Professionals en ACE-bewustzijn, Aflevering 5 – Deze keer: Kelli van Gerven, Deel 1 (English below)

Het is een zonnige woensdag als ik onder de hoge bomen door naar de hoofdingang van het gezondheidscentrum loop. Mijn interviewee van vandaag, jeugdarts Kelli van Gerven, heeft op de bovenverdieping een spreekkamer. Ze staat me op te wachten en het laatste stukje lopen we samen op. Het is bijzonder om elkaar na lange tijd weer te ontmoeten. Terwijl ze voor ons beiden thee zet, stellen we vast dat het als de dag van gisteren voelt dat we in gesprek waren over onze zorgen aangaande advisering rondom excessief huilen. Meer recent hebben we contact gehad over een document dat de behoefte van kinderen aan een diepe veiligheidsbeleving geen recht leek te doen.

Ik vertel dat mijn collega en ik eerder op de dag een gesprek hadden met een zorgverlener over de eerste 1000 dagen en stress in het vroege kinderleven. Ook Kelli was een tijdje geleden bij een overleg over dit onderwerp. De wetenschappelijke inzichten over de behoeften van kinderen in de vroege levensfase zijn de laatste decennia fors aangevuld. Ze blijken dikwijls niet overeen te stemmen met wat in westerse samenlevingen dikwijls ook nu nog wordt verteld aan ouders en het grote publiek. Kelli merkte in het overleg dat de consequenties van deze nieuwe kennis voor de dagelijkse praktijkvoering soms nog op veel weerstand stuiten. Dat is begrijpelijk, want het vraagt veel van professionals als nieuwe inzichten nopen tot het omgooien van de gebruikelijke werkwijzen. Dat vraagt om reflectie: ‘Hoe heb ik dat altijd gedaan? Wat heb ik aan ouders aangereikt? Op welke wijze heb ik dit in mijn eigen gezinssituatie aangepakt? De antwoorden op zulke vragen kunnen confronterend zijn, omdat je bij nader inzien je eigen eerdere keuzes misschien niet meer onderschrijft. Het raakt je misschien, dat de nieuwe advisering botst met hoe je dingen beroepsmatig en persoonlijk altijd aanpakte. Bovendien kan het zijn dat een andere aanpak kennis en tijd vereist die binnen het huidige systeem niet voorhanden zijn.

Kelli zegt: “Het kan terecht zijn dat je je eigen eerdere handelwijze… hoe zal ik het zeggen… ‘afkeurt’, al is dat een te heftig woord, maar met aanvullende kennis kun je besluiten een knip te maken naar iets nieuws. Daarvoor is nodig dat je je van veranderde inzichten bewust wordt, dat je de impact ervan laat binnenkomen en dat je je er niet tegen verweert, want dan is verandering heel moeilijk. Maar goed, het is natuurlijk ook niet eenvoudig. Een ogentest afnemen of een kind wegen… dat is redelijk gemakkelijk. Wanneer het gaat over zaken die meer opvoedingsgerelateerd zijn, zoals slapen en huilen, dan is het veel ingewikkelder. Dat is de reden dat ik altijd hoop dat er bij  beleidsoverleggen niet alleen managers en leidinggevenden aanwezig zijn, maar ook echt de mensen die het werk met de ouders doen. Die kunnen dan namelijk hun waardevolle ervaringen delen en dan kan er van daaruit worden gekeken naar hoe je veranderingen zou kunnen doorvoeren op basis van de nieuwe evidence.”

We spreken over hoe er achter bepaalde zaken, zoals een ogentest, niet zozeer een ideologie of een overtuiging zit waarover je van mening kunt verschillen. “Dat is zeker een aspect daarvan”, zegt Kelli, “want ik merk zelf dat ik soms de kriebels krijg van de visie op kinderen in sommige documenten. Als ik als ouder ergens kom met mijn kind, dan verwacht ik dat die zorgverlener op de hoogte is van de laatste stand van zaken in de wetenschap. Als ik zou merken dat dat niet zo is en ik krijg adviezen waarin ik me helemaal niet kan vinden, dan is dat heel lastig. Misschien sluiten ze niet aan bij wat ik zelf aan informatie heb verzameld en hoe mijn eigen wereldbeeld eruitziet. Ik snap het wel dat ouders in zo’n geval misschien denken: ‘Waarom ga ik daarheen?’ Dat gevoel ondermijnt hun bereidheid om van die zorg gebruik te maken. Dat is denk ik iets wat aandacht verdient van ons als zorgverleners.”

Ik vraag hoe ze door die lastige situaties laveert. Kelli: “Het lukt me bijna altijd prima om met ouders op één lijn te komen. Ik ga samen met hen in de ouderschapsrol zitten en dan gebeurt het eigenlijk nooit dat we er niet samen uitkomen. Tussen collega-professionals onderling is dat veel moeilijker, is mijn ervaring. Zo was ik ooit bij een scholing over breinontwikkeling bij kinderen en daar kwam de vraag aan de orde of bepaalde vormen van schade wel of niet reversibel zijn, dus of je die weer ongedaan kunt maken. De indruk werd gewekt dat dat altijd mogelijk is. Dat stemde niet overeen met wat ik erover heb geleerd, dus ik vroeg erop door. De spreker gaf toen aan dat er inderdaad bepaalde processen zijn die zo in het brein ‘ingebouwd’ raken dat ze niet of in ieder geval heel moeilijk omkeerbaar zijn. Dat lijkt me belangrijke informatie, want dat betekent dat we als zorgverleners heel zorgvuldig moeten omgaan met zulke processen. Het antwoord van de spreker leidde echter tot heel veel boze onrust in de zaal: hoe ik dat kon vragen, wat ik ouders wel niet aandeed, dat ik te ver ging… Ik merkte dat het onderwerp heel triggerend was voor veel aanwezigen.
Wat ik daarna miste, was dat we met z’n allen in gesprek gingen over de vraag waarom we zozeer van slag raken door het idee dat bepaalde vormen van omgaan met baby’s schade geven die maar moeilijk weer ongedaan kan worden gemaakt. Dat zijn dynamieken die ik met ouders eigenlijk nooit op die manier heb, extreme situaties en uitzonderingen daargelaten. De collega-zorgverleners waren van mening dat je het ouders niet kunt aandoen om te zeggen dat bepaalde dingen schadelijk zijn, maar dat was mijn punt niet. Ik ben het ermee eens dat zorgvuldigheid en sensitiviteit de kern moeten zijn in gesprekken met ouders. Dat neemt volgens mij alleen niet weg dat we wél eerst moeten vaststellen dát sommige dingen echt onwenselijk of zelfs schadelijk zijn. Díe discussie moeten we éérst voeren en van daaruit gaan we verder. Zulke kritiek raakt mij dan niet persoonlijk, maar ik hoop wel dat ik met zo’n vraag kan bijdragen aan een denkproces dat we echt moeten doorlopen met elkaar over het principe: de meest recente inzichten zijn de basis voor plan A, het beste scenario. Als Plan A niet werkt, moet je soms voor plan B gaan en dan maak je dáár weer het beste van. Nu lijkt het soms alsof plan B de eerste keuze is en dat als je plan A bepleit, je ouders iets aandoet of ze overvraagt, terwijl ik van mening ben dat ouders recht hebben op de informatie van plan A. Zij moeten kiezen wat ze willen en wij begeleiden ze daarbij.”

Ik vraag Kelli hoe ouders reageren als ze dit soort onderwerpen met hen bespreekt.
“Dat hangt sterk af van welke ouder er voor me zit. Eén ding is altijd zeker: we zitten met elkaar in die spreekkamer omdat iedereen het beste voor dat kind wil. Vaak komt er in zo’n gesprek een vraag van de ouders, bijvoorbeeld over onenigheid over waar het kind slaapt en of het alleen moet leren slapen. Dan is het de bedoeling dat ik als jeugdarts werk overeenkomstig de JGZ-richtlijnen. Ouders krijgen daar in zoverre wat van mee dat voorlichtingsfolders voor hen worden gemaakt op basis van die richtlijnen. Op het consultatiebureau hebben ouders niet altijd dezelfde medewerker voor zich. De continuïteit komt dus voor een heel deel uit het toepassen van de richtlijnen, maar niet iedereen interpreteert die op dezelfde manier. Wat ik dan doe, is dat ik uitleg dat er meerdere visies zijn en dat de keuze voor hoe ouders het willen aanpakken met hun kind natuurlijk altijd bij hen ligt. Ik leg uit wat de basisbeginselen zijn van wat een baby of een jong kind nodig heeft en daarmee geef ik aanvullende informatie. Wat ik belangrijk vind, is dat ze alles op tafel durven leggen waarmee ze zitten of waarover ze vragen hebben, zodat we het kunnen bespreken. Die ouders moeten het immers samen doen! Na afloop van het consult moeten ze niet naar huis gaan met het idee dat ze moeten doen wat de dokter zegt, maar met het idee dat ze samen verder kunnen puzzelen en voldoende informatie hebben, ook in contact met anderen in hun sociale omgeving. Ik vind die gesprekken heel mooi, want je merkt dat je wat gemeenschappelijk hebt, namelijk het welzijn van het kind. Wanneer er zorgen zijn over zaken als mogelijke kindermishandeling, dan is het een ander verhaal, maar voor het gros van de ouders geldt dat natuurlijk niet. Die willen graag kijken wat goed is om te doen. Ik geniet van die interactie en daardoor krijg je een positieve uitwisseling met elkaar. Ik zeg nooit: ‘Zo gaan we het doen’, want het gaat niet om wat ik wil; ik hoef immers dat kind niet te voeden en te verschonen en te verzorgen? Die ouders moeten lekker in hun rol zitten. Dat proces begeleiden… dat vind ik echt fantastisch!”

Volgende week lees je in Deel 2 over de uitdagingen die Kelli ervaart in het contact met ouders en met richtlijnen en de wijze waarop ze de wetenschappelijke inzichten ingebed ziet in de dagelijkse praktijk.

Professionals and ACE-awareness, Episode 5 – This week: Kelli van Gerven, Part 1

It’s a sunny Wednesday as I walk underneath the tall trees to the main entrance of the health center. My interviewee today, youth healthcare doctor Kelli van Gerven, has a consulting room on the top floor. She is waiting for me and we walk the last part together. It is special to meet again after such a long time. As she makes tea for both of us, we notice that it feels like yesterday that we were talking about our concerns regarding advice about excessive crying. More recently, we have been in touch about a document that did not seem to do justice to children’s need for a deep sense of safety.

I tell Kelli that my colleague and I had a conversation with a healthcare professional earlier today about the first 1000 days and stress in early childhood. A while ago, Kelli was also at a meeting on this topic. Scientific insights into the needs of children in the early stages of life have been greatly expanded in recent decades. Regularly, they appear not to correspond with what is often still being told to parents and the general public in western societies. During the meeting, Kelli noticed that the consequences of this new knowledge for day-to-day practice still met with a lot of resistance from some people. This is understandable, because it demands a lot from professionals when new insights require a change in the usual working methods. It calls for reflection: ‘How have I always done that?’, ‘What have I taught parents?’, ‘How did I approach this in my own family?’ The answers to such questions can be confrontational, because on closer inspection, you may no longer endorse your own previous choices. You may be struck that the new advice clashes with how you always handled things professionally and personally. In addition, a different approach may require knowledge and time that are not available within the current system.

Kelli says: “You may be right to… how should I put it… ‘disapprove’ of your own former course of action… even if that is too strong a word, but with additional knowledge you can decide to make a shift to something new. This requires you to become aware of these changed insights, that you allow their impact to sink in and that you do not oppose them, because that makes change very difficult. Well, of course such changes are certainly not easy. Taking an eye test or weighing a child… that is fairly easy. When it comes to things that are more parenting-related, such as sleeping and crying, it is much more complicated. That is why I always hope that at policy meetings there are not only managers and supervisors present, but also the people who actually do the work with the parents. They can then share their valuable experiences and from there you can look at how changes might be implemented, based on the new evidence.”

We talk about how behind certain things, such as an eye test, there is not so much an ideology or a belief that you can disagree on. “That’s certainly an aspect of it,” says Kelli, “because I myself find that sometimes I get annoyed by the way children are viewed in some documents. If I, as a parent, go somewhere with my child, I expect the care provider to be aware of the latest scientific developments. If I should notice that this is not the case and I receive advice that I do not agree with at all, then that is very difficult. Maybe they don’t match with information I have collected myself and with my own world view. I can understand that in such a case, parents might think: “Why am I going there, to the well-baby clinic?” Such feelings undermine their willingness to take advantage of that care. I think that is something that deserves attention from us as professionals.”

I ask how she navigates through those difficult situations. Kelli: “I almost always manage to get on the same page with parents. I slip into the parenting role with them and then it rarely happens that we cannot work things out together. In my experience, finding that common ground is often much more difficult between fellow professionals. For example, I was once at a training about brain development in children and the question was raised whether or not certain forms of damage are reversible, so whether you can undo them. The impression was created that this is always possible. That did not match what I had learned about it, so I kept asking. The speaker then indicated that there are indeed certain processes that become so ‘built-in’ in the brain that they are irreversible, or at least very difficult to reverse. To me, that seems very important information, because it means that we as care providers have to handle such processes very carefully. However, the speaker’s answer led to a lot of angry unrest in the room: how I could have asked that, what I did to parents, that I had gone too far… I noticed that the subject was very triggering for many of those present.
What I missed afterwards was that we all come together to talk about why we are so strongly disturbed by the idea that certain forms of approaching and treating  babies cause damage that is difficult to undo. Those are dynamics that I never really have with parents that way, barring extreme situations and exceptions. The fellow caregivers believed that it is too harsh to say to parents that certain things are harmful, but that wasn’t my point. I agree that care and sensitivity should be at the heart of discussions with parents. In my opinion, this does not alter the fact, however, that we must first establish that some things really are undesirable or even harmful. We need to have that discussion first and then move on from there. Such criticism does not affect me personally, but I hope that with such a question I can contribute to a thinking process that we really have to go through with each other about the underlying principle: the most recent insights are the basis for plan A, the best scenario. If Plan A does not work, sometimes you have to go for plan B and then you make the best of that second-best option. Now it sometimes seems like plan B is the first choice and that if you advocate plan A, you hurt parents or overask them, while I believe that parents have a right to the information of plan A. They have to choose what they want to do and we guide them in doing so.”

I ask Kelli how parents react when she discusses these topics with them.
“That depends a lot on which parent is sitting in front of me. One thing is always certain: we sit together in that consulting room because everyone wants the best for that child. Often in such a conversation, a question arises from the parents, for example regarding disagreements about where the child sleeps and whether they should learn to sleep alone. Then the goal is for me as a youth doctor to work in accordance with the JGZ guidelines. Parents will be influenced and informed by these guidelines to the extent that information leaflets are made for them on the basis of those guidelines. Parents do not always have the same employee in front of them at the ‘consultatiebureau’ (well-baby clinic). Continuity, therefore, largely comes from applying the guidelines, but not everyone interprets them in the same way. What I do then is that I explain that there are multiple visions and that the choice for how parents want to approach their child is of course always theirs. I explain the basics of what a baby or young child needs and provide additional information. What I think is important is that they dare to put everything on the table that they struggle with or about which they have questions, so that we can discuss it. After all, those parents have to do it together! After the consultation, they should not go home with the idea that they have to do what the doctor says, but with the idea that they have enough information to continue to put the puzzle pieces together, also in contact with others in their social environment. I think those conversations are very nice, because you notice that you have something in common, which is the well-being of the child. When there are concerns about issues such as possible child abuse, that is a different story, but of course that is not the case for the majority of parents. They want to see what is the right thing to do. I enjoy that interaction and because of that, you get a positive exchange with each other. I never say, “This is how we are going to do it”, because it is not about what I want; after all, I am not the one who has to feed the child, change the nappies and carry the responsibility for the daily care, right? These parents should be comfortable in their roles. Guiding that process… that I find really fantastic!”

Next week in Part 2 you will read about the challenges Kelli experiences in contact with parents and with guidelines and the way in which she sees scientific insights embedded in daily practice.

De ervaringsdeskundige, Aflevering 2 – Deze week: Simone, Deel 2 (English below)

Vorige week maakten we een begin met de herinneringen van Simone aan haar kindertijd, mede inzichtelijk gemaakt met hulp van het Mattenspel. Dat leidde tot een lang gesprek, waarin heel veel facetten naar voren kwamen. In een latere publicatie zullen we haar ervaringen uitgebreider bespreken, omdat veel in haar verhaal laat zien hoezeer intergenerationeel trauma impact heeft op het welzijn en de gezondheid van betrokkenen.

We praten over de rol van Simones vader in het gezin.
“Mijn moeder was bang voor hem en ook tegen ons kon hij enorm schreeuwen en zeggen dat we ‘NU!’ onze kamer moesten opruimen. Ik was altijd kritischer dan mijn zus en heb veel tegen hem geageerd, voerde verhitte discussies en ging er helemaal tegenin, maar ja…” Ze maakt een sussend gebaar, houdt samenzweerderig haar vinger voor haar mond en fluistert: “Dan zei mijn moeder dat ik me gedeisd moest houden!” Ze zucht, wordt even stil en praat dan verder op gewoon geluidsniveau: “Er kwam een moment dat ik merkte dat mijn vader mij verbaal niet meer aankon; dat vond ik wel gaaf, maar het gevolg was dat hij begon te dreigen en dat ik soms ook echt klappen kreeg. Ik vond hem een zwakkeling, dat hij op die manier zijn gelijk probeerde te halen. Hij probeerde soms met me te stoeien, maar dat fysieke contact voelde heel naar en toen heb ik hem een keer een enorme dreun verkocht. Hij lag bijna op de vloer en kwaaaaad dat hij werd! Ik zei: ‘Wat wil je nou? Ik zeg toch stop?!’ Daarna was dat afgelopen, maar de verwijdering werd steeds groter en het erge was… mijn moeder nam het altijd voor hem op.

Toen ik jong was, was mijn moeder mijn alles, maar toen ik haar steun nodig had, was ze er niet voor mij. Ik heb haar dat heel kwalijk genomen, dat ze zich altijd achter mijn vader schaarde en zo mij in de steek liet. Zij zat eigenlijk altijd tussen mijn vader en mij in en fungeerde als boodschapper, als zijn tolk. Later heb ik veel gelezen over narcisme en ontdekte ik dat zij voor hem de ideale ‘flying monkey’ was. Mijn moeder vertelde dat ze ruim voor haar 16e uit huis moest om bij een ander gezin te werken en nooit heeft geleerd om voor zichzelf op te komen. Ze was gewoon echt heel bang voor hem. Mijn zus kon veel beter met mijn vader omgaan; die kreeg veel meer van hem gedaan, mede omdat ze een aantal interesses deelden en ze bij hem in de zaak ging werken. Als je het dan hebt over symbolisch kapitaal… ondernemer zijn, dát was een voorbeeld van symbolisch kapitaal in mijn vaders ogen. Dat ik later een HBO-opleiding afrondde en altijd een goed inkomen genereerde… het betekende niets voor hem. Ik heb van alles gedaan waarvan ik dacht dat mijn ouders er trots op zouden kunnen zijn; mijn moeder fluisterde dan dat ze ook trots op míj was, maar mijn vader mocht dat niet horen.” Bij allerlei dingen maakte haar vader onderscheid tussen de dochters; hij zette haar moeder in om een wig te slaan tussen de kinderen en haar moeder internaliseerde die rol en creëerde ook zelf verdeeldheid. Veel van die patronen zijn tot op de dag van vandaag blijven bestaan, vertelt Simone, en ze klinkt zowel boos als verdrietig.

We praten over de vraag hoe het zo gekomen kan zijn en Simone vertelt uitgebreid over wat er de afgelopen jaren in de familie aan het licht is gekomen, de rol van de katholieke kerk en misbruik daarin, en de pijnlijke ontdekking van porno op computers in de oudere generatie. Daarmee komen we, na eerder over de fijnste herinneringen te hebben gesproken, bij de verdrietigste. Simone vertelt behoedzaam, maar hoeft niet lang na te denken; de ene herinnering roept de andere op.
“Mijn vader vond zwangere vrouwen smerig; dat zei hij tegen mijn zus én tegen mij. Ik was heel trots op mijn zwangerschap en ik wees mijn roomse vader op het feit dat het toch iets was wat God ons had gegeven. Daar had hij geen boodschap aan; een zwangere buik en ook borstvoeding… hij vond het smerig. Daar zit ongetwijfeld een verhaal achter, want zo’n afkeer… dat raakt je, als je vader daar zo mee omgaat. Sowieso had hij moeite met lichamelijkheid en seksualiteit. We hebben onze ouders nooit naakt gezien, maar over mijn lichaam had hij evengoed wel een mening en kleineren kon hij ook. Als kind was ik wat mollig en daarom werd ik ‘Plompie’ genoemd en jarenlang bleef ik negatieve opmerkingen krijgen over mijn uiterlijk. In de puberteit werd ik mondiger, mede omdat ik op school werd gewaardeerd voor mijn discussievaardigheden. Voor mijn kritische houding betaalde ik trouwens wel een prijs: thuis steeg de spanning erdoor en ik werd heel somber. Ik begon te hyperventileren, werd zo stijf als een plank, kon bijna niet meer opstaan uit bed en kreeg allerlei lichamelijke klachten. Daardoor gingen op school mijn prestaties drastisch omlaag. Mijn vader zei dat ik lui was en geen flikker deed op mijn kamer en daarom zulke slechte cijfers haalde, maar ja… ik was gewoon stokongelukkig en intens eenzaam… Het rare is dat ik, ook nu nog, juist vaak heel goed kan opschieten met mensen die intellectueel goed onderlegd zijn. Ik voel me senang bij ze en heb het gevoel dat ze snappen wat ik zeg, als ik mijn verhaal met ze deel.” Simone vertelt hoe die eenzaamheid ertoe leidde dat ze haar verbeeldingskracht ontwikkelde en in haar geheime schijnwereld met fictieve personen praatte.

De teleurstellingen regen zich jarenlang aaneen: geen interesse voor haar studie, geen financiële ondersteuning voor studiekosten, geen telefoontjes om te horen hoe het met haar was toen ze op kamers woonde, afwezigheid van haar vader bij haar diploma-uitreiking, geen aandacht voor vakantieverhalen (maar de verhalen van de ouders volop in de schijnwerpers), een kille houding en gemene opmerkingen van haar ouders toen ze een miskraam had gehad, altijd angst om voor zichzelf op te komen omdat het bewaken van haar eigen grenzen altijd tot ruzie en sancties leidde, vanuit een diepe behoefte aan harmonie opkomen voor anderen en proberen de vrede te bewaren of te herstellen maar dan toch weer ontgoocheld raken of verwijten krijgen, emotionele chantage en dreiging (‘Als het je niet aanstaat, dan ga je maar weg!’)… het is te veel om op te noemen en het heeft haar aangegrepen en kwetsbaar gemaakt. Het heeft haar naar eigen zeggen gevormd tot een ‘pleaser’ op grond van de angst anders helemaal nergens meer bij te horen en alles in elkaar te zien storten. Jarenlang speelde daarbij ook het feit dat ze het grootste deel van het gezinsinkomen inbrengt een rol; ze wilde dat niet in gevaar brengen, maar verloor daardoor het contact met haar authentieke zelf. De druk die ze van kind af aan heeft gevoeld, is haar zwaarder en zwaarder gaan vallen en dat is de reden dat ze nu heeft besloten met overgave aan haar mentale gezondheid te werken.

Als ik vraag of ze als gevolg van alles gedragingen heeft ontwikkeld die ze als ‘slechte gewoonte’ betitelt, kijkt ze me over de tafel heen aandachtig aan. “Oh… dat vind ik een moeilijke…” Ik wacht en gun haar tijd om na te denken. Ze zucht. Ze is stil en slaat de ogen neer. We zwijgen samen. Na een poosje kijkt ze op: “Ik weet het wel, hoor…” “Je weet het wel…?” “Oh ja, ik weet het precies… maar ik vind het echt heel lastig…” De stilte hangt tussen ons in. “En wat maakt het lastig voor je…?” Ze zucht diep, aarzelt, zoekt mijn ogen: “Schaamte…” “Schaamte…?” Een beetje vragend voeg ik toe: “Je hoeft het niet te zeggen, hè…?” “Ja, ik vind het echt heel moeilijk. Ik ga het wel zeggen, hoor! Ik heb me voorgenomen het vaker te zeggen als het gepast is. Ik heb het onlangs ook met mijn therapeut besproken en het blijkt dat er zeker wel meer mensen zijn die ermee worstelen…” Ik wacht hoe ze haar betoog zal vervolgen. “Erover praten is onderdeel van de fase waar ik nu in zit.”

Ze haalt nog een keer diep adem: “Vanaf het einde van de basisschooltijd ben ik gaan haren trekken. Ik was heel veel alleen, ik had lang haar met dode punten en die trok ik er dan uit, maar later was het meer trekken in het algemeen en mijn haar is daardoor heel dun geworden, met hier en daar ook kale plekken. Het heeft een moeilijke naam, trichotillomanie. Ik hield het voor iedereen verborgen, maar nu zijn er wel een paar mensen die het weten. Het ging van kwaad tot erger en ik had de vreemdste gedachten erbij…” Ze slaat de handen voor haar gezicht: “Ik vond het zo raar wat ik deed en was bang dat het erfelijk zou zijn als ik kinderen zou krijgen…” Ze vertelt dat het heeft opgelucht om er met haar therapeut over te praten, om samen oorzaken te vinden en oplossingen te zoeken voor hoe ze kan leven met de gevolgen ervan: angst voor een regenbui, niet durven zwemmen, bang dat anderen het zien en er opmerkingen over maken… We praten dieper door en komen bij de vraag wat het haar bracht en brengt: “Het doet geen pijn, maar geeft een soort fijne prikkel. Ik zoek de dikke, stugge haren en trek ze er stuk voor stuk uit. Avonden waarop ik alleen ben, zijn de triggermomenten, als ik een vol hoofd heb, vermoeid ben of gestrest; dan is het een soort afleiding en voelt het heel lekker. Het geeft me rust, vooral als het leven me zwaar valt en als een gevecht voelt. Tegelijkertijd realiseer ik me heel goed dat de negatieve gevolgen als schaamte en onrust het leven juist nóg zwaarder maken… Het is moeilijk…”

Het gesprek meandert verder naar waar Simone in de samenleving knelpunten ziet voor kinderen en jongeren, naar veranderingen in haarzelf en naar hoe ze dappere stappen zet op een pad naar meer innerlijke rust, waarin haar gezin de liefdevolle kern is en blijft. Haar openhartigheid spreekt boekdelen over haar moed en haar verhaal is opnieuw een illustratie van de impact van de vroege levensfase. Meer bewustzijn daaromtrent kan helpen bij reflectie op hoe we de jongsten in onze samenleving willen bejegenen, zodat ze niet hoeven te ‘genezen’ van hun kindertijd. Daar hoopt ACE Aware NL blijvend een bijdrage aan te leveren!

The Lived Experience, Episode 2 – This week: Simone, Part 2

Last week, we started with Simone’s memories of her childhood, made clear in part with the help of the Matenspel. This led to a long conversation, in which many facets came to the fore. We will discuss her experiences in more detail in a later publication, because there is so much in her story that shows how much intergenerational trauma has an impact on the well-being and health of those involved.

We talk about the role of Simone’s father in the family.
“My mother was afraid of him and he could also scream at us and say we had to clean our room ‘NOW!’ I was always more critical than my sister and I’ve argued against him a lot, had heated discussions and went against it completely, but yeah…” She makes an appeasing gesture with her hands, holds her finger to her mouth conspiratorially and whispers: “Then my mother said that I should lay low!” She sighs, falls silent for a moment and then continues at normal sound level: “There came a moment when I noticed that my father could no longer handle me verbally; I considered that cool, but the consequence was that he started threatening and that sometimes I was really hit. I thought he was a weakling, that he tried to prove himself right that way. He sometimes tried to play with me, but that physical contact felt very bad and I one day I gave him a huge blow. He was almost floored and angry he was! I said: ‘What do you want? Did I not say stop?!’ After that, such behaviour was over, but the distance between us got bigger and bigger and the worst thing was… my mother always stood up for him.

When I was young, my mother was my everything, but when I needed her support she was not there for me. I really blamed her for that, that she always got behind my father and left me in the lurch like that. She was actually always between my father and me and acted as a messenger, as his interpreter. Later I read a lot about narcissism and realised that she was the ideal ‘flying monkey’ for him. My mother said she had to leave home well before she was 16 to work for another family and never learned to stand up for herself. She was just really scared of him. My sister got along much better with my father; she got a lot more done from him, partly because they shared a number of interests and she started working for him in the business. If you’re talking about symbolic capital… being an entrepreneur, that was an example of symbolic capital in my father’s eyes. That I later completed a college education and always generated a good income… it meant nothing to him. I’ve done all kinds of things I thought my parents could be proud of; my mother would whisper that she was proud of me too, but my father was not allowed to hear that.” Her father distinguished between the daughters in all sorts of things; he used her mother to drive a wedge between the children and her mother internalised that role and also created divisions herself. Many of those patterns have persisted to this day, Simone says, and she sounds both angry and sad.

We talk about what may have caused it all and Simone elaborates on what has come to light in the family over the past few years, the role of the Catholic Church and its abuse, and the painful discovery of porn on computers in the older generation. This brings us to the saddest memories, after previously having discussed the fondest memories. Simone speaks cautiously, but does not have to think long; one memory evokes the other.
“My father thought pregnant women were disgusting; he said that to my sister and to me. I was very proud of my pregnancy and I pointed out to my Catholic father that it was something God had given us after all. He didn’t care about that; a pregnant belly and breastfeeding too… he thought it was gross. There is undoubtedly a story behind this, because such an aversion… it touches you when your father treats such topics that way. In any case, he had trouble with physicality and sexuality. We never saw our parents naked, but he did have an opinion about my body and he could also belittle me. As a child I was a bit chubby and that’s why I was called ‘Plompie’ and for years I kept getting negative comments about my appearance. During puberty I became more vocal, partly because I was appreciated at school for my discussion skills. Then again, I paid a price for my critical attitude: it increased the tension at home and made me very depressed. I started to hyperventilate, became stiff as a board, could hardly get out of bed and got all kinds of physical complaints. As a result, my performance at school dropped drastically. My father said I was lazy and that in my room I did not give a fuck about anything and that was why I got such bad grades, but yeah… I was just deeply unhappy and intensely lonely… The strange thing is that, even now, I often get along very well with people who are intellectually well versed. I feel comfortable with them and I have the feeling that they understand what I am saying when I share my story with them.” Simone tells how that loneliness led to her developing her imagination and talking to fictional people in her secret make-believe world.

The disappointments continued for years: no interest in her studies, no financial support for study costs, no phone calls to find out how she was while she lived in her student room, her father’s absence at her graduation, no attention to holiday stories (but the parents’ stories in the spotlight), a cold demeanor and mean comments from her parents after she had a miscarriage, always fearing to stand up for herself because guarding her own boundaries always led to arguments and sanctions, standing up for others out of a deep need for harmony and an effort to keep or restore the peace but then again becoming disappointed or being blamed, emotional blackmail and threats (‘If you don’t like it, then you can leave!’)… it is too much to mention and it has moved her and made her vulnerable. In her own words, it has shaped her into a ‘pleaser’, based on the fear of not belonging at all and seeing everything fall apart. For years, the fact that she contributed the largest part of the family income also played a role; she did not want to jeopardise that, but because of that she lost touch with her authentic self. The pressure she has felt since childhood has gotten heavier and heavier and that is why she has now decided to work diligently on her mental health.

When I ask if she has developed behaviours that she would call ‘bad habit’ as a result of everything, she looks at me intently across the table. “Oh… that’s a difficult one…” I wait and give her time to think. She sighs. She is silent and lowers her eyes. We are silent together. After a while she looks up: “I know, you know…” “You know…?” “Oh yes, I know exactly what it is… but I find it really difficult…” The silence hangs between us. “And what makes it difficult for you…?” She sighs deeply, hesitates, searches for my eyes: “Shame…” “Shame…?” A little inquisitively, I add: “You don’t have to say it, you know…?” “Yes, I find it really difficult. I’m going to say it! I’ve made up my mind to say it more often if it’s appropriate. I also recently discussed it with my therapist and it turns out that there are certainly more people who struggle with it…” I wait to see how she will continue her tale. “Talking about it is part of the phase I’m in right now.”

She takes another deep breath: “From the end of primary school, I started pulling my hair. I was alone a lot, I had long hair with dead ends and I pulled it out, but later it was more pulling in general and my hair has become very thin, with bald spots here and there. It has a difficult name, trichotillomania. I kept it hidden from everyone, but now a few people know. It went from bad to worse and I had the strangest thoughts about it…” She covers her face with both her hands: “I thought it was so strange what I was doing and was afraid that it would be hereditary if I had children…” She says that it was a relief to talk about it with her therapist, to find causes together and to look for solutions for how she can live with its consequences: fear of a rain shower, not daring to swim, afraid that others will see it and make comments about it… We talk more deeply and come to the question of what it brought and brings her: “It doesn’t hurt, but gives a kind of nice stimulus. I find the thick, wiry hairs and pull them out piece by piece. Evenings when I am alone are the trigger moments, when I have a full head, when I am tired or stressed; then it is a kind of distraction and it feels very nice. It gives me peace of mind, especially when life is heavy and feels like a struggle. At the same time, I am very well aware that the negative consequences such as shame and unrest make life even harder… It is difficult…”

The conversation meanders further to where Simone sees bottlenecks in society for children and young people, to recent changes in herself, and to how she takes brave steps on a path to more inner peace, in which her family is and remains the loving core. Her candour speaks volumes about her courage and her story is another illustration of the impact of early life. More awareness about this can help reflect on how we want to treat the youngest in our society, so that they do not have to ‘heal’ from their childhood. ACE Aware NL hopes to keep making a permanent contribution to this!

De ervaringsdeskundige, Aflevering 2 – Deze week: Simone, Deel 1 (English below)

Het is mooi nazomerweer als ik aankom bij mijn interviewee van vandaag, Simone (pseudoniem). Ik had voorgesteld dat we beginnen met een spel en dat klonk haar goed in de oren. Ze wordt blij als ik de elementen tevoorschijn haal en haar uitleg wat de bedoeling is. We maken de tafel leeg, zodat ze flink speelruimte heeft. Het idee is dat we zicht krijgen op de vraag hoe haar wereld eruitzag op een bepaalde leeftijd in haar kindertijd. Ze kiest de leeftijd van 13 jaar en gaat aan de slag. Ze mag van de acht gekleurde ‘matten’ maximaal zes kiezen en daar een plek van een persoon aan koppelen, te beginnen met ‘ik’. Na de matten volgen er poppetjes, huizen, wegen, vervoermiddelen, geluksklavers en emoji’s. Ze heeft tijd nodig om de onderlinge verhoudingen naar wens gelegd te krijgen. Als ze het gevoel heeft klaar te zijn, gaan we het gesprek aan. Tijdens het gesprek zal ze nog geregeld naar de neergelegde ‘Mattenspel’-elementen kijken en verbaasd vaststellen hoe die allerlei interacties in haar leven als jong meisje zichtbaar maken.

Ze heeft een pittige tijd achter de rug en is een zoektocht gestart; ze wil de oorsprong van haar pijn niet langer uit de weg gaan. Ze realiseert zich dat zij, net als een familielid, de stemmen van vroeger misschien niet volledig tot zwijgen zal kunnen brengen, maar ze wil de pijn niet aldoor meer zo voelen schuren, meer rust vinden, haar eigen grenzen beter leren bewaken, waar ze jarenlang overheen heeft laten lopen. “Soms lijkt het misschien alsof ik een autoriteitsallergie heb, maar dat geloof ik eigenlijk niet. Ik kan best autoriteit verdragen, maar voor machtsmisbruik heb ik een scherp ontwikkeld zintuig. En de laatste tijd realiseer ik me dat machtsmisbruik me triggert. Deels heb ik al meer zicht op de oorzaken daarvan. Mijn ouders hadden een streng katholieke achtergrond en vonden dingen normaal die ik helemaal niet normaal vind, zoals het onderscheid tussen man en vrouw, maar ook de manier waarop er met ons als kinderen werd omgegaan en waarop mijn vader probeerde om met bepaalde aspecten van zijn positie indruk te maken, zoals ook de pastoor dat deed.” Ik knik en vertel over ‘symbolisch geweld’, het misbruik maken van macht en aanzien en Simone herkent de verschillende elementen. Later in het gesprek zullen die nog een aantal keren voorbijkomen.

Tijdens het leggen van het spel is een deel van de openingsvraag die we altijd stellen al beantwoord, namelijk de vraag naar iemands achtergrond.
“Ik ben tussen mijn achtste en dertiende levensjaar binnen de noordelijke provincies heel vaak verhuisd. Vanaf de verhuizing op mijn dertiende kreeg ik het echt moeilijk. Ik kwam in de puberteit, was mijn vriendin en mijn fijne, vertrouwde school kwijt, moest afstand doen van de hond, die altijd mijn grote vriend was geweest en voor wie in het nieuwe huis volgens mijn ouders geen plaats meer was, en mijn ouders en zus waren altijd aan het werk in de winkel die we daar hadden, waardoor ik bijna altijd alleen thuis was. Tijdens de verhuizing overleed mijn opa. Mijn hele leven voelde vreemd voor me. Ik kon de school niet vinden. Mijn ouders hadden niet even een keer de route met mij gefietst. Gelukkig kwam ik onderweg een klasgenoot tegen die ook net daarheen was verhuisd. Op school sprak iedereen Fries en ik verstond bijna niemand. Ik voelde me min of meer gedropt in een totaal onbekende omgeving… ja… die verhuizing was echt traumatiserend voor me. Als ik terugdenk, denk ik dat mijn kameleonkwaliteiten daar zijn ontstaan: ik probeerde me zo snel mogelijk aan te passen, zodat ik er weer bij zou horen, maar dat lukte niet echt. Ik voelde me een normaal kind, maar de normale kinderen gingen niet met me om, alleen de kinderen die zelf, om andere redenen, niet echt bij de groep hoorden trokken naar mij toe en dat zag ík dan weer niet zo zitten… Tsja… zo denk je dan, op je 13e…” Ze is stil en overweegt het gevoel van toen. “In deze periode heeft zich heel veel boosheid ontwikkeld. Daarvóór vond ik het soms ook al moeilijk thuis, maar na die verhuizing werd alles nog een heel stuk erger.”

Fotograaf Cecilia Paredes

Ik vraag bij wie ze terecht kon in haar vroege kindertijd.
“Dat was toen toch wel mijn moeder. Ik kan me niet herinneren dat ik ooit een klik had met mijn vader. Hij was er wel, maar ik vond hem vaak vervelend. Hij begreep mij niet en liet dat ook merken. Hij was heel autoritair, terwijl mijn moeder een gezelligheidsmens was, bij wie iedereen altijd kon aanschuiven. Bij haar kon ik zijn wie ik was en ik vond het heerlijk bij haar. Ik weet nog dat ik een keer met mijn pop op de bank zat en haar vroeg: ‘Mama, kan ik ook met jou trouwen?’ Ik was heel teleurgesteld toen bleek dat dat niet mogelijk was.
Mijn vader was door de week en op zaterdag altijd aan het werk; hij was alleen op zondag thuis en dan was hij heel rooms en streng en kil. Dan moesten we er netjes uitzien en controleerde hij of mijn moeder op zaterdag het huis wel goed genoeg had gepoetst. Als hij vond van niet, dan pakte hij de stofzuiger en een sopemmer en deed hij het dunnetjes over.
Mijn moeder was naar de mening van mijn oma, haar moeder, eigenlijk aan de late kant getrouwd. Ze was 27 en de eerste jaren kwamen er ook nog geen kinderen en dat vond mijn oma maar niks. Toen de huisarts mijn moeder op haar 35e, na een zware bevalling van mij, vertelde dat het beter was dat ze geen kinderen meer kreeg, zag mijn vader mij als de ‘schuldige’: nu zou hij, die graag een opvolger voor zijn zaak wilde, die mogelijkheid zijn ontnomen. Hij had nu twee dochters, terwijl hij verlangde naar een zoon. Later zei hij dingen als: ‘Ja, jij was een zwaar, dik kind; daardoor kon mama geen kinderen meer krijgen.’ Hij legde het vol verwijten bij mij neer en heeft mij altijd een naar mens gevonden; hij heeft letterlijk gezegd: ‘Ik heb niks met haar.’ Dat heb ik heel mijn leven gevoeld in hoe hij met mij omging en onderscheid maakte tussen mijn zus en mij.”

Hoe zou Simone haar thuisomgeving omschrijven?
“Er was veel structuur in huis, de beroemde ‘rust, reinheid en regelmaat’, en ik ben heel erg beschermd opgegroeid. We gingen nooit op vakantie, dus ik heb als kind nauwelijks wat meegemaakt.”
Ze vertelt dat ze op haar 18e min of meer het huis uit vluchtte. Ze wilde niet in het bedrijf van haar vader werken, maar toen ze op kamers woonde, voelde ze zich net zo alleen als thuis: “Ik liep tegen de wereld aan en tegen mezelf. Ik zat als een wereldvreemd meisje in een studentenhuis met bijna allemaal jongens. Hun ouders belden zó vaak dat ze zich onbereikbaar hielden, maar de mijne belden nooit. Mijn ouders hadden me nergens bij geholpen en ik heb alles alleen moeten doen en meestal ook zelf moeten betalen. Ik schrok van allerlei dingen waar ik mee te maken kreeg en was altijd op mijn hoede. Met zo’n houding ga je niet experimenteren en word je heel voorzichtig.”

Als ik vraag aan welke periode ze de fijnste herinneringen heeft, is ze heel duidelijk: “Dat was in mijn geboortehuis, met de tuin daar en een parasol, kinderen om mee te spelen, lekker kleuren, een eitje bakken… het huiselijke, het gezellige – dat vond ik heel erg fijn en dat heb ik na mijn 8e niet meer zo gevoeld. Mijn moeder werd namelijk ook steeds ongelukkiger en gebruikte mij om haar hart te luchten. Ze werd door mijn vader als een medewerker behandeld, maar ze werd niet betaald en kon soms niet rondkomen van het huishoudgeld dat ze kreeg. Ik zei weleens: ‘Dat is toch belachelijk? Het kan toch niet zo zijn dat jij niet kan kopen wat je nodig hebt omdat hij je niet meer geeft, terwijl jij óók de hele week keihard aan het werk bent?!’ Dat vond zij ook, maar dan zei ze: ‘Ja, maar je weet toch hoe hij is?’ Ik zei dat ze voor zichzelf moest opkomen, maar ze was bang voor hem.”

Volgende week lees je het vervolg van het gesprek met Simone, waarin onder andere haar verdrietigste herinneringen aan bod komen en hoe die in haar beleving een aantal gewoontes in de hand hebben gewerkt die haar zwaar vallen.