Scholing jeugdgezondheidszorg: welk belang staat centraal?

Onlangs had ik een uitwisseling met een lactatiekundige collega over een scholing die ze binnenkort zal volgen. Ze berichtte mij over het feit dat ze zich ongelooflijk naar had gevoeld over wat ze in de voorbereiding had gelezen. Ze had het gevoel dat daarin het belang van de baby ondergeschikt was aan het belang van de volwassenen. Dat sluit aan bij het concept Adult Supremacy, waarover we hier al eerder uitgebreid schreven. Graag geef ik een indruk van wat we bespraken.

C(ollega): Zojuist las ik stof voor een webinar dat ik ga volgen; daarin kwam van alles voorbij dat mij de wenkbrauwen deed fronsen. Het ging over een bepaald probleem in de borstvoedingsrelatie en wat ik me bij de meeste onderwerpen sterk afvroeg, was: ‘Wie heeft het probleem en wie moet zich hier aanpassen: de volwassene/ouders, of het kind? Hoe kijken we daarnaar in onze cultuur? Wie is in staat en heeft de verantwoordelijkheid om een probleem empathisch te benaderen – het pasgeboren of jonge kind, of de volwassene?’ Een andere vraag die opkwam, is: ‘Is het ethisch verantwoord om kinderen te dwingen tot iets wat qua ontwikkeling niet besloten ligt in hun evolutionaire aard, hun biologische blauwdruk, en dat er vooral op is gericht om het volwassen belang te behartigen? Geef je de baby daarmee niet de boodschap dat die niet goed is zoals ‘ie is?’ In de voorbereidende literatuur werd genoemd dat een derde van alle zuigelingen niet zomaar vanzelf aan de borst gaat. Hoe moet ik dat begrijpen…? Is de stelling dat zo’n 30% van de kinderen van nature geneigd is zichzelf uit te hongeren door niet aan de borst te gaan…? Anders gezegd: is niet aan de borst gaan natuurlijk gedrag of is dat het gevolg van hoe we met situaties omgaan? Als klap op de vuurpijl werd voorgesteld om een kind zo nodig 24-48 uur de borst niet aan te bieden om zo bepaald ander gedrag af te dwingen. Daarmee zeg je volgens mij eigenlijk tegen de volledig afhankelijke baby: ‘Als je niet doet wat wij willen, dan straffen we je.’ Ik was zó boos… ik ervaar dit als psychologische marteling van het kind. Dat zijn zware woorden – dat realiseer ik me, maar met de kennis die ik heb, voelen ze als gepast.

M(arianne): Oh, dat klinkt heel heftig…

C: Ja, dat was het ook… Soms word ik zó moe van dit soort opvattingen, die ik nog veel te vaak voorbij zie komen… Hoe komt het toch, dat de maatschappij zo langzaam verandert en kinderen daarmee zo ongelooflijk in de steek laat?

M: Ja, dat is een enorm groot probleem, inderdaad… Doe je hier iets mee? Geef je er ergens op een professionele, constructieve wijze uiting aan? Schrijf je erover?

C: Ik vind dat lastig. Ik zie ook dat het in feite om twee werkvelden gaat, namelijk enerzijds anatomie en fysiologie en de impact daarvan op de borstvoedingsrelatie, en anderzijds de psychologie van (op)voedingsvisies en de impact daarvan op het kind. Dat is het lastige ervan.

M: Hmmm… tsja… maar als je er holistisch naar kijkt, dan bestaan er geen verschillende werkvelden rondom het kind. Dan praten we alleen maar over het nieuwe mensje dat op allerlei manieren behoeften heeft, waaraan idealiter door de ouders/verzorgers/samenleving goed tegemoet wordt gekomen. Dat is helaas nog heel vaak niet het geval. Die eenheid lijkt me de kern te moeten zijn van alles wat we doen in de zorg voor kinderen.

C: Ja, daar ben ik het volledig mee eens. Ik ben alleen bang dat degenen die het webinar verzorgen, er zo niet naar kijken. En waarschijnlijk gebeurt dat niet eens bewust op die manier. Daarom heb ik een aantal vragen gesteld hierover, ten behoeve van de bewustwording. Dat roept alleen ook de vraag op voor wie wij er zijn als lactatiekundigen: voor de behoeften van de ouders (met als gevolg dat er vaak wordt gepoogd te ‘sleutelen’ aan het kind) of ter ondersteuning van de ouders, maar met het perspectief en de behoeften van het kind als basaal uitgangspunt?

M: Ook daarover lopen de meningen waarschijnlijk uiteen… 😉 Persoonlijk vind ik het nooit okay om het kindperspectief terzijde te schuiven, in welke rol dan ook! En natuurlijk gaat het dan vooral om aandacht voor de relatie tussen het kind en de primaire verzorgers, wat meestal de ouders zijn. Ik denk alleen dat de kindgerichtheid in heel veel settings nog niet zo krachtig is als ze zou mogen zijn.

C: Nee, dat denk ik ook en dan is dus de vraag hoe je béide behoeften goed in beeld kunt krijgen en kunt bevredigen. Omdat het zo belangrijk is dat bepaalde behoeften in de kindertijd worden vervuld, vind ik dat het kindbelang het verdient om leidend te zijn. Tegelijkertijd vraagt de samenleving zó veel van mensen dat persoonlijke wensen en keuzes vaak haaks staan op de maatschappelijke ‘eisen’. Daardoor staat de dagelijkse praktijk vaak haaks op de behoeften van kinderen. Dat is een ernstige constatering, maar wél een ware.

M: Absoluut, helemaal mee eens! Hoe we de samenleving inrichten, is van zo grote invloed op het ouderschap! Heb je ‘De mythe van normaal’ van Gabor Maté al gelezen…? Er hoeft niet per se een conflict te zijn tussen het welzijn van de ouders en dat van het kind. Als de ouders eerst maar met compassie kunnen (leren) kijken naar wat ze zelf hebben gemist en waar ze pijn hebben opgelopen… dat zou al zóveel helpen!

C: Oh ja, en dat is precies het allermoeilijkst. Ik heb echt geprobeerd mijn kinderen op te voeden met kindgerichte benaderingen, maar toch heb ik daarin ook veel fouten gemaakt. Dat is een constatering; ik heb er geen schuldgevoel over, maar het doet me wel verdriet. Het gevolg is namelijk deels dat één van mijn kinderen met grote psychische problemen worstelt. Je kunt nooit weten hoe het anders zou zijn gelopen, maar het houdt me wel bezig. Gelukkig gaat het met de andere kinderen goed.

M: Ja, ik herken wat je noemt. Tegelijkertijd is het ook belangrijk om onze kinderen niet te bekijken en te benaderen als ‘het resultaat van onze eigen fouten’. Het is voor niemand fijn om zo te worden gezien. De meeste ouders doen naar vermogen het beste voor hun kinderen. Wat we kunnen vaststellen, is dat veel ouders vermogen missen en daar zijn allerlei redenen voor, onder andere een kennisgebrek over de invloed van vroege ervaringen op het latere leven. Belangrijk, dus, om te zorgen dat dat ouderlijke vermogen zich zo goed mogelijk kan ontwikkelen, zodat ouders een goed begrip hebben van hoe ze hun kind liefdevol kunnen begeleiden naar volwassenheid. Wanneer ouders het aandurven en aankunnen om te onderzoeken wat ze in hun eigen kindertijd hebben gemist (zo nodig met wat therapeutische ondersteuning), helpt dat meestal enorm om te begrijpen waarom sommige dingen in het leven zo moeilijk zijn. Als ze dat al vóór de geboorte van het eerste kind doen, is dat natuurlijk helemaal mooi, maar het is nooit te laat om je inzicht te vergroten. Begrijpen wat het verschil is tussen enerzijds impulsief reageren vanuit een trigger en anderzijds intuïtief antwoorden vanuit bewustzijn, is de essentie. Daarvoor moet je die eigen triggers durven aankijken, net als de explosieve lading die eronder ligt. Dat is een grote, maar cruciale opdracht voor volwassenen.

We spraken nog wat verder over de details van wat ze had gelezen. Ik ken deze collega als een zeer betrokken lactatiekundige. Ik vond het mooi om te horen dat ze zoveel weerstand voelde tegen de kindonvriendelijke suggesties en dat ze de vraag over de machtsrelatie voelde opborrelen. Wat ik betreurde was dat lactatiekundigen (en trouwens ook andere zorgverleners) anno 2023 nog steeds dit soort adviezen krijgen aangereikt. Vanuit de neurofysiologie en de interpersoonlijke biologie weten we inmiddels zo ongelooflijk veel over de impact van het verbreken van de verbinding met het kind op de hersenontwikkeling. Negeren, dreigen, verwaarlozen, straffen, intimideren… ze laten diepe sporen na in het stresslandschap van het lichaam. Ze zijn volstrekt niet traumasensitief en doen geen recht aan de volledige afhankelijkheid en behoefte aan authenticiteit van het kind. Dergelijke praktijken horen, gezien de stand van de wetenschap, niet (meer) thuis in de advisering voor de jeugdgezondheidszorg.
Ik hoop dat de collega bevredigende antwoorden krijgt op de vragen die ze heeft gesteld en dat ze hoe dan ook moed houdt om in haar eigen werk de kindgerichtheid centraal te stellen. Haar kennende heb ik daar alle vertrouwen in!

Professionals en ACE-bewustzijn, Aflevering 8 – Deze week: Kerstin Uvnäs Moberg

Een kleine twee weken geleden hadden we in Utrecht een prachtige studiedag voor lactatiekundigen met een wereldberoemde spreker over oxytocine, namelijk de Zweedse professor Kerstin Uvnäs Moberg. Direct na haar lezing had ik het voorrecht om met Kerstin aan tafel te zitten voor een interview voor de ACE Aware NL-podcast, ‘Voed de veerkracht’. Wat een eer!
De montage is klaar, en dus is nu ook de podcast online, zodat iedereen Kerstin kan horen. In dit blog deel ik graag een paar van de besproken thema’s.

Oxytocine is een prachtig hormoon en Kerstin heeft het een leven lang bestudeerd, erover geschreven en er vooral ook onderzoek naar gedaan. Toen ze de effecten begon te onderzoeken, was ze geïntrigeerd en voelde ze dat er meer was dan slechts de al bekende rol op het gebied van geboorte en borstvoeding. Aanvankelijk begon ze terloops te praten over de eigenschappen van het hormoon, als ze colleges gaf over andere onderwerpen, maar langzaam maar zeker groeide de algemene belangstelling en werd ze aangetrokken tot het onderwerp, ook door nieuwsgierige studenten die zich verder wilden verdiepen in het thema. Doordat ze voelde dat oxytocine veel meer te bieden had dan op het eerste oog zichtbaar was, en doordat ze zich met overgave wijdde aan dit totaal nieuwe vakgebied, groeide ze uit tot een wereldwijde expert.

Tot aan die begindagen van het oxytocine-onderzoek was er veel aandacht voor de stresshormonen cortisol en adrenaline, dominant in het actieve of sympathische deel van het stressregulatiesysteem, wat je de meer ‘mannelijke’ kant zou kunnen noemen. Toen Kerstin zich ging richten op de ontspanningshelft van het stresssysteem, de parasympathische of meer ‘vrouwelijke’ kant, was dat een heel nieuwe ontwikkeling. Er kwamen prachtige mechanismen naar voren: ‘calm and connect’ (kalmeren en verbinden), ‘rest and digest’ (rusten en verteren), ‘tend and befriend’ (verzorgen en vriendschap sluiten) – allemaal functies die van oudsher worden gezien als meer dominant in de vrouwelijke terreinen van het leven, omdat ze erg belangrijk zijn bij geboorte, borstvoeding, verzorging en wondgenezing en traumaheling.

Het duurde even voordat oxytocine als een serieus onderzoeksonderwerp werd gezien. De nieuwigheid ervan zorgde hier en daar voor opgetrokken wenkbrauwen: ‘Is dit serieus? Is dit echt? Kunnen we het meten? Wat is de meerwaarde om hier meer over te weten?’ Kerstin hield vol en bewees de grote relevantie ervan. Ze is van mening dat hoewel het goed is dat nieuwe onderwerpen in de wetenschap grondig worden bestudeerd voordat er claims worden gemaakt, de academische geest idealiter openstaat voor innovaties en bereid is om nieuwe ideeën te overwegen, vanuit echte nieuwsgierigheid. Tegenwoordig is oxytocine alom bekend, zozeer zelfs dat de betekenis ervan soms een beetje oppervlakkig wordt gereduceerd tot ‘het knuffelhormoon’. Daarbij worden de veel diepere en meer diffuse effecten op welzijn, genezing en angstreductie vergeten, evenals de gevolgen van die effecten voor de samenleving.

Het was geweldig om naar Kerstin te luisteren en te merken hoe ze gepast verwees naar aspecten van oxytocine (wat niet alleen een hormoon is, maar ook een neurotransmitter) die revolutionaire effecten zouden kunnen hebben als ze veel serieuzer werden genomen. Ze noemde bijvoorbeeld hoe belangrijk het is om ons bewust te zijn van bepaalde dagelijkse routines in de gezondheidszorg. Sommige worden als zo normaal en vanzelfsprekend beschouwd dat ze soms niet eens worden bestudeerd op hun langetermijneffecten, ook al zou een dieper inzicht ons misschien allemaal bewuster maken van hun impact. Kleine effecten in grote aantallen met een hoge frequentie kunnen bij elkaar opgeteld immers een enorm klinisch verschil veroorzaken! Er zijn veel maatschappelijke factoren die mogelijk een rol spelen bij dit gebrek aan onderzoek hiernaar: hoeveel status hebben bepaalde onderwerpen en dus studies, hoe lang duurt de follow-up voordat er iets zinnigs kan worden gezegd over de interventie, welke financiële investering en welk professionele prestige hangen samen met de beslissing om dit soort onderzoek op te zetten of terzijde te schuiven?

Kerstin acht het verder wenselijk dat jonge studenten toegang hebben tot oud wetenschappelijk materiaal om een integrale kijk te krijgen op de onderwerpen die ze bestuderen. Specialisaties in de gezondheidszorg kunnen prachtig zijn, maar ze kunnen het risico met zich meebrengen dat het menselijk lichaam wordt opgedeeld in een verzameling organen in plaats van dat het lichaam wordt gezien als een samenhangend geheel dat het resultaat is van een delicaat (gebrek aan) evenwicht tussen ingewikkeld samenwerkende systemen, van buikgevoel naar brein en omgekeerd, met subtiele ritmes en patronen die een verfijnde, respectvolle bestudering verdienen.

Het klonk mij als muziek in de oren om zo’n eminente dame, die haar hele leven aan dit ene onderwerp heeft gewijd, op zo’n holistische manier te horen spreken over een hormoon dat zo klassiek, zo ‘goed geconserveerd en oeroud’ is, zoals ze het zelf noemde. Toch was het voor Kerstin niet altijd gemakkelijk om die holistische werking van oxytocine naar voren te brengen, want de meeste tijdschriften die wetenschappelijke artikelen publiceren, willen dat die artikelen specifiek en gedetailleerd zijn, niet breed en algemeen, wat regelmatig als oppervlakkig wordt beschouwd.
Ik was ook diep geraakt door de opmerking van Kerstin dat de afstemming van de moeder op de behoeften van de baby, als ze eenmaal is overspoeld door oxytocine, misschien wel de eerste keer in haar leven is dat ze voelt dat prioriteit geven aan dat kleine mensje en niet aan zichzelf, een logische zaak is, simpelweg vanwege de baby’s totale afhankelijkheid van de moeder voor het stillen van de honger en het bevredigen van de behoefte aan contact. Dit houdt ook in dat de omgeving van de kraamvrouw zich bewust moet zijn van de kwetsbaarheid van de moeder en van de impact van het uitspreken, adviseren of zelfs afdwingen van dingen die ondermijnend zijn voor de evolutionaire intuïtie van de moeder, die juist is gestimuleerd door haar hoge oxytocinespiegels.

Al met al was het een genot om naar Kerstin te luisteren en met haar te praten en fantastisch om te horen, in antwoord op mijn vragen over waar ze naar uitkijkt, dat ze meer wil schrijven en meer onderzoek wil blijven doen, aangezien er ten aanzien van oxytocine nog zoveel is dat een nog grondiger begrip verdient. Moge oxytocine een groot deel zijn van wat Kerstin gezond houdt, zodat we allemaal nog vele jaren dankbaar kunnen genieten van haar heldere geest en warme hart!

Boekbespreking ‘Van waanzin naar Wijsheid’ door Iris van Zomeren

Via haar mooie mail aan ACE Aware NL kwam ik in contact met de auteur van het boek ‘Van waanzin naar Wijsheid – Het autobiografische levensverhaal van Iris van Zomeren’. We spraken af dat ik het zou recenseren voor de website. Iris stuurde het me op en zodra ik erin begon te lezen, was ik gefascineerd. (Zie ook onze boekenpagina, volgorde op achternaam schrijvers.)

Het boek begint met een voorwoord van psychotherapeut Rachporn Sangkasaad Taal. Ze vertelt hoe ze Iris leerde kennen, die toen al allerlei vormen van therapie achter de rug had. Ze schrijft dat ze onder de indruk is van de posttraumatische groei (PTG) die Iris heeft doorgemaakt. Met haar inleiding maakt ze duidelijk dat het om een zeer bewogen leven gaat, maar om werkelijk goed te begrijpen hoeveel onveiligheid er voor Iris speelde, is lezen van cover-to-cover het beste wat je kunt doen.

Het boek is verhalend geschreven, met heel veel persoonlijke dialogen en uitwisselingen tussen Iris en andere hoofdpersonen. Dat maakt dat je als lezer wordt meegezogen in de indringende gebeurtenissen. Daarbij wordt er zoveel toegelicht op het gebied van psychologische en emotionele traumaverwerkingsprocessen dat waarschijnlijk bijna iedereen er waardevolle inzichten aan kan ontlenen. Iris neemt de lezer mee in de reis die ze heeft gemaakt en we zien haar langzaam maar zeker ‘openbreken’, opbloeien, licht en lucht geven aan dat wat ze heeft doorstaan. Daarbij komt ook de intergenerationaliteit duidelijk naar voren: haar ouders zijn beiden beschadigd geraakt in hun eigen jeugd en het helingswerk dat Iris nu verzet, heeft niet alleen voor haarzelf een positief effect, maar ook voor anderen in haar familielijn. Als lezer ben je getuige van haar diepe zelfonderzoek en haar aangrijpende herstelproces; met hoe ze schrijft, nodigt Iris je uit om daar ‘holding space’ voor in te ruimen.

Iris begint met een schets van haar gezinssituatie, met ouders met een achtergrond van onder andere huiselijk geweld en seksueel misbruik. Er is veel dat via intergenerationele overdracht bij Iris en de andere kinderen terechtkomt. Dat is dermate heftig dat Iris alleen kan overleven door emoties en herinneringen te bevriezen en te onderdrukken. Met meer traumasensitiviteit hadden diverse volwassenen waarschijnlijk signalen kunnen oppikken, maar Iris is, zoals veel kinderen, alleen met haar pijn en wanhoop.

In 38 veelal bondige hoofdstukken begeleidt ze ons langs haar ervaringen en in heel wat hoofdstukken zijn in duidelijke kaders toelichtingen opgenomen over bepaalde termen die in de tekst aan de orde komen. Daarmee zijn voor de niet-ingewijde lezer ook onbekende begrippen goed te volgen. Waar relevant heeft Iris passages uit brieven, correspondentie en dagboeken opgenomen; die zijn te herkennen aan de cursivering.

Rond haar twaalfde begint Iris zich meer en meer af te zetten tegen de thuissituatie en dat brengt complexe ‘coping strategies’ met zich mee. Ze vindt thuis geen begrip; haar ouders missen het vermogen om hun eigen rol in de problemen te onderkennen en aan te pakken. Iris raakt daardoor de verbinding met haar authentieke zelf steeds verder kwijt en er ontstaat een existentiële somberheid.
Rond haar twintigste begint er het één en ander boven te komen van haar pijnlijke ervaringen, maar de tijd is nog niet rijp en het gevoel van veiligheid is nog niet toereikend om alles onder ogen te zien. Die veiligheid ontstaat wél als ze begin dertig is en Erik ontmoet, de liefde van haar leven. Met hem naast zich komt er steeds meer naar boven van het in haar verborgen trauma. Het is een zware weg en ze komt steeds meer in een enorme woede terecht; die zet ook haar relatie met Erik onder druk. Ze merkt echter dat de woede ook een heel goede kant heeft en dat die haar helpt om haar eigenwaarde terug te vinden, om de ‘ver-ontwaardiging’ ongedaan te maken.* Daardoor komt ze geleidelijk aan meer en meer in contact met de onderliggende kwetsuren. Het besef groeit dat de woede geen sta-in-de-weg hoeft te zijn, maar een poort kan zijn om in contact te komen met jezelf. Iris beschrijft het prachtig: “Je ziet de woede als afleidend terwijl hij in essentie herleidend is” (p. 62).

De behoefte aan contact met haar gezin van oorsprong blijft bestaan, maar blijkt ook telkens opnieuw heel ingewikkeld. Dat komt met name omdat de overige gezinsleden de gebeurtenissen van vroeger volledig blijven ontkennen. Dit is een verschijnsel dat veel mensen ervaren die misbruik en verwaarlozing binnen het gezin aan de orde willen stellen. Er rust vaak een groot taboe op en dat maakt herstel van gezins- en familierelaties moeizaam en dikwijls ook tijdelijk of permanent onmogelijk.

Na twee bizarre en zeer heftige ervaringen komt ze dichter bij de oorsprong van haar trauma. Via een helder beschreven, zeer intensief therapieproces wordt ze zich ervan bewust hoe verschillende deelpersoonlijkheden het trauma voor haar hebben gedragen.

Zoals velen ontdekken tijdens hun helingsreis, blijft er lange tijd behoefte om de liefde die je als kind had moeten krijgen, te zoeken op plekken en bij mensen waar die niet te vinden is. De acceptatie dat je dat gemis van vroeger niet alsnog kunt goedmaken, is vaak heftig. Ze verdient rouw en verwerkingstijd, tijd waarin je leert om te heroriënteren, om te zien dat wat vroeger niet mogelijk was, nu wél kan: een sociale omgeving kiezen die jouw pijn kan verdragen en die tegelijk je moed en je potentieel ziet. Binnen een setting die veilig, koesterend, ondersteunend en stimulerend is, kan dan alsnog het ‘ontgiftingsproces’ (p. 161) plaatsvinden dat nodig is om naar je gezonde kern terug te keren en van daaruit het leven in een nieuw licht te zien en te ervaren.

Met alle posttraumatische groei die ze doormaakt, slaagt Iris er steeds beter in om de oorsprong van de gebeurtenissen van vroeger te traceren. Het doorvoelen, doorzien en doorleven van de oude pijn zorgt voor steeds meer compassie, niet alleen naar andere slachtoffers, maar ook naar de daders van vroeger. Compassie staat ook op de voorgrond als ze ontmoetingen heeft met personen uit haar verleden, met wie ze het gesprek aangaat over wat er destijds voor haar speelde. Dit helpt haar om de realiteit van haar verleden krachtiger te ervaren. Steeds meer ook ervaart ze dat het lichaam met alle ogenschijnlijk ‘disfunctionele’ reacties juist wijze oplossingen aanreikt om te overleven in omstandigheden die je bevattingsvermogen, pijngrens en draagkracht als kind ver te boven gaan. De pijn ligt opgeslagen in de meest basale delen van het brein en in het celgeheugen van het lichaam. De pijn kan daarom niet alleen via cognitief inzicht worden geheeld. Het lichaam mag spreken, mag het levensverhaal vertellen, ondersteund door therapievormen die daarbij behulpzaam zijn.

Iris eindigt haar boek met de volgende constatering: “Natuurlijk is het niet zo dat er geen oude dingen meer opkomen, maar er is in mij steeds minder verzet en veel meer geduld. En dit geduld is geen methode, maar het gevolg van mijn intense verwerkingsproces” (p. 303).

Ik zie in die conclusie een mooie link met het onlangs besproken boek van Viktor Frankl. In zijn visie is levensgeluk geen doel, maar het gevolg van ervaren zingeving. Iris zegt dat haar geduld geen doel was, maar het gevolg van haar verwerking. Het is bijzonder dat levenswaarden als geduld en geluk diepgaande processen lijken te vereisen om tot ontwikkeling te komen. Ze lijken een doel, maar ze blijken het resultaat van iets anders, namelijk een diep doorleefde ervaring van erkenning, acceptatie en betekenisvolle verbinding met het Zelf en de Ander.

De grote opdracht en het morele appèl die daarom wat mij betreft met kracht uit dit boek naar voren komen, richten zich op volwassenen: hoe meer moed zij opbrengen om hun eigen demonen in de ogen te kijken, hoe groter de kans dat ze deze kwade geesten niet doorgeven aan de volgende generatie. Werken aan je eigen traumaherstel is daarmee een immens geschenk voor je kinderen en kleinkinderen. De doofpotcultuur ten aanzien van familiegeheimen, waarover Iris spreekt in haar boek, kan dan een fundamentele verandering ondergaan. Daarvoor is oprechte compassie nodig, zodat oordeel en schaamte niet zo’n dominante plaats hebben als nu nog vaak het geval is. Iris heeft met haar boek een belangrijke bijdrage geleverd aan die broodnodige openheid ten aanzien van de levenslange impact van huiselijk geweld en misbruik op het jonge kind. Iedereen die daarmee te maken heeft (gehad), zal in dit boek, behalve waardevolle inzichten, veel herkenning, erkenning en ook troost en hoop kunnen vinden. Met meer maatschappelijk bewustzijn daaromtrent kunnen we zorgen dat onze kinderen niet via waanzin naar wijsheid hoeven te komen. Ze mogen dan hun kinderlijke, vaak oh zo wijze begaafdheid behouden en verder laten groeien.
Dit boek, waarin Iris haar levensverhaal op aangrijpende wijze heeft vastgelegd, kan zeer helpend zijn voor wie op zoek is naar kennis over en mogelijkheden voor de heling van trauma.

* In dit blog met Jet Markink spraken we over ‘ontschuldigen’; beide woorden, ‘ont-schuldigen en het ongedaan maken van ‘ver-ontwaardiging’, zijn belangrijke aspecten van het helingsproces.

‘Voed de veerkracht!’ – de ACE Aware NL-podcast

Vandaag is het Internationale Vrouwendag! Dit jaar is het internationale thema ‘Embrace Equity’ en het Nederlandse thema is ‘Onbeperkt leefbaar’ – een oproep om met elkaar te zorgen dat we ons zoveel mogelijk zonder sociale, culturele, financiële en emotionele beperkingen door onze levende wereld, door onze leefwereld kunnen bewegen. Belangrijk daarvoor is veerkracht. Veerkracht wordt wel omschreven als het vermogen om flexibel met de uitdagingen van het leven om te gaan, onder andere door werkelijk al je emoties welkom te heten. Om dat te bereiken en de veerkracht te voeden, is het behulpzaam als vrouwelijke energie de overhand heeft, zowel in vrouwen als in mannen.

De eerste 1000 dagen van een mensenleven hebben een grote impact op de rest van het bestaan. Daarover bestaat inmiddels geen twijfel meer; dit is op allerlei manieren aangetoond en zowel proefondervindelijk als wetenschappelijk onderbouwd. De eerste 1000 dagen, vanaf de conceptie tot aan ongeveer de tweede verjaardag, zijn dus essentieel. Wat er tijdens de zwangerschap en rondom de geboorte gebeurt, doet ertoe. In die fase wordt het fundament gelegd voor het leven dat volgt. Wanneer er in die vroege jaren veel stress is, wordt het voor een kind meestal moeilijker om soepel met dingen om te gaan en op alle fronten gezond te blijven. Ook wanneer sociale en gezondheidsproblemen pas later in het leven opduiken, blijken ze bij zorgvuldige bestudering vaak hun wortels in die kindertijd te hebben. Met die kennis op zak ligt de conclusie voor de hand dat we er met z’n allen goed aan doen om die periode te koesteren, zodat het leven na de geboorte onbeperkt leefbaar is en dat ook kan blijven. En dan wordt het spannend… nemen we die uitdaging aan? Hoe kunnen we in praktische zin gelijkwaardigheid omarmen? Ik heb wel wat ideeën. Laten we de veerkracht voeden! Laten we goed voor onze zwangeren zorgen, de belangen van kinderen zien als gelijkwaardig aan die van volwassenen, en laten we kwetsbaarheid een meer prominente plaats geven in onze samenleving.

In het kader van kwetsbaarheid dacht ik vanochtend aan een prachtige vrouw die daarover mooie dingen heeft gezegd, namelijk Brené Brown. Eén van haar beroemdste uitspraken is: “Kwetsbaarheid is niet winnen of verliezen. Kwetsbaarheid is de moed hebben om te komen opdagen en je te laten zien wanneer je geen controle hebt over de uitkomst. Kwetsbaarheid is geen zwakte; het is de hoogste maatstaf van moed.”
Kwetsbaarheid als moed – kiezen om je niet tot de tanden toe te bewapenen, maar voor de mogelijkheid je te laten verwonden en open te zijn voor je eigen gevoelens en die van de ander, ook als dat pijn doet. Dat kan heel eng voelen. In een samenleving waarin individualisme bijna een ideologie is, is samenredzaamheid een lastig concept. Durven we gewoon te erkennen dat we elkaar nodig hebben, dat het moeilijk is om je niet met dierbare anderen verbonden te voelen? Dat is heel normaal, namelijk, want mensen zijn ‘wired for connection’: hun hele neurofysiologische systeem is ingesteld op betekenisvolle verbinding met anderen. Als die verbinding ontbreekt, soms al heel vroeg in het leven, geeft dit gevoelens van diepe pijn en eenzaamheid. Daardoor kan de overtuiging ontstaan dat je ‘niet goed genoeg’ bent, dat je het niet waard bent bemind te worden, dat je er niet bij hoort en het in je eentje moet zien te redden. En dan… wat als dat je dreigt te overweldigen…?

Een aantal jaren geleden zag ik de film ‘The House I Live In’, waarin verslavingsexpert Gabor Maté zegt: “Als mensen pijn hebben, willen ze die pijn verzachten. De vraag is dus niet ‘vanwaar de verslaving?’, maar ‘vanwaar de pijn?’ ” Ik was perplex. Dat ziekte meestal een uiting is van een (vooral ook emotioneel) verstoord evenwicht – met die overtuiging leefde ik al een kwart eeuw. De laag die Gabor Maté er met deze uitspraak aan toevoegde, voelde als een onvermijdelijke paradigmaverschuiving. Ik had het gevoel dat ik een soort sleutel had gekregen die alles ontsloot. Dit leek me de kern, een visie die overal in de samenleving dringend navolging verdient.

Dat is de gedachte van waaruit ACE Aware NL is ontstaan: bewustzijn creëren rondom ACE’s, ongunstige ervaringen in de kindertijd, en onderkennen dat veel gedrag en gewoontes die als ‘lastig’ of ‘ongezond’ worden gelabeld, in feite overlevingsstrategieën zijn en zelfmedicatie voor de pijn van eenzaamheid en uitsluiting. Samen met Victor Bodiut ben ik daarom ACE Aware NL gestart. En over moed en kwetsbaarheid gesproken: zonder hem had ik het niet aangedurfd. Samen hebben we een prachtig fundament gelegd, waarop we nu verder bouwen. Daarin heeft de zogenaamd ‘vrouwelijke’ energie een vooraanstaande plaats: zachte ontvankelijkheid, intuïtie, ruimte voor ‘zijn’ in plaats van ‘doen’, aandacht voor het emotionele leven, van binnen naar buiten, als inspiratie voor de meer mannelijke energie.

Overal in de natuur vindt groei altijd plaats vanuit de zachte plekken. Bij baby’s en jonge kinderen is dat heel duidelijk. Voor gezonde groei is het dus belangrijk te zorgen dat die zachtheid wordt beschermd en er geen (fysieke en emotionele) verharding ontstaat. Liefde, nabijheid, compassievolle aandacht… dat zijn de dingen waarop het jonge kind gedijt en daarmee kun je de veerkracht van het kind voeden. Hoe kun je dat vormgeven? En wat zijn de gevolgen van het ontbreken van zulke zorg?

Om daarover uitgebreid met ervaringsdeskundigen en professionals in gesprek te gaan, heeft ACE Aware NL voortaan ook een podcast, getiteld ‘Voed de Veerkracht!’ Samen met Petra Bouma, die sinds een tijd de prachtige visuals voor de blogs maakt en die ook het artwork voor de podcast in elkaar heeft gezet, heb ik daarvoor de infrastructuur nu neergezet en de eerste vier afleveringen zijn online! Je kunt luisteren naar Nikk Conneman, Eefke Postma, Marie-liz de Jongh en Hilde Bolt. In de komende tijd zullen er weer heel wat interviews plaatsvinden en gaan we nog veel meer mooie mensen ontmoeten. Zij zullen vertellen over hun werk, maar ook over hun eigen ervaringen, waarin als gevolg van verdriet dikwijls veel ontroerende wijsheid besloten ligt.

Rondom het onderwerp ‘trauma’ heerst helaas nog veel schaamte en oordeel. Die zijn niet behulpzaam, want ze leiden ertoe dat veel mensen een barrière ervaren om hun verhaal te vertellen. Men blijft alles onderdrukken, uiteindelijk vaak met ziekte tot gevolg. Openheid geven over de pijn en rouw van je levensverhaal… dat vraagt veel moed. Er schuilt vaak zo enorm veel wijsheid in wat mensen te vertellen hebben over wat moeilijk voor ze was en hoe ze die moeilijkheden hebben overwonnen. Daar heb ik echt diep respect voor, want ik weet ook zelf hoe ingewikkeld het kan zijn om de eenzaamheid van vroeger niet volledig je leven van nu te laten beïnvloeden.

De tune van de podcast heeft als titel ‘Here Forever’. In de voorbereiding leek dit fragment zichzelf aan mij te presenteren. Here forever – voor altijd hier. Te weten dat er mensen zijn op wie je altijd mag rekenen en zelf voor anderen wellicht zo iemand te zijn… dát is wat een diep gevoel van veiligheid creëert, het gevoel dat je welkom bent met alles wat bij jou hoort, gewoon helemaal zoals je bent. Voor veel mensen blijkt dat hoop en vertrouwen en veerkracht te voeden. De Voed de veerkracht-podcast is daarom ook een krachtig pleidooi om met elkaar alert te zijn op wat de jongsten van onze samenleving nodig hebben om blij en gelukkig op te groeien, onderweg naar een onbeperkt leefbare toekomst. We hopen dat jullie met ons meegenieten van de bijzondere verhalen en inzichten en wie weet ontvangen we je te zijner tijd als gast!

Boekbespreking van ‘De zin van het bestaan’ door Viktor E. Frankl, Deel 2 (slot)

Vorige week hebben we een begin gemaakt met een recensie van Viktor Frankls ‘Man’s Search For Meaning’ en bespraken we wat er in Deel 1 van het boek aan bod kwam. Verschillende aspecten van het vinden van betekenis zijn het onderwerp van Deel 2 van het boek, waar logotherapie in een notendop wordt besproken.

Logotherapie wordt ook wel de ‘Derde Weense School voor Psychotherapie’ genoemd. Waar Sigmund Freud zich concentreerde op ‘de wil tot plezier’ (psychoanalyse) en Alfred Adler op ‘de wil tot macht’ (individuele psychologie), richtte Viktor Frankl zich op ‘de wil tot betekenis’ (logotherapie), aangezien betekenisgeving in het leven voor de meeste mensen de belangrijkste motiverende kracht blijkt te zijn. Dit is ook wat naar voren komt in het steeds meer gangbare concept van Positieve Gezondheid. Van de zes dimensies (lichaamsfuncties, mentaal welbevinden, zingeving, kwaliteit van leven, meedoen en dagelijks functioneren) blijken de spirituele aspecten het vaakst te worden genoemd als dat wat er echt toe doet. Mensen kunnen chronische gezondheidsproblemen hebben, maar zolang die redelijk goed onder controle zijn en mensen een doel in het leven hebben en zingeving eervaren, beschouwen ze zichzelf meestal als gezond. Als de fysieke gezondheid over het algemeen goed is, maar de zingeving ontbreekt, dan geven mensen veel neerslachtiger beschrijvingen van hoe het met ze gaat. Hoe meer betekenis mensen in hun leven kunnen onderscheiden, hoe groter de kans dat gezondheid en geluk daaruit voortvloeien. Die zijn dan geen doel op zich, maar zijn het gevolg van de gevonden zingeving en levensdoelen en van het kunnen bijdragen aan iets groters dan het eigen leven. In de woorden van Nietzsche, geciteerd door Frankl: ‘Hij die een waarom heeft om voor te leven, kan bijna elk hoe verdragen’ (p. 109, cursivering van de auteur).

Zonder zo’n zingeving, schrijft Frankl, kunnen mensen ‘existentiële frustratie’ ervaren. Je niet uitgedaagd voelen, maar verveeld en nutteloos, is begrijpelijkerwijs moeilijk, stelt hij, en verdient aandacht in plaats van medicatie:

Existentiële frustratie is op zich noch pathologisch noch pathogeen. De bezorgdheid van een mens, zelfs zijn wanhoop, over de waarde van het leven is een existentiële stress, maar geenszins een mentale ziekte. Het is heel goed mogelijk dat het interpreteren van het eerste in termen van het laatste een arts motiveert om de existentiële wanhoop van zijn patiënt te begraven onder een hoop kalmerende medicijnen (p. 108, cursivering van de auteur).

Met andere woorden: zorgverleners moeten de zorgen van hun patiënten serieus nemen wanneer ze geen of onvoldoende zin meer zien in het leven. Frankl ziet drie verschillende betekenislagen in het leven: ‘1) door werk te doen of een daad te verrichten (werk); 2) door iets te ervaren of iemand te ontmoeten (liefde); en 3) door de houding die we aannemen tegenover onvermijdelijk lijden (mentale kracht)’ (p.115). Het gevoel van zinloosheid, ‘is het resultaat van het niet bevredigen van onze existentiële behoeften, wat (…) een universeel fenomeen is geworden in onze industriële samenlevingen’ (p.141) en kan een ‘existentieel vacuüm’ creëren, vaak wijder verspreid op plaatsen waar spirituele, ceremoniële, professionele en familietradities verloren zijn gegaan. Dit kan ertoe leiden dat mensen ‘doen wat andere mensen doen (conformisme) of (…) wat andere mensen willen dat [ze] doen (totalitarisme)’ (p.111).

Het doel van logotherapie is ‘noch doceren noch propageren’ (p.114), maar mensen helpen hun blik te verbreden en hun eigen zin in het leven te vinden en daarom zal de logotherapeut ‘nooit toestaan dat de patiënt de verantwoordelijkheid om te oordelen aan de arts overdraagt’. Een mooie verklaring is deze: ‘Een schilder probeert ons een beeld te geven van de wereld zoals hij die ziet; een oogarts probeert ons in staat te stellen de wereld te zien zoals die werkelijk is’ (p.114,115). Logotherapie moedigt cliënten aan om de potentiële betekenis van hun leven te vinden en Frankl noemt dit ‘de zelftranscendentie van het menselijk bestaan’. Pas als we dit echt kunnen voelen en zien, kunnen we tot zelfverwerkelijking komen, ‘als neveneffect van zelftranscendentie’ (p. 115). Dit geldt vooral in moeilijke omstandigheden, wanneer de zaken er hopeloos uitzien.

Waar het dan [wanneer het lot niet kan worden veranderd] om gaat, is getuige te zijn van het uniek menselijke potentieel in optima forma, namelijk het transformeren van een persoonlijke tragedie tot een triomf, het omzetten van iemands hachelijke situatie in een menselijke prestatie. Als we een situatie niet meer kunnen veranderen (…) worden we uitgedaagd om onszelf te veranderen (p.116).

We worden echter opgeroepen om het lijden waar mogelijk wel te verlichten, want ‘onnodig lijden is eerder masochistisch dan heroïsch’ (p. 117). Wat hiervoor nodig is, is het vinden van de ‘superbetekenis’, niet ‘de zinloosheid van het leven verdragen, maar eerder het verdragen van het onvermogen om de onvoorwaardelijke betekenis ervan in rationele termen te vatten. Logos is dieper dan logica’ (p.122, cursivering auteur).
We kunnen nooit volledig vrij zijn van moeilijke omstandigheden, dus echte vrijheid is volgens Frankl de ‘vrijheid om een standpunt in te nemen tegenover de omstandigheden’ (p.132), een weg naar zelfbeschikking. Dit is typisch menselijk, want: ‘De mens is in staat de wereld ten goede te veranderen als het kan, en zichzelf ten goede te veranderen als het moet’ (p.133). Als zinloosheid ons gek maakt, bewijst dat slechts onze menselijkheid, zegt Frankl. Dit sluit aan bij een citaat uit het werk van Krishnamurti: ‘Het is geen teken van gezondheid om goed aangepast te zijn aan een intens zieke samenleving.’ Dat wil niet zeggen dat het altijd gemakkelijk is. We kunnen om veel verschillende redenen ten prooi vallen aan ‘opgeef-itis’ (p.141), waarbij we alle hoop verliezen, omdat we ons niet langer richten op de resterende zin van het leven. Daardoor verliezen we mogelijk elk vermogen om met het lijden om te gaan.
Er is echter een ‘verschil tussen waardevol zijn in de zin van waardigheid en waardevol zijn in de zin van nuttigheid’ (p.152). Elk lot waardig dragen betekent in groei en ontwikkeling boven onszelf uitstijgen en zo de vrede en het welzijn in de wereld vergroten.

Dat is inderdaad hoopgevend. Door met mensen die rouwen en lijden, compassievol te onderzoeken welke dingen hun leven nog steeds waardevol maken, kunnen we hen ondersteunen bij het terugvinden van de weg naar hun doelen en levensgeluk. Dit alles zo indrukwekkend goed uiteengezet te zien door iemand met een geschiedenis als die van Frankl, stemt een mens nederig.