Traumasensitieve lactatiekundige zorg – ik ben er klaar voor!

Het was de zomer van 1994 en na een mooie thuisbevalling werd onze derde dochter geboren. Over een paar weken gaat ze trouwen; haar witte luiertruitjes van de eerste dagen, die zo prachtig contrasteerden met haar pikzwarte haartjes en diep donkerbruine ogen, staan op zolder. Ze zullen in augustus zijn vervangen door een werkelijk prachtige witte bruidsjurk. Opnieuw zullen haar ogen en haren, inmiddels iets lichter van kleur maar nog altijd mooi donker, contrasteren met haar kleding, zowel met wat ze aan heeft tijdens de borrel op de avond voor de bruiloft als met wat ze zal dragen overdag (die bruidsjurk) en in de avond, als we allemaal in gala-outfit worden verwacht.

Op de dag van haar geboorte had ik niet kunnen vermoeden dat ik een kleine dertig jaar later zou werken als lactatiekundige en medisch antropoloog/socioloog. Vooral die lactatiekunde is rechtstreeks met haar geboorte verbonden. Ik was in het kraambed letterlijk doodziek als gevolg van kraamvrouwenkoorts en toen we samen in het ziekenhuis waren omwille van mijn herstel, zag ik dat de begeleiding bij borstvoeding dikwijls te wensen overliet. Daarom werd ik vrijwilliger bij de VBN, later lactatiekundige in mijn eigen praktijk, en uiteindelijk de traumasensitieve antropoloog die ik nu ben. Sommigen vonden dat ik met die studie antropologie ineens iets heel anders ging doen, maar zelf zag ik altijd alleen maar een doorgaande lijn van micro- naar macro- naar metaniveau. Wat er tussen moeder en kind gebeurt in de vroege levensfase, is een template voor wat volgt. Wat we in het klein in ons gezin van herkomst ervaren, wordt in het groot ons referentiekader voor hoe we in de wereld staan. En hoe we met z’n allen in de wereld staan, is de basis van onze samenlevingen en hun bijbehorende culturen. Zie daar: een in mijn beleving directe verbinding van klein naar groot, van binnen naar buiten, van gezonde, veilige hechting in de ouder-kindrelatie (of gebrek eraan) naar vredelievende, empathische veerkracht in de wereld (of gebrek eraan).

Toen ik er afgelopen jaar aan werd herinnerd dat ik deze zomer mijn lactatiekundige certificering moest vernieuwen (iedere vijf jaar, als we onze ‘IBCLC’-lettertjes willen behouden), twijfelde ik dan ook niet: natuurlijk wil ik lactatiekundige blijven! Mijn traumawerk als antropoloog/socioloog binnen ACE Aware NL en mijn lactatiekundige werk voor Borstvoedingscentrum Panta Rhei vormen zó’n relevante combinatie – die wil ik voortzetten. Sterker nog… die wil ik uitbreiden!

Er was dus geen ontkomen aan: ik moest de recertificeringsprocedure doorlopen. Sinds de verplichting van het herexamen voor recertificeerders is afgeschaft (mag wel, hoeft niet), moet je op een andere manier iedere vijf jaar aantonen dat je voldoende scholing hebt gevolgd en ook anderszins competent bent om het vak uit te oefenen. Dat vind ik op zich terecht: moeders en baby’s hebben recht op hoogkwalitatieve zorg. Dan is alleen de vervolgvraag: hoe toon je aan dat je die levert? Je kunt studiepunten aanleveren, maar heb je de kennis geïntegreerd? Als je bovenop je jarenlange lactatiekundige ervaring andere dingen hebt gedaan en geleerd dan wat de eisen voorschrijven, betekent dat dan per definitie dat je geen goede zorg kunt leveren?

Met de afschaffing van het herexamen zijn de eisen wat aangepast en zodoende moest ik deze zomer voor de eerste keer het bijbehorende ‘self assessment’ maken, zodat duidelijk werd op welke kennisgebieden ik voldoende scoorde en waar ik een achterstand had weg te werken. Verder moet je voortaan een reanimatiecursus met goed gevolg afronden, moet je nog steeds 75 scholingspunten kunnen aantonen (minimaal 50 L (‘lactation’) en 5 E (‘ethics’) en maximaal 20 R (‘related’)), én moet je zo nodig een overtuigende urenverantwoording kunnen overleggen. Collega’s lieten geruststellend weten dat je weliswaar alles op orde moet hebben, maar dat er alleen steekproefsgewijs naar ‘bewijs’ wordt gevraagd. Ik rekende alles uit, diende op 13 juli mijn recertificeringsaanvraag in en tikte een paar honderd euro af. Een paar uur wachten en dan zou de website melden dat ik weer vijf jaar verder mag.

Dat laatste liet op zich wachten… niet een paar uur, maar dagen- en dagenlang. Inmiddels was ik een week weg voor een retraite op een plek die met mijn kindertijd verbonden is. Ik had het nodig en het heeft me goed gedaan. Ik bleef echter mail checken en halverwege mijn week had ik bericht: “Dankjewel voor het indienen van je aanvraag. Je bent uitgekozen voor een steekproef; we zien je documenten graag tegemoet! Denk eraan: te laat insturen betekent het einde van je certificering.”

Ai, ai, ai… het uitblijven van snel bericht had me dit al doen vermoeden… en ook wel wat doen vrezen. Nu moest ik heel veel bijlages verzamelen en aantonen dat ik die lettertjes echt nog waard ben.
Assessment: check. Reanimatiecursus: check. Bijscholingspunten: check, ruime check – meer scholing gevolgd dan ik dacht! Maar dat ene onderdeel, die urenverantwoording… daar zag ik tegenop. Mijn grove schatting vooraf had nu meer detail nodig. Een zeer druk masterjaar voor mijn studie, een jaar bestuurswerk met slechts beperkt tijd voor consulten, om allerlei redenen herbronnen na dat bestuursjaar, focus verschoven naar meer biopsychosociale aspecten van de vroege kindertijd… zou ik aan het vereiste aantal lactatiekundige uren komen?

Ik ging in gedachten terug naar wat ik de voorgaande vijf jaren aan activiteiten had ontplooid. Ik realiseerde me dat ik naast de consulten hard had gewerkt aan de grondige herziening van het beroepsprofiel. Ik had daarvan bovendien een in het Engels vertaalde, stevig onderbouwde versie gemaakt voor de Europese lactatiekundige organisatie. Daarnaast had ik een evidence-based essay geschreven in reactie op een conceptrichtlijn over de ouder-kindrelatie en de rol van borstvoeding en veilige hechting daarin. Ik had de Nederlandse vertaling van James McKenna’s tweede, dikke boek gemaakt en gepubliceerd gekregen bij een grote Nederlandse uitgever. Ik had voor ACE Aware NL allemaal trainingen en cursussen gevolgd en eindeloos veel boeken en artikelen gelezen die me meer en meer inzicht gaven in waarom het in de kraamperiode vaak zo moeilijk gaat voor moeders, waarom hun baringen lang niet altijd vlot verlopen en ze vervolgens tobben met borstvoedingsproblemen. Al deze dingen hadden me echter geen CERP’s opgeleverd, de door de internationale lactatiekundigenorganisatie geaccrediteerde scholingspunten. Nu ik zowel mijn uren als mijn CERP’s moest aantonen, werd ik me ervan bewust dat het referentiekader eigenlijk nogal smal is. Die R-categorie… daarin mocht ik maar 20 punten opgeven, terwijl veel van wat mij nu een veel betere lactatiekundige maakt dan vroeger, precies in die of in geen enkele categorie valt.

Het uitwerken van mijn uren en mijn CERP’s, het plaatsen ervan in precies het juiste rijtje… ik werd er wat opstandig van, maar vooral ook verdrietig. Opnieuw besefte ik hoe ver we nog zijn verwijderd van een traumasensitieve benadering, van een holistische in plaats van een gefragmenteerde, reductionistische aanpak van gezondheidsproblemen. Een moeder en een baby die samen de borstvoedingsrelatie niet soepel aan de loop krijgen… daar is vrijwel altijd veel meer aan de hand dan ‘alleen maar’ een lactatiekundig, ‘technisch’ knelpunt. Natuurlijk moet het aanleggen onder de loep worden genomen; natuurlijk moeten anatomische of neurologische problemen bij de baby worden uitgesloten. En vanzelfsprekend moet je kijken hoe al bestaande medische problemen binnen de borstvoedingsrelatie een plaats hebben, maar… vanuit een traumasensitieve benadering weet je dat zelfs al déze zaken mogelijk (en heel vaak zelfs waarschijnlijk) veel dieperliggende wortels hebben.

Er is nog steeds veel aarzeling om deze trauma-aspecten erbij te betrekken. En er is ook vaak veel angst om het hierover te hebben met cliënten: kunnen ze dat wel aan, willen ze daarover wel praten, is het niet brutaal daarover te beginnen? Dan is het goed te bedenken dat als er zulke vragen opkomen, die vaak een spiegel zijn voor je eigen pijn, voor je eigen triggers en je eigen overlevingsstrategieën. Wanneer je de competenties ontwikkelt die nodig zijn om het kwetsbare, intens persoonlijke gesprek met de cliënt op een veilige, constructieve, compassievolle manier aan te gaan, dan ontstaat er een wonderschone diepgang in de consulten. Dan ontstaat er een ontroerende verbinding, omdat de cliënt de veiligheid voelt om de verbinding met het diepste Zelf te herstellen. Wat een eer, om daarbij aanwezig te mogen zijn en er een bijdrage aan te mogen leveren… over hoogkwalitatieve zorg gesproken!

Ze hadden elders in Europa een paar dagen nodig om al mijn bijlages te bestuderen, maar het is gelukt: afgelopen maandag kreeg ik bericht dat ik tot december 2028 weer gerecertificeerd ben – hoera!
Vrij baan, dus, voor de verdere ontwikkeling van traumasensitieve lactatiekundige consulten!

Boekbespreking ‘Vadervuur’ door Jeroen de Jong, Deel 2

Eerder deze week deelden we Deel 1 van deze boekbespreking; vandaag lees je Deel 2.

Zoals gemeld bevat ‘Vadervuur’ veel essentiële vragen, vragen die een open, zelfreflectieve houding vereisen en Jeroen zegt dan ook: “Bewust en betrokken vaderschap is niet voor watjes” (p. 42). Hij kaart aan dat er een verschil is tussen ontspanning en ontsnapping; er is ook vaak een verschil tussen wat we willen en denken te zijn en dat wat we daadwerkelijk doen (p. 47). Dat spanningsveld vraagt om regelmatig terugkerende momenten van stilstaan, afscheid nemen, achterlaten en rouwen (p. 54). Het heeft ook raakvlakken met de ACE’s die we als kind wellicht te verduren hadden. Zeker voor mannen kan dit een ingewikkeld thema zijn. Stoer zijn, doorgaan, niet klagen… dat zijn eigenschappen die in mannen vaak nog worden gewaardeerd, terwijl ze betrokken vaderschap in de weg kunnen staan. Bij reflectie kunnen ceremonies behulpzaam zijn, rituelen die overgangsmomenten markeren. Dat is één van de redenen waarom Jeroen en Wendy samen zo dol zijn op de zweethutten die ze met regelmaat organiseren (en waarvan ik een toegewijde bezoeker ben). Zweethutten zijn een manier om heel fysiek aandacht, tijd en ruimte te schenken aan wat er in je leeft. Ceremonies, welke dan ook, kunnen behulpzaam zijn om emotioneel in contact te blijven met wat belangrijk voor je is en om vast te stellen op welke manier je grenzen wilt trekken opdat je de ‘heilige ruimte’ (p. 59) van je ware Zelf, van je thuis en van je gezin goed kunt beschermen. Daarmee creëer je voor iedereen veiligheidsbeleving.

In heel dat spannende en uitdagende ouderlijke avontuur kun je daarom soms wel wat wijze raad gebruiken. De ‘elders’ (niet de ‘elderly’ – niet de oude, maar de rijpe, wijze mensen) zijn daarbij in veel culturen van groot belang. In de westerse wereld zijn we niet (meer) zo vertrouwd daarmee. Er zitten in feite twee richtingen in dat concept, en beide vragen kwetsbaarheid. De jongere vader kan van de oudere leren, van alles wat diegene al heeft doorleefd. En het omgekeerde is ook waar: oudere vaders (en opa’s) kunnen ook leren van de nieuwe inzichten die de jongere vaders delen. Dat is waarom Jeroen blij is dat zijn groepen heel divers zijn samengesteld, zoals ook tijdens de theateravond bleek. Veel ‘ervaren’ vaders in Jeroens groepen zijn bereid om verder te groeien in een nieuwe persoonlijke en maatschappelijke werkelijkheid, met nieuwe kennis en ervaring, met wat minder ego. Ook als je gezin al ouder is, als je kinderen al de deur uit zijn… dan nog heb je als ouder invloed op de cultuur in je gezin en blijft het ‘voorleven’ dat Jeroen aan het begin van zijn boek bepleit, van grote invloed en betekenis: “Iedere meester zou trots moeten zijn als zijn leerling hem overstijgt. Zo komen we verder met elkaar” (p. 67).

In wat we meenemen van hen die ons voorgingen, wordt zichtbaar hoe we als kind zijn ‘gemarineerd’ (p. 79): “Hoe beter je het nest kent waar je vandaan komt, hoe fijner het nest zal zijn dat jij bouwt voor jouw kinderen” (p. 80). In één van de hoofdstukken in dit deel over ouders stelt Jeroen dat die meestal diep geworteld zijn en meestal niet meer zo gemakkelijk in beweging te krijgen. Hij zegt dat de kans op verandering het grootst is als je als vader zélf in actie komt en niet wacht op hún stappen. Hoewel ik het ermee eens ben dat je zelf stappen kunt zetten als de benadering van je ouders niet overeenstemt met je eigen levensvisie, zou ik graag wat meer nuance aanbrengen in dat waartoe die ouders (nog) in staat zijn. Anders dan Jeroen ben ik al grootouder en ook die rol vraagt een heroriëntatie. Ik heb gemerkt dat dat juist ook weer een krachtige motivatie is om in beweging te komen, om de wortels een beetje op te (laten) graven en te onderzoeken of ze met wat spitwerk tot nieuwe groei zijn aan te moedigen. Dat kan voor de verse loten aan de boom heel heilzaam zijn (en regelmatig een zweethut bijwonen is daarbij heel behulpzaam… 😉).

Er is nog veel meer moois over ‘Vadervuur’ te vertellen, maar ik zou zeggen: ga het lezen, dat boek; als jonge vader zul je er veel uit halen, maar als moeder ook. Het boek geeft lucht, is zacht en vriendelijk, heeft grappige zelfspot en vrolijke humor. De holistische benadering is een verademing. Die moedigt aan de eigen emoties te herkennen en erkennen, die in jezelf en die in je oorspronkelijke en huidige familiesysteem. Heb vertrouwen in jezelf en in je kind en bedenk: “Voorleven is jezelf ontwikkelen met je kinderen als externe motivatie” (p. 147). Dat vraagt ook om ‘sorry’ te leren zeggen naar je kind, zodat jullie relatie veilig blijft voelen en je geen misbruik maakt van de onvermijdelijke macht die je als ouder hebt (p. 168). Weliswaar zul je grenzen hebben, maar je kind heeft die ook en ze verdienen over en weer te worden gerespecteerd. Daarmee stimuleer je de eigenheid van je kind.

Tegelijk is het ook mooi als er een zekere grenzeloosheid mag zijn, een puur en oprecht enthousiasme dat is gekoppeld aan gretigheid en een gevoel van overvloed. Jeroen omschrijft het als “happy, thank you, more please” (p. 223), een manier om los te komen van het vaak zo indringende ‘scarcity thinking’ dat meestal op trauma is gebaseerd. Denken in termen van overvloed, vanuit authenticiteit, zonder masker op, geeft een andere persoonlijke en gezinsdynamiek. Dat is niet altijd simpel, maar daarom eindigt Jeroen het boek met zijn motto: “Wel zelf doen, maar niet alleen” (p. 229), als uitnodiging om elkaar op te zoeken en van elkaar te leren. Dat is een belangrijke uitnodiging, want de overtuiging dat we ‘sterk’ moeten zijn en dat we de moeilijke dingen in het leven alleen moeten doen, is één van de veelvoorkomende traumaresponsen na een kindertijd met ACE’s. Jeroens aanmoediging tot openheid, sociale verbinding en uitreiken naar je ‘peers’, je collega-vaders, is daarom een belangrijke boodschap.

Ik heb genoten van ‘Vadervuur’ en één dezer dagen is ook de podcast met Jeroen online gekomen. We spraken elkaar vrij kort nadat het boek uitkwam en hadden een heerlijk gesprek over al deze thema’s. Je vindt de podcast hier .

Boekbespreking ‘Vadervuur’ door Jeroen de Jong, Deel 1

Wanneer je eenmaal in kringen van ‘Attachment Parenting’ en responsief, sensitief ouderschap terechtkomt, dan zijn er diverse mensen die je telkens weer zult ontmoeten. Eén van die mensen is Jeroen de Jong. Sinds 2013 is hij actief in een belangrijk deel van het ouderschapsveld, namelijk bij de jonge en oudere, rijpere en groene vaders, die allemaal op hun eigen manier zoekende zijn naar een vorm waarin ze gestalte kunnen geven aan hun rol als mannelijke ouder van hun kind(eren). Het is prachtig om te zien hoe Jeroen zijn plek gevonden heeft met het organiseren van allerlei activiteiten voor ‘betrokken vaderschap’ en hoe hij in dat avontuur niet alleen figuurlijk, maar ook letterlijk het vuur brandend wil houden. Nog mooier is dat hij daarover nu ook een boek heeft geschreven, zodat iedereen gemakkelijk toegang heeft tot zijn visie.

De officiële presentatie van ‘Vadervuur – Volg je eigen opvoedkoers en word de vader die je je kind gunt’ vond plaats op 31 mei 2023 in theater De Slinger in Houten en anders dan bij de meeste andere ouderschapsevents was de zaal nu in meerderheid gevuld met mannen. In de hal stonden stapels boeken klaar, die na de voorstelling werden uitgereikt aan degenen die een exemplaar hadden besteld of ter plekke besloten te kopen. Zoals de theateravond een feestje was, is het boek dat ook.

Onder de titel op de okergele cover staat een getekende zwartwit afbeelding met twee mannen en drie kinderen. De kinderen houden een stok met een marshmallow in de hand, die ze dicht bij de vlammen van een kampvuurtje houden. De vlammen zijn rood en het vuur lijkt lekker te branden. Onder Jeroens naam staat ‘De Praktijkvader’, de naam van het eigen bedrijf dat hij samen met zijn vrouw Wendy nu al geruime tijd runt en die bovendien aangeeft dat hij het putten uit de dagelijkse praktijk een warm hart toedraagt. Niet de regels staan voorop, maar de alledaagse realiteit. En die realiteit is onder andere dat betrokken vaders een zeer belangrijke rol vervullen voor een gunstige ontwikkeling van welzijn en gezondheid in hun kinderen en zo dus bijdragen aan de preventie van ACE’s.

‘Vadervuur’ heeft 53 korte hoofdstukken, ondergebracht in zeven themadelen, namelijk Ruimte maken (9 hoofdstukken), Inwijding (7), De plek van je ouders (8), Denken, voelen, doen (7), Van opvoeden naar voorleven (11), Ouders én geliefden (6), en tot slot: De wereld in (5). Dat is een mooie verdeling: ze wekt de indruk dat het belangrijkste van Jeroens boodschap is dat ‘opvoeden’ een lastig begrip is en dat het ouderschap meer om ‘voorleven’ gaat. Als je het mij vraagt, is dat inderdaad wat hij wil zeggen. En dan komt het er dus op aan hoe we als ouders in het leven staan en hoe we met zaken omgaan. Daarbij blijkt het voor de meesten van ons van groot belang te zijn hoe krampachtig of hoe krachtig we zijn verbonden met wat onze ouders ons leerden en voorleefden. Wat nemen we daarvan mee en wat laten we daarvan los? Wat hebben onze kinderen van ons nodig? Kunnen we in wat Jeroen de nieuwe wereld van het ouderschap noemt, open kijken, zonder oordeel, kinderlijk nieuwsgierig? In de zeven delen van het boek gaat Jeroen op zoek naar antwoorden op onder andere die vragen en ieder deel begint met een quote van een auteur die daarover waardevolle dingen heeft gezegd.

Jeroen probeert in zijn boek niet om het beter te weten dan degenen die hij toespreekt. Wat hij doet, is je deelgenoot maken van de ontdekkingsreis die hij zelf aanving met de geboorte van zijn oudste kind. Tijdens die reis, die nog altijd doorgaat, waren de (uiteindelijk drie) kinderen zijn grootste spiegel, waarin hij zag wat hij nog te leren had: “Mijn kinderen groeiden op en ik groeide met hen mee” (p. 13). Het boek is op een bepaalde manier een weergave van wat zich tijdens dat opgroeien de afgelopen twintig jaar allemaal heeft voorgedaan in zijn gezin en hij deelt de inzichten die hij heeft opgedaan.

Eén van de belangrijkste daarvan is dat een kind eigenlijk hetzelfde wil als jijzelf destijds: “iemand die er voor je was, helemaal, volledig aanwezig en zonder voorwaarden” (p. 31). Dat lukt beter wanneer ouder en kind niet te veel zorgen hebben. Hoe meer we denken dat we van alles moeten doen om die kinderen ‘goed’ te krijgen (opvoeden!), hoe moeilijker het allemaal wordt. Jeroen vertelt een mooi verhaal over een foto van zijn anderhalf jaar oude oudste zoon waarvan de levenslust afspatte, waarop een vriend zei: “Zo Jeroen, die kun je alleen nog maar verpesten” (p. 33). Daarmee is de toon gezet: niet meer aan ze willen sleutelen: “We mogen stoppen met opvoeden, want juist daar begint de ellende” dus: “Hoe kun jij die sprankelende vader zijn waar je kind op zit te wachten?” (p. 34). Dat is een mooi uitgangspunt voor een boek dat in de meeste boekhandels vermoedelijk toch ergens in het vak ‘Opvoeding’ zal belanden.

Opmerkelijk en verfrissend vond ik de talloze vragen in het boek. Veel hoofdstukken zijn er rijkelijk van voorzien, van vragen die confronterend kunnen zijn, maar waarop de antwoorden richting kunnen geven aan hoe je als vader (en ook als moeder) je ouderschap wilt vormgeven. “Wat zijn de behoeftes van dit kind? Welk offer vragen die behoeftes van mij? Wat heb ik als kind het meest gemist? Leef ik nog in overeenstemming met wie en hoe ik wil zijn?” Op allerlei manieren exploreert het boek deze thema’s via persoonlijke verhalen en deskundige vragen. De relevantie van dit soort vragen is groot, want als we ze eerlijk en diepgaand onderzoeken, komen we vaak oog in oog te staan met onze eigen levensgeschiedenis en met de pijn die daar ligt opgeslagen en ons handelen als ouder beïnvloedt.

Later deze week volgt Deel 2 van de boekbespreking.

 

 

 

 

 

 

Trauma, triggers, en je grenzen bewaken, Deel 3 (slot)

Afgelopen week vertelde ik over de herinneringen die bovenkwamen in de CI-sessie en vandaag deel ik het inzicht dat ik opdeed.

Mijn collega vervolgde haar compassionate inquiry en vroeg welke emoties er opkwamen bij die walging. Ik liet alles de revue passeren en werd verdrietig over de treurnis die het zo vaak had veroorzaakt, over de emotionele afwezigheid als gevolg van alle verslaving, en ineens realiseerde ik me hoe woedend ik óók was. Ik verhief mijn stem: “Ik ben ook gewoon hartstikke kwaad! Altijd dat gelieg over dat gezuip! Ik wil die geur niet ruiken! Ik wil niet dat je dicht bij me komt! Blijf bij me vandaan! Rot op!” Ik schudde mijn hoofd, ik kneep mijn ogen dicht en gromde met open mond, ik strekte mijn armen voor me uit in een afwerend gebaar, trok ze met gebalde vuisten weer in en huilde terwijl ik schreeuwde. Mijn collega bleef aanwezig; haar gezicht op het scherm bracht me langzaam tot rust en we waren samen stil. Ze hield continu haar ogen op mij gericht en peilde hoe het met me ging. “Hoe moet dat zijn geweest voor het meisje dat je destijds was?”

Ook die vraag kende ik natuurlijk en we doken er samen in, hoe triest het is als je zo groot moet worden. Je kunt als kind weinig doen in zulke omstandigheden en met haar vragen leidde ze mij naar het inzicht dat ons allebei bekend is: de ‘freeze’ die je als kind ervaart, kan overweldigend zijn en kan je opnieuw te pakken kan nemen als je later in vergelijkbare omstandigheden komt. Dát was wat er was gebeurd: ik was in een freeze geraakt toen de dame dronken op mij af kwam en dingen van mij wilde die ik totaal niet bereid was te geven: aandacht, erkenning, fysieke nabijheid. Ik was het jonge meisje dat niet bij haar moeder terecht kon, maar haar moeder ook niet dronken om zich heen kon verdragen.

‘Ik begrijp dat je geen scène wilde maken, ook al zat niet jij, maar die vrouw fout, maar wat had je wél kunnen zeggen?’ Ik dacht in gedeelde stilte na. ‘Euh… ik had iets kunnen zeggen in de trant van: ik geloof dat je dronken bent en het lijkt me beter dat we dit gesprek nu niet voeren.’ Ik lachte om mezelf: die zin was eigenlijk heel simpel, heel ‘cool and collected’! Die had ik best kunnen uitspreken; die had niet tot ‘toestanden’ hoeven leiden, toestanden die me op zichzelf wellicht weer aan vroeger hadden herinnerd. Die zin was ook respectvol naar haar geweest. En als zíj vervolgens tóch een toestand had gemaakt, was ik daarvoor niet verantwoordelijk geweest. Ook dat was interessant, natuurlijk, mijn poging om de lieve vrede te bewaren en geen ‘toestanden’ te creëren, terwijl wat er gebeurde beslist grenzen overschreed. Hoe bang was ik voor ‘toestanden’? Hoeveel van mijn eigen grenzen en wensen was ik bereid op te geven om ‘toestanden’ te voorkomen? Hoe verantwoordelijk voelde ik mij voor het voorkomen van ‘toestanden’ en bovendien voor het veiligstellen van het welzijn van de mensen om mij heen, voorbijgaand aan dat van mezelf? Sinds wanneer en met welke consequenties had ik dat als kind gedaan en als volwassene voortgezet?

Vervolgens werd ik me ervan bewust dat ik niet goed begreep hoe er twee dagen lang plenair over deze thema’s was gesproken en dat iemand vervolgens op deze manier een andere congresganger tegemoet treedt. Terwijl ik het uitsprak, realiseerde ik me hoeveel trauma er is en hoe zelfs de beste leraar niet kan zorgen dat de leerling er klaar voor is om de volle omvang van de boodschap te horen en tot zich te nemen. Als we er niet klaar voor zijn, kunnen we de les niet leren. Als we nog in survival mode zijn, werkt onze neocortex, ons intellectuele brein, niet goed. Dan vallen we terug op primaire instincten en defensieve mechanismen. In die zin was het wel interessant dat ze had gezegd dat ze me dankbaar was voor het feit dat ik haar had gespiegeld. Was ze niet gewend een grens tegen te komen? Had ze haar dronken staat nodig gehad om dat te kunnen onderkennen…? Ooit las ik: ‘When the student is ready, the teacher will appear.’ (Als de leerling er klaar voor is, zal de leraar verschijnen.’) Onlangs zag ik een vervolg daarop dat erbij hoort: ‘When the student is really ready, the teacher will disappear.’ (Als de leerling werkelijk klaar is, zal de leraar verdwijnen.) Ze had naar eigen zeggen iets van mij geleerd en met hulp van mijn CI-collega had ik nu ook iets van háár geleerd. Ook al prefereer ik beslist een sobere leraar voor mijn leerproces – ik had wel weer een inzicht opgedaan.

Een belangrijke vraag die Gabor altijd stelt, is of je weleens je intuïtie hebt genegeerd en daar later spijt van had. Dat deed ik als kind waarschijnlijk geregeld, mijn intuïtie negeren, mogelijk zelfs continu. Er gebeurde van alles in ons gezin en in de bredere familiekring wat niet okay was, maar er werd niet over gepraat en ik leerde niet aan (of leerde af) er zelf wat over te zeggen. Als mijn moeder zei dat ze niet gedronken had terwijl dat wél zo was, begon ik ondanks de intuïtieve signalen tóch aan mijzelf te twijfelen: ‘Zie ik het zo verkeerd? Ben ik zo’n nare dochter, dat ik mijn moeder wantrouw, dat ik niet geloof wat ze zegt? Misschien heb ik het toch mis…’ Eigenlijk realiseer ik me pas sinds kort hoe diep de impact is van al deze dynamieken en hoe ze leidden tot vervreemding van mijzelf.

Daar ligt de kern van trauma: de verbroken verbinding met het ware Zelf, het verloochenen van je authenticiteit omwille van (je pogingen tot het behouden van) de hechtingsrelatie. Er was met de dronken dame geen hechtingsrelatie, maar wel een poging van mijn kant om geen ‘toestanden’ te veroorzaken, iets wat zou kunnen gebeuren als ik met kracht en gezonde boosheid mijn grenzen zou bewaken. Ik voelde die best, die grenzen, en ook dat ze eroverheen ging, maar ik was verlamd. Ik liet me overrompelen in de overtuiging dat ik dan het snelst van haar af zou zijn en haar nooit meer zou zien. Ergens vanaf willen zijn hoeft echter geen reden te zijn om anderen finaal over je grenzen heen te laten gaan. Dit soort voorvallen kunnen overigens wél een reden zijn om je eigen triggers onder de loep te nemen. Wat had het in mij teweeggebracht dat ze te laat kwam en omstandig bezwaar maakte tegen de beperkte ruimte? Wat had mij doen besluiten voor mijn collega een stoel te regelen? Waarom maakte de rusteloosheid in de rij mij plaatsvervangend ongemakkelijk voor de spreker? Wat had me zo gestoord aan haar poging om voor te dringen bij de signeersessie? Welke pijn hadden haar vuurspuwende ogen en haar afgewende hoofd in mij aangeraakt? Met compassievolle nieuwsgierigheid zou er nog veel meer te ontdekken zijn in mijn ervaringen – als leerling ben ik er klaar voor en een leraar heb ik al.

Twee dagen later had ik nog een mooie slotbijeenkomst; tot mijn verrassing verscheen de dame daar ook. Opnieuw zag en hoorde ik bijzondere dingen. Ik had me bij haar (te late…) binnenkomst echter voorgenomen de confrontatie niet aan te gaan. Ik wilde van de bijeenkomst genieten en mijn energie steken in het maximaal indrinken van de rijkdom van de avond. Ik voelde bovendien geen noodzaak of verantwoordelijkheid te werken aan de relatie met haar of bij te dragen aan haar proces. Een buddhistische uitspraak die ik ooit hoorde: ‘Als je het niet beter kunt maken, is het al winst als je het niet slechter maakt.’ Dat klinkt me ‘compassionate’ genoeg in de oren: daarvoor had ik gekozen.

Met hulp van mijn collega had ik eerder op de dag ontdekt dat er simpele uitspraken denkbaar zijn waarmee je zo nodig je grenzen kunt aangeven en bewaken. Via de walging had het lichaam ‘nee’ gezegd en voortaan mag het hoofd via de mond ook vriendelijk ‘nee’ zeggen. Als de ander daardoor getriggerd raakt, is er voor de ander werk aan de winkel waar het een compassievol onderzoek naar de eigen reactie betreft en als ik daarvoor ruimte voel, kan ik daarbij behulpzaam zijn. Duidelijkheid over je eigen grenzen is bovendien respectvol naar de ander toe. ‘Clarity is kindness’, aldus mijn lieve, wijze Schotse ACE-bewuste collega Suzanne Zeedyk.

Al met al leerde ik een waardevolle les. Het voorval en de sessie hebben me geholpen nog weer beter de oude patronen te doorgronden die verscholen liggen achter ogenschijnlijk nieuwe omstandigheden. Cognitief wist ik dat allang, maar ik ervoer het nu vanuit de taal van mijn lichaam. En wanneer het lichaam ‘nee’ zegt… dan mag je daar naar luisteren en naar handelen – de wijsheid van je lichaam is groot!

Trauma, triggers, en je grenzen bewaken, Deel 2

Vorige week  deelde ik een gebeurtenis met een dronken vrouw en hoe ik op haar reageerde. Deze week vertel ik over hoe ik die reactie verder onderzocht.

‘Zullen we eerst een grounding doen of wil je meteen beginnen?’ Mijn collega vroeg het me lachend. We hadden al twee sessies achter de rug en nu was het haar beurt om therapeut te zijn, dit keer met mij als cliënt. Ik had nog niet helemaal bedacht wat mijn intentie voor de sessie was en welke lastige situatie ik verder wilde uitdiepen via Compassionate Inquiry (CI). Een grounding leek me een goed idee; de stilte ervan had al vaker tot mooie inzichten geleid.
Ik sloot mijn ogen en gaf me over aan haar stem. Het duurde maar twee of drie van haar zinnen en toen wist ik het: de situatie met de dronken dame die me omhelsde en zoende – daarover zou mijn sessie vandaag gaan. Meer inzicht krijgen in wat daar eigenlijk was gebeurd – dat was mijn intentie.

Het is met CI de bedoeling dat we snel afdalen in onze lichamelijke ervaringen, maar ik had even tijd en tekst nodig om mijn collega de context uit te leggen. Ik vertelde het verhaal en hoe ik walgde van het idee dat ze me zou omhelzen. Dat woord pikte ze terecht op – walging is een krachtige emotionele ervaring. Ze vroeg me hoe dat voelde, walging. Ik tastte met mijn gedachten mijn lichaam af, dacht terug aan de bewuste avond. ‘Ik werd er misselijk van. Zelfs als ik het nu vertel, zou ik willen kotsen’, antwoordde ik. ‘Kunnen we even bij dat gevoel blijven?’ We zijn beide CI-student; ook ik ken de vragen, en ik weet wanneer je ze ongeveer kunt verwachten, maar toch… als je in de cliëntrol zit, is het anders. Voor de cliënt verschijnen de vragen die je als therapeut het beste kunt stellen of die je als observant graag wilt zien komen, soms tóch als een verrassing. En soms is de vraag zelf geen verrassing, maar is het gevoel dat gepaard gaat met het waarnemen van de lichamelijke sensatie dat wél. Die waarneming is soms echt intens, confronterend, schokkend. Dat was ook nu het geval: ik voelde nu haast meer walging dan op het moment zelf, toen ik overrompeld was en alleen maar dacht aan hoe ik de situatie optimaal kon ‘managen’ zonder er een toestand van te maken, daarmee een verantwoordelijkheid op mijn schouders nemend die daar niet thuishoorde. Zij drong zich immers aan mij op, niet andersom.

We bleven een poosje bij de walging en al snel realiseerde ik me dat deze walging niet over deze vrouw ging, maar over een andere vrouw – over mijn moeder. Zij was jarenlang een soort verborgen alcoholist. Ze loog tegen mij over of ze gedronken had. Pepermunt en goedkope eau de toilette werden ingezet in een poging de odeur van alcohol en nicotine te verdoezelen. In combinatie met kleding die doortrokken was van de stank van verschaalde sigarettenrook resulteerde dat in een geurenbouquet dat ik na verloop van tijd niet meer kon verdragen en dat jaren later, als ik het ergens waarnam, via associatie het hele palet aan ellende opriep. Als ik bij mijn moeder alcohol meende te ruiken, ontkende ze het meestal. Dan zei ze dat het de medicijnen waren of ze verzon iets anders.

Tijdens onze CI-sessie herinnerde ik me bovendien een situatie waarin we midden in de nacht terugkwamen van het bezoek aan een stel kennissen van mijn ouders. Ze hadden de hele avond beneden zitten klaverjassen met z’n vieren, terwijl mijn zusje en ik samen met de twee zoons van het stel boven films keken en chips en ijsjes aten. Als we zachtjes deden, zouden ze ons waarschijnlijk vergeten en mochten we extra lang opblijven. Eén zo’n avond was het weer laat geworden. Mijn zusje en ik werden op de achterbank van de auto geïnstalleerd, comfortabel in een slaapzak, zodat we de rit van een dik half uur naar huis slapend konden doorbrengen. Mijn moeder had geen rijbewijs, dus mijn vader reed altijd en ging daar verantwoord mee om. Eenmaal thuis parkeerde mijn vader op zijn vaste plek voor de deur. We werden wakker en moesten met onze slaperige koppies en rillerige lijfjes (we zullen iets van 7 en 9 of 8 en 10 zijn geweest) de auto uit. Mijn vader deed zijn stoel naar voren en liet ons uitstappen, zodat we de trap op konden lopen van de portiek van onze flat. Ook mijn moeder kwam de auto uit, maar vlak voordat ze de portiek in stapte, braakte ze op de stoep voor onze flat alles eruit wat er die avond in was gegaan – naast de hapjes vermoedelijk heel veel sherry of vermout, dé drankjes in die tijd, met voldoende alcohol om beroerd van te worden als je er een hele avond mee doorhaalt.

Ik schaamde me; wie zou hier morgenochtend getuige van zijn, van zo’n vieze plek op de stoep, vlak naast de auto, vlak voor de voordeur? Dat hoorde niet, zo voelde ik. Kotsen is tot daar aan toe desnoods; daar kun je niet altijd wat aan doen, maar op de stoep voor de voordeur, na een avond uit?! Ik doorgrondde niet alles, maar als jong kind vond ik dit zeker niet in orde. Ik heb er, terugdenkend, een gevoel bij dat ook mijn vader zich schaamde en ook dat hij boos was, hoewel hij niks zei. Ik weet niet hoe het is afgelopen die nacht, of één van beiden nog naar beneden is gegaan om er bijvoorbeeld een emmer water overheen te gooien. Wel had mijn vader jarenlang maagproblemen: hij had te veel geslikt wat hij niet te verteren vond, denk ik.

Dat drinken van mijn moeder was dus niet pas een ding toen ik volwassen, getrouwd en moeder in mijn eigen gezin was. Dat was vast en zeker al ouder, al weet ik niet zeker of het die keer een incident was, of een voor ons zichtbare gebeurtenis in wat ook toen al een patroon kan zijn geweest. Hoe dan ook had het tot gevolg gehad dat ik mij decennialang verre zou houden van alles wat mogelijk tot een ongecontroleerde staat van zijn kon leiden: geen overvloed aan alcohol, geen sigaretten, geen drugs, geen wiet – meer algemeen: geen al te dolle uitspattingen. Ik zou me niet als een experimenterende puber lekker vrij en onbezonnen laten gaan, maar mezelf in bedwang houden: geen toestanden, geen drama, geen gênante vertoningen.

Over vastberadenheid gesproken: ik zou voor mezelf en zeker later voor de kinderen niet een situatie creëren waarin ze bijvoorbeeld door winkelpersoneel in de stad zouden worden aangesproken met de opmerking: ‘Joh, ik vind het heel vervelend, maar mijn personeelsleden zeggen soms tegen elkaar van kijk, daar komt die dronken vrouw weer aan, maar dat is jouw moeder…’ Wat kon ik eraan doen? Ja, ze was mijn moeder en nee, ik was niet verantwoordelijk voor haar gedrag en ja, ik had geprobeerd er wat tegen te doen en nee, dat was totaal niet gelukt en ja, ik vond het totaal waardeloos dat ik niet trots op mijn moeder kon zijn, zoals andere kinderen in de klas. En ‘waardeloos’ was een complex begrip: ik was intens verdrietig, maar ik was ook gewoon hartstikke boos. Waarom maakte ze er zo’n puinhoop van? Waarom was ze er niet voor ons? Waarom zoop en rookte ze zo veel, hoewel ze er niet gelukkig van werd? Er was veel verwarring, verdriet, teleurstelling, woede, en ja, ondanks alles ook heel veel vastberadenheid en zelfbeheersing, overlevingsdrang en dapper doorzettingsvermogen.

Volgende week deel ik het verdere verloop van de sessie en mijn opgedane inzicht.