De kracht van een goede bevalling en geboorte

Onlangs vertelden moeders in drie afzonderlijke lactatiekundige consulten ervaringsverhalen met verdrietige elementen die raken aan ACE’s. Een aantal aspecten delen we in dit blog.

Eén moeder was onzeker over de vraag of het aanleggen van haar baby van 7½ week wel goed ging en of ze geen dingen zou moeten veranderen in de manier waarop ze het voeden regelde gedurende de dag. “Ik wil heel graag blijven voeden. Mijn zus heeft er ook erg van genoten en ik wil er nog niet mee stoppen, vooral ook omdat mijn baan als zelfstandig ondernemer het mogelijk maakt om het voeden goed in te passen in mijn dag, maar ik vraag me steeds af of ik het wel goed doe. Mijn kindje is een superfanatieke drinker, zei de kraamverzorgende, een echte piranha!” Ik sloeg aan op deze twee labels; zijn die wel gepast voor een baby die net op de wereld is…? Hoe vormen ze het beeld van de ouders over hun pasgeboren kind…? Ik vroeg hoe het kwam dat ze zich onzeker voelde en waar de twijfel zat. Ze vertelde over haar bevallingservaring, waarbij ze thuis had willen blijven, maar toch in het ziekenhuis terechtkwam, op de rug werd gelegd, weeënopwekkers kreeg en in haar beleving de regie uit handen had moeten geven. “Ik heb bij de zorgverleners een sterke controledwang ervaren; de zorg was niet holistisch en ik wilde daar eigenlijk zo snel mogelijk weg, zodat we het thuis op onze eigen manier zouden kunnen doen. Er zijn allerlei dingen gebeurd die ik juist niet wilde, zoals ook een elektrode op het hoofd van onze ongeboren baby en waarbij werd gezegd dat die er niks van zou voelen. Ik voelde dat er een hiërarchie was en dat mijn baby en ik daarin niet bovenaan stonden. Er werd *over* ons gepraat, niet *met* ons. Ik wilde geen ruggenprik, maar kreeg wél een syntocinoninfuus en uiteindelijk moest er ook nog een knip worden gezet. Kortom… er is veel gebeurd en ik voel nu dat ik thuis nog helemaal mijn draai moet vinden.” We hebben uitgebreid alles doorgesproken en ik kon bevestigen dat ze met haar intuïtie helemaal goed zat en dat ze de controledwang die ze had ervaren, niet hoefde over te nemen, maar op haar kindje en hun onderlinge relatie mocht vertrouwen. Wat een geruststelling was dat… van pure opluchting kwamen de tranen en knikte ze heftig bij de dingen die ik omschreef als goed voor haar baby: knuffelen, lekker veel voeden, niet laten huilen… Dat was precies wat ze graag wilde en eigenlijk diep van binnen ook wel wist.

Bij een ander consult moesten we tijdens de ontmoeting nog wat dingen doornemen, die ik normaal gesproken vooraf al uit het intakeformulier heb kunnen halen. Dit consult was zó snel gepland dat ik daarvoor geen tijd had gehad. Moeder vertelde dat ze in het ziekenhuis was bevallen. Ik vraag dan meestal of dat ook de planning was of dat het tijdens het baringsproces zo is ontstaan. Al pratende bleek dat ze een keizersnede had gehad, omdat diverse dingen anders waren gelopen dan gehoopt. Ze zei dat ze daar vrede mee had. Ik keek haar aan en liet een lange stilte vallen, waarin ik de tranen in haar ogen zag opwellen. “Het is helemaal okay, hoor, als je verdrietig bent om wat er is gebeurd. Zelfs als je blij bent dat de essentiële dingen goed zijn afgelopen, heb je alle recht om te rouwen om wat je bent misgelopen en waarop je had gehoopt…” Ik legde een hand op haar arm, waarna het huilen intenser werd. gevoel van ‘er vrede mee hebben’ was er verstandelijk wel, maar emotioneel was het een heel andere zaak. Ook vader had de bevalling als heftig ervaren; er was van alles gebeurd waarop hij had gevoeld geen invloed te hebben en dat had hen beiden geraakt. We namen alles door en ik moedigde beide ouders aan om met z’n drieën via veel knuffelen en huidcontact te baden in het oxytocinehormoon, dat niet alleen goed is voor de borstvoedingsrelatie, maar ook helend werkt.

Bij een volgend consult ging het voeden nog wat lastig omdat de baby van een dikke week oud aan de borst onrustig was en niet goed hapte, waardoor moeder pijnlijke tepels had gekregen. We namen samen door hoe ze haar kindje kon ondersteunen en sturen bij het aanleggen, zodat er een grotere hap borstweefsel in het mondje zou komen en de tepel verder achterin lag en niet werd belast. Dat ging tijdens het consult heel goed en het hummeltje viel in mama’s armen tevreden in een diepe slaap.

Moeder voelde zich dit keer beter dan bij de geboorte van de oudste. Die was via een keizersnede ter wereld gekomen nadat er van alles was gebeurd wat moeder als traumatisch had ervaren: de doula mocht niet mee naar de verloskamer, er liepen voortdurend onbekende mensen in en uit waardoor de concentratie werd verstoord, en moeder voelde zich niet ‘in control’. Na aanvankelijk weeënopwekkers te hebben gekregen, mocht ze bij 9½ cm ontsluiting niet persen. Toen de verpleging had gezegd dat het niet langer dan een half uur zo kon doorgaan, omdat baby het zwaar had en dat er een keizersnede zou moeten volgen, ontstond er een noodsituatie in een andere verloskamer. Iedereen verdween, vader zag het halve uur verstrijken en maakte zich zorgen om de baby, maar niemand had de ouders verteld dat er ook weer weeënremmers waren gegeven en dat afwachten geen risico was. Al met al was het hele proces met stress omgeven geweest – een groot verschil met de badbevalling die ze nu, goed voorbereid, in het ziekenhuis hadden meegemaakt (in een andere woonplaats).

Wat raakt in deze drie verhalen, is dat de omstandigheden waarover de ouders verdrietig en teleurgesteld zijn en waarom ze rouwen, niet inherent waren aan het natuurlijke verloop. De pijn, het verdriet en de teleurstelling gaan vooral over de communicatie, over de wijze waarop hun wensen niet zijn gehoord of gehonoreerd, over dat er onvoldoende aandacht was voor het belang van privacy en zachtheid. een ongestoord en stressvrij verloop van de bevalling en de geboorte is het nodig dat er een veilige, warm omhullende omgeving wordt gewaarborgd. De barende en de baby zijn samen het middelpunt van dat kleine, besloten universum en iedereen is dienstbaar aan de grote overgang die zij samen maken. Een bevalling en een geboorte zijn cruciale, transformatieve gebeurtenissen in het leven van respectievelijk de ouder en het kind. Die verdienen het om met het grootste respect te worden omgeven, zodat ze als een anker en een stralende ervaring in het geestelijke en lichamelijke geheugen van (vooral) moeder en kind worden gegrift.

We weten dat ACE’s, Adverse Childhood Experiences, al heel vroeg in het leven kunnen optreden en dus preventie verdienen. We weten ook dat een goed verlopende geboorte voor de baby een krachtig begin is en dat een mooie baring bij de moeder juist veel oude pijn kan helen. Als ze ervaart dat haar lichaam iets kan wat ze nog nooit eerder heeft gedaan, dan geeft dat een enorme kracht. Die kracht neemt ze mee in haar ouderschapsrol en die helpt bij het bouwen van het fundament voor het kind. Het goed begeleiden van de bevalling en de geboorte is daarom niet alleen een emotionele en spirituele verantwoordelijkheid. Het is ook gewoon een kwestie van salutogenetische, preventieve gezondheidszorg. Laten we er gezamenlijk aan werken dat daar steeds meer aandacht voor komt!

Hoe ouders van nu voor hun kleintjes kunnen zorgen, Deel 2

Afgelopen week deelden we een eerste deel over de communicatie richting kersverse ouders naar aanleiding van een artikel van Ouders van Nu. Vandaag bespreken we de tweede helft van die bijdrage.

Het artikel behandelt ook slaapritme: er wordt gesproken over een ‘normaal’ slaapritme. In lijn met eerdere vragen: wat is de definitie van ‘normaal’? Over wiens norm spreken we in deze context? Het Engels heeft twee mooie woorden die vaak worden gebruikt: ‘normal’ en ‘common’. dingen die ‘common’ zijn (veelvoorkomend), zijn biologisch gezien in feite niet ‘normal’ (normaal, volgens de biologische norm). Het is belangrijk daarin een bewust onderscheid te maken. Wat we duiden als een ‘normaal’ slaapritme, is voor iedere cultuur anders. In veel landen doet men aan siësta; in Nederland doen we dat niet. Is het ‘normaal’ een middagdutje te doen of is het normaal om alleen in de nacht te slapen?

Iedere volwassen mens is anders; iedere baby is ook anders. Alle patronen bij elkaar opgeteld vormen samen een gemiddelde (dat misschien als ‘normaal’ wordt aangeduid). Zelfs als niet één baby slaapt volgens het gemiddelde patroon, kan dat toch het gemiddelde zijn (dit is wiskunde: tel alles op, deel door het aantal elementen). Je kunt daar best wat in sturen, maar je kunt het niet afdwingen. Sommige kinderen zijn al jong zeer actief en nieuwsgierig en energiek (en daarom veel wakker) en andere kinderen vinden het heerlijk om veel te slapen. Hoe dan ook: ze hebben allemaal veiligheidsbeleving nodig om zich vertrouwensvol aan de slaap over te geven. Die veiligheid zit vooral in jouw aanwezigheid als ouder, in je vaardigheid om je kind te coreguleren, om sensitief en responsief te zijn en de behoeften van je kind zo goed mogelijk te bevredigen. Als je dáárin slaagt, dan zal het slapen meestal ook niet al te grote problemen opleveren. En als je baby veel wakker is en jou nodig heeft, dan laat dat iets belangrijks zien: het is waarschijnlijk niet zo’n goed idee dat vaak al zo snel weer van ouders wordt verwacht dat ze de zorg voor hun kind met allerlei dwingende andersoortige verplichtingen combineren. Het kan ons helpen om te beseffen dat het misschien tijd is om dit (sociaal geconstrueerde, cultureel gekleurde) patroon van zorg voor een pasgeboren kind anders vorm te geven.

Steeds naar de babyfoon kijken als probleem: goed punt, om te focussen op je baby en niet op technologie.

Je baby te lang bij je laten slapen: hier zijn allerlei eerder genoemde punten opnieuw aan de orde. Wat is ‘te lang’? Volgens wiens mening? Op grond waarvan kan iemand stellen dat het ‘te lang’ is? Welke bezwaren zijn ertegen aan te voeren? Het is, zoals wordt gesteld, zonder meer handig om je baby dichtbij te hebben als je borstvoeding geeft, maar dat is voor een deel omschreven vanuit het perspectief van de volwassene (namelijk de moeder die borstvoeding geeft). zou er gebeuren als we álle adviezen over baby’s en hoe met ze om te gaan, zouden geven vanuit *hun* perspectief, vanuit de vraag wat *zij* als fijn of belangrijk of handig of geruststellend of troostend ervaren? Hoe kunnen we het belang van de nabijheid en het horen van de ouders inschatten voor *iedere* baby, niet slechts de borstgevoede? Wie heeft dat bepaald, dat een baby op een gegeven moment op een eigen kamer *moet* gaan slapen? Van wie moet dat? Met welke reden? En waarom zou dat moeten samenvallen met het moment waarop de ouder weer aan het werk gaat (waarbij ‘zorgen voor een gezin’ naar het lijkt niet als ‘werk’ wordt gedefinieerd)? Wanneer een (borstvoedende) moeder haar werkzaamheden buitenshuis oppakt en de baby naar de opvang gaat, is baby’s behoefte aan nabijheid van mama vaak juist extra groot in de nacht. Dat is precies om de reden die in het artikel wordt genoemd: baby’s voelen zich veilig als ze mama (en papa) dichtbij weten. Ze proberen de gescheidenheid van overdag ’s nachts te compenseren. Er zijn baby’s die dan juist overgaan op ‘reverse cycling’: ze drinken overdag maar weinig, slapen veel op de opvang, en halen dan het contact met mama’s lijf in de nachtelijke uren in. Andermaal: als we kijken vanuit het perspectief van de baby, dan is dit volslagen logisch gedrag. Je baby voelt zich dicht bij jou het allerfijnst en zal dus proberen dit zoveel mogelijk te realiseren. Je kind is immers niet gericht op een carrière of andere economische zaken; je kind wil gewoon bij jou zijn.

Als gezin, als ouders kies je voor een bepaalde nachtelijke slaapconstellatie. Het is zeker waar dat kinderen die hiervan genieten, deze waarschijnlijk zullen proberen te handhaven. Daar is niks op tegen en dat is volslagen logisch (als volwassenen doen we ook ons best om te behouden wat we fijn vinden). Wel kan het zijn dat er een moment komt waarop één of meer slapers in het bed de situatie niet meer fijn vinden. Dan wordt het tijd om in goed overleg en met zachte overreding tot een andere aanpak te komen. Afhankelijk van ieders wensen zal dat tot een andere oplossing leiden. Wat ouders daarbij kiezen, zal afhangen van de waarde die ze hechten aan het nachtelijk contact, hoezeer die hun nachtrust verstoort of bevordert, hoe zwaar ze de veiligheidsbeleving van hun kind wegen, hoe gemakkelijk het kind zich al aan de slaap kan overgeven, hoeveel ruimte er is in huis om het anders te doen, hoe de eventuele andere kinderen erop reageren… en wat je verder nog maar kunt verzinnen.

Kortom: ieder gezin is uniek. Iedere baby is ook uniek, maar over de hele wereld delen baby’s de behoefte om, zeker ‘s nachts, dicht bij hun primaire hechtingsfiguren te zijn (mama, papa, grootouders, brusjes – allemaal mede afhankelijk van wat in een bepaalde cultuur de gewoonte is). het belang van de babybehoeften lijkt het wenselijk breed te kijken en niet te volharden in gedragsmatige benaderingen die cultureel misschien ‘normaal’ worden gevonden, maar waarover de wetenschap inmiddels nieuwe inzichten heeft verworven, in lijn met wat we intuïtief en instinctief eigenlijk allang weten. We hoeven niet zonder meer het advies van sommige experts op te volgen; dat kleine kindje, dat zich veilig wil voelen en daarmee een goede basis legt voor een gelukkig volwassen leven, is immers niet hún kind. Het heeft daarom niet veel zin en het werkt juist averechts om in allerlei media-uitingen te polariseren tussen ouder(s) en kind. Ook dát is framing: het kind zó neerzetten dat het lijkt alsof dat kind een lastpak is dat je als ouder een beetje (veel) onder controle moet zien te houden, omdat je anders gegarandeerd ellende kunt verwachten. Zoals een vis het water waarin hij zwemt niet kan zien, zo kunnen we als mensen vaak de vreemde gewoontes van onze cultuur niet zien. We zijn ermee opgegroeid en opgevoed en zitten er vervolgens mee opgescheept, soms van generatie op generatie. Als je altijd geloofde dat de mensen die je bepaalde dingen vertelden het bij het rechte eind hadden en je hebt daaromheen je eigen wereldvisie gebouwd, dan kan het een verontrustend idee zijn om van dat beeld af te stappen en te zeggen: ‘Hmmm… ja, nu ik snap hoe dat werkt met de veiligheidsbeleving van een baby of een jong kind, nu begrijp ik dat veel adviezen niet echt zinvol of zelfs schadelijk zijn. Laten we het voortaan anders aanpakken!’ Dat is vaak niet gemakkelijk, maar het is wél een volwassen manier van omgaan met voortschrijdend inzicht: ‘Ik wist het niet en ik zie nu dat het beter anders kan.’ Vooral mensen op een positie met een groot publiek dragen op dat punt een grote verantwoordelijkheid. Het is te hopen dat we als samenleving de moed hebben die verantwoordelijkheid, omwille van onze baby’s, dapper te dragen, zodat ze veilig gehecht en gezond kunnen opgroeien!

Hoe ouders van nu voor hun kleintjes kunnen zorgen, Deel 1

Geen fouten, maar een gedeelde zoektocht

Onlangs kregen we via iemands Facebookpagina een bericht onder ogen over een artikel van Ouders van Nu. Er ontspon zich onder de lezers van het bericht een discussie over onder andere de vraag of het wel was geschreven voor ouders van ‘nu’, of meer voor ouders van ‘vroeger’. Ook vonden diverse mensen de toon betuttelend en ze hadden moeite hadden met de stelligheid van bepaalde formuleringen, om te beginnen het woord ‘fouten’ in de titel.
De tekst van het artikel is niet super recent, maar van 2021. Toch waren vorig jaar rond deze tijd de inzichten ook al wel zodanig dat er hier en daar kanttekeningen te plaatsen zijn bij de boodschap aan jonge ouders. Die verdienen eerlijke informatie en ondersteuning in hun totaal nieuwe zoektocht, geen negatief oordeel over hun keuzes. We willen daarom graag wat aspecten bespreken die van invloed kunnen zijn op de veiligheidsbeleving van zowel het kind als de ouder in de ouderrol. Die veiligheidsbeleving is van grote invloed op hoe we ons als mens ontwikkelen en daarmee ook op onze totale gezondheid.

Laten we inderdaad beginnen met de titel: fouten. Dat is een lastige opening. Wat betekent het voor kersverse ouders om te lezen dat keuzes die ze maken ‘foute’ keuzes zijn…? Op een wat fundamenteler niveau: wie bepaalt wat ‘goed’ of ‘fout’ is…? Is daarop een eenduidig antwoord te geven? Hoe beïnvloedt onze cultuur de ideeën daarover? Hoe hangen dat soort ideeën samen met normen en waarden en visies op wat de verantwoordelijkheid is van ouders richting hun baby? Hoe kijken we naar de taak die je als ouders hebt? Daarin kunnen we ons een heel continuüm voorstellen, van een lastige, afmattende opgave waar je je doorheen moet werken tot je kinderen eindelijk op eigen benen staan… tot aan een eervolle, vreugdevolle taak waarin je een totaal afhankelijk mensje naar volwassenheid mag begeleiden… en alle gradaties van ervaringen daartussenin. Nog meer vragen: wat zegt de wetenschap zegt over de behoeften van kinderen en wat vinden we daarvan? Hoe zit het met de rechten van kinderen om hun evolutionair ingeprente behoeften bevredigd te krijgen? Hoe bekend zijn die behoeften in de samenleving als geheel? De antwoorden op dit soort vragen bepalen hoe we met die kleine wezentjes willen omgaan zolang ze voor hun overleving en welzijn nog volledig van ons als volwassenen afhankelijk zijn.

Slapen: velen denken dat het iets is wat een baby moet leren, maar dat is natuurlijk niet zo. Baby’s slapen immers al in de baarmoeder. Ze kunnen dus al slapen voordat ze geboren zijn. Wat we mogelijk wél vaak doen, is ze een ervaring van onze wereld meegeven die het moeilijker voor ze maakt om zich vol vertrouwen aan die slaap over te geven. Wanneer zien we zelf tegen de nacht op? Wanneer kunnen we zelf de slaap niet vatten of worden we aldoor wakker en zoeken we naar troost en geruststelling midden in de nacht? En als we die nodig hebben… wat doen we dan? Hoe verhoudt zich dat wat we als volwassenen kunnen doen om onszelf te reguleren en weer in slaap te vallen tot wat een baby zelf in gang kan zetten? Wat is de definitie van een ‘makkelijke slaper’? Voor wie moet het ‘makkelijk’ zijn? Wat is de definitie van ‘goed slapen’? Wat is de definitie van ‘doorslapen’? Slapen we zelf altijd ‘door’, zonder ook maar één keer wakker te worden? En zo niet, waar komt dat dan van en wat doen we eraan (of ertegen)?

Huilbaby, loterij, ronken, terror: er worden allemaal woorden gebruikt die een sfeer neerzetten. Met een ander woord wordt dat wel ‘framen’ genoemd: je brengt iets op een bepaalde manier over om een visie te bewerkstelligen. Je wilt een bepaalde mening propageren en probeert de lezer of toehoorder daarvan te overtuigen door woorden te kiezen die die sfeer overbrengen. Hoe behulpzaam is het om uitingen van totaal afhankelijke baby’s, die voor alles wat ze nodig hebben zijn aangewezen op de bereidheid van hun verzorgers om dat in orde te maken, te ‘framen’ met negatieve termen? Als een baby niet goed kan slapen… voor wie is dat dan het ergst? Als een baby zich niet kan overgeven aan de slaap… hoe kunnen we de onrust van dat kleine kindje dan duiden? Wie kan daar welke dingen aan veranderen? Wat wordt er bedoeld met de aansporing je niet druk te maken over het slaapgedrag van je baby?

Op de bank in slaap vallen met je baby in je armen: er wordt gesteld dat dit één van de fijnste dingen in de wereld is. Dat is op zich een mooie stellingname. Er wordt echter vervolgd met de uitspraak dat dit gevaarlijk is, net als ‘bedsharing’ (je baby bij jou in bed laten slapen). Ten eerste is dat laatste niet waar, mits je aan een aantal voorwaarden vooraf hebt gewerkt. Ten tweede: hoe komt het dat ouders op de bank in slaap vallen met hun baby in plaats van in een veilig gemaakte setting in bed? Dat komt dikwijls omdat ze van zorgverleners en beleidsmakers en mediamensen aldoor opnieuw angst aangejaagd krijgen over samen slapen, terwijl de mensheid al millennia met de eigen kinderen samen slaapt. Vervolgens gaan ze op een bank of stoel zitten terwijl ouder en kind beide moe zijn, want de baby mee in bed nemen is ‘verboden’. De slaapplek delen is echter de norm voor zoogdieren, en dus ook voor de mens. Dat we baby’s apart te slapen leggen, soms in een andere kamer, is sociaal-cultureel en antropologisch gezien heel ‘weird’ en komt vooral voor in WEIRD-landen (Western, Educated, Industrialised, Rich, Democratic). Het is een historisch nieuwtje, een afwijking van wat we altijd hebben gedaan als mens. Gezien de enorme aantallen mensen die alleen maar met hulp van slaapmedicatie kunnen slapen, lijkt het geen slecht idee ons wat vaker af te vragen of al die slaapproblemen wellicht een culturele oorzaak hebben. Zouden ze hun oorsprong kunnen vinden in de kindertijd? Zouden ze gelieerd kunnen zijn aan wat ouders aangeraden en soms opgedrongen krijgen aangaande slaapgedrag…? Dat zijn misschien ongemakkelijke, maar wél belangrijke vragen om te stellen en te onderzoeken.

Slapen in een autostoeltje: dat is inderdaad niet zo’n heel erg goed idee. Slapen in een draagdoek is daarentegen heerlijk voor een baby. Als de doek goed is geknoopt en de baby ergonomisch verantwoord in de doek zit, is dit in alle opzichten een zeer heilzame slaapplek voor een jong kind en voor de ouder is het vaak een zeer praktische manier om de handen vrij te hebben terwijl baby slaapt.

Een bedomrander: hier wordt het risico van wiegendood genoemd. Het is inderdaad belangrijk om de slaapplek van een baby veilig te maken. Dat geldt zowel voor een ledikant (waar instructies voor afstand tussen de spijlen en matrasdikte en meer heel gewoon worden gevonden en zelfs aan wettelijke regelgeving zijn gebonden) als voor een volwassen bed waar het kind samen met de ouders in slaapt (een setting die meestal wordt omschreven als uitermate risicovol, ondanks het vele onderzoek dat het tegendeel laat zien). Het is trouwens interessant dat dit verschijnsel ‘wiegendood’ wordt genoemd. Het benoemt de plaats waar het kind sterft. Is die wieg misschien toch niet zo veilig als vaak wordt beweerd…? Hoe dan ook… wiegen zijn niet verboden. En in de tragische gevallen waarin een kind in het ouderlijk bed sterft… is er dan gekeken hoe de ouders eraan toe waren? Hadden ze gedronken, gerookt, medicatie gebruikt? Anders gezegd: lag het aan de slaapplek of aan de conditie waarin de ouders verkeerden? Ook hier is vaak sprake van negatieve framing.

Volgende week kijken we naar nog een aantal aspecten.

How parents of today can take care of their little ones, Part 1

No mistakes, but a shared quest

Recently we received a message via someone’s Facebook page about an article by Ouders van Nu. A discussion arose among the readers of the message about, among other things, whether it was written for parents of ‘now’, or more for parents of ’the past’. Several people also found the tone patronising and had difficulty with the resoluteness of certain formulations, starting with the word ‘mistakes’ in the title (‘7 ‘mistakes that many new parents make around the issue of their baby’s sleep’).
The text of the article is not super recent, but from 2021. Nevertheless, around this time last year, the insights were already such that some comments can be made about the message to young parents. They deserve honest information and support in their completely new search, not a negative judgment about their choices. We would therefore like to discuss some aspects that can influence the perception of security of both the child and the parent in the parental role. This perception of security has a major influence on how we develop as humans and therefore also on our total health.

Indeed, let’s start with the title: mistakes. That’s a tricky opening. What does it mean for new parents to read that choices they make are ‘wrong’ choices…? On a more fundamental level: who determines what is ‘right’ or ‘wrong’…? Is there an unequivocal answer to that? How does our culture influence ideas about this? How do those kinds of ideas relate to norms and values ​​and visions of parents’ responsibility towards their baby? How do we view the task you have as parents? In it we can imagine a whole continuum, from a difficult, gruelling task that you have to work through until your children finally stand on their own two feet… to an honourable, joyful task in which you can lead a totally dependent person into adulthood… and all degrees of experience in between. More questions: what does the science say about children’s needs and how do we feel about that? What about children’s rights to have their evolutionarily imprinted needs satisfied? How well-known are those needs in society as a whole? The answers to these questions determine how we want to interact with these little creatures as long as they are completely dependent on us as adults for their survival and well-being.

Sleep: many think that sleep is something a baby needs to learn, but of course it isn’t. Babies already do that in the womb. This means they can already sleep before they are born. What we may often do is give them an experience of our world that makes it harder for them to confidently surrender to that sleep. When do we ourselves dread the night? When are we ourselves unable to fall asleep or do we keep waking up, looking for comfort and reassurance in the middle of the night? And when we need it… what do we do? How does what we as adults can do to regulate ourselves and go back to sleep compare to what a baby can initiate on their own? What is the definition of an ‘easy sleeper’? Who should it be ‘easy’ for? What is the definition of ‘good sleep’? What is the definition of ‘sleeping through the night’? Do we always sleep ’through’, without waking up even once? And if not, where does that come from and what do we do about it (or against it)?

Crybaby, lottery, roar, terror: many words are used that create a certain atmosphere. In another word, this is called ‘framing’: you convey something in a certain way to realise a vision. You want to propagate a certain opinion and try to convince the reader or listener of this by choosing words that convey that specific atmosphere. How helpful is it to ‘frame’ the expressions of totally dependent babies with negative terms, while they rely for everything they need on their caregivers’ willingness to make things right? If a baby cannot sleep well… who is it worst for? If a baby cannot surrender to sleep… how can we explain the restlessness of that little child? Who is able to change which things about it? What is meant by the admonition not to worry about your baby’s sleeping behaviour?

Falling asleep on the couch with your baby in your arms is said to be one of the best things in the world. That in itself is a nice statement. However, it continues with the remark that this is dangerous, just like ‘bedsharing’ (letting your baby sleep in your bed). Firstly, the latter is not true, provided you have worked on a number of conditions beforehand. Second, why do parents fall asleep on the couch with their baby rather than in a safe setting in bed? This is often because parents are constantly being terrified by healthcare providers and policy makers and media outlets about bedsharing, although humanity has been cosleeping with its own children for millennia. Next thing, parents then sit on a sofa or chair while parent and child are both tired, because taking the baby to bed is ‘forbidden’. However, sharing the sleeping place is the norm for mammals, and therefore also for humans. The fact that we put babies to sleep separately, sometimes in another room, is very ‘weird’ from a socio-cultural and anthropological point of view and occurs mainly in WEIRD countries (Western, Educated, Industrialised, Rich, Democratic). It is an historic novelty, a departure from what we have always done as humans. Given the enormous numbers of people who can only sleep with the help of sleep medication, it seems a good idea to ask ourselves more often whether all those sleeping problems may have a cultural cause. Could they have their origins in childhood? Could they be related to what parents are advised and sometimes forced to do regarding sleep behaviour…? These may be uncomfortable, but nevertheless important questions to ask and investigate.

Sleeping in a car seat: that is indeed not a very good idea. Sleeping in a sling, on the other hand, is wonderful for a baby. If the cloth is properly knotted and the baby is worn in en ergonomically responsible way, this is in all respects a very beneficial place to sleep for a young child and for the parent it is often a very practical way to have their hands free while baby sleeps.

A bed surround: the risk of SIDS is mentioned here. It is indeed important to make a baby’s sleeping place safe. This applies to both a cot (where instructions for distance between the bars and mattress thickness and what not are considered very normal and are even bound by legal regulations) and an adult bed where the child sleeps together with the parents (a setting usually described as extremely risky, despite the extensive research to the contrary). It is interesting, by the way, that this phenomenon is called ‘cot death’. It names the place where the child dies. Maybe that crib is not as safe as is often claimed…? Whatever the case… cots are not forbidden. And in the tragic cases where a child dies in the parental bed… was the condition of the parents checked? Had they been drinking, smoking, taking medication? In other words: was it the sleeping place or the condition the parents were in? Here also, negative framing is often involved.

Next week, we will look at another couple of aspects.

De ACE Aware NL-presentatie voor GOLD Early Years

Afgelopen week had ik de eer en het genoegen om namens ACE Aware NL een van de sprekers te zijn op het GOLD Learning Early Years Online Symposium 2021! De vroege jaren… dat is nogal een onderwerp! Er is zoveel wat we over die periode kunnen zeggen en er zijn zoveel perspectieven die je zou kunnen kiezen om de aandacht te vestigen op hun belang voor levenslange gezondheid en welzijn. Het voelde dan ook als een hele uitdaging om te beslissen wat ik zou bespreken en delen met de deelnemers. Natuurlijk heb ik uiteindelijk toch keuzes gemaakt en wil ik graag wat vertellen over mijn presentatie. Je kunt deze nog steeds bekijken, net als de andere presentaties in de serie, die ook zeer de moeite waard zijn. Dit is de pagina waar je meer kunt lezen en je kunt inschrijven. Je kunt een eerste indruk krijgen via een kort interview dat ik gaf.

Aangezien ik antropoloog en socioloog ben, leek het me gepast om vanuit dat perspectief te beginnen, dus mijn eerste vraag voor de luisteraars was: “Hoe zouden we als gemeenschap handelen als er ‘vroeger’ echt wat aan de hand was?” Waar denk je dan aan? Hoe zouden we reageren op tegenspoed in de tijd dat we nog in klein groepen leefden als jager-verzamelaars? Wat is een belangrijk onderdeel van het bij elkaar houden van een stam of gemeenschap, ook in recentere tijden?

Dit is een thema dat me bij het concept van salutogenese bracht, gemunt door Aaron Antonovsky in de late jaren 70 van de 20e eeuw. Hij vond dat de oorsprong (‘genesis’) van gezondheid (‘saluto’) meer aandacht verdiende, in plaats van steeds in angst te leven over alles wat we moeten vermijden om niet ziek te worden. Hij zei dat de achteruitgang van het menselijk organisme geen uitzondering is, maar de regel! We zijn allemaal kwetsbaar; we zullen allemaal op een dag ziek worden en sterven. We bevinden ons allemaal in ‘de rivier van het leven’ en hoewel een reddingsvest soms nuttig kan zijn, is het vooral belangrijk dat we leren zwemmen in de turbulente stroomversnellingen waarmee we misschien te maken krijgen. Het is de moeite waard, zei Antonovsky, om uit te zoeken hoe we de entropie, het proces van achteruitgang, kunnen vertragen en hoe we gewoontes en gedragspatronen kunnen bevorderen die onze gezondheid ondersteunen. Een ander belangrijk aspect van zijn visie is dat hij gezondheid en ziekte als een continuüm zag, niet als een tweedeling. Je bent niet ziek of gezond; het is niet zwart-wit. Gezondheid is een dynamisch evenwicht en afhankelijk van veel sociale, psychologische en biologische factoren kun je je meer of juist minder gezond voelen. Daarom vond hij ook de persoonlijke mening van mensen belangrijk: wat maakt ons gelukkig, wat kalmeert ons na tijden van stress, wat helpt ons om ons evenwicht te hervinden na ingrijpende ervaringen? Dit is in feite een uitnodiging om te luisteren naar de verhalen van mensen: ‘Wat is je overkomen?’ Die vraag, de vraag die als cruciaal wordt beschouwd in de traumageïnformeerde praktijk, is dezelfde vraag die Antonovsky erg belangrijk vond voor een salutogenetische benadering, want wanneer we mensen zien als de experts van hun eigen leven, dan luisteren we naar hun behoeften en angsten en dan kunnen we daar proactief aan werken.

Antonovsky zag een specifiek ‘meetinstrument’ voor een inschatting van onze gezondheid en ons welzijn: de Sense of Coherence. We bespraken dit eerder in een blog; het is het gevoel dat het leven begrijpelijk, hanteerbaar en zinvol is. Als deze drie goed in balans zijn, zullen de meeste mensen zich gelukkig voelen, zelfs als er chronische aandoeningen zijn waarmee ze dagelijks te maken hebben (op gezondheids- of sociaal gebied).
Er kunnen echter allerlei factoren zijn die belemmerend werken op het vermogen van mensen om hun taken uit te voeren, om hun leefomstandigheden het hoofd te bieden, om te ‘kunnen beantwoorden’ aan hun plichten (​​‘response-ability’). Hoe meer ons bestaan ​​bedreigd wordt, hoe moeilijker het wordt om goed te functioneren. Hoe meer pijn we ervaren, hoe waarschijnlijker het is dat we op zoek gaan naar dingen of gedragingen die die pijn kunnen verzachten of verdoven. Anders gezegd: een leven vol pijn vergroot de kans ten prooi te vallen aan verslavingen, of het nu gaat om middelen of gewoontes zoals te veel uren achter een scherm zitten, te veel eten of drinken, of altijd werken en niet genoeg hersteltijd inbouwen.

Wanneer we ons er vervolgens bewust van worden dat sommige van onze gewoontes een negatieve invloed kunnen hebben op onze gezondheid en ons welzijn, dan kan dat om twee belangrijke redenen zeer ‘ongemakkelijke kennis’ zijn, redenen die de keerzijde zijn van dezelfde medaille. Aan de ene kant kan deze kennis ons wereldbeeld verstoren, de manier waarop we het leven benaderen, onze kijk op wat ‘goed’ en ‘slecht’ is en wat te doen en wat te vermijden. We zijn gewoontedieren en gewoontes veranderen kan ons een zeer ongemakkelijk gevoel geven. Aan de andere kant zijn ongezonde gewoontes meestal onderdeel van onze overlevingsstrategieën; ze vormen gedrag waar we niet zonder kunnen. Als we een gewoonte moeten afleren die ons troost biedt en een uitweg uit onze pijn, wie of wat gaat er dan voor zorgen dat we ons weer prettig voelen? Het aspect dat de beide zijden van de medaille samenbrengt, is onze diepe behoefte aan veiligheidsbeleving en aan het gevoel erbij te horen. We kunnen als mens voelen dat er wat moet veranderen, maar kunnen het tegelijkertijd moeilijk vinden de stappen te zetten waarmee we die verandering kunnen bereiken, persoonlijk of beroepsmatig, als we vrezen daarmee verbindingen en hechtingsrelaties te verliezen.

Met betrekking tot salutogenese en veerkracht is het echter belangrijk om ons bewust te worden van de dingen die leer- en veranderingsprocessen bevorderen. Wat zijn de ‘Awesome (Childhood) Experiences’, de prachtervaringen die ons kracht geven en op een positieve manier uitdagen? Wat is het tussen ons en andere mensen dat echt voelt als ‘bufferende ondersteuning’, als een uitnodiging om het beste in onszelf naar boven te halen? Hier komen de zeven pijlers van ACE Aware NL om de hoek kijken, begrippen die een prominente plaats innemen in alle traumageïnformeerde settings: verbinding, compassie, moed, nieuwsgierigheid, vertrouwen, vriendelijkheid en veerkracht. Wanneer we deze ervaren, voelen we ons sterk en krachtig. En wanneer we ze naar anderen toe kunnen tonen, helpen we bij het creëren van een gezonde omgeving. Wat zouden we ons liever wensen voor de ‘Early Years’?!

Je bent van harte uitgenodigd je te registreren voor het symposium voor nog veel meer informatie over deze thema’s in mijn presentatie (en voor nog vijf mooie lezingen)!