Trauma, triggers, en je grenzen bewaken, Deel 1

Het overheerlijke toetje was op; het feest liep ten einde, toen ze op me afkwam en me met een dubbele tong toesprak: “Je zei een paar dingen die me niet bevielen…” Ze aarzelde, richtte zich tot de man naast me met de vraag hun gedeelde eigen taal om te zetten naar woorden die ze in het Engels zelf niet kon vinden en vervolgde: “Ik vond het niet okay, maaarrr…” Ze pauzeerde en maakte een weids gebaar met haar rechter arm: “Ik vergééf je. Echt, ik vergeef je!” Ze zocht mijn ogen en wachtte op hoe ik haar woorden in ontvangst zou nemen. Ze keek verwachtingsvol en leek op mijn dankbaarheid te rekenen. Ik was perplex en zei: “Okay…?” Ik had geen idee hoe het verder zou gaan en wat er nog meer zou komen. “Dus!” Haar stem streefde naar vastberadenheid, maar de dubbele tong en lange uithalen bleven: “Dus! Ik hou van je en ik wil je een knuffel geven!” Ze pakte me beet, me min of meer dwingend om op te staan en haar knuffel in ontvangst te nemen. Ik was overdonderd en vond het raar wat ze deed, zeer impertinent bovendien. Ik had helemaal geen zin in een beschonken knuffel van haar en ik zat evenmin te wachten op haar vergiffenis, maar dat zei ik niet. Ik glimlachte en stond als aan de grond genageld.

In een flits dacht ik terug aan de dag ervoor. Ze had bij mij in de rij gezeten in het publiek, ik op de derde stoel vanaf de zijkant, zij op de vijfde, en ze had zich met klem aan me voorgesteld. Na de pauze kwam ze te laat terug (de spreker was alweer van start gegaan) en wurmde ze zich tussen onze stoelen en de rij voor ons door. De ruimte was beperkt, gevuld met neergezette handtassen, rugzakken en goodie bags. Op de over elkaar geslagen benen rustten notitieblokken waarin aantekeningen werden gemaakt over vroegkinderlijk trauma, compassie, heling en zelfreflectie. Ze ging zitten en keek met een frons om zich heen. Ze nam royaal plek in en zat, anders dan in het eerste deel van de ochtend, wat bekneld. In de pauze was er namelijk een stoel aan de rij toegevoegd. Ik had de organisatie laten weten dat mijn collega helaas verlaat was en bij aankomst waarschijnlijk graag naast me zou willen zitten. Ik vroeg hoe we dat zouden kunnen regelen en de organisatiedame liep met me mee naar voren. Ze keek, liep naar achteren, kwam met een extra stoel terug en herschikte de rij een beetje. Ik was haar, omwille van mijn collega, dankbaar voor deze praktische aanpak en hoopte dat mijn collega snel zou kunnen aanschuiven.

De stoelen waren hierdoor echter ietsje dichter op elkaar komen te staan en dat wreekte zich nu: de rijgenoot voelde dat ze minder bewegingsruimte had en raakte geïrriteerd. Rusteloos beklaagde ze zich bij deze en gene om haar heen, waaronder ik. Ik fluisterde dat het kwam door de extra stoel. De blik in haar ogen werd feller, de energie die ze uitstraalde werd heftiger. Ze draaide, wiebelde, blies, hijgde, zuchtte en kreunde en eiste toen met meer volume een oplossing. Ik werd er ongemakkelijk van; iedereen zat, net als ik, met aandacht naar de spreker te luisteren en ik ervoer de situatie als verstorend. Aangezien we op de derde rij zaten, begon ik me bovendien bezwaard te voelen richting de spreker. Ik keek opzij; de mensen naast me hadden de ogen op hem gericht. Ik wilde ze niet afleiden en zag geen kans iets te ‘organiseren’ met die stoelen. Ik keek haar aan: “Als je wat eerder was gekomen, hadden we misschien wat kunnen schuiven, maar ik zie daar nu geen mogelijkheid toe…” Dat viel verkeerd. Haar mond verstrakte; haar ogen spoten vuur en ze draaide haar hoofd van mij af.

Later op de dag stond ze ergens achter me in de rij voor het signeren door de schrijver. Vlak voordat degene voor mij aan de beurt was, werd ons verzocht terug te keren naar onze plaatsen. We besloten de volgorde van de rij te onthouden en bij de volgende signeersessie opnieuw onze beurt af te wachten. Die beurt kwam, maar de boze dame drong zich naar voren in de rij om iedereen die vanaf de zijkant instroomde voor een handtekening, weg te sturen en hun uit te leggen dat achter aansluiten de bedoeling was. Nu ze toch al vooraan stond, probeerde ze van die plek gebruik te maken om haar eigen handtekening te scoren, hoewel wij met wat anderen rustig stonden te wachten. Ik maakte haar erop attent dat ze niet meer op de juiste plek in de rij stond. Ook dat viel niet goed en na afloop van de dag wilde ze met mij het gesprek aangaan over één en ander. Ik had inmiddels besloten dat ik er geen energie in wilde steken. Een deel van de dag was gewijd geweest aan het belang van leren ‘nee’ zeggen als je een ‘nee’ voelt. Dit leek me een goede mogelijkheid om weer te oefenen, dus ik zei vriendelijk: “Ik wil het er graag bij laten.” Haar gezicht maakte duidelijk dat dat als een verrassing kwam, maar ik zei het ‘firm and gentle’, zoals iemands benadering onlangs werd gekwalificeerd.

Dit alles ging door mijn hoofd, toen ze me na haar liefdesverklaring wilde laten opstaan voor een knuffel. Ik wilde weer ‘nee’ zeggen, maar zag niet hoe ik op dit moment onder haar avances uit kon komen zonder een scène te creëren. Strikt genomen en logisch bekeken lag de oorzaak van de eventuele scène natuurlijk niet bij mij maar bij haar; desondanks voelde het ingewikkeld. Mijn gedachten tuimelden over elkaar heen: “Ik wil dit niet! Ik walg hiervan! Ik vind dit verwerpelijk. Wat kan ik doen om dit op afstand te houden, om deze totaal ongewenste intimiteit op afstand te houden, kortom… om háár op afstand te houden?” Ik wist het niet, en voordat ik er erg in had, stond ik al en had ze haar armen om me heen geslagen en zoende ze me op mijn wang. Ik was geschokt en maakte me zo snel mogelijk los uit de omhelzing. Ze lachte, wauwelde nog wat en liep beneveld weg.

Even later kwam ze terug en maakte ze opnieuw statements waarmee ik niks kon. Ze wilde bovendien met me op de foto en voordat ik me kon verzetten en een stevige tegenwerping kon maken, voordat ik iets had bedacht wat ik vriendelijk doch dringend kon zeggen, was het alweer gebeurd. Ik heb de foto niet bekeken; ik kreeg ‘m niet en ik wil ‘m niet. Ze zei nog iets in de trant van dat ze blij was me te hebben ontmoet en dat ik zo bijzonder was. Ze droop aangeschoten af, en terwijl ik napraatte met iemand anders, zag ik dat ze zichzelf met Jan en alleman op de foto zette. Mijn nieuwe gesprekspartner was degene naast wie ik de hele avond aan tafel had gezeten en met wie ik een fijn gesprek had gevoerd. Ze stelde een foto van ons samen voor. We pakten elkaar beet, leunden tegen elkaar aan en lachend en klierend maakte ze een aantal selfies, die ze me de volgende dag toestuurde.

Het was echter nog niet klaar. De dronken dame kwam een derde keer naar me toe en stak nogmaals een lofdicht op mij af en hoe het wel vervelend was allemaal, maar dat we elkaar nodig hebben in de wereld en dat ze mij wilde bedanken voor hoe ik haar en haar gedrag had gespiegeld en dat ze er wat van had geleerd waarmee ze blij was. Ik was er niet zeker van dat haar cognitieve brein op dit moment werkelijk in staat was om gedegen leerervaringen op te doen of te reproduceren, maar ook nu besloot ik het erbij te laten. Ik had hier geen verantwoordelijkheid. Wel had ik gedachten over hoe datgene wat we met z’n allen overdag te horen hadden gekregen, aansloot bij het gedrag dat ze nu liet zien… en ook bij het gedrag dat ik zelf nu liet zien door geen ‘nee’ te zeggen, getriggerd te raken en mijn grenzen niet te bewaken.

Dat laatste aspect liet me niet los. Toen ik anderhalve dag later mijn wekelijkse CI-sessie had, besloot ik deze gebeurtenis in te brengen en met mijn ‘therapeut’ te reflecteren op mijn reactie. Daarover lees je volgende week meer!

Boekbespreking ‘Ik werk al (ik krijg er alleen niet voor betaald)’ door Lynn Berger, Deel 2

Zoals in Deel 1 aangekondigd, zal ik in dit blog wat dieper ingaan op mijn bezwaren tegen een benadering waarin wordt gesteld dat de zorg voor heel jonge kinderen niet per se door vrouwen hoeft te worden gedaan, omdat mannen dat precies net zo goed kunnen. Anders gezegd: ik zal ingaan op het verschil tussen gelijkheid en gelijkwaardigheid.

Ik sprak met twee mensen over het boekje ‘Ik werk al (ik krijg er alleen niet voor betaald)’. Eén van hen zei er dit over: “In al die maatschappelijke discussies over mannen vrouwen, arm en rijk, praktisch en academisch opgeleid, schiet wat mij betreft het onderscheid tussen gelijkheid en gelijkwaardigheid ernstig tekort. Gelijkheid is in veel gevallen simpelweg niet aan de orde, en het streven ernaar dreigt in mijn ogen de unieke waarde van ieder in gevaar te brengen. In dit geval heeft dat te maken met vrouwelijkheid, niet de vrouwelijke eigenschappen waarover mannen evenzogoed kunnen bezitten, maar alleen al het vrouwenlijf, dat een bepaalde rol met zich meebrengt, in dit geval gericht op die kleine hummeltjes.”
De ander zei dit: “Wat ik wel mis in haar boek is jouw vraag: wat wil het kind?” Iets specifieker gesteld is mijn vraag meestal: ‘Wat heeft het kind nodig?’ Dat is een wezenlijk verschil, maar ik ken de vraagsteller goed en weet dat die dat ook bedoelt.

De inhoud van deze opmerkingen was precies waarover ook ik zorgen had tijdens het lezen: wéér gaat het over wat mannen en vrouwen *willen* en nauwelijks over wat het onrijpe kind *nodig heeft*. Ik deel van harte de stelling van Berger dat ‘het kapitalisme parasiteert op onbetaalde zorgarbeid’ (p. 65). Daarnaast parasiteren we als samenleving echter met z’n allen op huidig en toekomstig welzijn van kinderen en op hun gezondheid nu en later, als we in deze welkome en belangrijke discussie andermaal vergeten te praten over wat op grond van de biologische blauwdruk en de evolutionaire erfenis hun behoeften zijn. Die behoeften moeten we echt onder ogen zien; de evidence is overweldigend.

 

De genoemde film ‘In Utero’ keek ik in het kader van het lunchwebinar van ‘Alles is Gezondheid’, dat op 16 mei 2023 plaatsvond en waarin Tessa Roseboom en Anna Verwaal aan de hand van de film vertelden over de invloed van de prenatale omstandigheden op het volwassen leven (zie ook hier). Ook daarin kwam duidelijk naar voren hoezeer het moederlichaam een onvergelijkbare rol speelt en niet zonder meer kan worden gelijkgesteld met wat een vader een pasgeboren baby te bieden heeft. Willen we een gezonde nieuwe generatie naar volwassenheid begeleiden, dan zullen we dus écht rekening moeten houden met wat onze kinderen nodig hebben. Zij zijn zonder meer ‘gebaat bij een rijke schakering aan rolmodellen opvoedstijlen en verzorgers’ (p. 71) en het is helaas ook waar dat ‘veel gezinnen helemaal geen veilige, warme of liefdevolle plek zijn om in op te groeien’ (ibid.). Dat is precies de reden dat het inderdaad ‘een collectieve verantwoordelijkheid’ is (ibid.) om de samenleving zo in te richten dat kinderen niet met toxische stress opgroeien.

Het is echter de vraag of ‘kinderopvang (…) als een basisvoorziening’ een plek is waar ‘ieder kind de kans krijgt zich zo goed mogelijk te ontwikkelen’ (p. 74). Voor sommige kinderen zal de kinderopvang inderdaad een betere plek zijn dan thuis. Als dat zo is, is dat heel verdrietig. Dat vraagt met hoge urgentie toegewijde zorg voor de ouders, zodat zij hun vaardigheden kunnen vergroten. Veelal is daarvoor traumaheling nodig. Voor veel andere kinderen zal thuis, zeker in de eerste, kwetsbare jaren waarin het kind nog zo klein en onrijp is, de allerbeste plek zijn, met name wanneer ouders stabiel en goed gereguleerd zijn en niet continu gestrest hoeven zijn over de meest basale kwesties in het leven, zoals een fatsoenlijk gehonoreerde baan, een betaalbare woning, en nutsvoorzieningen die niet ten koste hoeven gaan van de wekelijkse gezonde boodschappen.

Wanneer we vanuit een dergelijk perspectief kijken naar verdeling van arbeid, naar de strijd tussen betaald en onbetaald werk, naar de roep om financiële en maatschappelijke erkenning voor zorgarbeid in de thuisomgeving, zien we dat gezondheid en taakverdeling een sterk politiek karakter hebben en niet slechts een individuele verantwoordelijkheid zijn. Het wordt dus tijd dat we gezondheid niet langer depolitiseren door te doen alsof het uitsluitend een persoonlijke verantwoordelijkheid is. Het is jammer dat dit boekje enerzijds zo duidelijk en zo terecht de link legt tussen beleidsmatige invloeden en verdeling van arbeid, terwijl het anderzijds over het hoofd lijkt te zien dat niet alles te herverdelen valt, dat sommige taken écht beter door moeders kunnen worden gedaan en dat dat niks met gelijkheid en álles met gelijkwaardigheid te maken heeft. Ware emancipatie en ware weerstand tegen uitbuiting door het kapitalistische systeem vereisen dat we inzien dat misschien niet alles in geld is uit te drukken. Ware weerstand tegen discriminatie bestaat bovendien bij de gratie van het onderkennen van verschillen. Als iedereen gelijk is, is ‘discriminare’ (het Latijnse woord voor ‘onderscheid maken’) immers niet mogelijk.

Dat alles vergt om te beginnen dat we een bewustzijn ontwikkelen voor het gegeven dat iets niet pas waarde heeft als je er een prijskaartje aan kunt hangen. Ware emancipatie verlangt bovendien erkenning van de waarde van ongelijkheid, zonder afbreuk te doen aan gelijkwaardigheid. Er schuilt juist een intrinsieke waarde in de diversiteit van taken en vaardigheden, want die zorgt ervoor dat alles wat nodig is voor het goed laten draaien van een gezin, een lokale gemeenschap of een natie, tot stand komt. Kunnen we die unieke bijdragen zien, zonder oordeel, zonder jaloezie op wat de ander kan of doet? Kunnen we onze waardering verschuiven van ‘ego’ naar ‘eco’, van ‘wat wil ik?’ naar ‘wat heeft het kind nodig?’ Zeker, dat is een uitdaging, maar als we daarin slagen, dán zien we pas écht wat ‘werkt’. En als dat een triggerende gedachte is, dan is er persoonlijk innerlijk ‘werk’ te doen. De angst die we voelen als een ander iets mogelijk beter kan dan wijzelf, is niet aangeboren. Die angst is aangeleerd in een sociale dynamiek waarin voor die verschillen geen warm welkom was. Die kunnen we dus ook afleren.

In 3. geeft Berger vijf suggesties voor ‘een rijk, volwaardig en zorgzaam bestaan’ (p. 64):

  1. Verander de werkweek (en maak die korter of richt die anders in).
  2. Verbeter het verlof voor alle ouders (en niet slechts voor moeders).
  3. Maak van kinderopvang een basisvoorziening voor kinderen (met gratis, hoogkwalitatieve zorg).
  4. Zorg beter voor mantelzorgers (zodat zij ook goed voor zichzelf kunnen zorgen en zichtbaar wordt hoeveel hun inspanningen waard zijn, letterlijk en figuurlijk).
  5. Verander je kijk op zorg (en spreek je tegenover naasten en collega’s uit over regelingen die daaraan bijdragen, aangezien ‘presteren’ niet alleen gaat over ‘het beste uit jezelf halen’, maar ook over ‘iets bijdragen voor een ander’ (p. 80)).

Dat alles is nodig, stelt Berger, omdat ‘mensen, gezinnen, huishoudens, gemeenschappen, hele samenlevingen nergens zijn zonder het eindeloze werk dat hen onderhoudt, repareert en voortzet’ (p. 82), zonder het ‘werk dat al het andere werk mogelijk maakt’ (p. 14). Dat is een eindconclusie die ik decennia geleden al trok. Ook in mijn werk maak ik er meestal een opmerking over als moeders zeggen dat ze na de geboorte van een kind zijn ‘gestopt met werken’. Ik stel dan een alternatieve formulering voor, namelijk dat ze hun betaalde baan buitenshuis hebben opgezegd, omdat ze thuis aan het werk zijn. In dat kader voeg ik graag een zesde suggestie toe:

  1. Kies het perspectief van het kind en vraag je bij de organisatie van je dagelijks leven af: ‘Als ik mijn kind was, wat zou ik dan nodig hebben om me veilig en gezien te voelen?’

Dáár begint het, met zelfreflectie, met erkenning ook, van de pijn die we als volwassene vaak nog meedragen in ons eigen innerlijke kind. Als het bewustzijn groeit dat veel van wat we doen, een link heeft met onvervulde behoeften uit onze eigen kindertijd, wordt het gemakkelijker om te zien dat veel gedrag en behoefte aan erkenning door anderen, voortkomt uit overlevingsstrategieën. Dat is misschien een ‘uncomfortable truth’, zoals in ‘In Utero’ wordt benoemd, maar groei gaat vaak met ongemak gepaard. Laten we dat ongemak echter niet afschuiven op onze opgroeiende kinderen, maar die op volwassen wijze onder ogen zien en op onze volwassen schouders nemen. En als die draaglast te zwaar is voor de aanwezige draagkracht, mogen we hulp inroepen. Ook dat is een uiterst volwassen attitude, één die ertoe leidt dat we beter toegerust raken voor welk werk dan ook, betaald of onbetaald!

Een aantal oudere links die ook dit thema bespreken, vind je hier (Deel 1 van een serie), hier (Deel 2), hier (Deel 3) en hier (een ander blog).

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Boekbespreking ‘Ik werk al (ik krijg er alleen niet voor betaald)’ door Lynn Berger, Deel 1

Een aangenaam lange treinreis in de stiltecoupé en aansluitend een zondagavond met thee en wat lekkers… dat was de tijd die ik nodig had om het boeiende essay van Lynn Berger te lezen, dat in miniboekvorm is verschenen met de titel ‘Ik werk al (ik krijg er alleen niet voor betaald)’.  Het betoog telt een kleine 100 pagina’s op iets groter dan A6-formaat en maar liefst ruim 150 referenties. Wie verder wil lezen over het onderwerp ‘betaalde en onbetaalde arbeid’, kan dus nog even vooruit. Het is altijd een genoegen om te zien dat een betoog goed is onderbouwd.

Berger zelf spreekt in haar verantwoording van ‘een klein essay over een groot onderwerp’ (p. 85) en daar heeft ze een heel goed punt: haar lange lijst literatuurreferenties ondersteunt die stelling. Er zijn enorm veel perspectieven denkbaar van waaruit je kunt kijken naar (gebrek aan) beloning voor arbeid. Het feit dat het gebrek aan financiële en maatschappelijke waardering voor bepaalde werkzaamheden ertoe leidt dat die niet worden meegeteld in het Bruto Binnenlands Product, heeft allerlei beleidsmatige en psychosociale consequenties én oorzaken die onvoldoende worden erkend.
Overigens is het ook zo dat er, ondanks de lange lijst, nog heel veel literatuur onbenoemd is gebleven die het inzicht in heel dit onderwerp sterk zou kunnen vergroten. Daar kom ik nog op terug.

Het boekje is opgedeeld in drie delen:

  1. Het werk dat al het andere werk mogelijk maakt
  2. Deeltijdland Nederland: een kleine geschiedenis
  3. De strijd om ons levensonderhoud

In 1. krijgen we een overzicht van statistische gegevens over werk, vacatures, arbeidsverdeling tussen mannen en vrouwen, mantelzorg, overheidsuitgaven in diverse maatschappelijke sectoren en een toelichting op het spanningsveld tussen betaald en onbetaald werk. Daarmee wordt ook de discussie aangezwengeld over wat dat eigenlijk is, ‘werk’: wat verstaan we eronder? Wanneer noemen we bepaalde activiteiten ‘werk’? Het is een verademing om Berger te horen betogen dat heel veel activiteiten vanwege het feit dat ze onbetaald zijn, weliswaar niet worden gezien als werk, maar dat ze wel degelijk van onschatbare waarde zijn: ‘Zonder dit werk ís er geen economie’ (p. 18), omdat veel van deze taken werk zijn ‘dat de samenleving onderhoudt, repareert en voortzet’ (p. 14). Berger haalt een paar termen aan uit het publieke debat over onbetaald werk en zet ze tussen aanhalingstekens: ‘deeltijddecadentie’, ‘parttimeprinsesjes’, ‘participatiesamenleving’. Ze besluit dit deel met de conclusie dat zorgen óók werken is.

In 2. geeft Berger een overzicht van hoe de verdeling van arbeid door de eeuwen heen is verschoven van een thuissituatie waar álles gebeurde (huishouden, kinderen verzorgen, gewassen verbouwen, vee hoeden, levensmiddelen produceren, ambachten uitoefenen), naar geïndustrialiseerde settings die leidden tot specialisatie en opsplitsing van ‘zorgen thuis’ en ‘produceren elders’. Ze vat het zo samen: ‘Zo profiteerde het kapitalisme van onbetaald werk, zonder het te ondersteunen’ (p. 29). Vervolgens ontwikkelden zich het kostwinnersmodel en de verzorgingsstaat, beide ‘volledige gestoeld op het kerngezin waarin de man het geld verdiende en de vrouw onbetaald voor kinderen, ouderen en zieke familieleden zorgde’ (p. 30). Ze verklaart dit vanuit de achterstelling van vrouwen en de arbeid die zij door de eeuwen heel veelal verrichtten. Dit werd nog eens wettelijk aangemoedigd door vrouwen ‘handelingsonbekwaam’ te maken en ze het recht op betaalde arbeid te ontzeggen en ze te ontslaan zodra ze huwden.

Richting het einde van 2. verschijnen er thema’s in beeld waarin het voor mij begint te wringen. Zo spreekt Berger wat laatdunkend over de Nederlandse neiging om twee of drie dagen op de opvang wel voldoende te vinden voor het jonge kind. Het zou veel normaler moeten zijn, betoogt ze, om je kind daar gewoon voltijds naartoe te brengen, zodat je de handen vrij hebt voor welke arbeid dan ook, zeker ook betaalde arbeid. Ze merkt terecht op dat de emancipatie van sommige groepen vrouwen over de rug van andere vrouwen gaat, bijvoorbeeld wanneer hoogbetaalde vrouwen hulp inkopen voor het huishouden en de kinderen. Deze hulp wordt vaak geboden door slecht betaalde, zwartwerkende vrouwen (soms immigranten die elders hun eigen gezin hebben achtergelaten), die daardoor geen voorzieningen hebben en geen pensioen opbouwen (p. 46). Ze lijkt vrouwenemancipatie aan te moedigen, maar ik lees helaas geen pleidooi voor de emancipatie van de baby.

Over het bevallingsverlof zegt ze dat het vaak te kort is en eindigt op een moment waarop een moeder haar kwetsbare baby nog niet uit handen wil geven: ‘[E]n dus kiest zij voor deeltijd, om ook zelf nog een paar dagen voor de baby te kunnen zorgen’ (p. 47). En dat dat tot een beperking van het salaris van de moeder leidt, wordt aangeduid met de ‘babyboete’ (p. 48). Dat is niet haar term; daarvan ben ik me bewust, maar alles bij elkaar wordt het in mijn beleving nu wel een wat lastig verhaal, ook in combinatie met de term ‘moederschapsideologie’, ‘het geloof dat kinderen het meest baat hebben bij de toegewijde, voltijdszorg van hun moeder’ (p. 30) en de ‘vaderschapsideologie’, ‘het geloof dat de ideale vader er een is die genoeg geld verdient om een heel gezin van te kunnen onderhouden’ (p. 31). Berger zegt dat deze ideologieën hardnekkig en beperkend zijn, want ‘iedereen [komt] ter wereld met de hormonale, neurologische en psychologische mechanismen die een rol spelen bij zorg’ (p. 57). Dat mag zo zijn, maar bij de stelling dat het niets met hun aard of natuur te maken heeft dat vrouwen ‘meer, makkelijker en sneller zorgen’ (p. 58), zou ik toch een vriendelijk doch welgemeend en luid ‘Nee’ willen laten klinken. Dat baby’s hun moeder nodig hebben, is geen ideologie; dat is een biologisch gegeven.

Ik ben een warm voorstander van gelijkwaardigheid tussen mannen en vrouwen. Vanuit mijn visie vind ik het echter belangrijk om alert te zijn betreffende het verwarren van gelijkwaardigheid en gelijkheid. Mannen en vrouwen zijn niet gelijk. Het vrouwenlichaam is qua opbouw en functioneren biologisch wezenlijk anders dan het mannenlichaam. Net deze week keek ik na een aantal jaren opnieuw de film ‘In Utero’, over wat een kind in de baarmoeder ervaart (zie ook hier voor kijkopties). Dit is het veld van de pre- en perinatale psychologie en het handelt over de impact van de fysiologie van de moeder op de zich ontwikkelende foetus. Als de baby er eenmaal is, vol met imprints van het emotionele leven van de moeder, dat via geluiden en hormonen bij het ongeboren kind is terechtgekomen, gaat de baby als het goed is aan de borst. Daar worden zowel de maag van het kind als diens brein en immuunsysteem gevoed met alles wat baby’s nodig hebben om tot optimale ontwikkeling te komen. Ook dat is een zeer fijn en zorgvuldig afgestemd hormonaal proces waaraan het vaderlichaam weinig tot niets bijdraagt. (Yo, man: deal with it!) Zeker, hij beschermt moeder en kind tegen negatieve invloeden van buitenaf en ook dat is een cruciale taak. Daarmee is hij echter niet gelijk aan de moeder en de baby zal zonder de moederborst en het moederlichaam simpelweg slechter af zijn.

De vertrouwdheid van het moederlichaam, waarin de baby al maanden vertoefde, is behulpzaam bij het ontwikkelen van een gevoel van veiligheid en zelfregulatie. Alle hormonale veranderingen waar het zwangere, barende, zogende vrouwenlichaam doorheen gaat, maken dat zij optimaal is toegerust om fijngevoelig afgestemd te raken op (de behoeften en verwachtingspatronen van) de baby. Vaders kunnen op dat terrein zeker nog veel leren, maar er zijn ook dingen die ze simpelweg niet kunnen, namelijk dragen, baren en zogen. Berger haalt terecht in referentie 115 ‘Mothers and Others’ aan, het prachtige boek van Sarah Blaffer Hrdy over alloparenting (gedeeld ouderschap), maar ik weet niet of ze ook alle passages over de invloed van borstvoeding en lactatie op hechting, welzijn en gezondheid heeft doorgenomen. Blaffer zegt daar waardevolle en essentiële dingen over. Ik heb daarnaast nog een mooie bibliotheek met andere auteurs die het één en ander te vertellen hebben over borstvoeding. Berger is van harte welkom daarin eens te komen rondneuzen.

Volgende week zal ik wat dieper ingaan op het verschil tussen gelijkheid en gelijkwaardigheid en wat dat betekent voor de zorg voor jonge kinderen.

Vrijheid en veiligheid om gewoon te ‘zijn’ – je ware Zelf

Min of meer out of the blue stuurde hij me een appje: “Hi Marianne, hoe is het met je?” Ik was verrast, aangenaam verrast, en was benieuwd of het bij die vraag bleef of dat er nog meer kwam. Ik was onderweg met iemand en zag geen gelegenheid om zorgvuldig te antwoorden. Dat deed ik pas vlak na middernacht, toen ik weer thuis was. Ik had die nacht nog een Compassionate Inquiry-sessie voor de boeg en wilde nog even slapen voordat die zou beginnen, maar ik wilde ook deze vraag beantwoorden; ik had het gevoel dat er meer achter vandaan zou komen en wilde daar ruimte voor creëren.

Ik liet weten het een lieve, onverwachte vraag te vinden en vertelde eerlijk hoe het ervoor staat momenteel: “Het is een intensieve tijd. Ik ben sinds februari Compassionate Inquiry-student in de professionele jaartraining. CI is een psychotherapeutische benadering waarbij zelfonderzoek in deze eerste fase de essentie is. Waanzinnig transformatief, insane amount of introspection, self-reflection, questioning habits, and so on and so forth. Ik voel me bevoorrecht te zijn toegelaten en tegelijkertijd is het ook enorm spannend en emotioneel om te ervaren wat dit allemaal gaat brengen.”

Hij was nog wakker en antwoordde: “Ik zit al jaren vast en ben toe aan een nieuwe uitdaging, maar liep de laatste jaren te veel achter mijzelf aan om een pad naar buiten te zien. Ik wilde wat anders, maar er diende zich niks aan. Alles sukkelde voort en ik zat besluiteloos te wachten op een nieuwe wending.” Ik las het met aandacht en dacht aan hem. Ik ken zijn werk en ben ervan onder de indruk. Ik realiseerde me hoezeer we ons vaak kunnen vergissen in hoe ‘goed’ het met iemand gaat. Aan de buitenkant kan het er geweldig uitzien, terwijl er van binnen allerlei vormen van verdriet, ongemak, eenzaamheid en teleurstelling zijn. Tegelijkertijd vond ik het ergens ook geweldig dat hij aan het ‘wachten’ was. In het ‘ongemak’ zitten, er gewoon mee ‘zijn’ (meer ‘human being’ dan ‘human doing’) is een kunst die niet iedereen verstaat. Het vraagt moed die niet iedereen beschikbaar heeft. De vertraging die ermee gepaard gaat, kan echter heilzaam zijn. Ze kan ons laten zien dat er wat mag of, als we werkelijk weer willen floreren, móet veranderen, terwijl we op hetzelfde moment erkennen dat we nog niet weten op welke manier en hoe en wanneer, en mét wie en wat en zónder wie en wat. Eerst maar eens te voelen dát het tijd is voor verandering is al een waardevol inzicht in zichzelf. Als je dan ook al durft uit te reiken, dan heb je al een paar enorm belangrijke stappen gezet.

Het tijdstip van onze conversatie was wat vreemd, misschien, zo na middernacht, maar soms is dat nu eenmaal het beste moment, als de duisternis ons omringt en de wereld stil is, als we even niet worden afgeleid door andere dingen, als het vreemd genoeg soms veiliger voelt om je super kwetsbaar te maken naar iemand die je vertrouwt. Dat deed hij: “Ik heb een afspraak gemaakt voor een retraite met psychedelische middelen, omdat ik denk dat dat misschien een doorbraak kan geven die ik op een andere manier niet lijk te kunnen bereiken. Verslavingen zitten me in de weg; ik val daar steeds weer in terug en kom daardoor niet verder. Er is pijn die ik alsmaar weer probeer te verdoven. Ik durfde zo lang niet mijzelf te zijn. Er waren wat mooie rolmodellen in mijn leven die me moed hebben gegeven, maar er is veel dat nog steeds in mij rondwoelt en me belemmert. Nog steeds vind ik het lastig om echt mijn draai te vinden.”

We wisselden uit over vertragen en je aanpassen aan de omstandigheden. Ik citeerde de quote van Krishnamurti: “It is no sign of health to be well-adjusted to a profoundly sick society”, dikwijls aangehaald door Gabor Maté, zeker ook in de context van zijn boek ‘De mythe van normaal’. “Wow, die wil ik op een t-shirt en een tegeltje!”, was zijn enthousiaste reactie. “Ik ga je vaker schrijven, maar nu die powernap doen, jij, voordat je straks je sessie in gaat!”

Dat deed ik, maar toen ik later die nacht weer wakker was, schoten me toch nog dingen te binnen die ik wilde delen, opties die wellicht behulpzaam zouden kunnen zijn bij het vinden van een nieuw pad. Ik appte ze, viel in slaap en werd wakker gemaakt omdat er wat op het programma stond. Toen realiseerde ik me dat ik was vergeten om het gesprek goed af te ronden: “Dankjewel voor ‘reaching out’ en voor je kwetsbaarheid – een eer om die in ontvangst te mogen nemen. I will honour it.”

De laatste tijd heb ik geregeld dit soort bijzondere gesprekken en ontmoetingen, waarbij mensen diepe, intense ervaringen delen, al hun verdediging afleggen en hardop uitspreken wat ze voorzichtig aan zichzelf aan het erkennen zijn: “Ik voelde me niet goed zoals het ging. Ik ben zoekende. Het is heftig. Ik wil mijn leven anders inrichten. Ik wil van mijn verslavingsgedrag af, maar er is zoveel pijn die ik niet verdragen kan. Ik realiseer me nu pas dat ik in mijn leven zo vaak zelf de slingers moest ophangen, dat er niemand was die dat voor mij deed. Sinds kort weet ik dat ik me als kind vaak zo intens alleen heb gevoeld.” Wat een eer, om als stille getuige die ‘precious pain’ uitgesproken te horen worden en er zonder oordeel ‘holding space’ aan te mogen bieden.

Ze grijpen me aan, al die verhalen. Ze maken me er intens van bewust hoeveel kinderen het moeilijk hebben, ook als ze niet ontsporen, ook als je het aan de buitenkant niet kunt zien, ook als ze later een voor de buitenwereld ogenschijnlijk succesvol leven opbouwen. Dan is het wel wrang om te lezen dat het kabinet vindt dat te veel kinderen psychische hulp krijgen. Hoe moeten we dat duiden? Wat zegt dat over hoe het kabinet kijkt naar de problemen van jongeren? Waar komen die volgens het kabinet vandaan? Wat is volgens het kabinet de consequentie van ‘te veel hulp’? En wat denkt het kabinet dat de gevolgen gaan zijn als die hulp steeds verder wordt teruggeschroefd, wanneer we als samenleving niet meer werkelijk tot ons laten doordringen wat het betekent voor de toekomst als jongeren zo uit balans zijn en zozeer het gevoel hebben dat ze het leven niet op de rit krijgen? Wat voor beleid gaat het kabinet ontwikkelen om dat verdrietige tij te keren?

Later die dag pakten we de gespreksdraad nog weer op. Hij zei met niet heel hoge verwachtingen de geplande retraite te willen ingaan, maar toch ook hoop te hebben op inzichten. Dat snapte ik; dat herkende ik. Ik was open geweest naar hem over mijn eigen ervaringen en vermoedelijk was dat een element in de eerlijke uitwisseling die we nu hadden. We spraken over hoe ‘verlichting’ niet eens het doel hoeft te zijn: eerst alleen maar eens meer rust en balans, een gevoel op je plek te zijn, gezien, gehoord, bemind. We spraken ook over de noodzaak van veiligheid om empathie te ontwikkelen en hoe dat niet lukt als vertrouwen ontbreekt. En vandaar kwamen we terug bij de kern, bij de oorsprong van gebrek aan empathie en vertrouwen in de wereld: bij het jonge kind dat opgroeit met ouders die zelf destijds zoveel hebben gemist dat ze de basisbehoeften van hun kind onvoldoende kunnen zien en bevredigen.

Voor nu was ons kringetje rond; binnenkort spinnen we een nieuwe draad uit – de datum is geprikt. Ik hoop dat de retraite voor hem een geweldige, koesterende ervaring mag worden en een ontwikkeling in gang zal zetten naar een gevoel van bevrijding en vrijheid. Het is hem intens gegund.

Feiten versus gevoelens – gastblog door Janis Isaman; Deel 2

Vorige week lazen we de eerste helft van het blog van Janis Isaman, Marianne’s Compassionate Inquiry-collega, en hoe zij haar opleidingsjaar met deze psychotherapeutische aanpak van Gabor Maté heeft ervaren. In de eerste helft maakte ze onderscheid tussen het verhaal dat we onszelf vertellen (de feiten) en de emoties die bij een ervaring horen (het voelen). In deze tweede helft duikt ze dieper in de lichamelijke ervaringen, op wat er in ons gebeurt. Het blog van Janis verscheen oorspronkelijk op de website Elephant Journal, waar Nicole Cameron de hoofdredacteur is.

//////

Als we ons concentreren op het verhaal, hoeven we niet te onderzoeken wat er in onze binnenwereld is gebeurd. Verhalen en feiten zijn extern. Gevoelens en sensaties zijn intern.
Wanneer we ons verbinden met het somatische, dat vervolgens koppelen aan een emotie en alles hardop identificeren, nemen we verantwoordelijkheid voor de gebeurtenissen binnen in ons, in plaats van te focussen op de (vaak discutabele) feiten van wat er is gebeurd.
Dan worden we weggetrokken van het leven als een rechtbankzitting en bewegen we richting onze ervaringen die verbindend, kwetsbaar en helend zijn.
Een van de meest bewuste en authentieke dingen die we voor onszelf kunnen doen, is de fysieke gewaarwordingen in ons lichaam opmerken en benoemen. Als ik terugdenkt aan momenten van vreugde, liefde, woede en totale wanorde in mijn leven, kan ik me precies de lichamelijke sensaties herinneren die een foto nooit zou kunnen vastleggen.
De details van ons lichaam zijn belangrijk, en we kunnen de hoeveelheid en intensiteit beoordelen en bepalen hoeveel we kunnen verdragen. Misschien is het: “Ik merk mijn lichaam op” of “Ik merk een warm gevoel.” De kans is aanwezig dat we details, toon en specifieke elementen kunnen toevoegen.

 

De laatste keer dat ik werd getriggerd, was door de intonatie van een stem. Mijn maag balde zich samen, alsof er een vuist in mijn buik was gestoken die nu alles samenkneep. Daarbovenop werd mijn borstkas week, alsof er diep van binnen diepe krassen in werden aangebracht waardoor alles rauw en heet dreigde te worden. Mijn keel werd op onverklaarbare wijze dichtgeknepen, bijna alsof ik kotsmisselijk werd; mijn stembanden vernauwden zich en er bouwde zich in mijn keel een brok op die alles overstemde.

Ik sprak met strenge stem: “Let alsjeblieft op je toon. Die maakt me bang.”
En ik merkte dat ik angst voelde.
De angst was oud, heel anders dan de jonge stem die naast me zat en die de woorden uitsprak waardoor mijn lichaam ontspoorde.
Net als met mijn vriend aan de telefoon, voelde mijn lichaam aan als van een kind van twee.
Tijdens mijn studiejaar oefende ik alle vaardigheden keer op keer op keer en leerde ik langzaamaan dat dit betekende dat ik werd getriggerd.

Op dat punt aanbeland kunnen we beginnen te begrijpen hoe de combinaties van lichamelijke gewaarwordingen en emoties hebben geleid tot ons vroegste geloofssysteem:
Ik ben niet goed genoeg. Ik ben niet lief. Ik ben een mislukking. Ik ben een slecht persoon.

Wanneer we gewaarwordingen en gevoelens hebben die leiden tot deze percepties van schaamte en onwaardigheid, is onze copingstrategie om terug te gaan naar de feiten.
Mijn strategie was: ‘Vertel het verhaal. Bewijs dat je gelijk hebt. Breng de ander in diskrediet.’
In het jaar van mijn studie was het werk echter niet intellectueel, hoewel de gebruikelijke lezingen en literatuurlijst zeker niet ontbraken. De maandelijkse online ontmoetingen en wekelijkse oefeningen met mijn collega’s vereisten dat ik me keer op keer moest terugtrekken in mijn lichaam. Ik heb honderden oefensessies gedaan.
Soms kon ik niet in mijn lichaam keren. Soms was het ondraaglijk en dissocieerde ik. Soms kon ik nuance toevoegen en bij het gevoel blijven totdat het verdween als opvliegend vuurwerk of als een heteluchtballon die van me weg zweefde en die ik nog steeds wilde vasthouden.
En toen studeerde ik af.
In de pauze waarin ik even geen informatie hoefde op te nemen en geen officiële oefensessies had, kon ik in mijn eentje oefenen.

Inmiddels is mijn lichaam het enige deel van het verhaal geworden dat ertoe doet. Wat er in mij gebeurt, staat buiten kijf, ongeacht wat iemand anders zegt of doet. Ik vertel kortere verhalen en besteed meer tijd aan wat mijn lichaam meedeelt.
Ik kan sensaties in een oogwenk opmerken en benoemen.
Ik kan identificeren wanneer ik getriggerd word en ik kan er verantwoordelijkheid voor nemen.

Deze ogenschijnlijk eenvoudige vragen vergden een jaar oefenen en nog een jaar integratie. En het zijn de meest diepgaande lessen van mijn leven.
Hetzelfde gesprek dat ik eerder met een vriend had, zou tegenwoordig niet op dezelfde manier eindigen. Nu zou ik willen aangeven hoe de leegte in mijn maag en de angst die ik voel me herinneren aan hoe ik een klein kind op een driewieler was.

//////

Een klein kind op een driewieler… we kunnen Janis bijna zien. De meesten van ons zullen zich een fietser van twee of drie jaar vol verwondering kunnen voorstellen; we hebben misschien kinderen van die leeftijd of kleinkinderen, nichtjes, neefjes, buurkinderen, kleuters in onze klas. Het zou niet zo moeilijk moeten zijn om te begrijpen dat de wereld voor zulke kleintjes een heel andere plek is dan voor een volwassene. Als volwassene hebben we zoveel meer opties om ons leven in eigen handen te nemen. We kunnen verhuizen als het huis vreselijk is; we kunnen onze dagelijkse omgeving veranderen als de sfeer akelig is; we kunnen de banden verbreken als we ons onrechtvaardig behandeld voelen. Dit zijn allemaal opties die een jong kind niet ter beschikking staan.

En over rechtvaardigheid gesproken… Janis benoemt ‘het leven als een rechtbankzitting’. Dat is een mooi toepasbaar beeld, want het impliceert ook de aanwezigheid van rechters. Rechters luisteren naar de feiten, naar de verhalen, en op basis van die feiten oordelen ze. In persoonlijke ervaringen en interpersoonlijke relaties zijn oordelen meestal de dingen die de onrust niet oplossen, maar eerder veroorzaken en verergeren.

Anderen beoordelen, onszelf beoordelen… meestal komt er niet zo veel goeds uit voort, maar voor de meesten van ons is het erg moeilijk om door het leven te gaan zonder een oordeel te vellen over anderen of over onszelf. Dat komt voor een groot deel doordat het onmogelijk is om alle ‘feiten’ op een rijtje te krijgen. Kunnen we het emotionele leven van de ander echt goed genoeg kennen om hun reactie of gedrag te begrijpen? Is het werkelijk, feitelijk waar wat we ons brein over onszelf laten geloven? En hoe komt het dat we over onszelf vaak een nog harder oordeel hebben dan over een ander?

Zoals Gabor Maté de Boeddha vaak citeert: “Met onze geest creëren we de wereld.” Wat wij beschouwen als een reactie op de feiten, is vaak vooral onze perceptie of onze interpretatie van die ‘feiten’. En waarom is dat? Dat is omdat vóórdat we met onze geest de wereld creëren, de wereld onze geest creëert, zoals Gabor het citaat meestal vervolgt. Ons dagelijks leven, de sociale omgeving waarin we opgroeien, is de grootste factor in de vorming van ons brein en onze stressregulatie. Al voor de geboorte dringt het stressniveau van onze moeder letterlijk onze baarmoederwereld binnen, via de navelstreng. Als ze een zwaar leven heeft terwijl ze ons draagt, zullen we fysiologisch voorbereid zijn op een harde wereld. Als de eerste jaren van ons leven gevuld zijn met toxische stress en ACE’s, zullen we kenmerken en gedragingen ontwikkelen die ons proberen te helpen overleven in een vijandige omgeving. Dat is allemaal volkomen logisch; zoals Gabor zegt: “Het is een normale reactie op een abnormale omstandigheid.”

Zoals het blog van Janis prachtig illustreert: we doen er goed aan ons in te spannen om onze kleintjes een leefomgeving te bieden waar hun emoties welkom zijn, waar ze gezien en gehoord, omarmd en geaccepteerd worden. Hoe meer acceptatie het kind voelt voor oprechte emoties, hoe gemakkelijker het zal zijn om zichzelf te reguleren. Het veilig kunnen uiten van emoties betekent dat ze niet onderdrukt hoeven te worden. Het onderdrukken van emoties is vermoeiend; het zal ons uitputten en ons vaak op de een of andere manier ziek maken. En ook al zijn we nog niet aanbeland in het ziektestadium (dat Gabor omschrijft als ‘lijdend richting waarheid’)… het is een pittige opdracht om de verbinding met al die emoties te herstellen als we eenmaal gewoontes en persoonlijkheden hebben opgebouwd rond het onderdrukken ervan.

Het is eenvoudig voor me om te herkennen waarover Janis spreekt; ook ik heb een tweewekelijkse sessie met mijn groep van achttien studenten, een wekelijkse sessie met mijn trio’s, meerdere Zoom-calls en begeleide workshops elke maand, heel veel video’s om te bekijken en te verwerken, en vooral… een bijna krankzinnige hoeveelheid introspectie 25/7 om alle verschillende draden van emoties, triggers, percepties, overtuigingen, persoonlijkheidsdelen, concepten, teleurstellingen, kenmerken en lichamelijke ervaringen te ontwarren. Net als Janis geniet ik er echter ook enorm van om in een gemeenschap te zijn waar ik “de meest diepgaande lessen van mijn leven” kan opdoen.