Een vol bord: wanneer ACE’s tot een problematische onafhankelijkheid leiden

Ze zaten aan tafel; zijn vrouw had iets bijzonders gekookt en schepte de borden vol. Ze schepte het bord van hun zoon vol, vroeg hun gast Lucy om haar bord te overhandigen en vulde vervolgens haar eigen bord. Ze keek hem aan en zei: ‘Jij schept zelf op?’ ‘Ja’, antwoordde hij; hij stond op van de tafel, liep naar de keuken en schepte op.
Lucy keek met verbazing toe. Ze had nog niet zo vaak bij hen thuis aan tafel gezeten. Bij eerdere gelegenheden hadden ze geregeld in een restaurant de maaltijd gedeeld en dan wordt iedereen bediend. Lucy keek hem aan en hun ogen hielden elkaar vast: ‘Wat gebeurde daar?’ Hij wachtte: ‘Wat?’ ‘Nou, dat jij erop staat je eigen bord vol te scheppen…’ Hij lachte: ‘Ik ben echt prima in staat om zelf mijn eten op te scheppen; er is geen enkele noodzaak dat iemand anders dat doet.’ Ze dacht er even over na: ‘Nou ja, ik ben er volledig van overtuigd… of nee, ik wéét dat je dat kunt, maar waarom zou je dat willen? Is het niet fijn om even verzorgd te worden en met liefde je bord te laten volscheppen?’ Hij mompelde dat het echt niet nodig was. De hele middag was heerlijk geweest, dus om de goede sfeer vast te houden, lieten ze het onderwerp rusten.

Pas veel later kwam Lucy erop terug en vroeg ze hem of hij een idee had over waar dat gedrag vandaan kwam. Hij vertelde dat hij er door de jaren heen aan gewend was geraakt om voor zichzelf te zorgen. Lucy was getroffen door hoezeer ze zijn uitleg herkende en was zich bewust van het feit dat zulk gedrag een afspiegeling kan zijn van wat voor het blote oog niet zichtbaar is. Ze opperde dat er misschien pijnlijke ervaringen aan ten grondslag lagen. Hij luisterde en verwierp die mogelijkheid niet volledig, maar hij was evenmin overtuigd dat pijn uit de kindertijd er de oorzaak van was, evenmin als van een aantal andere, eraan gerelateerde gedragspatronen, trouwens, die hij had ontwikkeld: roken, niet antwoorden op telefoontjes of berichtjes, op de hand zijn kleding wassen terwijl hij slechts een weekend weg was, volledig in zichzelf gekeerd raken als hij zich niet goed voelde, en niet trouw zijn aan zijn huwelijk, ondanks het verdriet dat de scheiding van zijn ouders hem lang geleden had bezorgd. Hij wist dat er iets niet in orde was, maar hij had het er enorm zwaar mee om de gedachten die daaraan verbonden waren, toe te laten in zijn bewustzijn.

Het verhaal liep niet goed af. Hij kreeg uiteindelijk een autoimmuunziekte die zijn gezondheid ernstig beïnvloedde: het te grote aantal rode bloedcellen maakte zijn bloed zo dik dat het letterlijk niet goed meer kon stromen. Er waren tijden dat hij zich beter voelde (‘Ja, het gaat weer beter, ik klim weer naar boven vanuit de donkere kerkers!’, zei hij dan grappend, hoewel hij nooit zei dat hij de kerker in ging), maar de grijze wolken drukten telkens opnieuw zwaar op zijn dagen, tot het moment waarop zijn wanhopige zoektocht naar liefde leidde naar zijn eigen echtscheiding, naar teleurstellende nieuwe relaties, en naar het snuiven van cocaïne in een poging om te gaan met zijn gezondheidsproblemen en zijn eenzaamheid. Lucy verloor het contact; ze hield het in stand, maar hij verhuisde en liet haar zijn nieuwe adres niet weten. Jaren later stuurt ze hem nog steeds af en toe een bericht, maar ze weet niet of zijn telefoonnummer nog wel hetzelfde is. Haar compassievol vragen naar zijn welzijn en haar begrip voor zijn verdriet waren niet genoeg om de vriendschap overeind te houden. Hij kon met haar onvoorwaardelijke emotionele nabijheid niet omgaan; schaamte en schuldgevoel over zijn tekortschieten, over niet antwoorden en haar teleurstellen waren hem te veel geworden – hij verdween in volstrekte stilte.

Om als kind niet volledig in te storten onder de verantwoordelijkheid van het zorgen voor een moeder wier man zomaar vertrok en die twee banen nodig had om de kosten van de zorg voor hem en zijn oudere broer te kunnen betalen, had hij een overlevingsstrategie moeten ontwikkelen. In die jaren bouwde hij een houding op van liever op zichzelf te vertrouwen dan op anderen, zodat hij er zeker van was dat hij niet nog een ervaring zou opdoen waarin anderen hem lieten vallen. Desondanks kon niks het enorme gat opvullen dat door de onbevredigde behoeften in hem was ontstaan. Zijn vader ging ervandoor, zijn moeder was altijd druk… was hij het waard hun liefde te ontvangen, wiens liefde dan ook? Twee keer stond hij op het punt een einde aan zijn leven te maken. Eén van die keren hadden de liefdevolle berichtjes van Lucy hem ervan weerhouden, al was de chaos die hij had gecreëerd en onder ogen moest zien, bijna te groot om te verdragen. Soms was zij de enige die hem uit zijn verdoofde staat kon halen, hem weer kon laten voelen, zijn tranen weer kon laten stromen.

Wanneer we vanuit een ACE’s-perspectief naar deze situatie kijken, kunnen we een bang jongetje zien, dat als kind niet de emotionele verbinding had die kinderen nodig hebben om zich veilig te voelen. Hij leerde om voor zichzelf te zorgen en raakte die gewoonte niet meer kwijt. Zoals trauma-expert Gabor Maté uitlegt: de pijn van je als kind niet gezien en gehoord en bemind weten, het gemis van veilige hechting met zorgzame en emotioneel beschikbare volwassenen, zal er bij velen van ons toe leiden dat we onze authenticiteit verliezen. Mensen, gericht en gebouwd op verbinding als ze zijn, smachten naar betekenisvolle relaties met anderen. Wanneer hun unieke persoonlijkheid een bedreiging lijkt te vormen voor de hechtingsrelatie met degenen van wie het kind afhankelijk is, geeft het kind mogelijk de authenticiteit op om zo de hechtingsrelatie te behouden. Wanneer we onze authenticiteit verliezen, verliezen we echter de verbinding met onszelf en dat zal bijna altijd resulteren in het verliezen van het contact met anderen. We sluiten ons hart ter bescherming tegen nog meer pijn, maar daarmee sluiten we ons ook af voor liefde en compassie. We hebben moed en een veilige omgeving nodig om ons weer open te stellen. Er is ook oprechte nieuwsgierigheid nodig van de mensen in die omgeving, bereidheid aan hun kant om te luisteren naar, te zitten naast en veilige ruimte te creëren voor degene die worstelt met pijnlijke ervaringen. Daarmee wordt zichtbaar dat herstel en genezing niet slechts een persoonlijke uitdaging zijn, een proces dat we in eenzaamheid in gang moeten zetten. We hebben daarvoor de aandacht en vriendelijkheid nodig van mensen om ons heen, zodat we de illusies die we moesten opbouwen om te overleven, kunnen terugdraaien. In essentie is trauma een verbroken verbinding met het ware zelf en door liefde en compassie kunnen we werken aan het herstellen van die verbinding.
Dat is een hoopvolle gedachte, één waaraan iedereen in iemand anders kan bijdragen via verbinding, compassie, moed, nieuwsgierigheid, vertrouwen en vriendelijkheid. Op die manier kunnen we veerkracht ontwikkelen in onszelf, in elkaar, en in onze samenleving als geheel.

Lucy blijft positieve energie de ruimte in sturen; wie weet bereikt die haar vriend, zegt ze, en kunnen ze ooit het contact herstellen… of niet, en dan kunnen haar gedachten hem in ieder geval misschien goed doen… en haarzelf ook.

Vertalen

Vandaag was ik weer aan het vertalen. Dat doe ik op regelmatige basis, zowel voor ACE Aware NL als voor mijn praktijk en mijn bestuurswerk. Gezien de onderwerpen waarop ik focus, zit ik daardoor soms dagenlang non-stop met mijn neus in teksten, termen en concepten die gaan over veilige hechting, sensitief ouderschap, responsieve interactie, compassie, verbinding, veerkracht. Dat is mooi; dat houdt me dicht bij het onderwerp waarvan ik houd en bij het gebied waarop nog zoveel werk te verzetten is.

Tegelijk is het ook intensief. Het brengt me bij herhaling met mijn gedachten bij mensen, bij situaties en bij omstandigheden waarin er aan die veilige hechting en veerkracht van alles ontbreekt, omdat de start zo verdrietig was.

Het werken aan die teksten confronteert me ook met culturele ideologieën die de behoeften van het totaal afhankelijke kind niet of nauwelijks op de voorgrond zetten en die in de krant, op de televisie en zelfs in de wetenschap desondanks worden gepresenteerd als logisch en normaal.

En tot slot vormen die vertalingsuren dikwijls een scherp reflecterende spiegel van mijn eigen ervaringen met onveilige hechting. Die reflectie roept veel vragen op: “Wat was er destijds zo moeilijk in mijn eerste levensjaren? Waarom wéét ik heel veel dingen niet meer, maar vóel ik ze des te beter? Voor welk gemis was welk gedrag een ‘coping strategy’?”

 

Zoektocht naar verbetering

‘Verbeter de wereld, begin bij jezelf’: het is een kreet die je zomaar overal kunt tegenkomen en die tegenwoordig vaak gaat over wat je eet, hoe je je verplaatst, waar je naartoe gaat op vakantie en of dat alles wel duurzaam en verantwoord is. Nog lang niet altijd gaan die maatschappelijke debatten en persoonlijke overwegingen over de vraag of alles rondom het begin van het leven wel duurzaam en verantwoord verloopt, terwijl er langzamerhand veel inzichten zijn die de invloed van die vroege levensfase op volwassen gezondheid en welzijn laten zien.

Soms lijkt daar, heel plat, maar één belangrijke overweging voor te zijn: met de prioriteiten van het huidige systeem kost het de samenleving op de korte termijn te veel geld om die eerste jaren wat geduldiger en meer ontspannen te laten verlopen. Een langer bevallingsverlof, meer ouderschapsverlof, kleinere klassen en groepen in onderwijs en kinderopvang, diverse vormen van voorbereiding op het ouderschap waarbij er aandacht is voor trauma in de voorgeschiedenis… ze worden vaak nog als kostenposten gezien, niet als investering voor de toekomst.

De kans is echter groot dat er naast die financiële nog wel een andere verklaring is voor de afwezigheid van het thema ‘duurzaamheid’ rondom de vroege levensfase: het doet zeer om terug te kijken en te zien dat je niet kreeg (en wellicht als ouder, professional of beleidsmaker ook niet gaf?) wat in die kinderjaren zo’n onontkoombare behoefte is: open verbinding, oprechte aandacht, ongehaaste nabijheid, vreugdevolle liefde, enthousiaste aanmoediging… het diepe vertrouwen, kortom, dat je als kind gezien, gehoord en bemind wordt, dat je welkom bent in al je unieke eigenheid.

Vertalen vanuit verschillende perspectieven!


Bij jezelf beginnen

Bij jezelf beginnen? Hoe kun je dat doen? Hoe zorg je dat je niet overweldigd raakt door de reikwijdte van de vele mogelijke vragen?

“Kan ik mijzelf vergeven voor hoe ik eerder was en deed? Kan ik groeien voorbij de schaamte over dingen die anders hadden gekund of gemoeten? Zie ik de vooruitgang in het feit dat ik nu *zie* dat ‘misstappen’ en ‘wangedrag’ voor een deel uit die onveilige hechting voortvloeiden? Ben ik bereid te erkennen dat wanneer ik mijn vroegere handelingen als ‘misstappen’ en ‘wangedrag’ kwalificeer, ik nog steeds in een verdedigingsmodus verkeer? Lukt het, om een onderscheid aan te brengen tussen twee vormen van bewustzijn: enerzijds het kindbewustzijn, waarin negatieve beoordelingen over mijzelf een middel zijn om de pijn van onvervulde behoeften toe te dekken, en anderzijds het volwassen bewustzijn, waarin ik eigenaarschap kan nemen voor de fouten die ik maak, zonder mezelf daarbij de grond in te praten? Op welke wijze zou ik via ‘compassionate inquiry’ nog meer te weten kunnen komen over de knelpunten waar ik nog steeds tegenaan loop? Kan ik een dergelijke zachte, compassievolle nieuwsgierigheid aan de dag leggen jegens anderen, maar zeker ook jegens mijzelf?”

 

Op weg helpen

Grondige reflectie raakt aan grote thema’s. Ze raakt aan thema’s waarmee psychologen, sociaal werkers en traumatherapeuten zich bezighouden. In een veilige omgeving kunnen we echter ook onszelf op die thema’s bevragen, open en eerlijk. De antwoorden kunnen ons op weg helpen om onze levensgeschiedenis te vertalen en zo ons doen en ons laten, ons weten en ons voelen beter te snappen. Lief zijn voor jezelf is geen ‘softe’ aanpak; als we dat moeilijk vinden, is de kans groot dat we aan trauma raken, aan de overtuiging dat we die zorgzaamheid niet verdienen. Daar kunnen we dag voor dag aan werken: ‘Zou ik, wat ik nu tegen mezelf zeg, ook tegen een ander zeggen?’ Het omgekeerde kan evenzeer ons bewustzijn vergroten: ‘Hoe zou ik me voelen als dat wat ik nu tegen een ander zeg, tegen mij zou worden gezegd?’ Vaak vinden we dan wel aanknopingspunten voor hoe het anders kan. Vriendelijkheid, naar jezelf en naar anderen, lijkt wellicht een wat al te simpel instrument, maar kan op onszelf én op de ander een zeer krachtige uitwerking hebben.

Wanneer we weten dat kinderen ‘wired for connection’ ter wereld komen, dat ze vanaf het allereerste begin gericht zijn op het vriendelijke, open contact met ons als volwassenen en dat ze van ons zullen leren hoe veilig die wereld al dan niet is en hoezeer ze daarin al dan niet op onze ondersteuning kunnen vertrouwen, dan kunnen we zien hoe breed onze opdracht is, hoe groot onze verantwoordelijkheid om ‘connection before correction’ te laten gaan, zoals een collega dit weekend zei. Wat een mooi motto om naar de praktijk te vertalen!

Focus op oxytocine

Na een blog over het belang van oxytocine lijkt het zeer gepast om aandacht te besteden aan de 3-daagse cursus die Zorgdragen Opleidingen (Karin Brügemann en Wendy Haisma) en Instituut voor Hechting (Kirsten Minnen) samen hebben georganiseerd! In oktober zal Kerstin Uvnäs Moberg in het paviljoen van Nationaal Park De Hoge Veluwe haar onschatbare kennis delen met de cursisten. ACE Aware NL spreekt met Wendy over hoe het zover kwam. Vanaf een zonnige boscamping in Frankrijk vertelt ze haar verhaal.

Wendy: We zagen dat Kerstin in Stockholm in maart deze cursus organiseerde en ik wilde er eigenlijk wel heen, net als collega Kirsten en we vermoedden dat dat voor meer mensen zou gelden. We vonden het alleen niet zo milieuvriendelijk om allemaal daarheen te vliegen, dus toen besloten we samen om als Zorgdragen Opleidingen en Instituut voor Hechting deze cursus zelf te organiseren! We doen wel vaker dingen samen, dus dit paste heel goed.

Wij: En het hele onderwerp is natuurlijk in lijn met wat jullie sowieso nastreven met je praktijken?

Wendy: Ja, klopt! Zowel bij Kirsten als bij ons is een groot gedeelte van de cursusinhoud gericht op hechting. Dat oxytocine een geweldig mooi hormoon is, komt daarbij natuurlijk ook aan bod! Ik ben er een groot fan van, van oxytocine! Dat kon dus niet missen, want hechting is een belangrijk onderdeel van het dragen, of eigenlijk van het leven. Een cursus door Kerstin leek ons dan ook een prachtige gelegenheid om die kennis breder te verspreiden en er ook zelf nog weer meer over te weten te komen.

Wij: En drie volle dagen, geloof ik?

Wendy: Ja, zeker! Die kan ze vast gemakkelijk vullen! Ze heeft er wel een plan voor, maar het gaat ook op geleide van wat mensen in de cursus aandragen. We bestuderen een aantal van haar boeken voorafgaand aan de cursus, zodat we de basiskennis goed op orde hebben en dan tijdens de cursus de diepte in kunnen met elkaar. Wie al wel op de hoogte is van oxytocine, kan er ook nog weer van alles uit halen. Ik heb de boeken nu mee als vakantieliteratuur en wil er nog weer even goed doorheen.

Kerstin Uvnäs Moberg

Wij: Ja, die boeken zijn prachtig; afhankelijk van je eigen leerproces pik je er ook bij herlezing nog weer andere dingen uit. Er zitten zoveel thema’s in! Gaat Kerstin per dag een thema bespreken of hoe gaat ze dat doen?

Wendy: Het zullen wel grofweg zes thema’s zijn, zes dagdelen, zeg maar, zoals het geboorteproces, hechting, de gezondheid van moeder en kind. Het gaat vooral om de geboorte en het eerste jaar, ook al speelt het natuurlijk je hele leven.

Wij: En jullie zitten in het paviljoen van Nationaal Park De Hoge Veluwe. Is de locatie ook een overnachtingslocatie?

Wendy: Nee, het is alleen voor overdag, maar de plek en de mogelijkheden zijn zo prachtig hier, midden in het bos, en dat vonden we wel een belangrijk punt en een voordeel ten opzichte van een plek in bijvoorbeeld een hotel tussen de snelwegen. De plek is ook sympathiek omdat de verhuur is bedoeld om de exploitatie van het park te ondersteunen en zo dragen we daaraan bij. De producten die worden gebruikt, zijn zoveel mogelijk uit het park. Er wordt ook met respect voor de omgeving gebruikgemaakt van het paviljoen, want zodra het donker wordt, gaan het park en de locatie dicht, om de rust voor de dieren niet te verstoren.

Wij: En kon je het financieel goed rondbreien, want dat is natuurlijk altijd spannend, als je zoiets organiseert?!

Wendy: Ja, dat is goed gelukt, om daarover mooie afspraken te maken. Wij vinden de locatie heel belangrijk. We hadden in een achterafzaaltje kunnen gaan zitten en dan waren we voordeliger uit geweest. Dan hadden we er zelf wellicht ook nog een leuk bedrag aan overgehouden, maar voor ons woog heel zwaar dat we het echt een mooie belevenis willen laten zijn. Fijne plek, prachtige omgeving, heerlijke lunch… Collega Karin Brügemann heeft ook weleens cursussen gehad in een achterafzaaltje. Dan is de cursus wel leuk, maar dan word je van de omgeving niet heel blij, zeg maar, en op De Hoge Veluwe wel! [Wendy lacht en zegt grappend:] En als mensen de cursus dan niet echt wat vinden, was in ieder geval de locatie goed! [Ze lachen samen.]

Wij: Dat komt vast wel goed, met de inhoud van die cursus!

Wendy: Vast wel, inderdaad! We hebben ook accreditatie aangevraagd bij IBLCE voor de lactatiekundigen. Dat is een hele puzzel, omdat bij die organisatie rond te krijgen, maar we hopen dat ook in orde te krijgen. Als dat wat gemakkelijker zou zijn, zoals bij veel andere beroepsverenigingen, zouden er misschien ook wel meer cursussen en studiedagen zijn die voor lactatiekundigen geaccrediteerd zijn. Maar in ieder geval, we hopen uit zoveel mogelijk achtergronden mensen te krijgen voor deze cursus. We doen het samen, Zorgdragen Opleidingen en Instituut voor Hechting, en hopen dat het drie mooie dagen worden!

We danken Wendy voor haar tijd in deze vakantieperiode en wensen haar een goed verblijf in Frankrijk. Op, naar een mooie 3-daagse in oktober!

 

 

‘When states become traits’

In het voorjaar van 2008 nam ik in mijn eentje het vliegtuig naar Leeds, Engeland, voor de jaarlijkse conferentie van LCGB, de organisatie van lactatiekundigen in het Verenigd Koninkrijk. Ik zat een half jaar voor mijn internationale lactatiekundige examen. Ik was meer dan gretig naar kennis die me zou helpen om mijn vak goed uit te oefenen en dus besloot ik het mooie programma van de Engelse collega’s te volgen met vier beroemde sprekers: Karleen Gribble (Australië), Brian Palmer (Verenigde Staten), Kathleen Kendall-Tackett (VS) en Kerstin Uvnäs Moberg (Zweden).

De conferentie hanteerde dat problematische concept van parallelle sessies, waardoor je altijd het gevoel hebt dat je dingen misloopt. In ieder geval wilde ik naar Kerstin. Ik had haar boek ‘De oxytocinefactor’ gelezen en had deze mondiale grootheid op het gebied van oxytocine al eerder gehoord. Het hormoon werd onlangs in een webinar door Suzanne Zeedyk en collega’s in Schotland ‘the cuddle chemical’ genoemd, in het Nederlands ‘knuffelhormoon’. Het is een stof die in Kerstins eigen woorden zorgt voor een staat van ‘calm-and-connect’. Het is de tegenhanger van de hormonale ‘fight-flight-freeze’-staat waarin we ons onder stressvolle omstandigheden dikwijls bevinden. Die ‘calm-and-connect’ helpt ‘to tend-and-befriend’: zorgzaam en liefdevol contact maken met anderen. Kerstin legde uit hoe oxytocine, ondanks de korte halfwaardetijd (de tijd die nodig is om het gehalte in het bloed met 50% terug te brengen), bij herhaalde aanwezigheid toch langetermijneffecten kan genereren. Ik zat naast Karleen, die ik virtueel kende van een online borstvoedingsplatform. In mijn verslag over de conferentie schreef ik over Karleens begeleidende, samenvattende commentaar:

Karleen sat next to me during Kerstin’s talk and whispered: “States become traits.” That is a great one-liner and a wonderful reason to strive for the dyad to spend as much time as possible in a mutually quiet alert state. That is the state in which valuable interaction and a great deal of learning takes place. If we can aid the dyad in reaching and cherishing that state and both can turn that into a trait… what a head start, in motherhood and in life!

Destijds had ik nog niet in de gaten dat dit al jaren een inzicht was in de neurobiologische wereld. Pas toen ik me jaren later meer in de (ja, daar is ‘ie weer) psychoneuroimmunoendocrinologie ging verdiepen, realiseerde ik me dat Karleen in die tijd al over veel meer kennis beschikte dan ik als groentje doorhad. Dat is het interessante van leerprocessen: wat zich als simpel en logisch laat aanhoren, is het gecondenseerde resultaat van jaren en jaren kennis vergaren. Het is een proces dat we telkens opnieuw kunnen aangaan, vooral in die staat van ‘calm-and-connect’ waarin we ‘tend-and-befriend’, omdat een gevoel van veiligheid belangrijk is voor leerprocessen.

Die veiligheidsbeleving, die is de kern van waarom we er goed aan doen als volwassenen kinderen zoveel mogelijk te marineren in oxytocine. Die stof is niet alleen een hormoon, maar ook een neurotransmitter en genereert direct in de hersenen effecten. Onder invloed van fysiologische ‘states’ worden daar netwerken aangelegd die in een mens ‘traits’ creëren: als je maar vaak genoeg een bepaald gevoel hebt dat tot een bepaalde reactie leidt, dan wordt dat wie je bent, of in ieder geval hoe je je naar de buitenwereld toe laat zien. Een zeer belangrijk artikel over dit onderwerp is al in 1995 geschreven door Bruce Perry et al.: ‘Childhood Trauma, the Neurobiology of Adaptation, and “Use-Dependent” Development of the Brain: How “States” Become “Traits” .

Uit ‘De oxytocinefactor’

Perry et al. beschrijven in hun artikel de invloed van trauma in de kindertijd op het emotionele, gedragsmatige, cognitieve, sociale en lichamelijke functioneren van kinderen. Trauma heeft een enorme impact op de neurologische ontwikkeling van de hersenen. Daarmee is ook de invloed op het volwassen functioneren potentieel groot. Het artikel stelt: ‘The acute adaptive states, when they persist, can become maladaptive traits’ (in het Nederlands minder mooi: ‘De acute staat van aanpassing waarmee het kind met de omstandigheden omgaat, kan, wanneer die staat aanhoudt, een onaangepaste karaktertrek worden.’) Het doet er dus enorm toe, in wat voor staat een kind zich in de vroege ontwikkelingsfase veel bevindt. In die fase gebeurt er veel qua groei van allerlei organen en systemen en het kind is daarom kwetsbaar. Het is echter ook de fase waarin veel volwassenen denken dat een kind veerkrachtig is en dat het wel een beetje losloopt met de impact van heftige gebeurtenissen. Het begrip ‘veerkracht’ wordt nogal eens verward met ‘aanpassingsvermogen’. Bij ‘veerkracht’ veer je terug naar hoe het daarvoor was. Bij aanpassing ga je weliswaar dóór en vérder, maar níet precies op dezelfde manier als daarvoor. In de aanpassing die het kind ontwikkelt, schuilen de risico’s. Vaak gaat het om aanpassingen die in meer of mindere mate een overlevingsstrategie vormen: wat alerter, wat agressiever, wat minder geduldig, wat minder geconcentreerd, wat minder toeschietelijk naar anderen, wat meer focus op het eigen in plaats van andermans belang… of juist (te) veel aandacht voor andermans belang ten koste van het eigen welzijn. Het zijn in de kindertijd soms misschien maar kleine verschillen, die niet altijd opvallen of tot grote problemen leiden. We weten echter wat er gebeurt als je een raket of een vliegtuig een paar graden uit koers laat vertrekken: dan is de eindbestemming waarschijnlijk niet slechts een beetje anders. Dan is die totaal afwijkend van wat de bedoeling was.

Niet aankomen op de bestemming die in het verschiet lag: dat is wat er gebeurt met kinderen die te vaak en te lang zonder ondersteuning aan ellende worden blootgesteld. Kinderen kunnen niet goed gedijen zonder sensitieve volwassenen die hen ‘op koers’ kunnen houden, die met liefdevolle aandacht en zorgzame nabijheid het kind van ‘fight-flight-freeze’ naar ‘calm-and-connect’ en ‘tend-and-befriend’ kunnen coreguleren. Zonder die coregulatie worden die stress-‘states’ in het kind probleem-‘traits’. Daarmee gaat een enorm potentieel aan authenticiteit en creativiteit verloren. Perry et al. zeggen: ‘It is the human brain from which the human mind arises and within that mind resides our humanity.’ We weten inmiddels hoe groot de invloed is van omgevingsfactoren op de menselijke persoonlijkheid: ‘Experience (…) creates a processing template through which all new input is filtered.’ Hoe vroeger die input, hoe sterker het effect en hoe moeilijker de ‘trait’ te veranderen is. Anders gezegd: hoe jonger zich bepaalde gedragspatronen ontwikkelen, hoe stabieler ze zijn. Dat geldt uiteraard zowel voor gunstige als voor problematische eigenschappen. Kortom, als altijd: ‘It’s easier to build strong children than to repair broken men’! Die uitdaging blijft: kinderen begeleiden tot robuuste volwassenen via positieve, oxytocine-rijke omgevingsinvloeden, zodat positieve ‘states’ constructieve ‘traits’ worden!

(Ook ‘The Hormone of Closeness van Kerstin Uvnäs-Moberg is zeer de moeite waard! Zie ook de Boeken-pagina.)

Let Me Tell You…

In de nazomer van 2019 schreef de Universiteit van Amsterdam een project uit waaraan alle studenten konden meedoen. Onder de titel ‘Let Me Tell You’ werd mensen gevraagd een creatieve bijdrage in te sturen waarin diversiteit en sociale inclusie centraal stonden. Welke verhalen kennen we en welke juist niet? Hoe spelen macht en autoriteit daarin een rol? Welke mensen en verhalen onttrekken zich aan ons oog, terwijl ze wel aanwezig zijn in de lokalen, de gangen, de gebouwen van de universiteit?

Marianne voelde zich aangesproken en dacht na over een inzending die zou aansluiten bij het werk dat ze voor ACE Aware NL aan het opstarten was. Jaren eerder had ze een boekvertaling gemaakt, waarin de aller-, allerkleinste mensjes in onze samenleving centraal stonden: de (extreem) te vroeg geboren baby’s, voor wie de zorg die ze in de eerste maanden en jaren na die vroeggeboorte krijgen, letterlijk van levensbelang is. Bij hen is het voor de buitenwereld zichtbaar dat ze volslagen hulpeloos zijn en op alle mogelijke fronten ondersteuning nodig hebben. Tegelijkertijd is de zorg die in het boek ‘Koester je kleintje’ voor hen wordt bepleit, zorg die álle baby’s nodig hebben. Geen enkele mensenbaby is immers in staat om zonder de toegewijde, sensitieve zorg van volwassenen te overleven.

In feite worden namelijk álle mensenbaby’s prematuur geboren: de hersenomvang bedraagt bij een à terme geboorte (zo’n 40 weken na de conceptie) 25% van de volwassen omvang. Ook baby’s die ‘op tijd’ worden geboren, kunnen nog jarenlang niet in hun eentje tot zelfregulatie komen; ze hebben coregulatie nodig. Dat is de reden dat ‘de eerste 1000 dagen’ zo belangrijk zijn: daarin worden basale setpoints gecreëerd. Die liggen weliswaar niet voor 100% vast (het brein is ‘plastisch’: het kan zich aanpassen), maar voor diverse lichaamsfuncties is latere aanpassing een zware, soms onhaalbare opgave. Daarom is het belang van een gezond begin, van een ‘kansrijke start’ zo groot: de eerste paar levensjaren zijn cruciaal voor wat volgt, voor hoe we ons als mens ontwikkelen, hoe gezien we ons voelen, en hoe zichtbaar we durven zijn. Een vroege levensfase met veel onveiligheidservaringen (of met simpelweg te weinig echte veiligheidservaringen) draagt risico’s met zich mee. Het kan ertoe leiden dat we levenslang diep van binnen een kind met ons meedragen dat zich in de wereld niet veilig voelt en dat veel dingen als bedreigend ervaart. Die beleving remt op allerlei manieren het sociale, maar zeker ook het creatieve en cognitieve functioneren. Dát is wie we niet zien in de universiteitsgebouwen, het beschadigde, getraumatiseerde kind dat in het volwassen lichaam woont. Dat werd voor Marianne het thema voor haar inzending.

Dit is de tekst die ze schreef als toelichting op haar visuele bijdrage, een tekst waarin ze de wetenschap over stressfysiologie en ACEs combineert met de diepmenselijke behoefte aan nabijheid, aan voedende relaties waarin we als mens wél echt worden gezien:

Wat zo ongelooflijk nodig is voor te vroeg geboren baby’s, is de blauwdruk en vingerwijzing voor wat een basale behoefte is in ons allemaal: mensen die er voor ons zijn als we heftige emoties meemaken, ‘the good and the bad’, mensen die ons vasthouden als we onzeker of verdrietig zijn, die met ons meelachen als we felbegeerde doelen halen of intens geluk ervaren, die met ons meedenken als we voor lastige of indringende keuzes staan. We snakken allemaal bij tijd en wijle naar mensen die ons bufferende bescherming bieden tegen een boze buitenwereld, die ons ruimte kunnen bieden waarin we veilig zijn, een ‘holding space’ waarin de ander zonder oordeel en met aandacht bij ons is en luistert naar ons oude of nieuwe levensverhaal (lees meer hierover in dit prachtige blog). Dat idee verbeeldde Marianne in de onderstaande fotocompilatie met gedicht.

Sinds begin februari 2020 hangt dit werk in de gangen van het hoofdgebouw op Roeterseiland, waar de Faculteit Maatschappij- en Gedragswetenschappen is gevestigd en waar Marianne haar master Medical Anthropology & Sociology volgde. De expositie, met nog veel meer mooie werken, zou tot eind juni te zien zijn, maar helaas hebben er maar weinig mensen langs kunnen lopen, nu de gebouwen grotendeels ontvolkt waren in de voorbije maanden. Daarom vandaag dit blog met de tekst en de beelden, op de dag waarop Mariannes zus in 1999 op 32-jarige leeftijd stierf aan de gevolgen van ACEs.

Wees lief en vriendelijk voor elkaar; houd elkaar vast, fysiek, met woorden, met oogcontact en in je welwillende gedachten aan en over elkaar, zeker richting de kinderen in ons midden!