Veilige, heilige stilte – blog door Petra Bouma

We kenden elkaar al, Denise en ik. Vier jaar geleden was ik ook bij haar geweest voor een lactatiekundig consult. Nu belde ze opnieuw, omdat ze een week geleden was bevallen. De kraamverzorgende was net weg; ze had pijn bij het voeden en tobde met tepelkloven. We spraken af en ik ging naar haar toe. Ze opende de deur, met in haar kielzog haar vierjarige dochter, die verlegen achter haar verscholen was. Haar zoontje lag te slapen in de box, maar eenmaal opgepakt wilde hij wel drinken. Nadat ik mondonderzoek had gedaan, waarbij ik geen bijzonderheden vond, legde mama hem aan. Ik deed wat suggesties en met een paar aanpassingen was het voeden pijnloos.

Tijdens een consult komt ook altijd ter sprake hoe een moeder de bevalling heeft ervaren. Denise gaf aan dat ze een prima bevalling had gehad, dat ze er met een goed gevoel op terugkeek. Ze was naar het ziekenhuis gegaan omdat, net als de vorige keer, de ontsluiting niet vorderde. Ze was thuis in bad begonnen, in overeenstemming met hoe ze het zich wenste. Toen ze na een poos flinke weeën te hebben gehad op drie centimeter ontsluiting bleef steken, werd haar gevraagd wat ze wilde. Ze kon nog wat langer thuisblijven of ze kon voor pijnstilling naar het ziekenhuis gaan. Ze koos voor het laatste, waarmee haar droombevalling uit beeld verdween.

Ze ging naar het ziekenhuis, kreeg pijnstilling via een pompje en daarna een infuus met weeënopwekkers, omdat na de verhuizing van thuis naar ziekenhuis de kracht van de weeën was afgezakt. Toen ze eenmaal volledige ontsluiting had, perste ze nog zeven minuten totdat haar zoon geboren werd. Ze keek er goed op terug, liet ze weten; het was prima verlopen. Het enige probleem nu was de pijn bij het voeden en een gevoel dat het allemaal nog niet echt lekker ‘liep’. Daarvoor had ze me ingeroepen, om datgene wat eruitzag als een borstvoedingsprobleem, via een consult te helpen oplossen. Ik had met aandacht geluisterd en er kwam van alles in me op. Ik overwoog hoe ik het gesprek met haar zou voortzetten.

Nadat ze haar verhaal had verteld, vroeg ik hoe ze haar bevalling het liefst had gewild. Daar was ze heel duidelijk over: ze had thuis in bad willen bevallen, met haar dochter erbij. Ze hadden het van tevoren uitgebreid besproken, dat zij erbij mocht zijn, en als mama naar het ziekenhuis moest, dan zou oma haar ophalen. Toen Denise thuis een poosje weeën had gehad, was haar dochter wakker geworden en naar beneden gekomen; ze was gezellig aanwezig geweest. Als mama een wee had, moest ze even niet storen, maar verder voelde het voor Denise heel fijn om haar dochter erbij te hebben.

Toen ze na een tijdje de verloskundige hadden gebeld, was er gevraagd of ze bezwaar had dat er een stagiaire meekwam. Denise had dat geen bezwaar gevonden. Toen ze aankwamen, was er inwendig onderzoek gedaan en was gebleken dat er drie centimeter ontsluiting was. Omdat het om een tweede kindje ging, was de veronderstelling dat het wel eens snel kon gaan. Daarom werd ook meteen de kraamzorg gebeld. In een eerdere fase, tijdens de intake, had Denise aangegeven dat een kraamzorgstagiaire geen probleem was. Tijdens de bevalling werd niet meer gevraagd of ze daarmee nog steeds akkoord was, en dus kwamen er nog twee mensen bij. De situatie zag er daarmee als volgt uit. In een niet zo groot huis, met een niet zo grote woonkamer moest de salontafel plaatsmaken voor het bevalbad.  Op twee grote stappen afstand van het bad stond de keukentafel waaraan de verloskundige, de kraamverzorgende en de twee stagiaires met elkaar in gesprek waren. De stagiaire van de kraamzorg was duidelijk aanwezig en praatte veel en luid.

Pas de volgende dag, nadat Denise was bevallen, realiseerden zij en haar man zich dat de stagiaire te luidruchtig was geweest. Hoewel op het moment zelf niet was doorgedrongen wat de impact van het gepraat was geweest, kwam nu het bewustzijn dat ze daar als barende last van had gehad. Denise had tijdens de bevalling het idee dat ze in haar eigen ‘bubbel’ zat, maar ze kon zich de volgende dag grote delen van het gesprek letterlijk herinneren. Doordat we samen de details van de baring zorgvuldig bespraken, besefte ze tijdens het consult dat ze veel minder in haar veilige ‘bubbel’ had kunnen zijn dan ze op dat moment dacht.

Bevallen is een intieme gebeurtenis, een ‘life event’ dat veilige, heilige ruimte verdient. Het proces heeft de beste kansen op een soepel en gewenst verloop als de barende niet te veel gestoord wordt, als ze omringd is door mensen bij wie ze zich op haar gemak voelt. Je kunt het vergelijken met seks: als je geobserveerd wordt wanneer je seks hebt, dan is een orgasme voor de meeste mensen hoogst onwaarschijnlijk. Als je daarentegen ongestoord met je partner je eigen vorm kunt vinden en alles kunt laten verlopen zoals het op dat moment voor jullie passend voelt, dan is een orgasme veel voor de hand liggender en zal het meestal gemakkelijk gaan.

Bij een bevalling gelden dezelfde uitgangspunten qua privacy en gevoel van veiligheid. Als je in een voor jou veilige omgeving bent met mensen die je vertrouwt en die jou vertrouwen, dan kan je lichaam zich ontspannen en zal een bevalling soepel verlopen. Verstoringen, zoals mensen om je heen die luid converseren, doen afbreuk aan die veilige omgeving en zorgen ervoor dat het proces stagneert. In dit geval gebeurde dat de eerste keer waarschijnlijk door de onrust om Denise heen, die ertoe leidde dat de baring niet vorderde. In het ziekenhuis stagneerde het proces nogmaals omdat de nieuwe omgeving en de interventies eraan bijdroegen dat de weeën wegbleven.

Natuurlijk kunnen we niet zeker weten wat er zou zijn gebeurd als Denise thuis rust om zich heen had gehad. Kennis over de geboortefysiologie maakt echter dat het zeer wel denkbaar is dat de ontsluiting zich in alle rust had voortgezet. De cascade aan interventies die zich nu had afgespeeld, had zich dan wellicht niet voorgedaan. Het doet er dus toe, hoe we als zorgverlener aanwezig zijn bij een baring en we dragen een grote verantwoordelijkheid om een serene, vertrouwensvolle rust te creëren om de barende heen. Als we daar niet alert op zijn en het proces raakt verstoord, dan is dat niet meer simpelweg een kwestie van ‘pech’; dan is er in feite sprake van wat we noemen ‘iatrogene schade’, schade die is aangericht door het medisch handelen.

Een dergelijk verloop heeft ook invloed op het zelfvertrouwen van de moeder. In het onderbewuste blijft iets hangen: “Het is nu twee keer zo gegaan, dus ik houd er rekening mee dat het een eventuele volgende keer weer zo zal gaan. Thuis bevallen is niet voor mij weggelegd. Ik kan dit niet; mijn lichaam laat me in de steek. Ik ben niet goed genoeg voor zo’n opgave… en mogelijk voor andere opgaven ook niet…” Dat is om allerlei redenen heel jammer en heel verdrietig, want hoe je moeder zich voelde tijdens de zwangerschap en bevalling, de manier waarop jij ter wereld kwam, heeft grote invloed op hoe zij haar moederschap begint. Daarmee heeft haar ervaring invloed op jullie onderlinge band en dus op je verdere leven. Begint je leven in een sfeer van rust en vertrouwen of is er bij je moeder een gevoel van falen, omdat het haar (weer) niet is gelukt om van jou te bevallen zoals ze het graag had gewild? Hoeveel verdriet draagt ze daardoor met zich mee?

En nog een diepere vraag: hoe komt het dat het moeilijk voor haar en haar partner was om de ‘heilige ruimte’ van de baringsplek als leeuwen te bewaken, los van de mening van de verloskundige of de kraamzorg daarover? Wat maakte het moeilijk voor de aanstaande ouders om op te komen voor hun eigen behoeften? Er zijn nog veel meer vragen denkbaar die aandacht verdienen. Wat maakte bijvoorbeeld dat de kraamzorgstagiaire zich niet meer bewust was van haar plaats in het geheel, van het belang van stilte en bescheidenheid? Wat maakte dat zowel de verloskundige als de kraamverzorgende de stagiaire er niet op wezen dat haar luide praten de situatie verstoorde? Hoe kwam het dat de zorgverleners niet vooraf wisten dat de woonomstandigheden zich niet leenden voor de aanwezigheid van zoveel mensen?

Met een traumasensitieve blik wordt zichtbaar dat er op allerlei niveaus een meer afgestemde aanpak mogelijk was geweest. Wanneer we als samenleving meer kennis hebben over de effecten van dit soort handelen op het begin van een mensenleven, kunnen we er allemaal aan bijdragen dat die start optimaal verloopt, zodat we geen ‘adverse’ maar ‘awesome childhood experiences’ stimuleren!

Traumasensitieve lactatiekundige zorg – ik ben er klaar voor!

Het was de zomer van 1994 en na een mooie thuisbevalling werd onze derde dochter geboren. Over een paar weken gaat ze trouwen; haar witte luiertruitjes van de eerste dagen, die zo prachtig contrasteerden met haar pikzwarte haartjes en diep donkerbruine ogen, staan op zolder. Ze zullen in augustus zijn vervangen door een werkelijk prachtige witte bruidsjurk. Opnieuw zullen haar ogen en haren, inmiddels iets lichter van kleur maar nog altijd mooi donker, contrasteren met haar kleding, zowel met wat ze aan heeft tijdens de borrel op de avond voor de bruiloft als met wat ze zal dragen overdag (die bruidsjurk) en in de avond, als we allemaal in gala-outfit worden verwacht.

Op de dag van haar geboorte had ik niet kunnen vermoeden dat ik een kleine dertig jaar later zou werken als lactatiekundige en medisch antropoloog/socioloog. Vooral die lactatiekunde is rechtstreeks met haar geboorte verbonden. Ik was in het kraambed letterlijk doodziek als gevolg van kraamvrouwenkoorts en toen we samen in het ziekenhuis waren omwille van mijn herstel, zag ik dat de begeleiding bij borstvoeding dikwijls te wensen overliet. Daarom werd ik vrijwilliger bij de VBN, later lactatiekundige in mijn eigen praktijk, en uiteindelijk de traumasensitieve antropoloog die ik nu ben. Sommigen vonden dat ik met die studie antropologie ineens iets heel anders ging doen, maar zelf zag ik altijd alleen maar een doorgaande lijn van micro- naar macro- naar metaniveau. Wat er tussen moeder en kind gebeurt in de vroege levensfase, is een template voor wat volgt. Wat we in het klein in ons gezin van herkomst ervaren, wordt in het groot ons referentiekader voor hoe we in de wereld staan. En hoe we met z’n allen in de wereld staan, is de basis van onze samenlevingen en hun bijbehorende culturen. Zie daar: een in mijn beleving directe verbinding van klein naar groot, van binnen naar buiten, van gezonde, veilige hechting in de ouder-kindrelatie (of gebrek eraan) naar vredelievende, empathische veerkracht in de wereld (of gebrek eraan).

Toen ik er afgelopen jaar aan werd herinnerd dat ik deze zomer mijn lactatiekundige certificering moest vernieuwen (iedere vijf jaar, als we onze ‘IBCLC’-lettertjes willen behouden), twijfelde ik dan ook niet: natuurlijk wil ik lactatiekundige blijven! Mijn traumawerk als antropoloog/socioloog binnen ACE Aware NL en mijn lactatiekundige werk voor Borstvoedingscentrum Panta Rhei vormen zó’n relevante combinatie – die wil ik voortzetten. Sterker nog… die wil ik uitbreiden!

Er was dus geen ontkomen aan: ik moest de recertificeringsprocedure doorlopen. Sinds de verplichting van het herexamen voor recertificeerders is afgeschaft (mag wel, hoeft niet), moet je op een andere manier iedere vijf jaar aantonen dat je voldoende scholing hebt gevolgd en ook anderszins competent bent om het vak uit te oefenen. Dat vind ik op zich terecht: moeders en baby’s hebben recht op hoogkwalitatieve zorg. Dan is alleen de vervolgvraag: hoe toon je aan dat je die levert? Je kunt studiepunten aanleveren, maar heb je de kennis geïntegreerd? Als je bovenop je jarenlange lactatiekundige ervaring andere dingen hebt gedaan en geleerd dan wat de eisen voorschrijven, betekent dat dan per definitie dat je geen goede zorg kunt leveren?

Met de afschaffing van het herexamen zijn de eisen wat aangepast en zodoende moest ik deze zomer voor de eerste keer het bijbehorende ‘self assessment’ maken, zodat duidelijk werd op welke kennisgebieden ik voldoende scoorde en waar ik een achterstand had weg te werken. Verder moet je voortaan een reanimatiecursus met goed gevolg afronden, moet je nog steeds 75 scholingspunten kunnen aantonen (minimaal 50 L (‘lactation’) en 5 E (‘ethics’) en maximaal 20 R (‘related’)), én moet je zo nodig een overtuigende urenverantwoording kunnen overleggen. Collega’s lieten geruststellend weten dat je weliswaar alles op orde moet hebben, maar dat er alleen steekproefsgewijs naar ‘bewijs’ wordt gevraagd. Ik rekende alles uit, diende op 13 juli mijn recertificeringsaanvraag in en tikte een paar honderd euro af. Een paar uur wachten en dan zou de website melden dat ik weer vijf jaar verder mag.

Dat laatste liet op zich wachten… niet een paar uur, maar dagen- en dagenlang. Inmiddels was ik een week weg voor een retraite op een plek die met mijn kindertijd verbonden is. Ik had het nodig en het heeft me goed gedaan. Ik bleef echter mail checken en halverwege mijn week had ik bericht: “Dankjewel voor het indienen van je aanvraag. Je bent uitgekozen voor een steekproef; we zien je documenten graag tegemoet! Denk eraan: te laat insturen betekent het einde van je certificering.”

Ai, ai, ai… het uitblijven van snel bericht had me dit al doen vermoeden… en ook wel wat doen vrezen. Nu moest ik heel veel bijlages verzamelen en aantonen dat ik die lettertjes echt nog waard ben.
Assessment: check. Reanimatiecursus: check. Bijscholingspunten: check, ruime check – meer scholing gevolgd dan ik dacht! Maar dat ene onderdeel, die urenverantwoording… daar zag ik tegenop. Mijn grove schatting vooraf had nu meer detail nodig. Een zeer druk masterjaar voor mijn studie, een jaar bestuurswerk met slechts beperkt tijd voor consulten, om allerlei redenen herbronnen na dat bestuursjaar, focus verschoven naar meer biopsychosociale aspecten van de vroege kindertijd… zou ik aan het vereiste aantal lactatiekundige uren komen?

Ik ging in gedachten terug naar wat ik de voorgaande vijf jaren aan activiteiten had ontplooid. Ik realiseerde me dat ik naast de consulten hard had gewerkt aan de grondige herziening van het beroepsprofiel. Ik had daarvan bovendien een in het Engels vertaalde, stevig onderbouwde versie gemaakt voor de Europese lactatiekundige organisatie. Daarnaast had ik een evidence-based essay geschreven in reactie op een conceptrichtlijn over de ouder-kindrelatie en de rol van borstvoeding en veilige hechting daarin. Ik had de Nederlandse vertaling van James McKenna’s tweede, dikke boek gemaakt en gepubliceerd gekregen bij een grote Nederlandse uitgever. Ik had voor ACE Aware NL allemaal trainingen en cursussen gevolgd en eindeloos veel boeken en artikelen gelezen die me meer en meer inzicht gaven in waarom het in de kraamperiode vaak zo moeilijk gaat voor moeders, waarom hun baringen lang niet altijd vlot verlopen en ze vervolgens tobben met borstvoedingsproblemen. Al deze dingen hadden me echter geen CERP’s opgeleverd, de door de internationale lactatiekundigenorganisatie geaccrediteerde scholingspunten. Nu ik zowel mijn uren als mijn CERP’s moest aantonen, werd ik me ervan bewust dat het referentiekader eigenlijk nogal smal is. Die R-categorie… daarin mocht ik maar 20 punten opgeven, terwijl veel van wat mij nu een veel betere lactatiekundige maakt dan vroeger, precies in die of in geen enkele categorie valt.

Het uitwerken van mijn uren en mijn CERP’s, het plaatsen ervan in precies het juiste rijtje… ik werd er wat opstandig van, maar vooral ook verdrietig. Opnieuw besefte ik hoe ver we nog zijn verwijderd van een traumasensitieve benadering, van een holistische in plaats van een gefragmenteerde, reductionistische aanpak van gezondheidsproblemen. Een moeder en een baby die samen de borstvoedingsrelatie niet soepel aan de loop krijgen… daar is vrijwel altijd veel meer aan de hand dan ‘alleen maar’ een lactatiekundig, ‘technisch’ knelpunt. Natuurlijk moet het aanleggen onder de loep worden genomen; natuurlijk moeten anatomische of neurologische problemen bij de baby worden uitgesloten. En vanzelfsprekend moet je kijken hoe al bestaande medische problemen binnen de borstvoedingsrelatie een plaats hebben, maar… vanuit een traumasensitieve benadering weet je dat zelfs al déze zaken mogelijk (en heel vaak zelfs waarschijnlijk) veel dieperliggende wortels hebben.

Er is nog steeds veel aarzeling om deze trauma-aspecten erbij te betrekken. En er is ook vaak veel angst om het hierover te hebben met cliënten: kunnen ze dat wel aan, willen ze daarover wel praten, is het niet brutaal daarover te beginnen? Dan is het goed te bedenken dat als er zulke vragen opkomen, die vaak een spiegel zijn voor je eigen pijn, voor je eigen triggers en je eigen overlevingsstrategieën. Wanneer je de competenties ontwikkelt die nodig zijn om het kwetsbare, intens persoonlijke gesprek met de cliënt op een veilige, constructieve, compassievolle manier aan te gaan, dan ontstaat er een wonderschone diepgang in de consulten. Dan ontstaat er een ontroerende verbinding, omdat de cliënt de veiligheid voelt om de verbinding met het diepste Zelf te herstellen. Wat een eer, om daarbij aanwezig te mogen zijn en er een bijdrage aan te mogen leveren… over hoogkwalitatieve zorg gesproken!

Ze hadden elders in Europa een paar dagen nodig om al mijn bijlages te bestuderen, maar het is gelukt: afgelopen maandag kreeg ik bericht dat ik tot december 2028 weer gerecertificeerd ben – hoera!
Vrij baan, dus, voor de verdere ontwikkeling van traumasensitieve lactatiekundige consulten!

Feiten versus gevoelens – gastblog door Janis Isaman; Deel 2

Vorige week lazen we de eerste helft van het blog van Janis Isaman, Marianne’s Compassionate Inquiry-collega, en hoe zij haar opleidingsjaar met deze psychotherapeutische aanpak van Gabor Maté heeft ervaren. In de eerste helft maakte ze onderscheid tussen het verhaal dat we onszelf vertellen (de feiten) en de emoties die bij een ervaring horen (het voelen). In deze tweede helft duikt ze dieper in de lichamelijke ervaringen, op wat er in ons gebeurt. Het blog van Janis verscheen oorspronkelijk op de website Elephant Journal, waar Nicole Cameron de hoofdredacteur is.

//////

Als we ons concentreren op het verhaal, hoeven we niet te onderzoeken wat er in onze binnenwereld is gebeurd. Verhalen en feiten zijn extern. Gevoelens en sensaties zijn intern.
Wanneer we ons verbinden met het somatische, dat vervolgens koppelen aan een emotie en alles hardop identificeren, nemen we verantwoordelijkheid voor de gebeurtenissen binnen in ons, in plaats van te focussen op de (vaak discutabele) feiten van wat er is gebeurd.
Dan worden we weggetrokken van het leven als een rechtbankzitting en bewegen we richting onze ervaringen die verbindend, kwetsbaar en helend zijn.
Een van de meest bewuste en authentieke dingen die we voor onszelf kunnen doen, is de fysieke gewaarwordingen in ons lichaam opmerken en benoemen. Als ik terugdenkt aan momenten van vreugde, liefde, woede en totale wanorde in mijn leven, kan ik me precies de lichamelijke sensaties herinneren die een foto nooit zou kunnen vastleggen.
De details van ons lichaam zijn belangrijk, en we kunnen de hoeveelheid en intensiteit beoordelen en bepalen hoeveel we kunnen verdragen. Misschien is het: “Ik merk mijn lichaam op” of “Ik merk een warm gevoel.” De kans is aanwezig dat we details, toon en specifieke elementen kunnen toevoegen.

 

De laatste keer dat ik werd getriggerd, was door de intonatie van een stem. Mijn maag balde zich samen, alsof er een vuist in mijn buik was gestoken die nu alles samenkneep. Daarbovenop werd mijn borstkas week, alsof er diep van binnen diepe krassen in werden aangebracht waardoor alles rauw en heet dreigde te worden. Mijn keel werd op onverklaarbare wijze dichtgeknepen, bijna alsof ik kotsmisselijk werd; mijn stembanden vernauwden zich en er bouwde zich in mijn keel een brok op die alles overstemde.

Ik sprak met strenge stem: “Let alsjeblieft op je toon. Die maakt me bang.”
En ik merkte dat ik angst voelde.
De angst was oud, heel anders dan de jonge stem die naast me zat en die de woorden uitsprak waardoor mijn lichaam ontspoorde.
Net als met mijn vriend aan de telefoon, voelde mijn lichaam aan als van een kind van twee.
Tijdens mijn studiejaar oefende ik alle vaardigheden keer op keer op keer en leerde ik langzaamaan dat dit betekende dat ik werd getriggerd.

Op dat punt aanbeland kunnen we beginnen te begrijpen hoe de combinaties van lichamelijke gewaarwordingen en emoties hebben geleid tot ons vroegste geloofssysteem:
Ik ben niet goed genoeg. Ik ben niet lief. Ik ben een mislukking. Ik ben een slecht persoon.

Wanneer we gewaarwordingen en gevoelens hebben die leiden tot deze percepties van schaamte en onwaardigheid, is onze copingstrategie om terug te gaan naar de feiten.
Mijn strategie was: ‘Vertel het verhaal. Bewijs dat je gelijk hebt. Breng de ander in diskrediet.’
In het jaar van mijn studie was het werk echter niet intellectueel, hoewel de gebruikelijke lezingen en literatuurlijst zeker niet ontbraken. De maandelijkse online ontmoetingen en wekelijkse oefeningen met mijn collega’s vereisten dat ik me keer op keer moest terugtrekken in mijn lichaam. Ik heb honderden oefensessies gedaan.
Soms kon ik niet in mijn lichaam keren. Soms was het ondraaglijk en dissocieerde ik. Soms kon ik nuance toevoegen en bij het gevoel blijven totdat het verdween als opvliegend vuurwerk of als een heteluchtballon die van me weg zweefde en die ik nog steeds wilde vasthouden.
En toen studeerde ik af.
In de pauze waarin ik even geen informatie hoefde op te nemen en geen officiële oefensessies had, kon ik in mijn eentje oefenen.

Inmiddels is mijn lichaam het enige deel van het verhaal geworden dat ertoe doet. Wat er in mij gebeurt, staat buiten kijf, ongeacht wat iemand anders zegt of doet. Ik vertel kortere verhalen en besteed meer tijd aan wat mijn lichaam meedeelt.
Ik kan sensaties in een oogwenk opmerken en benoemen.
Ik kan identificeren wanneer ik getriggerd word en ik kan er verantwoordelijkheid voor nemen.

Deze ogenschijnlijk eenvoudige vragen vergden een jaar oefenen en nog een jaar integratie. En het zijn de meest diepgaande lessen van mijn leven.
Hetzelfde gesprek dat ik eerder met een vriend had, zou tegenwoordig niet op dezelfde manier eindigen. Nu zou ik willen aangeven hoe de leegte in mijn maag en de angst die ik voel me herinneren aan hoe ik een klein kind op een driewieler was.

//////

Een klein kind op een driewieler… we kunnen Janis bijna zien. De meesten van ons zullen zich een fietser van twee of drie jaar vol verwondering kunnen voorstellen; we hebben misschien kinderen van die leeftijd of kleinkinderen, nichtjes, neefjes, buurkinderen, kleuters in onze klas. Het zou niet zo moeilijk moeten zijn om te begrijpen dat de wereld voor zulke kleintjes een heel andere plek is dan voor een volwassene. Als volwassene hebben we zoveel meer opties om ons leven in eigen handen te nemen. We kunnen verhuizen als het huis vreselijk is; we kunnen onze dagelijkse omgeving veranderen als de sfeer akelig is; we kunnen de banden verbreken als we ons onrechtvaardig behandeld voelen. Dit zijn allemaal opties die een jong kind niet ter beschikking staan.

En over rechtvaardigheid gesproken… Janis benoemt ‘het leven als een rechtbankzitting’. Dat is een mooi toepasbaar beeld, want het impliceert ook de aanwezigheid van rechters. Rechters luisteren naar de feiten, naar de verhalen, en op basis van die feiten oordelen ze. In persoonlijke ervaringen en interpersoonlijke relaties zijn oordelen meestal de dingen die de onrust niet oplossen, maar eerder veroorzaken en verergeren.

Anderen beoordelen, onszelf beoordelen… meestal komt er niet zo veel goeds uit voort, maar voor de meesten van ons is het erg moeilijk om door het leven te gaan zonder een oordeel te vellen over anderen of over onszelf. Dat komt voor een groot deel doordat het onmogelijk is om alle ‘feiten’ op een rijtje te krijgen. Kunnen we het emotionele leven van de ander echt goed genoeg kennen om hun reactie of gedrag te begrijpen? Is het werkelijk, feitelijk waar wat we ons brein over onszelf laten geloven? En hoe komt het dat we over onszelf vaak een nog harder oordeel hebben dan over een ander?

Zoals Gabor Maté de Boeddha vaak citeert: “Met onze geest creëren we de wereld.” Wat wij beschouwen als een reactie op de feiten, is vaak vooral onze perceptie of onze interpretatie van die ‘feiten’. En waarom is dat? Dat is omdat vóórdat we met onze geest de wereld creëren, de wereld onze geest creëert, zoals Gabor het citaat meestal vervolgt. Ons dagelijks leven, de sociale omgeving waarin we opgroeien, is de grootste factor in de vorming van ons brein en onze stressregulatie. Al voor de geboorte dringt het stressniveau van onze moeder letterlijk onze baarmoederwereld binnen, via de navelstreng. Als ze een zwaar leven heeft terwijl ze ons draagt, zullen we fysiologisch voorbereid zijn op een harde wereld. Als de eerste jaren van ons leven gevuld zijn met toxische stress en ACE’s, zullen we kenmerken en gedragingen ontwikkelen die ons proberen te helpen overleven in een vijandige omgeving. Dat is allemaal volkomen logisch; zoals Gabor zegt: “Het is een normale reactie op een abnormale omstandigheid.”

Zoals het blog van Janis prachtig illustreert: we doen er goed aan ons in te spannen om onze kleintjes een leefomgeving te bieden waar hun emoties welkom zijn, waar ze gezien en gehoord, omarmd en geaccepteerd worden. Hoe meer acceptatie het kind voelt voor oprechte emoties, hoe gemakkelijker het zal zijn om zichzelf te reguleren. Het veilig kunnen uiten van emoties betekent dat ze niet onderdrukt hoeven te worden. Het onderdrukken van emoties is vermoeiend; het zal ons uitputten en ons vaak op de een of andere manier ziek maken. En ook al zijn we nog niet aanbeland in het ziektestadium (dat Gabor omschrijft als ‘lijdend richting waarheid’)… het is een pittige opdracht om de verbinding met al die emoties te herstellen als we eenmaal gewoontes en persoonlijkheden hebben opgebouwd rond het onderdrukken ervan.

Het is eenvoudig voor me om te herkennen waarover Janis spreekt; ook ik heb een tweewekelijkse sessie met mijn groep van achttien studenten, een wekelijkse sessie met mijn trio’s, meerdere Zoom-calls en begeleide workshops elke maand, heel veel video’s om te bekijken en te verwerken, en vooral… een bijna krankzinnige hoeveelheid introspectie 25/7 om alle verschillende draden van emoties, triggers, percepties, overtuigingen, persoonlijkheidsdelen, concepten, teleurstellingen, kenmerken en lichamelijke ervaringen te ontwarren. Net als Janis geniet ik er echter ook enorm van om in een gemeenschap te zijn waar ik “de meest diepgaande lessen van mijn leven” kan opdoen.

Feiten versus gevoelens – gastblog door Janis Isaman; Deel 1

Voor de trouwe lezers van onze blog zal het geen verrassing zijn dat we grote fans zijn van het werk van Gabor Maté. Marianne is sinds februari dit jaar Compassionate Inquiry-student (CI) in de professionele training, nadat ze vorig jaar de korte cursus had gedaan. Nu ze midden in het leerproces zit, heeft ze regelmatig contact met andere CI-studenten die vertellen over hun ervaringen en de impact van de training en de benadering op hun persoonlijke ontwikkeling.
Vorige week werd er een blog gedeeld door een van de studenten, Janis Isaman, op de website Elephant Journal, waar Nicole Cameron de hoofdredacteur is. Met toestemming van Janis delen we de tekst hier. We beginnen met de eerste helft en voegen aan het einde wat overwegingen toe; volgende week delen we de tweede helft.

>>>>>>

Feiten versus Gevoelens: wat ik heb geleerd van een jaar studeren bij Dr. Gabor Maté

Ik hoorde mezelf zeggen: “Het voelt alsof ik twee ben.”

Mijn keel was droog en ik voelde een hittekolom in mijn borst. Een golf van inwendige druk snelde naar mijn oren en creëerde het gevoel dat die moesten ploppen, alsof ik in een vliegtuig zat. De diepe leegte in mijn maag leek mijn lichaam op te slokken.
Ik zat aan de telefoon met een vriend die me net had verteld dat hij niet beschikbaar was om te praten.
Ik kan me niet herinneren wat ik nog meer zei, aangezien de gewaarwordingen van mijn lichaam me helemaal verzwolgen. Ik bracht de hele volgende dag door met beoordelen, analyseren en me zorgen maken. Ik begreep niet dat ik werd getriggerd.
Dat zou echter helemaal veranderen toen ik begon aan de professionele jaartraining bij Dr. Gabor Maté.

Een van de belangrijkste dingen die ik tijdens mijn opleiding heb geleerd, is dit:
Het verhaal doet er niet toe.

Onze cultuur leert ons verhalen te vertellen. Als iemand ons pijn doet, vertalen we de gebeurtenissen naar tekst, zelfs als we ze hardop uitspreken: “en toen zei hij,” “en wat gebeurde er”, “en dan, ik bedoel, je gelooft dit niet…”
Meestal veranderen we ons leven in wetenschappelijke dagboeken van details en feiten en gebeurtenissen, waarvan een groot deel wordt gefilterd door de lens om te bewijzen dat we gelijk hebben of om onszelf te verdedigen, zodat we correcter kunnen zijn dan de andere persoon.
Ik begreep niet visceraal dat verhalen geen feiten zijn. En dat percepties van wat er is gebeurd geen gevoelens zijn.
Percepties zijn interpretaties en het vertellen van verhalen vereist dat we geen verantwoordelijkheid nemen voor onze coping-mechanismen of triggers.
Met Compassionate Inquiry, de therapeutische benadering van Dr. Maté, leerde ik mijn emotionele ervaring te benaderen alsof het een doktersbezoek was. Ik oefende met het analyseren van mezelf en mijn ervaringen door middel van de gewaarwordingen in mijn lichaam in plaats van in mijn brein.

 

Ik leerde mezelf belangrijke vragen te stellen, zoals:

>> Wat gebeurt er voor mij?

>> Hoe voelt mijn huid aan? Welke sensaties zijn er aanwezig in mijn buik? Mijn borstkas? Mijn ruggengraat? Mijn rug? Mijn nek? Mijn gezicht?

>> Voel ik een temperatuurverandering? Waar zit die sensatie? En wat is het sentiment? Brandt het? Schroeit het?

>> Wat is het gevoel dat ik ervaar? En tot slot: wat voor betekenis geef ik aan wat het zegt over mijzelf? Hoe oud is deze herinnering? Hoe oud ben ik?

Deze verbazingwekkend eenvoudige vragen, deze benadering, veranderden de wijze waarop ik omga met mezelf, met mijn lichamelijke gewaarwordingen, mijn emotionele ervaringen en mijn triggers.
Ik ben, zoals velen van mijn leeftijd, opgevoed met de opdracht mijn emoties af te zwakken. Intelligentie en rationeel denken waren de beste instrumenten om in de gunst te blijven.
Ik herinner me dat ik schreeuwde toen een spin op me klom. Ik zat op mijn driewieler op het pad achter ons huis. De langpootspin kietelde mijn linkerbeen, maar toen ik naar beneden keek, leek het beest een enorme oppervlakte van mijn been in beslag te nemen.
Angst overviel me en ik verstijfde, terwijl ik voelde en keek naar de in mijn beleving gigantische spin die zich een weg baande naar mijn bovenlijf. Ik begon te schreeuwen – bloedstollend.
Mijn vader liet aan de andere kant van het erf zijn gereedschap vallen en rende naar me toe. Toen hij ontdekte dat het maa
er een spin was, blies hij hem eraf en zei hij tegen me: “Het is maar een spin. Maak de volgende keer niet zoveel lawaai.”
Hij vroeg me nooit waarom ik schreeuwde of wat er in mijn lichaam gebeurde. Hij heeft nooit bevestigd dat veel mensen bang zijn voor spinnen, vooral kinderen.
Hij erkende nooit mijn angst.

 

Toen ik drie was, leerde ik dus al om ervoor te zorgen dat mijn emotionele reactie nooit groter was dan het verhaal zelf, met als doel anderen gunstig te stemmen en te overleven door middel van genegenheid, eten en onderdak.
Ik werd een begenadigd verhalenverteller. Woorden en precisie waren belangrijk voor mij. Een enkele gebeurtenis tijdens een uitgaansavond was gespreksstof voor tientallen minuten of bijna uren praten tijdens een drankje.
Ik volgde schrijflessen en raakte geobsedeerd door permanente educatie. Feiten. Certificeringen. De stevigheid van het geschreven of gesproken woord hield mij in haar greep, omdat het de manier was waarop ik toegang kon krijgen tot mijn ervaringen en contact kon maken met anderen.

Niemand had me ooit verteld dat het verhaal er niet toe deed.

>>>>>>

Het verhaal… een fascinerende manier om te kijken naar wat er gebeurt.
Janis vertelt hoe haar vader niet in staat was om zich in haar te verplaatsen en echt te herkennen en te erkennen wat haar emotie was, hoe bang ze was door wat ze zag als een enorm dier dat op haar lichaam kroop. Hij concentreerde zich op het verhaal, op de feiten van wat er gebeurde vanuit zijn perspectief, dat heel anders was dan het perspectief van zijn dochter en haar gevoelens. Janis brengt hiermee een cruciaal punt naar voren. Het kleine driejarige meisje van toen, was volledig afhankelijk van de zorg en troost van haar ouders. Om de wereld te begrijpen en te leren zichzelf te reguleren, was het nodig dat ze zich welkom voelde met al haar emoties, zoals woede, schaamte, vreugde, verdriet en in dit geval angst. Als er ruimte is voor alle emoties van het kind, zal het kind ervaren dat de wereld een veilige plek is en dat een gebeurtenis met grote emoties draaglijk is: ‘name it to tame it’ – benoem het om het te temmen. Als dat leerproces goed verloopt, worden emotionele toestanden iets van voorbijgaande aard. Ze kunnen intens zijn, maar ze gaan voorbij.

Als het kind bij schokkende gebeurtenissen geen kalme en stabiele veiligheid ervaart van gereguleerde volwassenen (soms ‘bufferende bescherming’ genoemd), raken de emotionele toestanden die slechts tijdelijk horen te zijn, ingebed in het lichaam en het wezen van het kind. Dit wordt soms omschreven als ‘states become traits’ – toestanden worden eigenschappen. Als we ons vaak onveilig voelen op een leeftijd waarop ons brein zich nog volop aan het ontwikkelen is, kunnen we mentale basisinstellingen creëren zoals (maar niet beperkt tot) alertheid, wantrouwen, teruggetrokkenheid of agressie. Deze ontstaan om ons te beschermen. Als we ons niet veilig voelen om al onze emoties te uiten, omdat ze niet worden opgemerkt door onze primaire verzorgers of omdat ze worden afgedaan als ‘overreageren’, vinden we andere manieren om met lastige situaties om te gaan. Onze drang tot overleving kan leiden tot gedragingen die er opnieuw op zijn gericht om onder allerlei omstandigheden onze veiligheid te waarborgen, maar die op de lange termijn schadelijk zijn. We kunnen geneigd zijn anderen te pleasen, zodat ze vriendelijk blijven en niet vijandig worden (wat onze veiligheid zou bedreigen). We kunnen onbewust besluiten dat de behoeften en opvattingen van anderen voorrang hebben op die van onszelf. Dat kan leiden tot de overtuiging dat het tonen van authenticiteit zowel riskant als arrogant is (wat wederom onze veiligheid in zou bedreigen). En hoe functioneel en beschermend dit alles ook mag zijn als we afhankelijke kinderen zijn, later wordt het meestal disfunctioneel en wordt het een hindernis in het streven naar soepele interacties met anderen, naar het genieten van uitdagingen, naar het gevoel van vreugde en vertrouwen in de wereld.

Volgende week lezen we de tweede helft van Janis’ ervaring, waarin ze zich richt op de lichamelijke gewaarwordingen.

Scholing jeugdgezondheidszorg: welk belang staat centraal?

Onlangs had ik een uitwisseling met een lactatiekundige collega over een scholing die ze binnenkort zal volgen. Ze berichtte mij over het feit dat ze zich ongelooflijk naar had gevoeld over wat ze in de voorbereiding had gelezen. Ze had het gevoel dat daarin het belang van de baby ondergeschikt was aan het belang van de volwassenen. Dat sluit aan bij het concept Adult Supremacy, waarover we hier al eerder uitgebreid schreven. Graag geef ik een indruk van wat we bespraken.

C(ollega): Zojuist las ik stof voor een webinar dat ik ga volgen; daarin kwam van alles voorbij dat mij de wenkbrauwen deed fronsen. Het ging over een bepaald probleem in de borstvoedingsrelatie en wat ik me bij de meeste onderwerpen sterk afvroeg, was: ‘Wie heeft het probleem en wie moet zich hier aanpassen: de volwassene/ouders, of het kind? Hoe kijken we daarnaar in onze cultuur? Wie is in staat en heeft de verantwoordelijkheid om een probleem empathisch te benaderen – het pasgeboren of jonge kind, of de volwassene?’ Een andere vraag die opkwam, is: ‘Is het ethisch verantwoord om kinderen te dwingen tot iets wat qua ontwikkeling niet besloten ligt in hun evolutionaire aard, hun biologische blauwdruk, en dat er vooral op is gericht om het volwassen belang te behartigen? Geef je de baby daarmee niet de boodschap dat die niet goed is zoals ‘ie is?’ In de voorbereidende literatuur werd genoemd dat een derde van alle zuigelingen niet zomaar vanzelf aan de borst gaat. Hoe moet ik dat begrijpen…? Is de stelling dat zo’n 30% van de kinderen van nature geneigd is zichzelf uit te hongeren door niet aan de borst te gaan…? Anders gezegd: is niet aan de borst gaan natuurlijk gedrag of is dat het gevolg van hoe we met situaties omgaan? Als klap op de vuurpijl werd voorgesteld om een kind zo nodig 24-48 uur de borst niet aan te bieden om zo bepaald ander gedrag af te dwingen. Daarmee zeg je volgens mij eigenlijk tegen de volledig afhankelijke baby: ‘Als je niet doet wat wij willen, dan straffen we je.’ Ik was zó boos… ik ervaar dit als psychologische marteling van het kind. Dat zijn zware woorden – dat realiseer ik me, maar met de kennis die ik heb, voelen ze als gepast.

M(arianne): Oh, dat klinkt heel heftig…

C: Ja, dat was het ook… Soms word ik zó moe van dit soort opvattingen, die ik nog veel te vaak voorbij zie komen… Hoe komt het toch, dat de maatschappij zo langzaam verandert en kinderen daarmee zo ongelooflijk in de steek laat?

M: Ja, dat is een enorm groot probleem, inderdaad… Doe je hier iets mee? Geef je er ergens op een professionele, constructieve wijze uiting aan? Schrijf je erover?

C: Ik vind dat lastig. Ik zie ook dat het in feite om twee werkvelden gaat, namelijk enerzijds anatomie en fysiologie en de impact daarvan op de borstvoedingsrelatie, en anderzijds de psychologie van (op)voedingsvisies en de impact daarvan op het kind. Dat is het lastige ervan.

M: Hmmm… tsja… maar als je er holistisch naar kijkt, dan bestaan er geen verschillende werkvelden rondom het kind. Dan praten we alleen maar over het nieuwe mensje dat op allerlei manieren behoeften heeft, waaraan idealiter door de ouders/verzorgers/samenleving goed tegemoet wordt gekomen. Dat is helaas nog heel vaak niet het geval. Die eenheid lijkt me de kern te moeten zijn van alles wat we doen in de zorg voor kinderen.

C: Ja, daar ben ik het volledig mee eens. Ik ben alleen bang dat degenen die het webinar verzorgen, er zo niet naar kijken. En waarschijnlijk gebeurt dat niet eens bewust op die manier. Daarom heb ik een aantal vragen gesteld hierover, ten behoeve van de bewustwording. Dat roept alleen ook de vraag op voor wie wij er zijn als lactatiekundigen: voor de behoeften van de ouders (met als gevolg dat er vaak wordt gepoogd te ‘sleutelen’ aan het kind) of ter ondersteuning van de ouders, maar met het perspectief en de behoeften van het kind als basaal uitgangspunt?

M: Ook daarover lopen de meningen waarschijnlijk uiteen… 😉 Persoonlijk vind ik het nooit okay om het kindperspectief terzijde te schuiven, in welke rol dan ook! En natuurlijk gaat het dan vooral om aandacht voor de relatie tussen het kind en de primaire verzorgers, wat meestal de ouders zijn. Ik denk alleen dat de kindgerichtheid in heel veel settings nog niet zo krachtig is als ze zou mogen zijn.

C: Nee, dat denk ik ook en dan is dus de vraag hoe je béide behoeften goed in beeld kunt krijgen en kunt bevredigen. Omdat het zo belangrijk is dat bepaalde behoeften in de kindertijd worden vervuld, vind ik dat het kindbelang het verdient om leidend te zijn. Tegelijkertijd vraagt de samenleving zó veel van mensen dat persoonlijke wensen en keuzes vaak haaks staan op de maatschappelijke ‘eisen’. Daardoor staat de dagelijkse praktijk vaak haaks op de behoeften van kinderen. Dat is een ernstige constatering, maar wél een ware.

M: Absoluut, helemaal mee eens! Hoe we de samenleving inrichten, is van zo grote invloed op het ouderschap! Heb je ‘De mythe van normaal’ van Gabor Maté al gelezen…? Er hoeft niet per se een conflict te zijn tussen het welzijn van de ouders en dat van het kind. Als de ouders eerst maar met compassie kunnen (leren) kijken naar wat ze zelf hebben gemist en waar ze pijn hebben opgelopen… dat zou al zóveel helpen!

C: Oh ja, en dat is precies het allermoeilijkst. Ik heb echt geprobeerd mijn kinderen op te voeden met kindgerichte benaderingen, maar toch heb ik daarin ook veel fouten gemaakt. Dat is een constatering; ik heb er geen schuldgevoel over, maar het doet me wel verdriet. Het gevolg is namelijk deels dat één van mijn kinderen met grote psychische problemen worstelt. Je kunt nooit weten hoe het anders zou zijn gelopen, maar het houdt me wel bezig. Gelukkig gaat het met de andere kinderen goed.

M: Ja, ik herken wat je noemt. Tegelijkertijd is het ook belangrijk om onze kinderen niet te bekijken en te benaderen als ‘het resultaat van onze eigen fouten’. Het is voor niemand fijn om zo te worden gezien. De meeste ouders doen naar vermogen het beste voor hun kinderen. Wat we kunnen vaststellen, is dat veel ouders vermogen missen en daar zijn allerlei redenen voor, onder andere een kennisgebrek over de invloed van vroege ervaringen op het latere leven. Belangrijk, dus, om te zorgen dat dat ouderlijke vermogen zich zo goed mogelijk kan ontwikkelen, zodat ouders een goed begrip hebben van hoe ze hun kind liefdevol kunnen begeleiden naar volwassenheid. Wanneer ouders het aandurven en aankunnen om te onderzoeken wat ze in hun eigen kindertijd hebben gemist (zo nodig met wat therapeutische ondersteuning), helpt dat meestal enorm om te begrijpen waarom sommige dingen in het leven zo moeilijk zijn. Als ze dat al vóór de geboorte van het eerste kind doen, is dat natuurlijk helemaal mooi, maar het is nooit te laat om je inzicht te vergroten. Begrijpen wat het verschil is tussen enerzijds impulsief reageren vanuit een trigger en anderzijds intuïtief antwoorden vanuit bewustzijn, is de essentie. Daarvoor moet je die eigen triggers durven aankijken, net als de explosieve lading die eronder ligt. Dat is een grote, maar cruciale opdracht voor volwassenen.

We spraken nog wat verder over de details van wat ze had gelezen. Ik ken deze collega als een zeer betrokken lactatiekundige. Ik vond het mooi om te horen dat ze zoveel weerstand voelde tegen de kindonvriendelijke suggesties en dat ze de vraag over de machtsrelatie voelde opborrelen. Wat ik betreurde was dat lactatiekundigen (en trouwens ook andere zorgverleners) anno 2023 nog steeds dit soort adviezen krijgen aangereikt. Vanuit de neurofysiologie en de interpersoonlijke biologie weten we inmiddels zo ongelooflijk veel over de impact van het verbreken van de verbinding met het kind op de hersenontwikkeling. Negeren, dreigen, verwaarlozen, straffen, intimideren… ze laten diepe sporen na in het stresslandschap van het lichaam. Ze zijn volstrekt niet traumasensitief en doen geen recht aan de volledige afhankelijkheid en behoefte aan authenticiteit van het kind. Dergelijke praktijken horen, gezien de stand van de wetenschap, niet (meer) thuis in de advisering voor de jeugdgezondheidszorg.
Ik hoop dat de collega bevredigende antwoorden krijgt op de vragen die ze heeft gesteld en dat ze hoe dan ook moed houdt om in haar eigen werk de kindgerichtheid centraal te stellen. Haar kennende heb ik daar alle vertrouwen in!