Van elkaar leren: een les over veilige en onveilige hechting

Of ik een gastles wilde geven bij haar op school, over veilige en onveilige hechting. Ze moest voor dat vak ook nog een examen afleggen en dat kon dan mooi in mijn les. Hoewel ik nog geen beeld had van hoe een examen binnen een les eruit zou zien, hoefde ik over de vraag niet lang na te denken: ja, natuurlijk wilde ik dat graag doen! ACE Aware NL leeft voor meer bewustzijn omtrent hechting en trauma, dus een gastles is volledig in lijn met onze missie. We planden een eerste ontmoeting om te kijken wat ze van mij nodig had en hoe ik haar zou kunnen ondersteunen bij de voorbereiding van haar deel van de les. Het ging om een keuzevak waarbij ervaringsdeskundigheid een belangrijke rol speelt.

We spraken af op haar stageplek; de manager aldaar had me met haar in contact gebracht, dus dit leek een geschikte optie voor een kennismakingsgesprek. We schudden handen, ze maakte een kop thee voor me en toen gingen we zitten aan één van de tafeltjes in het kleine, gezellige restaurant dat onderdeel is van haar werklocatie. Ze keek me onderzoekend en afwachtend aan, niet helemaal zeker over wat ze van mij kon verwachten. Ik begon te vragen naar haar opleiding, naar haar achtergrond, naar wat ze van de stage vond, naar wat ze zoal tegenkwam in haar werk, naar hoe ze daar haar persoonlijke ervaringen benutte. Ik hoefde het er niet uit te trekken, zullen we maar zeggen. Toen ze eenmaal in de gaten had dat ik haar verhaal echt wilde horen, praatte ze honderduit. Voordat we er erg in hadden, was het hoog tijd om af te ronden, omdat ze naar huis moest, waar haar kind op haar wachtte. We maakten wat afspraken over hoe verder te gaan en namen afscheid.

In de dagen erna stuurde ik haar het één en ander aan kijk- en leessuggesties. Dit onderwerp en alles wat ermee is verbonden, ligt me zo na aan het hart, dat ik haar misschien onbedoeld wat overlaadde. Ze was zeer geïnteresseerd, maar alles doornemen bleek niet haalbaar, vooral niet omdat het verleden haar nog bij herhaling inhaalt, ondanks dat ze in het heden hard werkt aan haar toekomst. Hoewel de thuissituatie bij onze ontmoeting in redelijk rustig vaarwater leek te verkeren, was er een paar weken later toch weer ‘gedoe’. Dat gedoe vroeg zoveel van haar aandacht en had zo’n hoge prioriteit dat het studiewerk erdoor onder druk kwam te staan. Desondanks vonden we tijd voor nog een gesprek en namen we door hoe zij haar examendeel zou kunnen inrichten binnen mijn les. Al vlot stuurde ze haar voorzet met PowerPoint naar me op en zo kon ik mijn aandeel daaromheen bouwen.

Op de dag van de les waren we met elf mensen: de docent/mentor, acht studenten live aanwezig, één student online aanwezig en ikzelf. Ik opende met een ijsbreker voor de kennismaking. Ze trekken al een tijdje met elkaar op, maar ik had een paar vragen bedacht waarop ze elkaars antwoorden vermoedelijk nog niet volledig kenden. Ze werkten in tweetallen en koppelden plenair terug, want voor mij was de groep nieuw. Ze moesten hun buurvrouw of buurman aan mij voorstellen en daarbij merkten ze soms dat het even zoeken en nadenken en navragen was. Nadat ik alle namen had gehoord, vertelde ik hoe in zo’n kleine opdracht al meteen een scala aan hechtingseigenschappen een rol speelt. Hoe goed ben je in staat om naar de ander te luisteren? Heb je rust in je hoofd of is het allemaal één grote warboel daarbinnen, omdat je de dag alweer heftig gestart bent of omdat je nog bekaf bent van wat er gisteren is gebeurd? Kun je je aandacht erbij houden? Kun je correct navertellen wat de ander met je heeft gedeeld? Of sluipen er elementen in die niet kloppen? Begrijp je wat de ander zegt of spreekt die op de één of andere manier een taal die je, letterlijk of figuurlijk, niet verstaat? Kun je zonder oordeel blijven luisteren, ook als je dingen hoort die vreemd voor je zijn of waarmee je het niet eens bent? Al deze aspecten hebben een link met (on)veilige hechting. Ze gaan over de setpoints die je in de kindertijd hebt gecreëerd voor je stressregulatie. Werd er naar jóu geluisterd? Werd jíj begrepen? Werd wat jíj zei goed geduid? Kon men jóu zonder oordeel aanhoren? Hoe minder veilig je gehecht bent, hoe moeilijker al deze ogenschijnlijke simpele taken vaak zijn.

Eén van de dingen die verder in de les aan bod kwamen, was het invullen van het ACE’s-scoreformulier.
Dit is een lijst met de tien meest voorkomende ACE’s, hoewel er absoluut meer zijn, zoals ook door één van de studenten werd benoemd. Er zijn ook versies waarbij racisme, armoede, dood van een ouder, en oorlogsgeweld worden meegenomen. Dat is natuurlijk terecht, want ook die gebeurtenissen zijn van enorme invloed op de kinderlijke ontwikkeling.
Desondanks geeft ook de tegenwoordig gebruikte lijst al heel wat handvatten. De lijst bevat tien ACE’s en je score kan dus maximaal 10 zijn, als je alle keren dat je met ‘ja’ antwoordt, bij elkaar optelt.
Onder deze acht studenten waren er maar liefst twee met een score 8 en twee met een score 10.
Ik vond het heftig om de scores te horen en vind het intens verdrietig dat er zoveel kinderen zijn die hun leven met zoveel ellende beginnen. Hoeveel geluk wordt er daardoor niet ervaren? Hoeveel potentieel blijft er daardoor liggen? Hoeveel moeite kost het mensen daardoor om een bevredigend leven op te bouwen? Hoe moeilijk is het met zo’n start om niet voortdurend in conflict te raken met jezelf en anderen? Het is geweldig om te zien dat deze studenten toch allemaal de moed en de mogelijkheid hebben gevonden om weer een leerproces aan te gaan en om daarbij hun eigen ervaringen op een positieve manier ‘uit te buiten’ en in te zetten in de begeleiding van anderen met een ‘rugzak’.

De materie werd gretig ingenomen en dus hebben we een vervolgles afgesproken. Ik kijk er al naar uit!
En de stagiaire…? Ze kreeg geweldige feedback van haar klasgenoten, dat ze zo vooruit was gegaan, dat ze er zoveel krachtiger stond dan bij een eerdere presentatie, dat ze haar medestudenten had geraakt met haar verhaal, dat men het moedig vond dat ze zich zo kwetsbaar had opgesteld door de theorie uit het filmpje dat ze liet zien, te verbinden met haar eigen verdrietige ervaringen, dat men veel had geleerd en zich herkende in wat ze had gedeeld! Ook de mentor was lovend en aan mij was de eer om als ‘tweede examinator’ het formulier voor haar presentatie te ondertekenen. Op de vraag hoe het kwam dat ze deze keer zo goed had gepresteerd, antwoordde ze dat ze zich in de voorbereiding gehoord en gezien en veilig had gevoeld. Veilig… dat oh zo basale gevoel, nodig om je creativiteit en authenticiteit te laten stromen! Ik hoorde het ontroerd aan. Voor mij was er geen examenformulier dat moest worden afgetekend, maar anders had zij er voor mij haar handtekening onder mogen zetten. Ik weet ook niet precies wie er in dit proces meer heeft geleerd: zij met haar klasgenoten, of ik. Mijn dank gaat uit naar allemaal (geen namen, al ken ik ze nog uit hun voorstelrondje), voor de warme ontvangst, de aandacht en de inbreng en de uitnodiging voor een vervolg. En vooral: ik neem mijn hoed af en maak een buiging voor hun lef en veerkracht!

Van scherpe kantjes naar meer zachtheid

In het najaar van 2019 maakten Victor Bodiut en Marianne Vanderveen een plan voor de start van ACE Aware NL. Hun kennis op het gebied van fysiologie, psychologie, antropologie, sociologie, hechting, hersenontwikkeling en neurowetenschap maakte dat ze samen het belang zagen van een brede, compassievolle blik op het fundament van gezondheid en de rol van ongunstige ervaringen in de kindertijd. Daarin verdienen de meest recente neurofysiologische inzichten een belangrijke plaats. Die laten zien dat vooral de vroege sociale omgeving wezenlijk invloed heeft op hoe we functioneren en hoe zich onze gezondheid ontwikkelt. Ieder mens is onderdeel van een grotere gemeenschap. we de geest niet los kunnen zien van het lichaam, kunnen we het individu niet los zien van de sociale context. Dat betekent dat gezondheid niet simpelweg een individuele verantwoordelijkheid is; ze hangt niet simpelweg af van of we nú wel genoeg bewegen en of we nú wel gezond eten. Levenslange gezondheid vindt haar wortels voor een belangrijk deel in onze kinderjaren. Voelden we ons veilig? Waren we gewenst, gezien, gehoord, geliefd? Was er aandacht voor wat wij met onze unieke persoonlijkheid de wereld te geven hadden? En wat is de invloed van armoede, opleidingsniveau, werkdruk en discriminatie op hoe onze ouders ons meer of minder goed naar volwassenheid konden begeleiden? Hoe zat het met machtsverhoudingen? Dat zijn ingewikkelde kwesties, die je niet scherp en zwartwit kunt afdoen met: ‘Ga sporten! Rook en drink niet! Doe leuke dingen!’ Ze vereisen genuanceerde antwoorden op ongemakkelijke vragen. Ze verdienen een moedig verbindende, veelkleurige benadering.

Vic en Marianne waren geraakt door de documentairefilm ‘Resilience’, die deze onderwerpen behandelt. Boeiende gesprekken met psycholoog en wetenschapper Suzanne Zeedyk, één van de grondleggers van de ACE-awareness-beweging in Schotland, vormden een verdere aanmoediging om ook in Nederland de kennis over ACE’s breed te delen. Aspa Kandyli, met ervaring in het onderwijs en kennis op het gebied van babyslaapgedrag en borstvoeding, haakte aan bij ACE Aware NL. Vanwege haar bevallingsverlof was er behoefte aan nog een collega en sinds een tijdje draait Petra Bouma, verpleegkundige van oorsprong en tevens lactatiekundige, draagconsulent en geboortetraumaspecialist, mee in het team. In de loop van ruim twee jaar is er in het project een focus op krachtige zachtheid gegroeid, op waarachtige, niet veroordelende nieuwsgierigheid naar menselijke verhalen.

Toen de wereld in het voorjaar van 2020 werd geconfronteerd met grote gezondheidsuitdagingen, werd ineens nog duidelijker hoe cruciaal een goed functionerend immuunsysteem is. Er dienden zich nog veel meer prangende vraagstukken aan. Wat zeg je tegen mensen als hun gezondheid in het geding lijkt? Welke handvatten reik je aan om ziekte te vermijden? Hoe breng je die boodschap? Hoeveel ruimte gun je mensen om hun eigen invulling te geven aan wat ze nodig (denken te) hebben om zich tegen risico’s te beschermen? Wat is het effect van het ontberen van contact met dierbare naasten? Wat is de impact op de mentale gezondheid, als activiteiten die vreugde en zingeving bieden, wegvallen? Hoe duid je de wijze waarop men met een crisis omgaat? Wat is de impact van angst?

Tijden van crisis, transitie en transformatie vragen enerzijds om daadkrachtig en proactief handelen, om opkomen voor rechtvaardigheid en voor grondrechten op het gebied van autonomie en vrijheid, zowel fysiek als mentaal. Anderzijds vragen ze beslist ook om compassie en bezinning, om een pas op de plaats, om naar binnen keren en reflecteren op wat ons raakt en waarom ons dat . Reageren mensen op wat er nu gebeurt of op de herinnering van nu aan toen?

De afgelopen tijd heeft de grote relevantie van de zeven pijlers onder onze missie sterk benadrukt: verbinding, compassie, moed, nieuwsgierigheid, vertrouwen, vriendelijkheid en veerkracht. ACE’s gaan in essentie immers ook over crises, over ervaringen in de kindertijd die ons gevoel van veiligheid en vertrouwen aantastten en gepaard gaan met een hoger risico op ziekte en problemen. Weliswaar staat daarin primair het persoonlijke centraal, maar het persoonlijke is, zoals gezegd, zelden los te zien van de sociale omgeving waarin we geboren worden, opgroeien en leven.

In de meeste gevallen werkt zachtheid helend, zeker wanneer je de wereld als hard ervaart: zachtheid in de verbinding met anderen, zachtheid in de afwezigheid van een oordeel over wat jij en de ander voelen, kiezen en doormaken, zachtheid ook in hoe we onze visie op onszelf inkleuren, met het volle palet aan regenboogkleuren, en waar nodig zwart en wit en de grijstinten daartussenin.

De complexiteit van de afgelopen paar jaren maakte dat we het ACE Aware NL-logo wat meer wilden afstemmen op de menselijke behoefte aan zachtheid en we hebben daarom voortaan een wat rondere letter. Verder kent nog niet iedereen de betekenis van de term ‘ACE’. We wilden graag dat het logo daar in één oogopslag wat over toelicht. Daarbij wilden we niet alleen de verdrietige kant van ACE’s benoemen, maar ook heel bewust aandacht vragen voor het feit dat ACE’s geen diagnose zijn, geen doemscenario voor het leven. Een mens is tot veel herstel in staat, zeker in een omgeving die sensitief met verdriet omgaat. In lijn met de indrukwekkende film ‘The Wisdom of Trauma’ hebben we de A van ACE’s daarom ook een positieve betekenis gegeven: Awesome. Na ongunstige kun je geweldig mooie ervaringen opdoen, herstel van de verbinding met jezelf en anderen. Bovendien brengen de ongunstige ervaringen vaak met zich mee dat je een bepaalde wijsheid ontwikkelt, ‘de wijsheid van ’. Met die ervaringsdeskundigheid kun je voor je medemens en de wereld van heel bijzondere betekenis zijn. Zeker als je je eigen schaduwwerk hebt gedaan, kun je met compassie kijken naar de impact van trauma op menselijk gedrag. Dat maakt je een ‘awesome’ mens, minder ‘hoekig’, met minder scherpe kantjes, meer ‘afgerond’ en vloeiend in je aanpak. Ook daarom is het nieuwe font wat ronder.

Omdat we het maatschappelijke bewustzijn ten aanzien van de kindertijd willen helpen vergroten, heeft het woord ‘Aware’ al vanaf het begin een kleurtje. Het belang daarvan mag in het oog springen! Die kleur zal echter niet meer altijd rood zijn. Het leven ziet er voortdurend anders uit en onze stemming verandert geregeld van kleur. Hoe meer we verdriet van vroeger kunnen helen en boosheid kunnen loslaten, hoe speelser we het leven tegemoet kunnen treden. Die veelkleurigheid mag in het licht staan en zal zichtbaar zijn in diverse uitingen. (En ja… we werken nog aan het updaten van de website met het nieuwe materiaal… ;-))

We kijken uit naar de tijd die voor ons ligt, waarin we graag bij je langskomen voor een presentatie met filmvertoning van ‘Resilience’, voor een workshop of voor een consult. En wil je vertellen hoe jij in je werk of je persoonlijke leven de kennis rondom ACE’s een plaats geeft…? Laat het ons weten! We komen graag luisteren naar je verhaal – voel je uitgenodigd en welkom!

De kracht van een goede bevalling en geboorte

Onlangs vertelden moeders in drie afzonderlijke lactatiekundige consulten ervaringsverhalen met verdrietige elementen die raken aan ACE’s. Een aantal aspecten delen we in dit blog.

Eén moeder was onzeker over de vraag of het aanleggen van haar baby van 7½ week wel goed ging en of ze geen dingen zou moeten veranderen in de manier waarop ze het voeden regelde gedurende de dag. “Ik wil heel graag blijven voeden. Mijn zus heeft er ook erg van genoten en ik wil er nog niet mee stoppen, vooral ook omdat mijn baan als zelfstandig ondernemer het mogelijk maakt om het voeden goed in te passen in mijn dag, maar ik vraag me steeds af of ik het wel goed doe. Mijn kindje is een superfanatieke drinker, zei de kraamverzorgende, een echte piranha!” Ik sloeg aan op deze twee labels; zijn die wel gepast voor een baby die net op de wereld is…? Hoe vormen ze het beeld van de ouders over hun pasgeboren kind…? Ik vroeg hoe het kwam dat ze zich onzeker voelde en waar de twijfel zat. Ze vertelde over haar bevallingservaring, waarbij ze thuis had willen blijven, maar toch in het ziekenhuis terechtkwam, op de rug werd gelegd, weeënopwekkers kreeg en in haar beleving de regie uit handen had moeten geven. “Ik heb bij de zorgverleners een sterke controledwang ervaren; de zorg was niet holistisch en ik wilde daar eigenlijk zo snel mogelijk weg, zodat we het thuis op onze eigen manier zouden kunnen doen. Er zijn allerlei dingen gebeurd die ik juist niet wilde, zoals ook een elektrode op het hoofd van onze ongeboren baby en waarbij werd gezegd dat die er niks van zou voelen. Ik voelde dat er een hiërarchie was en dat mijn baby en ik daarin niet bovenaan stonden. Er werd *over* ons gepraat, niet *met* ons. Ik wilde geen ruggenprik, maar kreeg wél een syntocinoninfuus en uiteindelijk moest er ook nog een knip worden gezet. Kortom… er is veel gebeurd en ik voel nu dat ik thuis nog helemaal mijn draai moet vinden.” We hebben uitgebreid alles doorgesproken en ik kon bevestigen dat ze met haar intuïtie helemaal goed zat en dat ze de controledwang die ze had ervaren, niet hoefde over te nemen, maar op haar kindje en hun onderlinge relatie mocht vertrouwen. Wat een geruststelling was dat… van pure opluchting kwamen de tranen en knikte ze heftig bij de dingen die ik omschreef als goed voor haar baby: knuffelen, lekker veel voeden, niet laten huilen… Dat was precies wat ze graag wilde en eigenlijk diep van binnen ook wel wist.

Bij een ander consult moesten we tijdens de ontmoeting nog wat dingen doornemen, die ik normaal gesproken vooraf al uit het intakeformulier heb kunnen halen. Dit consult was zó snel gepland dat ik daarvoor geen tijd had gehad. Moeder vertelde dat ze in het ziekenhuis was bevallen. Ik vraag dan meestal of dat ook de planning was of dat het tijdens het baringsproces zo is ontstaan. Al pratende bleek dat ze een keizersnede had gehad, omdat diverse dingen anders waren gelopen dan gehoopt. Ze zei dat ze daar vrede mee had. Ik keek haar aan en liet een lange stilte vallen, waarin ik de tranen in haar ogen zag opwellen. “Het is helemaal okay, hoor, als je verdrietig bent om wat er is gebeurd. Zelfs als je blij bent dat de essentiële dingen goed zijn afgelopen, heb je alle recht om te rouwen om wat je bent misgelopen en waarop je had gehoopt…” Ik legde een hand op haar arm, waarna het huilen intenser werd. gevoel van ‘er vrede mee hebben’ was er verstandelijk wel, maar emotioneel was het een heel andere zaak. Ook vader had de bevalling als heftig ervaren; er was van alles gebeurd waarop hij had gevoeld geen invloed te hebben en dat had hen beiden geraakt. We namen alles door en ik moedigde beide ouders aan om met z’n drieën via veel knuffelen en huidcontact te baden in het oxytocinehormoon, dat niet alleen goed is voor de borstvoedingsrelatie, maar ook helend werkt.

Bij een volgend consult ging het voeden nog wat lastig omdat de baby van een dikke week oud aan de borst onrustig was en niet goed hapte, waardoor moeder pijnlijke tepels had gekregen. We namen samen door hoe ze haar kindje kon ondersteunen en sturen bij het aanleggen, zodat er een grotere hap borstweefsel in het mondje zou komen en de tepel verder achterin lag en niet werd belast. Dat ging tijdens het consult heel goed en het hummeltje viel in mama’s armen tevreden in een diepe slaap.

Moeder voelde zich dit keer beter dan bij de geboorte van de oudste. Die was via een keizersnede ter wereld gekomen nadat er van alles was gebeurd wat moeder als traumatisch had ervaren: de doula mocht niet mee naar de verloskamer, er liepen voortdurend onbekende mensen in en uit waardoor de concentratie werd verstoord, en moeder voelde zich niet ‘in control’. Na aanvankelijk weeënopwekkers te hebben gekregen, mocht ze bij 9½ cm ontsluiting niet persen. Toen de verpleging had gezegd dat het niet langer dan een half uur zo kon doorgaan, omdat baby het zwaar had en dat er een keizersnede zou moeten volgen, ontstond er een noodsituatie in een andere verloskamer. Iedereen verdween, vader zag het halve uur verstrijken en maakte zich zorgen om de baby, maar niemand had de ouders verteld dat er ook weer weeënremmers waren gegeven en dat afwachten geen risico was. Al met al was het hele proces met stress omgeven geweest – een groot verschil met de badbevalling die ze nu, goed voorbereid, in het ziekenhuis hadden meegemaakt (in een andere woonplaats).

Wat raakt in deze drie verhalen, is dat de omstandigheden waarover de ouders verdrietig en teleurgesteld zijn en waarom ze rouwen, niet inherent waren aan het natuurlijke verloop. De pijn, het verdriet en de teleurstelling gaan vooral over de communicatie, over de wijze waarop hun wensen niet zijn gehoord of gehonoreerd, over dat er onvoldoende aandacht was voor het belang van privacy en zachtheid. een ongestoord en stressvrij verloop van de bevalling en de geboorte is het nodig dat er een veilige, warm omhullende omgeving wordt gewaarborgd. De barende en de baby zijn samen het middelpunt van dat kleine, besloten universum en iedereen is dienstbaar aan de grote overgang die zij samen maken. Een bevalling en een geboorte zijn cruciale, transformatieve gebeurtenissen in het leven van respectievelijk de ouder en het kind. Die verdienen het om met het grootste respect te worden omgeven, zodat ze als een anker en een stralende ervaring in het geestelijke en lichamelijke geheugen van (vooral) moeder en kind worden gegrift.

We weten dat ACE’s, Adverse Childhood Experiences, al heel vroeg in het leven kunnen optreden en dus preventie verdienen. We weten ook dat een goed verlopende geboorte voor de baby een krachtig begin is en dat een mooie baring bij de moeder juist veel oude pijn kan helen. Als ze ervaart dat haar lichaam iets kan wat ze nog nooit eerder heeft gedaan, dan geeft dat een enorme kracht. Die kracht neemt ze mee in haar ouderschapsrol en die helpt bij het bouwen van het fundament voor het kind. Het goed begeleiden van de bevalling en de geboorte is daarom niet alleen een emotionele en spirituele verantwoordelijkheid. Het is ook gewoon een kwestie van salutogenetische, preventieve gezondheidszorg. Laten we er gezamenlijk aan werken dat daar steeds meer aandacht voor komt!

Hoe ouders van nu voor hun kleintjes kunnen zorgen, Deel 2

Afgelopen week deelden we een eerste deel over de communicatie richting kersverse ouders naar aanleiding van een artikel van Ouders van Nu. Vandaag bespreken we de tweede helft van die bijdrage.

Het artikel behandelt ook slaapritme: er wordt gesproken over een ‘normaal’ slaapritme. In lijn met eerdere vragen: wat is de definitie van ‘normaal’? Over wiens norm spreken we in deze context? Het Engels heeft twee mooie woorden die vaak worden gebruikt: ‘normal’ en ‘common’. dingen die ‘common’ zijn (veelvoorkomend), zijn biologisch gezien in feite niet ‘normal’ (normaal, volgens de biologische norm). Het is belangrijk daarin een bewust onderscheid te maken. Wat we duiden als een ‘normaal’ slaapritme, is voor iedere cultuur anders. In veel landen doet men aan siësta; in Nederland doen we dat niet. Is het ‘normaal’ een middagdutje te doen of is het normaal om alleen in de nacht te slapen?

Iedere volwassen mens is anders; iedere baby is ook anders. Alle patronen bij elkaar opgeteld vormen samen een gemiddelde (dat misschien als ‘normaal’ wordt aangeduid). Zelfs als niet één baby slaapt volgens het gemiddelde patroon, kan dat toch het gemiddelde zijn (dit is wiskunde: tel alles op, deel door het aantal elementen). Je kunt daar best wat in sturen, maar je kunt het niet afdwingen. Sommige kinderen zijn al jong zeer actief en nieuwsgierig en energiek (en daarom veel wakker) en andere kinderen vinden het heerlijk om veel te slapen. Hoe dan ook: ze hebben allemaal veiligheidsbeleving nodig om zich vertrouwensvol aan de slaap over te geven. Die veiligheid zit vooral in jouw aanwezigheid als ouder, in je vaardigheid om je kind te coreguleren, om sensitief en responsief te zijn en de behoeften van je kind zo goed mogelijk te bevredigen. Als je dáárin slaagt, dan zal het slapen meestal ook niet al te grote problemen opleveren. En als je baby veel wakker is en jou nodig heeft, dan laat dat iets belangrijks zien: het is waarschijnlijk niet zo’n goed idee dat vaak al zo snel weer van ouders wordt verwacht dat ze de zorg voor hun kind met allerlei dwingende andersoortige verplichtingen combineren. Het kan ons helpen om te beseffen dat het misschien tijd is om dit (sociaal geconstrueerde, cultureel gekleurde) patroon van zorg voor een pasgeboren kind anders vorm te geven.

Steeds naar de babyfoon kijken als probleem: goed punt, om te focussen op je baby en niet op technologie.

Je baby te lang bij je laten slapen: hier zijn allerlei eerder genoemde punten opnieuw aan de orde. Wat is ‘te lang’? Volgens wiens mening? Op grond waarvan kan iemand stellen dat het ‘te lang’ is? Welke bezwaren zijn ertegen aan te voeren? Het is, zoals wordt gesteld, zonder meer handig om je baby dichtbij te hebben als je borstvoeding geeft, maar dat is voor een deel omschreven vanuit het perspectief van de volwassene (namelijk de moeder die borstvoeding geeft). zou er gebeuren als we álle adviezen over baby’s en hoe met ze om te gaan, zouden geven vanuit *hun* perspectief, vanuit de vraag wat *zij* als fijn of belangrijk of handig of geruststellend of troostend ervaren? Hoe kunnen we het belang van de nabijheid en het horen van de ouders inschatten voor *iedere* baby, niet slechts de borstgevoede? Wie heeft dat bepaald, dat een baby op een gegeven moment op een eigen kamer *moet* gaan slapen? Van wie moet dat? Met welke reden? En waarom zou dat moeten samenvallen met het moment waarop de ouder weer aan het werk gaat (waarbij ‘zorgen voor een gezin’ naar het lijkt niet als ‘werk’ wordt gedefinieerd)? Wanneer een (borstvoedende) moeder haar werkzaamheden buitenshuis oppakt en de baby naar de opvang gaat, is baby’s behoefte aan nabijheid van mama vaak juist extra groot in de nacht. Dat is precies om de reden die in het artikel wordt genoemd: baby’s voelen zich veilig als ze mama (en papa) dichtbij weten. Ze proberen de gescheidenheid van overdag ’s nachts te compenseren. Er zijn baby’s die dan juist overgaan op ‘reverse cycling’: ze drinken overdag maar weinig, slapen veel op de opvang, en halen dan het contact met mama’s lijf in de nachtelijke uren in. Andermaal: als we kijken vanuit het perspectief van de baby, dan is dit volslagen logisch gedrag. Je baby voelt zich dicht bij jou het allerfijnst en zal dus proberen dit zoveel mogelijk te realiseren. Je kind is immers niet gericht op een carrière of andere economische zaken; je kind wil gewoon bij jou zijn.

Als gezin, als ouders kies je voor een bepaalde nachtelijke slaapconstellatie. Het is zeker waar dat kinderen die hiervan genieten, deze waarschijnlijk zullen proberen te handhaven. Daar is niks op tegen en dat is volslagen logisch (als volwassenen doen we ook ons best om te behouden wat we fijn vinden). Wel kan het zijn dat er een moment komt waarop één of meer slapers in het bed de situatie niet meer fijn vinden. Dan wordt het tijd om in goed overleg en met zachte overreding tot een andere aanpak te komen. Afhankelijk van ieders wensen zal dat tot een andere oplossing leiden. Wat ouders daarbij kiezen, zal afhangen van de waarde die ze hechten aan het nachtelijk contact, hoezeer die hun nachtrust verstoort of bevordert, hoe zwaar ze de veiligheidsbeleving van hun kind wegen, hoe gemakkelijk het kind zich al aan de slaap kan overgeven, hoeveel ruimte er is in huis om het anders te doen, hoe de eventuele andere kinderen erop reageren… en wat je verder nog maar kunt verzinnen.

Kortom: ieder gezin is uniek. Iedere baby is ook uniek, maar over de hele wereld delen baby’s de behoefte om, zeker ‘s nachts, dicht bij hun primaire hechtingsfiguren te zijn (mama, papa, grootouders, brusjes – allemaal mede afhankelijk van wat in een bepaalde cultuur de gewoonte is). het belang van de babybehoeften lijkt het wenselijk breed te kijken en niet te volharden in gedragsmatige benaderingen die cultureel misschien ‘normaal’ worden gevonden, maar waarover de wetenschap inmiddels nieuwe inzichten heeft verworven, in lijn met wat we intuïtief en instinctief eigenlijk allang weten. We hoeven niet zonder meer het advies van sommige experts op te volgen; dat kleine kindje, dat zich veilig wil voelen en daarmee een goede basis legt voor een gelukkig volwassen leven, is immers niet hún kind. Het heeft daarom niet veel zin en het werkt juist averechts om in allerlei media-uitingen te polariseren tussen ouder(s) en kind. Ook dát is framing: het kind zó neerzetten dat het lijkt alsof dat kind een lastpak is dat je als ouder een beetje (veel) onder controle moet zien te houden, omdat je anders gegarandeerd ellende kunt verwachten. Zoals een vis het water waarin hij zwemt niet kan zien, zo kunnen we als mensen vaak de vreemde gewoontes van onze cultuur niet zien. We zijn ermee opgegroeid en opgevoed en zitten er vervolgens mee opgescheept, soms van generatie op generatie. Als je altijd geloofde dat de mensen die je bepaalde dingen vertelden het bij het rechte eind hadden en je hebt daaromheen je eigen wereldvisie gebouwd, dan kan het een verontrustend idee zijn om van dat beeld af te stappen en te zeggen: ‘Hmmm… ja, nu ik snap hoe dat werkt met de veiligheidsbeleving van een baby of een jong kind, nu begrijp ik dat veel adviezen niet echt zinvol of zelfs schadelijk zijn. Laten we het voortaan anders aanpakken!’ Dat is vaak niet gemakkelijk, maar het is wél een volwassen manier van omgaan met voortschrijdend inzicht: ‘Ik wist het niet en ik zie nu dat het beter anders kan.’ Vooral mensen op een positie met een groot publiek dragen op dat punt een grote verantwoordelijkheid. Het is te hopen dat we als samenleving de moed hebben die verantwoordelijkheid, omwille van onze baby’s, dapper te dragen, zodat ze veilig gehecht en gezond kunnen opgroeien!

Hoe ouders van nu voor hun kleintjes kunnen zorgen, Deel 1

Geen fouten, maar een gedeelde zoektocht

Onlangs kregen we via iemands Facebookpagina een bericht onder ogen over een artikel van Ouders van Nu. Er ontspon zich onder de lezers van het bericht een discussie over onder andere de vraag of het wel was geschreven voor ouders van ‘nu’, of meer voor ouders van ‘vroeger’. Ook vonden diverse mensen de toon betuttelend en ze hadden moeite hadden met de stelligheid van bepaalde formuleringen, om te beginnen het woord ‘fouten’ in de titel.
De tekst van het artikel is niet super recent, maar van 2021. Toch waren vorig jaar rond deze tijd de inzichten ook al wel zodanig dat er hier en daar kanttekeningen te plaatsen zijn bij de boodschap aan jonge ouders. Die verdienen eerlijke informatie en ondersteuning in hun totaal nieuwe zoektocht, geen negatief oordeel over hun keuzes. We willen daarom graag wat aspecten bespreken die van invloed kunnen zijn op de veiligheidsbeleving van zowel het kind als de ouder in de ouderrol. Die veiligheidsbeleving is van grote invloed op hoe we ons als mens ontwikkelen en daarmee ook op onze totale gezondheid.

Laten we inderdaad beginnen met de titel: fouten. Dat is een lastige opening. Wat betekent het voor kersverse ouders om te lezen dat keuzes die ze maken ‘foute’ keuzes zijn…? Op een wat fundamenteler niveau: wie bepaalt wat ‘goed’ of ‘fout’ is…? Is daarop een eenduidig antwoord te geven? Hoe beïnvloedt onze cultuur de ideeën daarover? Hoe hangen dat soort ideeën samen met normen en waarden en visies op wat de verantwoordelijkheid is van ouders richting hun baby? Hoe kijken we naar de taak die je als ouders hebt? Daarin kunnen we ons een heel continuüm voorstellen, van een lastige, afmattende opgave waar je je doorheen moet werken tot je kinderen eindelijk op eigen benen staan… tot aan een eervolle, vreugdevolle taak waarin je een totaal afhankelijk mensje naar volwassenheid mag begeleiden… en alle gradaties van ervaringen daartussenin. Nog meer vragen: wat zegt de wetenschap zegt over de behoeften van kinderen en wat vinden we daarvan? Hoe zit het met de rechten van kinderen om hun evolutionair ingeprente behoeften bevredigd te krijgen? Hoe bekend zijn die behoeften in de samenleving als geheel? De antwoorden op dit soort vragen bepalen hoe we met die kleine wezentjes willen omgaan zolang ze voor hun overleving en welzijn nog volledig van ons als volwassenen afhankelijk zijn.

Slapen: velen denken dat het iets is wat een baby moet leren, maar dat is natuurlijk niet zo. Baby’s slapen immers al in de baarmoeder. Ze kunnen dus al slapen voordat ze geboren zijn. Wat we mogelijk wél vaak doen, is ze een ervaring van onze wereld meegeven die het moeilijker voor ze maakt om zich vol vertrouwen aan die slaap over te geven. Wanneer zien we zelf tegen de nacht op? Wanneer kunnen we zelf de slaap niet vatten of worden we aldoor wakker en zoeken we naar troost en geruststelling midden in de nacht? En als we die nodig hebben… wat doen we dan? Hoe verhoudt zich dat wat we als volwassenen kunnen doen om onszelf te reguleren en weer in slaap te vallen tot wat een baby zelf in gang kan zetten? Wat is de definitie van een ‘makkelijke slaper’? Voor wie moet het ‘makkelijk’ zijn? Wat is de definitie van ‘goed slapen’? Wat is de definitie van ‘doorslapen’? Slapen we zelf altijd ‘door’, zonder ook maar één keer wakker te worden? En zo niet, waar komt dat dan van en wat doen we eraan (of ertegen)?

Huilbaby, loterij, ronken, terror: er worden allemaal woorden gebruikt die een sfeer neerzetten. Met een ander woord wordt dat wel ‘framen’ genoemd: je brengt iets op een bepaalde manier over om een visie te bewerkstelligen. Je wilt een bepaalde mening propageren en probeert de lezer of toehoorder daarvan te overtuigen door woorden te kiezen die die sfeer overbrengen. Hoe behulpzaam is het om uitingen van totaal afhankelijke baby’s, die voor alles wat ze nodig hebben zijn aangewezen op de bereidheid van hun verzorgers om dat in orde te maken, te ‘framen’ met negatieve termen? Als een baby niet goed kan slapen… voor wie is dat dan het ergst? Als een baby zich niet kan overgeven aan de slaap… hoe kunnen we de onrust van dat kleine kindje dan duiden? Wie kan daar welke dingen aan veranderen? Wat wordt er bedoeld met de aansporing je niet druk te maken over het slaapgedrag van je baby?

Op de bank in slaap vallen met je baby in je armen: er wordt gesteld dat dit één van de fijnste dingen in de wereld is. Dat is op zich een mooie stellingname. Er wordt echter vervolgd met de uitspraak dat dit gevaarlijk is, net als ‘bedsharing’ (je baby bij jou in bed laten slapen). Ten eerste is dat laatste niet waar, mits je aan een aantal voorwaarden vooraf hebt gewerkt. Ten tweede: hoe komt het dat ouders op de bank in slaap vallen met hun baby in plaats van in een veilig gemaakte setting in bed? Dat komt dikwijls omdat ze van zorgverleners en beleidsmakers en mediamensen aldoor opnieuw angst aangejaagd krijgen over samen slapen, terwijl de mensheid al millennia met de eigen kinderen samen slaapt. Vervolgens gaan ze op een bank of stoel zitten terwijl ouder en kind beide moe zijn, want de baby mee in bed nemen is ‘verboden’. De slaapplek delen is echter de norm voor zoogdieren, en dus ook voor de mens. Dat we baby’s apart te slapen leggen, soms in een andere kamer, is sociaal-cultureel en antropologisch gezien heel ‘weird’ en komt vooral voor in WEIRD-landen (Western, Educated, Industrialised, Rich, Democratic). Het is een historisch nieuwtje, een afwijking van wat we altijd hebben gedaan als mens. Gezien de enorme aantallen mensen die alleen maar met hulp van slaapmedicatie kunnen slapen, lijkt het geen slecht idee ons wat vaker af te vragen of al die slaapproblemen wellicht een culturele oorzaak hebben. Zouden ze hun oorsprong kunnen vinden in de kindertijd? Zouden ze gelieerd kunnen zijn aan wat ouders aangeraden en soms opgedrongen krijgen aangaande slaapgedrag…? Dat zijn misschien ongemakkelijke, maar wél belangrijke vragen om te stellen en te onderzoeken.

Slapen in een autostoeltje: dat is inderdaad niet zo’n heel erg goed idee. Slapen in een draagdoek is daarentegen heerlijk voor een baby. Als de doek goed is geknoopt en de baby ergonomisch verantwoord in de doek zit, is dit in alle opzichten een zeer heilzame slaapplek voor een jong kind en voor de ouder is het vaak een zeer praktische manier om de handen vrij te hebben terwijl baby slaapt.

Een bedomrander: hier wordt het risico van wiegendood genoemd. Het is inderdaad belangrijk om de slaapplek van een baby veilig te maken. Dat geldt zowel voor een ledikant (waar instructies voor afstand tussen de spijlen en matrasdikte en meer heel gewoon worden gevonden en zelfs aan wettelijke regelgeving zijn gebonden) als voor een volwassen bed waar het kind samen met de ouders in slaapt (een setting die meestal wordt omschreven als uitermate risicovol, ondanks het vele onderzoek dat het tegendeel laat zien). Het is trouwens interessant dat dit verschijnsel ‘wiegendood’ wordt genoemd. Het benoemt de plaats waar het kind sterft. Is die wieg misschien toch niet zo veilig als vaak wordt beweerd…? Hoe dan ook… wiegen zijn niet verboden. En in de tragische gevallen waarin een kind in het ouderlijk bed sterft… is er dan gekeken hoe de ouders eraan toe waren? Hadden ze gedronken, gerookt, medicatie gebruikt? Anders gezegd: lag het aan de slaapplek of aan de conditie waarin de ouders verkeerden? Ook hier is vaak sprake van negatieve framing.

Volgende week kijken we naar nog een aantal aspecten.