je hoeft me dat niet te vertellen; ik weet wel dat het daardoor komt.’ Dus ja…”

We zijn even stil, als ze dit heeft verteld. Het is altijd weer indrukwekkend om te horen hoe de innerlijke wijsheid van mensen soms tot intens verdrietige conclusies leidt. Het is niet eenvoudig om als zorgverlener te beslissen hoe je met zulke inzichten kunt omgaan. Als iemand er niet klaar voor is om deze optie in overweging te nemen, in een levensfase waarin er aan de vroegere gebeurtenissen niets meer kan worden veranderd… werkt het dan nog ontschuldigend of veroorzaakt het juist hertraumatisering? En minder op het persoonlijke, maar meer op het maatschappelijke niveau… als de statistieken dit soort verbanden laten zien, hoe kunnen we er dan voor zorgen dat daarvoor veel meer aandacht komt bij alle beleidsmakers en zorgverleners die voorstander zijn van échte preventie? Vaak is het narratief over mensen die bepaalde ziektebeelden vertonen en verslaafd zijn nog heel anders. Henriëtte daarover: “Over mensen met psychotraumagerelateerde stoornissen bestond het idee dat ze zichzelf verwaarloosden, verslaafd waren of verslavingsgevoelig, de neiging hadden seksueel overactief te zijn met vele wisselende contacten en onbeschermde seks en daardoor zouden ze dan vooral ziektes oplopen. Toch wordt dát in de literatuur al geruime tijd ontkracht. Er is zeker al wel bekend dat veel ziekte voortkomt uit wat zich in je lichaam afspeelt. En nu er de laatste jaren zoveel neurocognitief onderzoek is gedaan, blijkt dat ons brein… ja… ik wil bijna zeggen… ons lichaam infecteert! In ieder geval is het zo dat een overprikkeld brein enorme effecten heeft op onze gezondheid. Ik smul van die studies, omdat ze ons zoveel meer inzicht geven in wat er in mensen omgaat als gevolg van stress en trauma!”

Ik kijk haar aan en kan het niet laten om die onmogelijke term die zo prachtig al deze processen samenvat op tafel te leggen: psychoneuroimmunoendocrinologie. We hebben even dikke pret om dit woord, maar stellen vast dat het hierom gaat, om de fysiologische processen die het dualistische denken op de helling zetten: lichaam en geest zijn geen losstaande aspecten van het menszijn. Ze vormen samen één groot systeem waarin de psyche, het neurologische systeem, het afweersysteem en het hormonale systeem onlosmakelijk en onontwarbaar met elkaar verbonden zijn. “Wat mooi, hè?”, zegt Henriëtte, “en wat weten we dat eigenlijk al lang! Volgens mij gaan we écht toe naar goeie behandeling als we dat dualisme helemaal kunnen loslaten, maar zover zijn we nog lang niet…”

Volgende week reizen we verder mee met Henriëtte en horen we meer over haar ervaringen met het werken met mensen met vroegkinderlijk trauma.

Professionals and ACE-awareness; Episode 2 – This time: Henriëtte Markink; Part 1

When I open the front door, Henriëtte Markink, nurse practitioner, stands before me with a bright smile. We have never met before, but straight away I have the feeling that we are going to have a beautiful conversation. Already in the hallway, we start a lively chat, about the charm of old houses. Those have their user’s manual and idiosyncrasies and also their strengths and weaknesses, but mostly, we agree, they show their own character in a wonderful way. You can feel it, if you are in a building that has a long history and in which highs and lows have taken place. Only in hindsight I realise that this aspect is a guiding line through our conversation.

It is the beginning of January; the Christmas tree is gone, but a couple of last decorations give away that the holidays are only just over. Because darkness still sets in early, I have lit a couple of candles and we drink a fresh, hot tea with a sweet new year’s treat. It has already been leaked to the media that tomorrow’s press conference will announce that the present lockdown, that started mid-December, will be prolonged by another three weeks. We speak about our concerns regarding the impact of this on the degree to which stress is rising for many. Many people only have very limited opportunity to have positive social experiences these days, or they struggle with income insecurity or with working from home while all the kids are there. Henriëtte lives in the Achterhoek, the eastern middle part of the Netherlands, and her partner is in the restaurant and catering business, so they both experience the present problems in a very direct way, she through extra work with stressed out patients, he through a lack of work with dinner guests. Both are dealing with the complexity of finding creative solutions.
He came to Assen with her, so that together they had a little outing. We laugh about it, but also discuss how strange and sad it is, that you almost get nervously excited now and then, when you sit at the table with other people and have a good time together. It is that deeply rooted in us, that need for human contact. If it is lacking, many get stranded and stuck. Henriëtte sees in her environment that life is very complex for some young people at the moment and that, as a consequence of loneliness and boredom, drug use increases.

Via this topic of the present corona circumstances, we land at her work with patients suffering from psycho-trauma and stress-related issues in a small institution for mental health. Through a moving interview with her  about those topics, I got acquainted with her views. I decided to take a bold step and asked whether I could have a conversation with her, because I find it so hopeful and inspiring to speak with professionals who consider the early years to be at the heart of the foundation under the life that follows. “In situations of drug use, there is usually only one question being asked: ‘How are you going to change your habits?’ – but that is not enough. It reminds me of a patient who said to me: ‘Never before did I tell so much about the background of my trauma as I do with you now.’ She felt guilty about a lot of things, which usually makes me ask: ‘Can you take a step back and look at those events; how old were you? Can you still remember how and what happened? Can you put things in that former context?’ For many people with childhood trauma, this is hard, but if you help them and explain what happens in the body in relation to such experiences, then they become aware that as a child, you do not have to feel guilty.”


After her studies to become a nurse (graduated in 1983 for HBO-V), Henriëtte obtained a first year in Sociology at the University of Amsterdam and next to her studies, she worked as a nurse on a psychiatric ward. After that year, she got a permanent job at a psychiatric admission department. After the birth of her children, she became a socio-therapist and she got in touch with young adults that sometimes brought quite an amount of baggage from their childhood: “Those youngsters came from a certain nest and there was a lot behind their stories. By then, I had become very interested in child development and attachment and bonding; I have always found that a very fascinating subject. My employer was looking for a socio-therapist for a trauma group. That was very rare in those days, but after a long session in a think tank in the institution where I worked, they decided they wanted a female socio-therapist for that group and I was fully into it. I was pretty naive when I entered, because I didn’t know very much about trauma treatment at the time. Also, I did not really have a clue about the effect of trauma on the human life course. Fortunately, I was working with a very experienced clinical psychologist in an era in which there was still time available for intervision, even though the literature did not yet have much to say about the topic. Slowly but surely, more treatment options arose, in which physical methods played an important role, such as psychomotor therapy, trauma-sensitive yoga or other more body-oriented approaches in the psychological treatment. The most important, however, was that people could tell their stories and that they could listen to themselves telling their own stories, that they would come ‘out of their heads’ and would be more present in their bodies and become more sensitive to their feelings. I was completely fascinated by their narratives. In the group sessions, people described these narratives to us as therapists, but by doing so they were also opening up to the group.

They would come once a week for a whole day. During that day, it was important for them to learn and see what their survival mechanisms were. We discussed the usefulness of those coping strategies and how good it was that they had worked until now, but that they had stopped working and even become dysfunctional. Then, the question became how they could change that and how they could break their patterns.”

When she was looking for more challenges, she started studying to become a nurse practitioner (graduated 2010), a discipline still in its early stages then. “The point is…what I had noticed, was that people with trauma in their history had a lot of physical issues and pathology, such as asthma,  infections, chronic fatigue, sleeplessness, arthritis and fibromyalgia, but also long and traumatic birthing experiences. The more I saw, the more I thought that this could not be a coincidence…or was it? That, I wanted to dive into. Thus, I decided to do a literature review for my studies to find out more about physical illness after a trauma history and that is how I became aware of the ACE-study by Anda and Felitti. And I kept reading and found that there was much more that showed a correlation between chronic stress and physical issues. Both for me and for my clients, much fell into place! Finally, I was able to explain to them that it wasn’t all that strange that they suffered from this and that and so and so. If your body is constantly tense, it is not so hard to imagine that this will influence your joints, your breathing, your heart. To be able to tell them that, works very ‘deguiltifying’ for people. Yet, when it comes to very serious diseases, I am very careful. I explain that chronic stress can lead to physical disease, but I do not mention asthma or cancer, even though we know that with chronic stress, chances of cancer also increase. I remember a woman who was once a client of mine and who died of cancer after a long period of time; she said to me: ‘You don’t have to tell me that; I know that this is the cause.’ So yes…”

We sit in silence for a while, after she tells this. It is always impressive to hear how people’s inner wisdom can sometimes lead to intensely sad conclusions like this one. It is not easy for a healthcare provider to decide on how to handle these insights. If someone is not ready to consider this correlational option, in a stage of life where nothing can be changed about the former events anymore…does it still work ‘deguiltifying’ or rather retraumatising…? And less personal, but more at the societal level…If statistics provide us with these correlations, how can we take care that much more attention is being paid to those links by all policymakers and healthcare providers who are in favour of real prevention? Quite often, the narrative about people with certain diseases and addictions is quite different. Henriëtte: “About people with psychotrauma-related disorders, there was this idea that they neglected themselves, were either addicted or sensitive to addiction, inclined to be sexually overactive with a lot of promiscuity and unprotected sex, which was supposed to cause them to contract all kinds of diseases. In the scientific literature, however, this view has been flawed already quite some time ago. We have known for a while now that many diseases stem from what happens inside your body. And now that the last years have provided us with so much neurocognitive research data, we have found out that our brain…yes, well…I was about to say… infects our bodies! That is not the right wording, but I mean that an overstimulated brain has an enormous impact on our health. I really savour studies like these, because they give us so much more insight in what goes on in people as a result of stress and trauma!”


I look at her and cannot resist the urge to put on the table that impossible term that at the same time summarises all the aspects so brilliantly: psychoneuroimmunoendocrinology. For a couple of minutes, we have much fun about this word, but we conclude that this is what it is all about, about the physiological processes that call into question the dualistic thinking: body and mind are not separate aspects of humanness. Together, they are one big system, in which the psyche, the neurological system, the immune system and the hormonal system are intricately and inextricably connected. “Isn’t that beautiful?”, Henriëtte says, “and in fact, we have known this for a long time! In my view, we can only head towards really good treatment if we can let go of dualism completely, but we still have a long way to go to get there…”

Next week, we travel further with Henriëtte and hear more about her experiences in her work with people with childhood trauma.

Onze samenleving en Adult Supremacy, Deel 6 (slot; English below)

Afgelopen week bespraken we hoe het voor ouders heel moeilijk kan zijn om aan de behoeften van hun kinderen tegemoet te komen, zeker wanneer ze aan allerlei invloeden uit de sociale omgeving blootstaan en aan sociaalculturele gewoontes en verwachtingspatronen moeten voldoen. Het kindbelang meer in het oog houden en je erop afstemmen, vraagt een proces van zelfreflectie dat voor volwassenen heel confronterend kan zijn. Wat maakt het zo moeilijk, om de verbinding met het kind en diens behoeften te leggen?

Fysiologie

Mensen vallen biologisch gezien onder de klasse van de zoogdieren. Daarin wordt onderscheid gemaakt tussen schuilzoogdieren, nestzoogdieren, volgzoogdieren en draagzoogdieren. Al die soorten hebben andere manieren om hun jongen te verzorgen en hebben andere vetpercentages in hun melk. Dat is natuurlijk wat ze bindt: dat ze hun jongen met melk uit de melkklieren van de moeder voeden. De mens hoort, net als andere primaten, bij de draagzoogdieren. De melk bevat een beperkte hoeveelheid vet en de moeder moet haar baby daarom met grote regelmaat voeden. Daarom draagt ze haar kroost bij zich, zodat die toegang heeft tot de borst en om de haverklap kan drinken. Van alle primaten zijn mensenbaby’s het meest onrijp bij de geboorte, zodat ze lange tijd afhankelijk zijn van de zorg van de moeder en andere volwassenen. Zonder die nabijheid zijn ze als het ware ten dode opgeschreven: er kan zomaar een sabeltandtijger om de hoek komen die ze opvreet. Mensenbaby’s zijn daarom zó geëvolueerd dat al hun gedrag erop is gericht om de verzorgende volwassene dichtbij te houden. Als baby’s daarin slagen, voelen ze zich veilig. Lukt dat niet, dan is er een constant gevoel van dreiging en gevaar met als gevolg dat het lichaam in een fysiologische staat van stress raakt en zich voorbereidt op vechten, vluchten of bevriezen. In die staat stromen er flinke hoeveelheden stresshormonen door het lichaam, allemaal bedoeld om te zorgen dat het organisme zichzelf via de meest basale vaardigheden in veiligheid kan brengen. Andere functies zijn daaraan ondergeschikt, zoals leerprocessen, analytisch denken, planning, creativiteit, spel en empathie. Het lichaam heeft onder die hoge stress te lijden, maar als het goed is, duurt die maar kort en dan is ‘ie functioneel: de stress helpt om te ontsnappen aan het gevaar.

Een beeld uit de documentaire ‘Resilience’ met een weergave van de overlevingsmodus van een kind dat toxische stress ervaart

Wanneer de stress echter blijvend is en het individu niet meer tot rust komt en geen veilige haven vindt, tast de stress het brein aan, evenals andere organen en daardoor raakt stressregulatie ontregeld. De kans op ziekte en problemen later in het leven neemt dan toe. De stress wordt opgeslagen in het lichaamsgeheugen en is weigert zomaar te verdwijnen als de gebeurtenis voorbij is. Het risico ontstaat dat je als het ware ‘ontregeld’ blijft of in ieder geval extra gevoelig wordt voor ontregeling. Hier zit een groot knelpunt, want zoals psychiater en trauma-expert Bruce Perry zegt: ‘Een emotioneel ontregelde volwassene kan een emotioneel ontregeld kind niet weer tot gezonde regulatie brengen.’ Wanneer ze allebei in een overlevingsmodus verkeren, is het voor allebei moeilijk om rekening te houden met de ander. Dit is de essentie van waarom het moeilijk is om je in de ander in te leven (empathie te voelen) en voor de ander mededogen te hebben (compassie te voelen) als je zelf op structurele basis, heftig, langdurig of herhaaldelijk gestrest bent. Een sensitieve, responsieve benadering van de ander is moeilijk onder stress: je hebt meer dan genoeg aan jezelf.

Kun je je de Biosociale Erfenis nog herinneren? ACEs hebben impact opde biologische mechanismen die op hun beurt worden beïnvloed door sociale factoren. Met name de combinatie van het effect van problematische machtsverhoudingen tussen volwassenen en kinderen en de invloed daarvan op stressregulatie is de kern van Adult Supremacy. (En natuurlijk zijn al deze aspecten onderling met elkaar vervlochten!)

Verantwoordelijkheid (nogmaals, maar nu anders)

Een responsieve benadering houdt in dat je adequaat reageert op de ander, dat je de behoeften van de ander onderkent en probeert eraan tegemoet te komen, dat je diens vragen en noden ziet en er actie op onderneemt. Daarvoor heb je een zekere mate van empathie nodig. Dan kun je ver-antwoord-elijkheid dragen: antwoorden. Het Engelse woord voor ‘verantwoordelijkheid’ is ‘responsibility’ en relatie tot stress en trauma wordt hierbij met een woordspeling vaak gesproken over ‘response-ability’: de vaardigheid om te antwoorden. Als je onder hoge stress staat en in een overlevingsmodus bent, kun je niet antwoorden, je niet ver-antwoorden, geen ver-antwoord-elijkheid dragen, niet voor jezelf en niet voor een ander. Anders gezegd: hoe zwaarder ouders en andere volwassenen belast zijn, met hun huidige taken of met pijn, verdriet of trauma uit het verleden, hoe moeilijker het voor ze is om de behoeften van het kind goed te zien en goed te bevredigen. Daardoor kan er gemakkelijk een zich eindeloos herhalend patroon ontstaan van stress die tot stress leidt, van verstoorde ontwikkeling die tot verstoorde ontwikkeling leidt, van gebrek aan verbinding met het zelf tot gebrek aan verbinding met de ander, kortom: van intergenerationeel trauma. Het kind kan daar op grond van de eigen onrijpheid weinig aan veranderen; dat is echt de taak van de volwassenen in de sociale gemeenschap. Zij moeten dit oppakken en ermee aan de slag gaan. Beleid en therapie moeten sleutelen aan die volwassen problematiek, aan die volwassen structuren, niet aan de kinderen. Die kinderen en het probleemgedrag dat ze mogelijk laten zien, zijn slechts een symptoom, een afspiegeling van de problematiek van de volwassen wereld, waarin het kind de verbinding met zichzelf verliest, omdat voor de volwassenen de authenticiteit van het kind, de unieke eigenheid, de krachtige drang om zichzelf volledig te ontplooien, misschien te veel is, te moeilijk, te ingewikkeld, te anders, te confronterend, te pijnlijk in relatie tot hoe ze zelf niet mochten zijn wie ze waren toen zij klein waren. Dat is zwaar, want om te overleven en gelukkig te zijn, heb je meer nodig dan fysieke veiligheid. Emotionele veiligheid, spiritueel en creatief kunnen overleven, zijn minstens zo belangrijk, zo weten we tegenwoordig, want emotionele onveiligheid leidt tot allerlei vormen van ellende. Hoe kunnen we dat voorkomen?

Een afbelding die de invloed van verschillende sectoren in de samenleving laat zien in relatie tot ACE’s

Investeren in het kind

We kennen als ouders en volwassenen allemaal wel het gevoel dat we ‘op’ zijn, dat we ons geduld niet kunnen bewaren, dat we even niet aanspreekbaar willen zijn voor de behoeften en eindeloze vragen van onze kinderen. Zegt dat iets over hoe ‘lastig’ het kind? Of zegt de mate van ongeduld iets over de mate waarin we al dan niet volwassen genoeg zijn om de kinderlijke verlangens te zien voor wat ze zijn: een diepe behoefte aan je gehoord, gezien en gewaardeerd weten?
De moderne wetenschap, zowel de sociale als de medische, laat zien hoe belangrijk die vroege jaren zijn: wie gezond start, vergroot meestal die positieve voorsprong; wie ongezond start, ziet hoe allerlei problemen in het leven zich opstapelen. De kindertijd is voor ouders daarom een intensieve fase in het leven, een fase waarin ze grootschalig tijd en energie (en geld) moeten steken in de toekomst van het kind. Dat is géén pleidooi voor ‘child supremacy’, wél een oproep om als samenleving te streven naar meer ‘child inclusivity’, naar beleid waarin de behoeften en dus de rechten van kinderen veel serieuzer worden genomen. Tegen allerlei trends in lijkt het bovendien urgent dat de zorg voor kinderen zowel persoonlijk als maatschappelijk niet als een lastige kostenpost wordt gezien, maar als een eervolle taak, een fantastische investering in de nieuwe generatie. Ieder kind wordt geboren met een potentieel in de knop. Door liefdevolle zorg kan dat potentieel tot bloei komen en kan het kind floreren.

Het zorgen voor kinderen verdient meer sociale én economische status dan het nu heeft, maar daarvoor moet de adult supremacy wel eerst wijken. De volwassen belangen (meer maatschappelijk, zoals neoliberale ideologieën) en de belangen van volwassenen (meer persoonlijk, zoals individuele ontwikkeling los van het kind) zullen een stapje terug moeten doen in verhouding tot wat kinderen, als zwakkere partij in het machtssysteem van de samenleving, nodig hebben. Dat is vermoedelijk een uitdaging waarvoor een paradigmaverschuiving nodig is, een fundamentele verandering van hoe we naar kinderen kijken. Zo’n verandering, waarin compassie centraal staat, naast nieuwsgierigheid voor wat het kind drijft, is echter in alle opzichten zeer de moeite waard, want, zoals de 19e-eeuwse anti-slavernij-activist Frederick Douglass zei: ‘It’s easier to build strong children than to repair broken men’!

Dit was het laatste deel in een serie over Adult Supremacy.