Een dialoog over verbindend opvoeden, Deel 2

Vorige week deelden we Deel 1 van een dialoog die ACE Aware NL had met Anky De Frangh van ‘Verbindend Opvoeden’ naar aanleiding van een Instagram-post. Vandaag lees je Deel 2.

De begeleidende tekst van de Instagram-post ging als volgt verder:
Dat [ontbreken van bepaalde vaardigheden bij kinderen] betekent dus dat niet alle driftbuien te voorkomen zijn, maar je kan als ouder wel heel veel doen om driftbuien zoveel mogelijk te voorkomen én om je kind te ondersteunen in zijn of haar ontwikkeling. Ook jouw aanpak tijdens een driftbui is heel erg belangrijk!”

Marianne: Precies! Dit klinkt als een raak statement. De rol van de ouders is cruciaal in hoe het kind reageert op een situatie waarin de veiligheidsbeleving onder druk staat of waarin het kind zich niet gehoord en gezien voelt. De gemoedstoestand van de ouders is ook van invloed op hoe frequent zich dat soort situaties voordoen.

Anky: En daar gaat eigenlijk heel de masterclass en ook de cursus emotiecoaching over. Dat vertel ik ouders alleen niet meteen bij de start. Door ouders op een zachte manier mee te nemen in het verhaal, begrijpen ze zelf welke cruciale rol zij spelen en zijn ze vanzelf bereid om dingen bij zichzelf te veranderen en aan te pakken.

“Wanneer kinderen emotioneel competenter worden en hun emoties dus beter leren herkennen, benoemen, verwoorden, begrijpen en reguleren, neemt de frequentie, de intensiteit en de duur van driftbuien af.⁠⁠ En dat zijn allemaal dingen die jij als ouder mee kan ondersteunen.”

Marianne: Enerzijds helemaal waar! Anderzijds… kinderen zijn emotioneel vaak veel competenter dan volwassenen: ze voelen feilloos aan dat er iets mis is en dan roepen ze om hulp. Om duidelijk te maken wat er aan de hand is, hanteren ze echter instrumenten waarmee volwassenen moeilijk uit de voeten kunnen. Daarmee is de kern eigenlijk dat volwassenen vaak de competenties missen om te begrijpen wat het kind vertelt en van welk probleem het gedrag of de uiting een signaal of een symptoom is. Door te zeggen dat het kind nog onvoldoende competent is, kan er gemakkelijk een framing ontstaan van het kind als een niet volwaardig individu.

Anky: Daar kan ik me in vinden. De oorzaak van veel frustraties zit hem echter wel vaak ook in het feit dat ze nog niet altijd de woorden hebben om zich uit te drukken (en uiteraard is dat altijd in combinatie met een zorgfiguur die het dan niet lijkt te begrijpen). Daarom zien we ook meer driftbuien bij kinderen die bijvoorbeeld een taalontwikkelingsstoornis hebben. Dat kinderen emoties beter kunnen aanvoelen, doorvoelen en er kunnen laten zijn, daar ben ik het volledig mee eens. Het is pas in interactie met anderen dat we dit als mens ‘afleren’ of gaan onderdrukken. Ook daar is in de cursus ontzettend veel aandacht voor en daar maak ik ook op de sociale media goed ruimte voor.

Marianne: Dat is mooi, want als het kind als onvolwaardig wordt neergezet, blijft de rol van de ouderlijke incompetentie buiten schot. Dat is ethisch gezien lastig, want wie groter en sterker is, draagt een verantwoordelijkheid om het kleine en kwetsbare te beschermen. Het Verdrag van de Rechten van het Kind beschrijft die verantwoordelijkheid op allerlei manieren. Als volwassene ‘achterover leunen’ totdat het kind ‘competenter’ is geworden, lijkt daarom niet gepast. Volwassenen kunnen onderzoeken hoe zij zelf competenter kunnen worden in het verstaan en spreken van, en zich verbinden met de taal van het kind. Daarmee kan de ouder inderdaad (de ontwikkeling van) het kind enorm ondersteunen en het kind een gevoel van veiligheid bieden dat een leven lang van grote waarde blijft. Zo kunnen ouders en andere volwassenen een krachtig neurofysiologisch en stressregulatiesysteem helpen bouwen.

Anky: Zeker; in de masterclass gaan we ook uitgebreid daarop in!

“Je ontvangt nadien van mij ook de slides en enkele handige handouts met tips rond het aanleren van alternatief gedrag én hoe je als ouder zelf kalm kan blijven.”

Marianne: De tekst lijkt met ‘aanleren van alternatief gedrag’ op het kind te doelen. In het licht van het voorgaande is waarschijnlijk de vraag gerechtvaardigd of het niet de ouder is die nieuwe vaardigheden moet aanleren. Als flora niet gedijt, wijt je dat niet aan de bloem of plant, maar aan de omgeving (aarde, licht, water, voedingsstoffen). Dat principe verdient ook ten aanzien van kinderen veel meer maatschappelijke aandacht.

Anky: Zeker mee eens dat dit principe op de voorgrond moet staan. Dat is ook de reden dat ik als kinderpsychologe steeds minder met kinderen individueel werk en de focus leg op ouders. Ik vind het echter ook belangrijk om een evenwicht te bieden voor ouders die heel streng zijn voor zichzelf of die op den duur door de bomen het bos niet meer zien, omdat er zoveel dingen zijn die ze ‘moeten’ doen om het ‘goed’ te doen of waarvan ze denken dat ze die aan zichzelf moeten veranderen.

Marianne: Dat is mooi om te horen, dat je de focus bij de ouders legt! Belangrijke vragen zijn dan: ‘Wat heeft het kind nodig? Waarom gedijt het niet? Wat kunnen we bieden?’

Anky: Het grootste deel van de cursus emotiecoaching en de masterclass gaat inderdaad om het aanleren van alternatieve vaardigheden en alternatief gedrag voor ouders zelf. Een mini-stukje gaat over welk alternatief je je kind zou kunnen aanleren (door dit als ouder zelf voor te leven en dus ook je gedrag te veranderen) om met grote emoties om te gaan. Ik schenk daar heel bewust aandacht aan, omdat ouders hierover vaak vragen hebben en daarvoor is de masterclass ook bedoeld.

Marianne: Wat goed! Door de vraag over wat het kind nodig heeft, blijvend te stellen kunnen we de Adult Supremacy voorkomen, een concept dat in onze eerdere blogs al aan de orde kwam, de machtspositie waarin de belangen van de volwassene het welzijn van het kind overtroeven.’

Anky: Interessant! Als ik tijd heb, ga ik er eens over lezen; ik kijk er erg naar uit!

We rondden via e-mail de dialoog af. En over de oorspronkelijke post, die deze tekst bevatte:

Reminder: De driftbuien van je kind zeggen niets over jou als ouder, maar zeggen iets over de ontwikkelingsfase waarin je kind zich bevindt.

Wat brainstormen daarover leidde tot een suggestie voor een alternatieve formulering, waarover ook Anky enthousiast was:

“Driftige boosheid (een ‘driftbui’) zegt iets over de gemoedstoestand van je kind; de mate waarin jij je kind veiligheid kunt bieden bij zulke stress, zegt iets over jouw ontwikkeling als ouder.”

We wisselden nog wat zaken uit en dit was de conclusie van Anky:

Ik denk dat we inderdaad heel erg op dezelfde lijn zitten. Ik ben denk ik wel wat minder bewust of wat nonchalanter in mijn taalgebruik. Ik ben er echter van overtuigd dat we daarmee in de masterclass rond driftbuien en de cursus emotiecoaching heel genuanceerd omgaan, zorgvuldiger ook dan op een medium als Instagram mogelijk is. Tegelijkertijd vind ik het wel heel fijn dat de tekst je zo aan het denken heeft gezet! Zo krijg ik ook jouw ideeën erover en zo kunnen we allebei onze blik verruimen en nog weer wat bewuster ons taalgebruik inzetten voor onze doelen!

Al met al was het een mooie uitwisseling met Verbindend Opvoeden en de volgende dag wees Anky ons op de nieuwe Insta-post: “Helping your kid to manage their emotions requires you to learn to manage yours first” met een prachtige caption erbij. Wat heerlijk en bemoedigend om telkens weer accounts te leren kennen en de mensen erachter die zich inzetten om via de heling van de volwassenen onze jongste burgers met meer zachtheid te bejegenen! Wie weet moeten we ook nog eens aanhaken bij Anky’s masterclass…?

Een dialoog over verbindend opvoeden, Deel 1

Onlangs raakte ACE Aware NL naar aanleiding van een bericht op Instagram in gesprek met Anky De Frangh, kinderpsycholoog en gedragstherapeut van ‘Verbindend Opvoeden’.

In haar post deelde ze de volgende tekst:
Reminder: De driftbuien van je kind zeggen niets over jou als ouder, maar zeggen iets over de ontwikkelingsfase waarin je kind zich bevindt.
Die uitspraak zette ons aan het denken. Kunnen we stellig zeggen dat driftbuien van een kind ‘niets’ zegt over jou als ouder? Zouden ze ook ergens anders iets over kunnen zeggen dan over de ontwikkelingsfase? En om wiens ontwikkelingsfase gaat het – inderdaad die van het kind?
We besloten contact te leggen met Anky en daaruit rolde een boeiende uitwisseling voort over de afbeelding en de begeleidende tekst. Na onderling overleg willen die dialoog graag met je delen! We denken namelijk dat het heel waardevol is elkaar te bevragen op gedeelde inzichten en taalgebruik en zo elkaar beter te leren kennen. Op die manier kunnen professionals van elkaar leren, en elkaars werk benutten en doorgeven omwille van het grotere doel, namelijk kinderen een zo veilig mogelijke start bieden.

Hoi Anky,
Zoals beloofd stuur ik je mijn gedachten over de afbeelding en de tekst.
Ik kijk ernaar uit nader kennis te maken en verder te praten om te zien of we elkaars doelen kunnen ondersteunen, want mijn indruk is dat we in essentie op dezelfde lijn zitten!
Warme groet!

Dag Marianne,
Bedankt voor je feedback! Ik denk ook dat we op dezelfde lijn zitten. Je aanpak als ouders tijdens een driftbui is inderdaad ontzettend belangrijk. Ik heb een aantal zaken aangevuld en toegelicht in je opmerkingen bij de tekst. Het lijkt me leuk een keer te videobellen!
Hartelijke groet!

De begeleidende tekst van de Instagram-post was waarover de uitwisseling voornamelijk ging.
“Gemiddeld heeft een kind tussen 18 maanden en 5 jaar 1 driftbui per dag, met een gemiddelde lengte van 3 minuten. (Dit zijn uiteraard gemiddelden! Kinderen kunnen meer dan 1 woedebui per dag hebben en die kunnen ook langer dan 3 minuten duren. En niet alle kinderen hebben elke dag driftbuien.)”

Marianne: Ik schrok ervan, Anky; als ze waar zijn, zijn dat heftige cijfers. Weet je waarop die cijfers zijn gebaseerd? Ik ben nieuwsgierig naar hoe en met welke definities het onderzoek daarnaar is uitgevoerd, want dat kan veel invloed hebben op de conclusies.

Anky: Ik baseer me voor de cijfers op dit overzichtsartikel. Alle referenties vind je daar terug: https://www.ncbi.nlm.nih.gov/books/NBK544286/
Wanneer ik in een workshop een poll doe naar frequentie en duur van driftbuien, blijkt dat de antwoorden van de deelnemers hier heel dicht bij aansluiten!

Marianne: Eigenlijk werd ik meteen best verdrietig van het woord ‘driftbui’. We zouden als volwassenen (en zeker als zorgverleners, beleidsmakers, schrijvers en ‘influencers’) kunnen overwegen ons taalgebruik eens onder de loep te nemen. We kunnen ons serieus kunnen afvragen of we dat waarop we duiden, wel met het woord ‘driftbui’ willen labellen.

Anky: Goeie vraag! Hoewel ikzelf niet die negatieve connotatie ervaar, realiseer ik me dat dat natuurlijk subjectief is en dus ook voor iedereen anders kan zijn. Ik vind het ook wel belangrijk om aan te sluiten bij het taalgebruik van ouders. Ik denk dat het dan misschien ook gemakkelijker voor ze is om hun blik op ‘driftbuien’ te veranderen. Dat is trouwens ook heel specifiek het doel van onze masterclass over driftbuien (maar dat ontdekken mensen gaandeweg 😉).

Marianne: Ja, dat zou zeker kunnen. Mijn pijn zit hierin… er zit een soort oordeel over het kind in verweven, een negatieve kwalificatie van ongewenst gedrag. Daarbij blijft buiten beeld of de boosheid van het kind misschien terecht is. Driftbuien worden vaak als onredelijk en onacceptabel gedrag gezien, maar dat is beredeneerd vanuit het volwassen perspectief, niet vanuit het kindperspectief.

Anky: Ik denk dat boosheid altijd terecht is, want dat is een gevoel en wat een kind voelt, is op dat moment gewoon zijn realiteit en mag er dus zijn. Het gedrag wordt inderdaad als onredelijk gezien, of vooral niet in verhouding met de aanleiding, maar ook daar is het natuurlijk belangrijk om te weten dat de aanleiding van een driftbui doorgaans niet de oorzaak is. Ook dat vind ik heel belangrijk om ouders mee te geven. En daarnaast is het goed om ook de vertaling te maken naar onszelf als volwassenen, want ook wij reageren wel eens niet in verhouding met de aanleiding.

Marianne: Zeker, heel goed punt! Kijken vanuit het kind lijkt me van belang, want dat verschil in perspectief maakt heel veel communicatie en advies over opvoeding problematisch. Vaak wordt er vanuit het volwassen perspectief gekeken naar het kind en diens gedragsmatige, sociale en emotionele uitingen. Daarbij kunnen we denk ik van alles over het hoofd zien. Welke emotie ligt er onder het gedrag of de uiting? En van welke niet vervulde behoefte is dat gedrag een logisch en terecht signaal of een symptoom?
Onlangs hoorden we over dit dialoogje:
Kind (bijna 4): ‘Mama, is het opruimen nu eeeindelijk klaar??’
Mama even later: ‘Kijk, lieverd, daarom duurt het zo lang: omdat jullie zelfs tijdens het opruimen weer allemaal nieuwe troep maken.’
Kind: ‘Ja, dat hoort!’
Mama: ‘Nou, niet in mijn wereld.’
Kind: ‘Maar dat is wel jouw wereld!’

Anky: Daar sluit ik me zeker bij aan. Mijn missie met ‘Verbindend Opvoeden’ is dan ook heel erg om ouders te helpen om de vertaling te maken en te kijken vanuit het perspectief van het kind. Het is belangrijk om vooral net wat verder te kijken dan het gedrag en te achterhalen welke emoties en (onvervulde) behoeften eronder zitten. Dat geldt niet alleen voor het kind trouwens, maar ook voor ouders zelf. Ik probeer constant de vertaling te maken van kind naar ouders en ook ouders te helpen om hun eigen reacties beter te leren begrijpen. Daar gaat het om: verbinding met je kind en met jezelf!

De caption ging als volgt verder (zie de cursieve passages):
“Driftbuien bij jonge kinderen zijn dus heeeeeeeeel normaal! Peuters en kleuters willen onafhankelijk zijn, maar hebben tegelijkertijd ook heel veel behoefte aan de aandacht van hun ouders. Dat maakt het moeilijk om te weten wat ze nu juist willen. Ze willen nieuwe dingen uitproberen maar niet alles loopt zoals ze het willen net omdat ze alles nog aan het leren zijn. Ze hebben ook nog niet de nodige vaardigheden om op een goede manier om te gaan met hun emoties of er iets over te kunnen zeggen. ⁠⁠Het ideale recept dus voor frustratie en driftbuien.”

Marianne: Hier viel me het woord ‘normaal’ op, een woord dat denk ik voorzichtigheid verdient. Er is namelijk een onderscheid tussen ‘normaal’ (het Engelse ‘normal’: overeenkomstig de norm) en ‘veelvoorkomend’ (het Engelse ‘common’: een vrij hoge frequentie).

Anky: Daar kan ik me zeker in vinden. Ik heb er nooit zo bewust bij stilgestaan, maar dat is zeker iets om in de toekomst meer te doen. Ik denk dat ik op een bepaalde manier naar beide betekenissen wil verwijzen, sowieso ook naar het aspect ‘veelvoorkomend’. Ik merk namelijk dat ouders zich vaak heel erg zorgen maken, terwijl dat niet altijd nodig is. Ik merk ook dat ouders die heel veel dingen heel goed doen, toch het gevoel hebben erg te falen wanneer hun kind desondanks nog wel eens driftbuien heeft. Naast ouders informeren over de ontwikkeling van kinderen en wat je als ouder kunt verwachten, hoe je anders naar gedrag kunt kijken, wil ik ook heel graag ouders geruststellen en waar mogelijk vertrouwen geven. Dat is soms een dunne lijn… In de masterclass is er trouwens ook bewust aandacht voor: wanneer zijn driftbuien zorgwekkend en niet meer ‘normaal’?

Marianne: In westerse samenlevingen is veel gedrag, net als veel pathologie, wél veelvoorkomend, maar in feite niet normaal, niet in lijn met de biologische norm of blauwdruk. Veel gedrags- en gezondheidsproblemen zijn sociaal geconstrueerd; ze zijn gerelateerd aan en gebaseerd op sociaalculturele conventies en gewoontes, overtuigingen en ideologieën, instituties en praktijken, wetten en regels… en noem maar op.
Dat kinderen nog niet met woorden iets kunnen zeggen over hun emoties, betekent immers niet per se dat ze er niet goed mee kunnen omgaan. Dat kunnen ze waarschijnlijk best… als maar wordt voldaan aan de voorwaarden die besloten liggen in de menselijke biologische blauwdruk. De kern daarvan is adequate coregulatie door ouders die in staat zijn hun eigen emoties goed te reguleren. Het is belangrijk dat ze eventueel trauma onder ogen zien en weten te overstijgen. Als ouders begrijpen wat hun kind doormaakt en daar geduldig op reageren, dan valt het meestal wel mee met de boosheid van een kind. En natuurlijk is dit voor veel ouders een hele opgave en een kind kan desondanks ook weleens hartstikke boos en onredelijk zijn (wie niet? 😉). Het is ook goed het daarover te hebben met elkaar, zonder schuld en schaamte, zodat ouders hun vaardigheden kunnen vergroten en hun pijn kunnen helen. Het probleem bij het kind (of bij welke andere persoon ook) neerleggen lost het probleem van de onderliggende pijn echter niet op.

Anky: Zeker! Daar ben ik het helemaal mee eens!

Inmiddels heeft de videocall plaatsgevonden en we hadden een heel mooi gesprek!
Volgende week lees je Deel 2 van deze dialoog.

GOLD: een gouden kans om te leren over de vroege jaren

Conferenties… Al sinds ik een ervaren borstvoedingsvrijwilliger was (ergens rond de laatste jaren van de vorige eeuw), ben ik gretig op zoek naar meer kennis over borstvoeding. Toen ik besloot om lactatiekundige IBCLC te worden, legde ik de lat nog een stukje hoger en in de jaren daarna raakte ik helemaal verknocht aan het bijwonen van lezingen, conferenties, symposia en wat voor soort training dan ook waar ik redelijkerwijs aan kon deelnemen. Er was zo’n schat aan ervaring beschikbaar! Als je eenmaal IBCLC bent, moet je CERP’s verzamelen, Continuing Education Recognition Points, om te bewijzen dat je op de hoogte blijft van de meest recente inzichten uit de wetenschap, de nieuwste ontwikkelingen in het veld en de belangrijkste aspecten van ethische praktijkvoering. In 2008 of 2009 ontdekte ik de GOLD Lactation online conferentie. In die jaren was GOLD het acroniem voor ‘Global Online Lactation Discussion’. Het was een geweldige manier voor IBCLC’s van over de hele wereld om lezingen van hoge kwaliteit bij te wonen, zelfs als hun eigen landen nauwelijks opleidingsmogelijkheden boden omdat er te weinig IBCLC’s in het land waren om dat op zo’n grootschalige en impactvolle manier te organiseren. Met een stabiele internetverbinding kon iedereen GOLD bijwonen en collega’s ver weg leren kennen en samen werken aan en leren over hetzelfde onderwerp! Geweldig, zoveel waar voor je geld!

Ik herinner me nog hoezeer ik elk jaar naar GOLD uitkeek en hoe ik zorgvuldig een paar dagen vrij plande zonder andere verplichtingen. Destijds waren er drie live tijdblokken, verspreid over slechts twee of drie dagen: een ochtendblok, een middag-/vroege-avondblok en een nachtblok, om alle tijdzones te faciliteren! In de chat kletsten we over hoe we erbij zaten, zoals als enige wakker zijn in een stil, nachtelijk huis, terwijl anderen net de kinderen naar school hadden gebracht of de warme maaltijd voor hun gezin bereidden. We maakten grapjes dat GOLD Lactation de enige conferentie was waar je in pyjama kon verschijnen met een deken om je schouders en een hete thee of wijn om je wakker te houden! Een lezing van een uur, een pauze van een uur voor wat napraten, een sanitaire stop en een nieuw drankje en… verder maar weer! Er waren meestal vier of vijf lezingen achter elkaar en ik streefde er altijd naar ze allemaal live bij te wonen in die twee dagen, zodat ik vragen kon stellen en live kon uitwisselen met collega’s. Daarna maakte ik een selectie van de presentaties die ik de moeite waard vond om een ​​tweede keer te beluisteren. In die jaren nam ik ook de rol op me van Nederlandse groepscoördinator; ook dit jaar, 2021, heb ik weer een mooie groep collega’s kunnen inschrijven die GOLD Lactation wilden volgen en we hebben opnieuw genoten van vele goede sprekers.

Meerdere keren heb ik zelf een korte presentatie gegeven in de secties met cultureel georiënteerde en Hot Topic-lezingen, waarin ik inging op kenmerken van de Nederlandse borstvoedingssituatie. Online conferenties waren toen nog niet zo gewoon als tegenwoordig; dat GOLD zo’n mogelijkheid bood om trainingen te volgen was nog vrij nieuw en we waren altijd verbaasd over hoe soepel het hele technische gedeelte verliep. Op dat punt is er niet veel veranderd – de techniek is nog steeds een prachtig onderdeel van hoe GOLD werkt! Daarom ben ik erg blij en kijk ik ernaar uit deel uit te maken van het komende Early Years-symposium! Het GOLD Learning Early Years Online Symposium 2021 is een gloednieuw evenement dat speciaal is gericht op professionals in de gezondheidszorg die werken met gezinnen met kinderen van 0-3 jaar. Het vindt live plaats op 4 en 5 oktober en omvat 6 sprekers die het laatste onderzoek delen over de hersenontwikkeling in de vroege levensjaren, het belang van gezonde relaties en de impact van een gezonde sociale omgeving voor kinderen. Ik heb de eer om een ​​van die zes sprekers te zijn, met als een van de anderen Robin Grille. Ik heb mijn aantekeningen opgezocht uit 2010, toen hij sprak over ‘Attachment, the Brain… and Human Happiness’. Een paar mooie zinnen: ‘Lang voordat er een gesproken taal is, is er lichaamstaal’, ‘De amygdala denkt veel sneller dan het rationele brein’, ‘Het hart wordt steeds meer gezien als het tweede brein’, ‘Het beantwoorden van afhankelijkheid creëert onafhankelijkheid en autonomie’. Robin eindigde met te zeggen: ‘Ik draag dit seminar op aan een betere wereld!’ Wat een inspiratie kunnen we opdoen door naar elkaars wijsheid te luisteren en deze door te geven aan de nieuwe generatie! GOLD doet geweldig werk door dit te faciliteren en mensen dichter bij elkaar te brengen vanuit alle hoeken en rangen en standen.

Een belangrijk aspect van Robins presentatie in 2010 en van de nieuwste inzichten in de neurofysiologie is dat borstvoeding onderdeel is van een breder, cruciaal proces, namelijk ‘Attachment Parenting’, hechtend ouderschap. Er is geen kunstmatige vervanging voor een responsieve, meelevende verbinding tussen baby’s en hun volwassen verzorgers. Daarom zit mijn eigen presentatie dit jaar, ‘Building Strong Children: The Power of Buffering Protection Through Responsive Parenting and Caring Communities’, vol met informatie over de kracht van positieve ervaringen in de kindertijd. Ik zal het hebben over een andere ‘framing’ van bepaalde onderwerpen, zodat die zich richten op zorgzame verbindingen die een gezonde hersenontwikkeling en stressregulatie bevorderen. Ik zal ook ingaan op de verschillen tussen een pathogenetische en een salutogenetische benadering in de gezondheidszorg en in het leven  in het algemeen: richten we ons op wat we moeten vermijden om niet ziek te worden… of richten we ons op wat we moeten doen om gezond te blijven? En wat is in dit alles de rol van machtsverhoudingen? Je bent van harte uitgenodigd om bij ons aan te haken en meer te leren over de impact van liefdevolle relaties, waarom mensen actief contact met anderen proberen te maken en hoe we de ontwikkeling van levenslange veerkracht kunnen ondersteunen. Ik vind het geweldig om over dit belangrijke onderwerp te kunnen spreken en ik hoop dat je erbij kunt zijn! De registratie is open en omvat toegang tot alle presentaties, zowel live als opgenomen: https://www.goldlearning.com/early-years-symposium. Wellicht tot ziens!

#GOLDEarlyYears2021

Een nieuw seizoen!

Het is alweer september! We hebben de zomer (bijna) achter ons, al lijkt het erop dat we nog wat zonnige dagen voor de boeg hebben. We hopen dat jullie heerlijk hebben kunnen ontspannen, dat je alleen of met je dierbaren tot rust kon komen van alles wat in het voorbije jaar je aandacht en energie vroeg, en dat je mooie dingen hebt om naar uit te kijken!

Bij ACE Aware gaan we ook weer volop aan de slag. We hebben nog een paar bijzondere interviews op de plank liggen die het verdienen zo snel mogelijk te worden uitgewerkt, zodat de wijsheid die de geïnterviewden met ons hebben gedeeld, voor jullie beschikbaar komt!

Zo spraken we met Bertus Jeronimus, werkzaam aan de Faculteit Gedrags- en Maatschappijwetenschappen van de Rijksuniversiteit Groningen (RUG). Hij studeerde daar klinische en ontwikkelingspsychologie en Nederlands recht en promoveerde op een onderzoek naar de wederkerigheid tussen persoonlijkheid en levensgebeurtenissen. Op dit moment werkt hij aan een beter begrip van persoonlijkheid en hoe mensen hun welbevinden ervaren. We spraken hem naar aanleiding van zijn artikel over ‘Het (on)geluk van een coronageneratie’, waarin hij aandacht vraagt voor het feit dat voor jonge mensen elkaars dichte nabijheid een levensbehoefte is. Hij benoemt dat veel pijn onder jongeren schade geeft die je niet meteen ziet en die daarom wordt onderschat.

Verder interviewden we, eveneens in Groningen, Jessica Boerema; zij geeft vanuit haar eigen praktijk ‘Contact in beeld’ trainingen aan ouders en professionals om meer inzicht te creëren in het belang van effectieve communicatie met jonge kinderen op moeilijke momenten. Communicatie waarbij je als volwassene de baby of het jonge kind goed begrijpt en de signalen leert ontcijferen, helpt enorm om te zorgen dat een baby zich veilig voelt en vertrouwen ontwikkelt in de wereld. Dat is natuurlijk een prachtige manier om de veerkracht van een kind van jongs af te ondersteunen.

In Amsterdam ontmoetten we Beatrijs Smulders, bekend auteur en verloskundige. Ze heeft de afgelopen vier decennia een prominente rol gespeeld in de verloskundige zorg en is een hartstochtelijk voorvechter van de thuisbevalling en een vernieuwer in hart en nieren. Ze begeleidt tegenwoordig geen bevallingen meer, maar geeft via consulten wel persoonlijke begeleiding en adviezen op het gebied van vrouwenzaken. Ze heeft in de loop van haar carrière duizenden moeders en vaders een start zien maken in het ouderschap en heeft op grond daarvan een eigenzinnige visie ontwikkeld die is gebaseerd op haar professionele ervaring, gecombineerd met wetenschappelijke inzichten. Kortom: een boeiende gesprekspartner, met ideeën die tot nadenken uitnodigen en uitdagen!

Er zijn ook nog wat bijzondere professionals die graag geïnterviewd willen worden, maar met wie de datum nog niet vastligt. Ook daaraan gaan we vlot een vervolg geven. Werk je in de gezondheidszorg, het onderwijs, de juridische sector of ben je een professional die werkt met een traumageïnformeerde benadering? We horen graag van je en wellicht kunnen we een interview arrangeren! 

Verder staan er nog interviews op de rol met mensen die ongunstige ervaringen hebben doorgemaakt toen ze opgroeiden. Hen noemen we respectvol ‘ervaringsdeskundigen’, mensen die experts zijn omdat ze op grond van hun eigen ervaring weten wat de impact van toxische stress en trauma kan zijn. Hun namen kunnen we uiteraard niet delen, maar dat maakt hun verhaal niet minder belangrijk. In feite zijn het die verhalen die de kern vormen van het werk voor ACE Aware NL; die maken zichtbaar hoe vroege ervaringen doorwerken in het latere leven. Wanneer mensen terugkijken op hun jeugd in een fase waarin ze wat meer afstand hebben kunnen nemen, komen er soms veel dingen naar boven. Soms ook is het confronterend om aspecten van die levensfase geconfronteerd als ze in de ouderrol keuzes moeten maken. De behoeften en eigenheid van de eigen kinderen kunnen soms heel confronterend zijn. Die kunnen vragen oproepen over hoe het was om als kind de steun van je ouders nodig te hebben en die niet te krijgen, of om het gevoel te hebben dat je niet gezien werd en het bijna nooit goed genoeg kon doen. Dat kan veel verdriet losmaken. Verdriet kan er uitzien als boosheid of frustratie of ongeduld, maar in de kern is dan toch vaak het verdriet om de pijn en het gevoel van onveiligheid en eenzaamheid onderliggend. En wat doe je in dat geval…? Slaag je erin lief te zijn voor jezelf? Gun je jezelf tijd en ruimte om erover te praten met een naaste? Heb je een sociale omgeving tot je beschikking die aandacht voor je heeft en waar je veilig kwetsbaar kunt zijn? Het kan al helpen als je weet dat je niet alleen bent in je verdriet en dat het bevrijdend kan werken om erover in gesprek te gaan, zeker ook wanneer het ouderschap aanstaande is of net begonnen. Ook aan dit aspect zullen we dit jaar concreet handen en voeten geven door bijeenkomsten te organiseren.

Begin oktober zal Marianne Vanderveen-Kolkena een presentatie geven voor GOLD Learning namens ACE Aware NL in het Early Years-symposium. Ze zal onder andere spreken over het verschil tussen het vermijden van risico’s en het opzoeken van wat ons als mens goed doet, oftewel het verschil tussen een salutogenetische benadering (wat hebben we nodig om gezond te blijven?) en een pathogenetische (wat moeten we vermijden om niet ziek te worden?). Ook komt aan bod dat gezondheid geen individuele aangelegenheid is, maar sociaal geconstrueerd wordt en dus het resultaat is van de interactie tussen de omgeving en het individu. Verder zal het idee van ‘adult supremacy’ de revue passeren, het idee dat volwassen belangen vaak zwaarder wegen dan de belangen van het afhankelijke jonge kind dat volop in ontwikkeling is.

Kortom: er is veel waarmee we aan het werk gaan!
Tijdens de vakantieperiode kregen sommige thema’s op meer creatieve wijze gestalte en we delen graag een foto met gedicht met je.
Veel leesplezier en we kijken ernaar uit je ergens te ontmoeten, live of online!

Het belang van ons taalgebruik

Deze week willen we het hebben over een belangrijk onderwerp, namelijk de manier waarop we taal gebruiken wanneer we bepaalde thema’s bespreken, vooral rond gezondheidskwesties.
Het belang van taal en de invloed ervan op hoe mensen een onderwerp of een concept zien of begrijpen, werd mij voor het eerst op indringende wijze duidelijk via een artikel van Diane Wiessinger, getiteld ‘Watch Your Language’ (‘Let op je woorden’). Jaren later gaf Karleen Gribble een mooie voordracht over het onderwerp. Beide vrouwen spreken over borstvoeding als de biologische norm om baby’s te voeden en over hoe borstvoeding in plaats daarvan vaak wordt omschreven als ‘gezonder’ en ‘risicoverlagend’ en ‘intelligentieverhogend’. Uit het gebruik van deze comparatief (de vergrotende trap) blijkt dat borstvoeding wordt vergeleken met iets anders, wat in plaats daarvan blijkbaar als de norm wordt beschouwd, hoewel niet expliciet. De verborgen norm in dit soort bewoordingen is kunstmatige zuigelingenvoeding. Als we spreken in termen van ‘breast is best’, borstvoeding is de gouden standaard, geeft betere uitkomsten en een betere ontwikkeling… dan impliceren we dat borstvoeding het ideaal is en allerlei extra voordelen biedt. Omdat echter niemand perfect is, is de normale (of de verborgen norm) dan dus kunstmatige zuigelingenvoeding.

Vorig jaar, in augustus 2020, gaf Diane Wiessinger een presentatie waarin ze nog dieper in de materie duikt van het ‘let op je woorden’-idee. Ze legt de basisregels van de wetenschap uit, zoals het verschil tussen de controlegroep en de experimentele groep. De controlegroep is de groep die de normale biologie heeft en waarmee niets wordt gedaan. Die groep is nooit de focus van de studie. De focus ligt altijd op de experimentele groep, de groep die een interventie krijgt, iets heeft laten doen of gebeuren, en dan een variatie laat zien, een afwijking van de norm van de controlegroep. Wanneer we de variatie statistisch beschrijven, wordt het gebruik van de verkeerde norm zeer problematisch. Kijk maar eens naar de afbeelding hieronder.

Als we zeggen dat gezonde gewoontes het risico op iets met 50% verminderen, dan zeggen we in feite dat ongezonde gewoontes het risico daarop met 100% verhogen! Met andere woorden: de cijfers die met de boodschap aan de lezer of luisteraar worden overgebracht, zijn afhankelijk van welke norm we hanteren. Onderzoekers, beleidsmakers en zorgverleners proberen waarschijnlijk niet bewust een bedrieglijk beeld te geven van bepaalde risico’s, maar toch kan dat onjuiste beeld het gevolg zijn van het taalgebruik. Dit maakt geïnformeerde besluitvorming tot een zeer moeilijk proces. Op een bepaalde manier formuleren heeft dus bepaalde mechanismen tot gevolg en die vereisen een gedegen filosofische en ethische beschouwing aangaande de vraag wat we op een bepaald gebied als de norm zien en hoe we daar vervolgens over spreken.

In deze context is het interessant om te kijken hoe we praten over ongunstige ervaringen in de kindertijd en over trauma in het algemeen. Als we zeggen dat veilige gehechtheid het risico op probleemgedrag verkleint, hebben we onveilige gehechtheid als onze verborgen norm. Als we zeggen dat goede coregulatie de kans op een toxische stressreactie verkleint, hebben we een gebrek aan goede coregulatie als onze verborgen norm. Als we zeggen dat mededogen empathie en veerkracht vergroot, hebben we hun afwezigheid als onze verborgen norm.

Hoe komt het dat we vaak de neiging hebben om zulke bewoordingen te gebruiken…? Het heeft waarschijnlijk te maken met het feit dat andersom formuleren als erg ongemakkelijk kan worden ervaren. Zeggen dat een kille benadering (of gebrek aan mededogen) de ontwikkeling van empathie en veerkracht in gevaar brengt, kan heel confronterend aanvoelen. Het geeft aan waar we tekortschieten en wat de nare gevolgen daarvan kunnen zijn. Als we het zo omschrijven, is de kans veel groter dat we aansprakelijk worden gesteld, waardoor onze verantwoordelijkheid zichtbaar wordt en waarschijnlijk ook de status quo van culturele praktijken en machtsverhoudingen wordt opgeschud.

Met betrekking tot ongunstige ervaringen in de kindertijd (of ACE’s), zouden we een denkoefening kunnen doen om tot een ​​biologische norm te komen. Wanneer we onveilige hechting, onvoldoende coregulatie en gebrek aan mededogen als de (verborgen) norm nemen, creëren we een behoorlijk trieste visie op normale menselijke eigenschappen. Zoals het gezegde luidt: ‘Humans are hardwired for connection.’ Mensenbaby’s komen op de wereld met een prosociale houding: ze zoeken actief naar positieve relaties met anderen. Het is hun aangeboren neiging; alleen zo kunnen ze overleven. Het is via sociale verbinding dat ze zich ontwikkelen van gezonde baby’s tot gezonde kinderen en volwassenen. Gedurende de hele evolutionaire geschiedenis van de mensheid hebben mensen het overleefd omdat ze elkaar veiligheid konden bieden door middel van nauwe banden, zinvolle relaties met zorgzame anderen, en dus een gevoel van verbondenheid en een doel in het leven. Zonder dit alles kunnen mensen niet overleven, laat staan ​​gedijen. Wederkerigheid is de ‘sociale lijm’ van de samenleving. Op basis van onze zoogdier-erfenis kunnen we daarom gerust zeggen dat verbinding en een veilig gevoel de norm zijn voor overleving en gezonde sociale relaties binnen gemeenschappen.

Dit betekent dat als we een boodschap willen overbrengen over gezondheidsrisico’s, we dus het risico van *gebrek* aan gezonde sociale relaties moeten noemen. En als we merken dat uiteenlopende vormen van structureel geweld, zoals armoede, racisme en andere ongelijkheid een rijke relatieopbouw in gevaar brengen, moeten we die verschijnselen bestempelen als risicofactoren of sociale determinanten van een slechte gezondheid. Hoe confronterend dit ook moge klinken… door het op deze manier te formuleren, voorkomen we het oneerlijke, onethische verbergen van de verkeerde norm in termen als ‘voordelen’ en ‘winst’ van het tegenovergestelde. Ethische, wetenschappelijk verantwoorde bewoordingen (focus op impact van interventie/experiment) kunnen ons als samenleving helpen om beter te begrijpen waartegen we in opstand moeten opkomen en wat verandering behoeft. De grondregel in de gezondheidszorg is immers ‘Ten eerste/in ieder geval, geen kwaad doen’, of oorspronkelijk: ‘Primum non nocere’. Benoemen wat schadelijk is, vergemakkelijkt de aanpak ervan. Het schadelijke niet benoemen is een onethische, bedrieglijke vorm van achterhouden van informatie. Toxische stress of te veel werkuren of het laten huilen van baby’s aanduiden als risicofactoren, wijst ons in de richting van hoe we het risico kunnen wegnemen of verminderen. Verschillende gewoontes vergelijken in wetenschappelijk onderzoek of in beleidssettings is uiteraard noodzakelijk om te achterhalen waar zich de risico’s bevinden. Aan de andere kant zouden we in gesprekken met elkaar in andere sociale omgevingen kunnen besluiten om helemaal niet te vergelijken. Zoals de afbeelding laat zien, kunnen we ervoor kiezen om een concept weer te geven door te beschrijven, niet door te vergelijken. Zo’n benadering kan helpen om ons meer bewust te worden van het feit dat het leven geen wedstrijd is, waarbij alles constant wordt vergeleken met iets of iemand anders die beter of slechter is. Het helpt polarisatie te voorkomen en kan het gemakkelijker maken om een proces als een continuüm te zien in plaats van als een zwartwitte ‘het-één-of-het-ander’-categorie.

Het punt moge duidelijk zijn: telkens als we een vergrotende trap hanteren in ons spraakgebruik, hebben we bewust of onbewust besloten wat onze norm is, ons referentiepunt, de standaardwaarde. Welke situatie, welk gedrag beschouwen we als de norm? Wat zien we als de essentie van onderlinge menselijke verbinding? Het kan heel verhelderend zijn hierover na te denken en om, als we dan al een norm moeten kiezen, dit bewust en zorgvuldig te doen. Zoals Diane zegt: ‘Alles verandert als we de norm veranderen’, inclusief hoe media berichten over gezondheidsrisico’s. Om consequent een gerechtvaardigde norm te hanteren in ons taalgebruik, kan een uitdaging zijn, maar het kan zeker worden aangeleerd. Waarom zouden we dat proberen? Omdat, zoals we van Diane Wiessinger leerden, onze woorden ertoe doen en het motto ‘Let op je woorden’ aandacht verdient!