Salutogenese en ACE’s, Deel 2

Afgelopen week doken we in het begrip ‘salutogenese’, gemunt door medisch socioloog Aaron Antonovsky. Daarbij staat de vraag centraal wat we nodig hebben om gezond te blijven. We staan allemaal aan allerlei stressfactoren bloot en daarom is het belangrijk dat we bronnen hebben waaraan we ons kunnen laven, mensen bij wie we ons veilig, gezien en gehoord voelen. Antonovsky noemde deze bronnen Generalised Resistance Resources (GRR’s), om aan te geven dat ze bijdragen aan onze vaardigheid om uitdagingen het hoofd te bieden.
Wanneer we over zulke bronnen beschikken, zei Antonovsky, dan ondersteunen ze onze gezondheid via de ‘Sense of Coherence’ (SoC), een gevoel van samenhang in het leven, ook wel omschreven als psychologische weerbaarheid. De SoC is het vertrouwen dat de interne en de externe leefwereld tot op zekere hoogte voorspelbaar zijn en dat het leven in orde is. Hij zag drie kernelementen die samen de SoC vormen: begrijpelijkheid, hanteerbaarheid en zinvolheid (comprehensibility, manageability, meaningfulness). Deze drie beïnvloeden elkaar over en weer en het lichamelijke, geestelijke en sociale zijn er altijd in verweven. Laten we ze alle drie nog wat nader onderzoeken.

Heldere boodschappen en een zekere orde en voorspelbaarheid voeden de begrijpelijkheid van het leven. Dit is het cognitieve element van de SoC. Bij begrijpelijkheid gaat het onder andere om veiligheidsbeleving in een cultuur of een sociale omgeving. Als je in een oorlogssituatie zit, in een gewelddadige wijk woont, ergens bent waar je de taal niet verstaat, of midden in een ramp of een crisis verkeert, dan wordt je gevoel van veiligheid en voorspelbaarheid ernstig aangetast. Je weet dan niet meer waarop je kunt rekenen en daardoor voelt het leven als onbegrijpelijk.
Bij kinderen kunnen, wanneer ze niet kunnen rekenen op hun primaire hechtingsfiguren, onveilige vormen van hechting dreigen.

Balans tussen onder- en overbelasting (qua taken en verwachtingen) en tussen uitdagingen en hulpbronnen in het leven (de eerder beschreven GRR’s) creëert hanteerbaarheid, het gedragsmatige element van de SoC. Wanneer je te weinig te doen hebt en niet wordt uitgedaagd, kan het zijn dat je je levenslust voelt verdwijnen. Anderzijds moet je ook niet voortdurend overbelast zijn, want dan ligt een burn-out op de loer.
Bij kinderen kan voortdurend overvraagd worden betekenen dat ze amper zichzelf kunnen zijn en continu bezig zijn te voldoen aan de verwachtingen van anderen. De authenticiteit van kind kan daardoor (ernstig) onder druk komen te staan.

De mate waarin het leven emotioneel waardevol en bevredigend voelt en waarin mensen het de moeite waard achten zich met toewijding voor dingen in te zetten, vormt de zinvolheid van het bestaan, het motivationele element van de SoC. Antonovsky achtte dit het belangrijkste element van de SoC. Wanneer het lijkt alsof dat wat je doet geen nut heeft, kan het gevoel ontstaan dat jijzelf en jouw leven geen nut meer hebben. Het kan je zelfvertrouwen aantasten en je depressief maken. Omdat mensen zulke intens sociale wezens zijn, ‘hardwired for connection’, kan vooral het gebrek aan betekenisvol contact met anderen een gevoel van zinloosheid geven – een aspect dat door de huidige lockdownmaatregelen voor velen op pijnlijke wijze zichtbaar wordt.
Bij kinderen kan dat gebrek aan contact met anderen zeer ernstige consequenties hebben. We kennen de verhalen van kinderen in Roemeense weeshuizen, die wél werden gevoed en verzorgd, maar nauwelijks intermenselijk contact hadden – ze kwijnden weg. Ook de experimenten  van Harry Harlow met in het midden van de vorige eeuw (met aapjes die van hum moeder gescheiden werden) lieten zien hoe diep de drang tot verbinding is en hoe baby’s verpieteren zonder liefdevol contact.

Hoe mensen hun gezondheid ervaren en beschrijven, heeft vaak veel te maken met hoe ze hun SoC beleven. Als één van de drie elementen van de SoC wordt bedreigd, kan de perceptie van hoe ‘gezond’ je bent ineens heel erg veranderen.
Zoals we vorige week bespraken, keek Antonovsky vooral naar de factoren in het leven die welzijn en gezondheid ondersteunen, die maken dat je je kunt aanpassen aan veranderende omstandigheden, en die sociale hulpbronnen bieden. Hij zag het leven niet als een rivier vol gevaren waarin je niet moet terechtkomen, maar als een stroom waarin we allemaal onvermijdelijk verkeren. We moeten dus leren zwemmen. We moeten leren om hulpbronnen te verwerven en zo nodig aan te boren, zodat we niet in de stroom ten onder gaan. Antonovsky zag bij dat alles een belangrijke rol weggelegd voor de omringende cultuur en de sociale omgeving. Die kunnen de SoC ondersteunen of daarvoor juist barrières opwerpen. Kijk maar eens naar het bovenstaande schema; daarin zie je de belangrijke plaats van de culturele invloed. Antonovsky noemde in zijn artikelen ook zaken als sociale positie, gender, leeftijd, aangeboren eigenschappen, opvoedingsmethodes, etniciteit, werksituatie en pech of geluk als illustratie van culturele factoren die van invloed zijn op de SoC.

We zien dus dat Antonovsky een heel holistische benadering kiest: gezondheid en welzijn zijn geen individuele verschijnselen, maar zijn ingebed in allerlei lichamelijke, geestelijke en sociale mechanismes. Zo’n manier van kijken wordt een biopsychosociale benadering genoemd. Alles rondom ACE’s is op zo’n biopsychosociaal perspectief gestoeld. De wetenschap met betrekking tot ACE’s benadrukt bij herhaling dat ziekte en sociale problematiek een geschiedenis hebben met wortels in de sociale omgeving. Het werkt contraproductief om zonder aandacht voor die omgeving mensen te veroordelen voor hun gedrag; schuld en schaamte zijn de grootste obstakels voor groei en ontwikkeling. Ze brengen ons niet tot bloei, maar breken ons in de knop. Ze drukken ons kopje onder in de rivier.

Een samenleving die moedig, kwetsbaar en met compassie haar eigen geschiedenis, gewoontes en instituties onder de loep durft te nemen, biedt haar kinderen de meest vruchtbare voedingsbodem voor een gezond volwassen leven.

Ben je benieuwd geworden naar salutogenese en hoe je dit begrip kunt toepassen in je eigen leven en je werk? Dan is hier een prachtig, gratis te downloaden naslagwerk voor je: The Handbook of Salutogenesis, een uitgave uit 2017, geschreven door Mittelmark et al., en een ware schatkist aan informatie en ideeën.

Salutogenese en ACE’s, Deel 1

Een paar weken geleden, in het laatste deel van het gesprek met Henriëtte Markink, spraken we onder andere over salutogenese. We zeiden er dit over: “Deze benadering vraagt naar de oorsprong van gezondheid, leidend tot heel andere vervolgstappen dan de in de westerse geneeskunde meer gangbare pathogenese (de vraag naar de oorsprong van ziekte). Salutogenese is prospectief (kijkt vooruit – hoe gaan we gezondheid behouden?) en proactief (wat is er nodig om gezond te blijven?) en zoekt vanuit vertrouwen naar de goede dingen van het leven. Pathogenese is meer retrospectief (kijkt terug – hoe is dit probleem ontstaan?) en reactief (wat gaan we eraan doen om het probleem op te lossen?) en streeft naar vermijding (van risicofactoren). De grondlegger van het concept, Aaron Antonovsky, omschreef het zo: ‘Pathogenese ziet het leven als een rivier vol risico’s waarin je niet moet terechtkomen. Deze visie richt zich op preventie (niet erin vallen) en behandeling (niet kopje onder gaan en verdrinken). Salutogenese zegt echter dat we altijd allemaal in de rivier zijn, want er kan ons altijd van alles overkomen. Wat we moeten doen…? Leren zwemmen!’ ” Deze week gaan we wat dieper in op deze boeiende visie op gezondheid.

Salutogenese is een begrip dat is geïntroduceerd door Aaron Antonovsky (1923-1994), een medisch socioloog voor wie twee dingen zonneklaar waren: ten eerste is de mens altijd in interactie met de grotere sociale context, en ten tweede zijn voortdurende verandering, verstoring en verslechtering niet de uitzondering, maar de regel. Voor dat laatste gebruikte hij de term ‘entropie’, wat in de sociologie ‘onvermijdelijk verval’ betekent. De mens is sterfelijk. Bij de één is de weg naar het levenseinde langer, gezonder en gelukkiger dan bij de ander, maar vroeg of laat blazen we allemaal onze laatste adem uit. Dat klinkt misschien als een tamelijk dramatische, pessimistische benadering: is het allemaal ellende en zijn we allemaal zwaar gebrekkig? Als de mens inherent tot verval geneigd is… waartoe dienen dan al onze inspanningen? Vreemd genoeg is dit idee van onvermijdelijk verval ergens juist vol compassie, vol zachtheid en optimisme: niemand is volmaakt; we zijn allemaal kwetsbaar en ieder van ons kan ten prooi vallen aan tegenslag; we maken dagelijks allemaal up en downs mee, hoogte- en dieptepunten. Eigenlijk is dit dus juist een heel realistische blik op het leven, één die een heel nieuw perspectief opent. Hij gaat niet uit van een rimpelloze, rechttoe-rechtaan levensloop als de standaard situatie. Hij laat ruimte om, zonder schaamte, fouten te mogen maken, om dingen moeilijk te mogen vinden. Dit bewustzijn verbindt ons als mensen met elkaar. Om die entropie te vertragen, kunnen we op zoek gaan naar factoren en processen die het verval actief tegengaan. We kunnen proactief streven naar dat wat gezondheid (‘saluto-‘) creëert (‘genese’), in plaats van steeds angstvallig van alles te vermijden wat gevaarlijk is en onze gezondheid en ons welzijn zou kunnen bedreigen. De uitdaging, zo zei Antonovsky, ligt in het zo goed mogelijk leren omgaan met wat het leven ons brengt en zorgen dat we tegen een stootje kunnen… of tegen een flinke golf, om het beeld van de rivier vast te houden.

Bij dat alles zag hij gezondheid niet als een dichotomie, een opdeling waarbij je maar in één van twee categorieën kunt vallen, in dit geval ‘gezond’ of ‘niet gezond’. Antonovsky zag een continuüm voor zich, een lijn waarop mensen heen en weer bewegen: soms voelen ze zich beter en gezonder dan op andere momenten. Zelfs als ze door zware periodes gaan, kunnen ze echter nog een zo goed mogelijk welzijn nastreven. Zelfs als alles tegen lijkt te zitten, kunnen mensen bronnen aanboren die licht in de duisternis geven. Zelfs als je doodziek of zwaar getraumatiseerd bent, kunnen troost en geruststelling je lot verzachten.

Wanneer je op deze manier naar gezondheid kijkt, wordt de kernvraag: wat hebben we nodig? Hoe kunnen we zo lang mogelijk genieten van de jaren die ons gegeven zijn? Wat maakt dat we ons goed en gezond voelen en het leven als betekenisvol ervaren, zelfs als er sprake is van ziekte of tegenslag? Het interessante is dat Antonovsky dat niet heel concreet invulde; hij onderkende dat dat per persoon, per context en per levensfase sterk kan verschillen. Wel ontwikkelde hij er een aantal belangrijke ideeën over die wél een tamelijk algemene geldigheid hebben en die in de bovenstaande afbeelding worden genoemd. Zo zien we bij de bovenste blauwe pijl ‘Generalised resistance resources’ (GRR’s) staan, bronnen en hulpmiddelen die je helpen om met stressfactoren om te gaan. Antonovsky omschreef ze als volgt.

Vertaald betekent dit dat bronnen van kracht kunnen worden gevormd door lichamelijke, biochemische, materiële, cognitieve, emotionele, waarden-gerelateerde, interpersoonlijk-relationele, of macro-sociaal-culturele eigenschappen van een persoon, een naaste sociale groep, een specifieke gemeenschap of de samenleving als geheel en dat die effectief zijn voor het vermijden of bestrijden van een grote variëteit aan stressfactoren waarmee je als mens te maken krijgt.
Dat is een mond vol; wat betekent dat concreet? Dat kan betekenen dat je kunt ademhalen, ontspannen, je geest tot rust kunt laten komen en je weer beter kunt voelen, omdat je lichamelijk in staat bent om te sporten of een flinke wandeling te maken, omdat je een fijne buur hebt met wie je even thee kunt gaan drinken, omdat je in een gemeenschap woont waar de sfeer goed en veilig is. Wie over zulke (en nog veel meer) bronnen kan beschikken, is beter in staat om de moed erin te houden als het tegenzit, om de draad weer op te pakken wanneer die je uit handen is geslagen.
Het werk van Antonovsky vraagt ons met nadruk om aandacht te hebben voor de positieve dingen van het leven en die heel bewust op te zoeken, omdat ze ons helpen om door de rivier van het leven te zwemmen – anders gezegd… om veerkracht te ontwikkelen.
Wanneer we dit alles vertalen naar ACEs, kunnen we mooie verbanden zien. We weten op grond van neurofysiologisch onderzoek dat het brein zich vormt en ontwikkelt in reactie op de omgeving – de grotere sociale context die Antonovsky als uitgangspunt nam. We kunnen ons dus inspannen om de samenleving zó in te richten dat we positieve invloeden op die ontwikkeling optimaal waarborgen. Voorbeelden? Goed afgestemde, responsieve volwassenen zijn voor een kind waardevolle, vitale GRR’s. Docenten die de potentie van een kind zien en het kind steunen en aanmoedigen, creëren cognitieve en emotionele GRR’s. Een sociale omgeving die aandacht heeft voor de belangen van kinderen, vormt een kostbare interpersoonlijke en sociaal-culturele GRR. Een natuurlijke omgeving waar mensen op vreedzame wijze samenleven met de natuur, stimuleert (onder andere) de lichamelijke, materiële en gedragsmatige GRR’s.

Volgende week kijken we naar de kern van Antonovsky’s werk: de Sense of Coherence, het vertrouwen dat je binnenwereld en je buitenwereld voorspelbaar en betrouwbaar zijn, dat het op de één of andere manier goedkomt in het leven.

Van kindertijd naar levensgeluk – onze vragenlijst, Deel 2

In het blog van afgelopen week begonnen we met een blik op de eerste resultaten van onze vragenlijst, ‘Van kindertijd naar levensgeluk’. Na wat aandacht te hebben gewijd aan opvallende demografische gegevens, spraken we over hoe mensen geneigd zijn zich hun kindertijd te herinneren, welke dingen er over de hele linie voor zorgen dat die levensfase als een veelbelovende of juist meer verdrietige ervaring wordt beleefd, en over de vraag welke specifieke gebeurtenissen of periodes op de lange termijn het zwaarst lijken te wegen. Deze week geven we een vervolg daaraan en onderzoeken we welke links mensen zien tussen hun kindertijd en hun persoonlijkheid nu, tussen hun verleden en hun heden.

Om te beginnen zien de respondenten, op één na, een duidelijke link tussen hun kindertijd en de belangrijkste thema’s in hun huidige leven. Het beeld lijkt helder en krachtig. Eenzaamheid en een gemis aan verbinding in de kindertijd lijken verbonden met een vurig verlangen om erbij te horen en deel uit te maken van de omringende sociale kring. Constante onzekerheid en gebrek aan veiligheid lijkt te leiden tot een aanhoudend gevoel van twijfel over het eigen handelen, tot onvolwassen reacties op alledaagse stressfactoren en het zoeken naar veiligheid in de nabijheid van anderen. Soms realiseren mensen zich pijnlijk genoeg dat hun vroegkinderlijke trauma ertoe leidt dat ze richting hun kinderen weer precies hetzelfde gevoel van onveiligheid creëren dat voor henzelf zo moeilijk was. Een gebrek aan erkenning en aan ruimte om jezelf te laten zien kan tot gevolg hebben dat mensen een lager energieniveau ervaren in hun leven, dat ze het gevoel hebben ‘te veel’ te zijn voor anderen; mensen ontwikkelen daardoor geregeld de neiging om zich in zichzelf terug te trekken.

Deze thema’s worden op consistente wijze weerspiegeld in de moeilijkheden waar mensen in hun dagelijks leven tegenaan lopen. Wat onze respondenten noemden in verband hiermee was: geen vertrouwen hebben in jezelf of in anderen, het moeilijk vinden om mensen los te laten, faalangst ervaren, onzekerheid en problemen met het stellen van eigen grenzen in relatie tot anderen, een algehele beleving van gebrek aan zelfvertrouwen, het gevoel hebben nooit goed genoeg te zijn, of depressieve gevoelens ervaren. Soms gaan zulke moeilijkheden gepaard met of lopen ze uit op hun trouwe metgezellen: ‘slechte gewoontes’. Het lijkt erop dat ‘slechte gewoontes’ globaal in twee categorieën kunnen worden ondergebracht: sociaal-emotionele gewoontes en gewoontes met middelengebruik. In de eerste categorie zijn mensen geneigd om ‘een muurtje op te trekken’ rondom zichzelf, om ‘mooi weer te spelen’, om moeilijke situaties in het werk uit de weg te gaan door ‘out of the blue’ ervan weg te lopen en te vluchten, om gemakkelijk in paniek te raken of te defensief te reageren. Ook lukt het vaak niet goed om met kritische feedback om te gaan. In de tweede categorie vinden we een ander paar ‘ouwe getrouwen’ – veel roken, veel alcohol, veel drugs, soms als recreatief gebruik, maar ook in de vorm van verslaving, vaak al beginnend op jonge leeftijd, waardoor gewenningspatronen worden gecreëerd waarop men later in het leven blijft terugvallen. Een rode draad hierin? Een echo die doet denken aan onveilige hechting.

Richting het einde van de vragenlijst klaart de lucht wat op en verandert de toon enigszins. De sfeer wordt frisser, lichter, positiever; er komt hoop om de hoek kijken. Dit herinnert ons aan een belangrijke pijler onder het ACE-gerelateerde werk: veerkracht. Mensen boren vaak onverwachte bronnen van kracht aan om te overleven, en hoop houdt hen gaande – die sterft niet maar zo. Ondanks de moeilijkheden en de levensverhalen die we hierboven en vorige week in vogelvlucht hebben beschreven, noemen mensen hun gezondheid in het algemeen ‘okay’, soms beter dan dat, soms slechter. Geregeld is er sprake van chronische ziektes (opnieuw een bekrachtiging van de link tussen ACE’s en chronische aandoeningen), en je ‘okay’ is niet het ideale scenario voor hoe je mensen hun gezondheid het liefst zou zien omschrijven. Toch vinden mensen bronnen van geluk, van zingeving; dat kan zijn in kinderen en kleinkinderen, honden of andere huisdieren, het proces van dingen creëren of tot stand brengen, tijd doorbrengen in de natuur, lezen, genieten van muziek, koken, vrijwilligerswerk doen, of andere vormen van andere mensen helpen en kennis delen. Belangrijk is ook het verbinden met andere mensen en luisteren naar elkaars verhalen, of de bewustwording dat men de kracht heeft om een ‘destructieve familiecirkel’ te doorbreken. Mensen gaan door (vaak langdurige, ingewikkelde en moeilijke) processen van heling. Op de één of andere manier, of er nu een vorm van therapie aan te pas komt of niet, mensen ontwikkelen strategieën om te leren leven met hun chronische aandoeningen. Ze vinden een vorm van gemoedsrust en zetten hun vaardigheden in om tot een vervuld leven te komen. Niet altijd lukt dat en weg daar naartoe is zwaar, maar het doet ons heel erg goed om te horen dat velen er toch in slagen.

Zoals één van de respondenten het zei: “Doordat ik erin slaag om de cirkel van trauma te doorbreken en door intensief aan mezelf te werken, ben ik eindelijk in staat om mijn verleden te begrijpen en het te aanvaarden.” Begrijpen, aanvaarden, helen – een mooie manier om het proces te beschrijven.
Daar willen we graag mee afronden, met het bewustzijn dat we er allemaal een bijdrage aan kunnen leveren dat onze medemens door deze fases heen kan gaan, als dat nodig is, door verbinding te voeden, door compassie te hebben, en door moed te tonen om naar zulke levensverhalen te luisteren, hoe moeilijk of het misschien ook is om ze werkelijk te horen. Niemand is te ver heen voor genezing, voor welke mate van herstel dan ook. Onze oprechte, niet-(ver)oordelende nieuwsgierigheid en erkenning kunnen precies die ruimte scheppen voor persoonlijke authenticiteit die mensen in hun kindertijd hebben gemist. Wanneer mensen, via verbinding met compassievolle anderen, eindelijk de verbinding met zichzelf hervinden, wanneer we hun het gevoel kunnen geven dat ze erbij horen, dan kunnen ze ten langen leste toegroeien naar het dat diepe gevoel van ‘erbij horen’ in hun eigen leven.

Van kindertijd naar levensgeluk – onze vragenlijst

Voor het blog van deze week nemen we graag een ‘duik’ in de eerste antwoorden op de ACE Aware NL vragenlijst ‘From Childhood to Life Happiness’, die we in dit blog hebben geïntroduceerd en die je te allen tijde ook hier kunt vinden. Daarmee willen we de vragenlijst ook graag aanreiken aan degenen die hem nog niet hadden gezien, omdat we denken dat de lijst een goede gelegenheid biedt om te reflecteren op de kindertijd en daarnaast een waardevolle bron van relevante data kan worden, zodra er nog meer antwoorden binnenkomen.

Met een gemiddelde leeftijd van 45 jaar komen de respondenten zowel uit Nederland als van elders, zijn ze zowel hier geboren en getogen als elders, zowel generaties lang gevestigd in dit gebied als tweede generatie Nederlandse burgers met een migratieachtergrond of expatriates. Met andere woorden: we boffen, want we hebben een keurig gemengde groep deelnemers… of misschien toch niet?
Op dit moment is 100% van onze kleine groep respondenten vrouw. Wat zou ons dat kunnen vertellen? Is het grootste gedeelte van ons publiek vrouw en voelen vrouwen zich door de wetenschap rondom ACE’s meer aangesproken? Zijn vrouwen meer bereid om over persoonlijke dingen te praten? Zijn mannen in de hedendaagse samenleving (in ieder geval in Nederland) opgevoed met het idee dat ze ‘stoer’ moeten zijn en beter geen openheid van zaken kunnen geven over emotionele verhalen die soms diepe wortels hebben in de kindertijd? Of is het tot nu toe gewoon toeval? We weten het nog niet, en gaandeweg, als de antwoorden binnendruppelen, zullen we moeten zien wat erover te zeggen valt. Desondanks vinden we het op dit moment een interessant gegeven om over na te denken.

Als we nog wat dieper in de materie duiken, worden de dingen… tsja… wat minder ‘netjes’. Een eerste blik op hoe de deelnemers zich hun kindertijd herinneren, geeft een opmerkelijk pijnlijk beeld: verwaarlozing, misbruik, pesten, eenzaamheid, gecompliceerde familierelaties, verlies van een dierbare, problematische seksuele ervaringen, gebrek aan veiligheid, gebrek aan emotionele ondersteuning… en de lijst is lang. Het lijkt haast alsof je een presentatie over ACE’s leest of een beschrijving in een trauma-geïnformeerd handboek. Dit zijn echter geen theoretische beschrijvingen – dit zijn echte levensverhalen die we lezen uit de eerste hand. De eerste vraag die opkomt, is: is dit een vertekend beeld van de werkelijkheid? Betekent het dat mensen die in ons werk geïnteresseerd zijn, vaak meer betrokken zijn bij of gericht zijn op dit onderwerp en daarom inherent vaak een meer problematische kindertijd hebben gehad? We zijn ons ervan bewust dat hun pijnlijke ervaringen wellicht precies de reden zijn dat ze überhaupt meededen met de vragenlijst, met als doel dat hun verhaal eindelijk wordt gehoord. Aan de andere kant kun je je ook afvragen of dit erop wijst, zoals door anderen wordt verondersteld, dat een ongelukkige, traumatische kindertijd veel vaker voorkomt dan we ons durven voor te stellen of dan we als werkelijkheid kunnen verdragen. Ook hier geldt: we weten het niet en we zullen meer data moeten analyseren, naarmate meer mensen de lijst invullen en hun verhalen met ons delen.
Toch voedt deze eerste indruk onze nieuwsgierigheid naar het onderwerp, naar de ervaringen. Bovendien versterkt deze impressie onze compassie voor al diegenen onder ons die vaak onzichtbaar de littekens met zich meedragen van hun jonge jaren. Wat een zorgeloze levensfase zou moeten zijn, een blij verleden dat een mooie toekomst ondersteunt, is voor meer mensen dan we zouden wensen nog overduidelijk nog steeds een rusteloos heden dat veel moeilijke dingen triggert.

En als we nog verder kijken, wat blijken dan de rode draden te zijn, de momenten of ervaringen die de meeste indruk maken en die als geestelijke of lichamelijke herinneringen voor altijd bij ons blijven? Wat zijn de eigenschappen van de kindertijd die vormend zijn voor de persoonlijke ontwikkeling? Als mensen onbevangen over hun ervaringen spreken en zich kwetsbaar opstellen, wat noemen ze dan als eerste? Wel… dat verschilt. Soms gaat het om een eenmalige gebeurtenis, zoals de geboorte van een broer of zus, het overlijden van een ouder, of ziekte in de familie. Een andere keer is het een overgangsperiode, zoals leren borstvoeding te geven, uitvinden hoe om te gaan met heftige gevoelens of uitdagingen in het leven, of zelfs de tijd in de baarmoeder. Soms spelen deze gebeurtenissen ook een rol in de beleving van onze kindertijd als goed of slecht, als vreugdevol of traumatisch, als een mooie droom of als een nachtmerrie. Een gedeeld narratief, wellicht niet heel verrassend, is echter de emotionele omgeving waarin het kind opgroeit, de kwaliteit van de hechting tussen ouder en kind: een toxische relatie, de ervaring van gebrek aan liefde, van aanhoudend gepest worden op school zonder bufferende bescherming thuis, of, wanneer we naar het andere einde van het spectrum kijken, een ouder die blij is over je mijlpalen, je emotioneel begrepen en gehoord voelen, de ervaring dat er vanaf het begin een mooie levensenergie in je is opgewekt. Wat uiteindelijk ook het beeld is, één ding is duidelijk – levensverhalen kunnen en mogen niet worden beschouwd als simpelweg een verzameling achtereenvolgende gebeurtenissen die als nummers in een statistische dataset kunnen worden verwerkt; levensverhalen zijn veel meer dan dat. Het doet ertoe hoe mensen zich voelen gedurende hun reis door het leven, te beginnen in de kindertijd. Dit zijn biopsychosociale processen die hun neurofysiologische werk doen: ze hebben de zorgwekkende potentie om een pad te banen van een gebrek aan veiligheidsbeleving in de kindertijd naar een moeilijk leven in de volwassenheid.

Volgende week zullen we ons precies daarop richten, op de links tussen de kindertijd en het volwassen leven, tussen het verleden en het heden. Deze links komen alleen maar aan het licht doordat jullie je inzichten en verhalen delen, iets wat we oprecht zeer op waarde schatten. Vandaar onze vraag om, als je de tijd hebt, neem dan gerust een kijkje bij onze ‘Van kindertijd naar levensgeluk’-enquête en weet dat we je inbreng van harte verwelkomen. Bij voorbaat onze dank daarvoor en voor het delen van de link met anderen van wie je denkt dat ze erin geïnteresseerd zijn! (https://forms.gle/tJrPh7vcV3zbpv7W9).

Professionals en ACE-bewustzijn; Aflevering 2 – Deze keer: Henriëtte Markink, Deel 3 (slot)

Afgelopen week spraken we in detail over diverse aspecten die Henriëtte als de essentie van haar werk ziet. Daarmee is voor haar onlosmakelijk het belang verbonden van een kindertijd waarin baby’s en jonge kinderen enerzijds heerlijk klein en speels mogen zijn en waarin anderzijds niet alle ingewikkelde of moeilijke dingen van ze worden weggehouden, omdat het meemaken en begrijpen van heftige gebeurtenissen je voorbereidt op wat het leven zal brengen. “Ik zie nog geregeld dat er bijvoorbeeld weinig of niet wordt gepraat over zieke familieleden, over wat dat betekent voor betrokkenen. Er kan veel leed zijn in het leven en ik denk dan vaak: ‘Ga het maar aan!’ Laat een kind daar niet met een grote boog omheen lopen, maar laat ze er dwars doorheen gaan, uiteraard wél met ondersteuning van stabiele volwassenen. Daar hoef je niet rijk of hoogopgeleid voor te zijn, als het er allemaal maar mag zijn. Het lijkt soms alsof in onze samenleving altijd alles goed moet gaan. Ik spreek met mensen die in de rouw zijn en die aangeven dat ze er in de maatschappij niet mee terecht kunnen. Na drie maanden moet je ‘gewoon’ weer door en ik herken dat wel – het mag blijkbaar alleen maar goed gaan met ons.”
Ik vraag haar of hier het begrip ‘toxic positivity’ naar haar idee een rol speelt, een vorm van overmatig positief zijn waarmee verdrietige of moeilijke ervaringen van anderen worden geminimaliseerd of ongeldig worden verklaard.
Henriëtte: “Ja, ik denk dat we met z’n allen vaak wat te positief doen; misschien is alles rondom de lockdown interessant in deze context. Het is nu legitiem om te zeggen dat het niet zo goed gaat of dat je dingen moeilijk vindt.”

Hierop aansluitend spreken we ook over toxische stress, een vorm die kan voortvloeien uit chronische stress. Ze vertelt dat ze het werk van Peter Levine gebruikt om via lichaamsoefeningen de stress letterlijk te lijf te gaan en dat ze is begonnen in het boek van Stephen Porges over de polyvagaaltheorie: “Een cliënt van mij sprak daarover en die vindt het geweldig dat we nu op basis van die theorie oefeningen doen.” De polyvagaaltheorie legt uit hoe belangrijk het voor het parasympatische deel van ons autonome zenuwstelsel is dat we ons werkelijk veilig voelen. “Als ik uitleg aan mensen dat de effecten die ze voelen als gevolg van hun onveiligheidsbeleving puur biologisch zijn, dan lucht dat vaak erg op. Velen krijgen te horen dat ze raar zijn of dat ze van alles fout doen, als ze er maar niet in slagen om met meer rust door het leven te gaan.”

We komen terug op een eerder zijweggetje over de invloed van overlevingsstrategieën uit de kindertijd, hoe die aanvankelijk behulpzaam zijn om overeind te blijven, maar op termijn disruptief en soms zelfs zelfdestructief worden: mensen verliezen door psychologisch trauma of ACEs vaak de verbinding met zichzelf en ervaren een diepe verdeeldheid in zichzelf. Ik stip het idee aan van verlies van authenticiteit als gevolg van die verloren verbinding. “Hmmm… dat weet ik niet… ik vind dat veel mensen die ik zie, juist een heel eigen karakter hebben, maar ze zijn heel wankel en heel stevig, stevig in hun wankelheid. Dat is het dubbele… er zit in de kwetsbaarheid van het trauma evenzogoed veel kracht. Mensen kunnen zichzelf zo kwijt zijn… ze raken verstrikt in hun geschiedenis en weten niet meer waar hun wortels liggen, waar ze vandaan komen. Alles  wat er is gebeurd, is één grote kluwen geworden, die we dan samen proberen te ontrafelen.”

Ik luister zorgvuldig en heb het gevoel dat we over het thema ‘authenticiteit’ een beetje langs elkaar heen praten. Ik leg uit dat trauma-expert Gabor Maté in deze context praat over de samenhang tussen de aangeboren drang tot verbinding aan de ene kant en de behoefte aan zelfexpressie aan de andere: hechting versus authenticiteit. Zijn stelling is dat wanneer een kind het gevoel heeft de unieke eigenheid niet te kunnen laten zien, omdat die op de één of andere manier niet past bij waar de ouders zich comfortabel bij voelen, die eigenheid dan het onderspit delft ten gunste van de hechtingsrelatie. Een kind kan zonder de ouders immers niet overleven, dus dan lijkt er maar één uitweg: de authenticiteit onderdrukken en minder gezien worden (zoals vorige week besproken), minder enthousiasme tonen, minder aandacht besteden aan de eigen belangstellingsgebieden of ontwikkeling, alles om te zorgen dat de hechtingsrelatie niet (verder) wordt verstoord.


Haar gezicht licht op: “Aaaah, ja! Zó uitgelegd snap ik het! Dat verklaart ook de loyaliteit aan ouders ondanks incestervaringen, bijvoorbeeld… dan blijf je in ieder geval gehecht. Wow, dit is mooi!” Ik herken haar gretigheid, want ik had zelf ook zo’n gevoel toen ik las over het belang van prosociaal gedrag, zoals beschreven door antropoloog Sarah Blaffer Hrdy. We zijn als mens zó gericht op hechting en verbinding, dat we niet slechts afwachten, maar als baby al actief op zoek gaan naar contact: hoe leuker men ons vindt, hoe groter onze overlevingskansen. Blaffer zegt dan ook, net als bijvoorbeeld Frans de Waal en Rutger Bregman (twee auteurs die over empathie-onderzoek schrijven), dat het idee van aangeboren egoïsme een mythe is. Het probleem is echt dat het moeilijk is prosociaal te blijven wanneer je continue op je hoede bent vanuit de ervaring dat je vroeg of laat weer wordt ‘uitgespuugd’, zoals we ook vorige week bespraken. Het sympatische ‘fight-or-flight’-systeem krijgt dan de overhand en dat gaat ten koste van het normale functioneren van het parasympatische ‘tend-and-befriend’- of ‘calm-and-connect’-systeem dat ons weer tot rust brengt. Die laatste twee, met het oxytocinehormoon als één van de hoofdrolspelers, staan momenteel erg onder druk, omdat velen maar minimaal positieve sociale interactie ervaren. Daardoor houden we hoge niveaus stresshormonen, met korte lontjes en gebrek aan geduld tot gevolg. Positieve interactie is dus ook in de kindertijd cruciaal. Soms moet een kind daarvoor de authenticiteit op een lager pitje zetten; het kan niet (zonder ernstige gevolgen) weg uit het gezinssysteem en moet er daarbinnen het beste van maken. Als je voor de liefde van je moeder een beetje ‘onzichtbaar’ moet zijn, dan kan dat de beste manier lijken om te overleven. Na de eerste 1000 dagen kan dergelijk gedrag er al stevig in zitten – een heel verdrietige situatie met grote gevolgen voor de lange termijn.

Henriëtte heeft aandachtig zitten luisteren: “Echt, dit is prachtig. Dit kan ik naar mijn cliënten ook goed uitleggen; dan zijn we eigenlijk ook weer terug bij de eerder besproken psycho-educatie. Ik denk namelijk dat dat de toekomst wordt, veel meer aandacht voor het parasympatische systeem: hoe kun je dat deel van het zenuwstelsel activeren en wat is daarvoor nodig? Dat gaat ook over leefstijl en leuke dingen doen. Zo ben ik een moestuin gestart en daarmee heb ik al een aantal cliënten kunnen inspireren: ze halen veel energie uit hun eigen moestuintje!”

Het ‘calm-and-connect’-systeem geactiveerd: veilige nabijheid

We moeten allebei erg lachen als ik zeg dat haar opmerking me wéér ergens aan doet denken: “Niet wéér een boek, toch?!” Het is heerlijk hoe we met onze woorden elkaar over en weer uitlokken tot verdere gedachten. Deze keer komt het begrip ‘salutogenese’ bovendrijven. Deze benadering vraagt naar de oorsprong van gezondheid, leidend tot heel andere vervolgstappen dan de in de westerse geneeskunde meer gangbare pathogenese (de vraag naar de oorsprong van ziekte). Salutogenese is prospectief (kijkt vooruit – hoe gaan we dit handhaven?) en proactief (wat is er nodig om gezond te blijven?) en zoekt vanuit vertrouwen naar de goede dingen van het leven. Pathogenese is meer retrospectief (kijkt terug – hoe is dit probleem ontstaan?) en reactief (wat gaan we eraan doen om het probleem op te lossen?) en streeft naar vermijding (van risicofactoren). De grondlegger van het concept, Aaron Antonovsky, omschreef het zo: ‘Pathogenese ziet het leven als een rivier vol risico’s waarin je niet moet terechtkomen. Deze visie richt zich op preventie (niet erin vallen) en behandeling (niet kopje onder gaan en verdrinken). Salutogenese zegt echter dat we altijd allemaal in de rivier zijn, want er kan ons altijd van alles overkomen. Wat we moeten doen…? Leren zwemmen!’

Henriëtte lacht breed: “Als je me nú zou vragen wat de essentie is van mijn werk, dan zou ik zeggen: samen leren zwemmen… en soms misschien als cheerleader op de wal staan ter aanmoediging!” Veel mensen kunnen wel wat positieve aanmoediging gebruiken, zegt ze. “Velen zijn zó eenzaam; er is veel pijn en mensen zijn vaak heel beschuldigend en bestraffend naar zichzelf toe. Vaak hadden ze een moeilijke plaats of rol in het gezin van herkomst en ze hebben dikwijls klachten waarvan je denkt: ‘Als ook maar íemand dit verhaal goed had gevolgd, dan was duidelijk geweest dat dit niet normaal is en dat er veel meer achter zit. Tijdelijke blindheid, zomaar ineens stotteren, planten uit potten rukken… van zulke dingen mogen we niet uit handelingsverlegenheid blijven wegkijken. Die moeten we nader onderzoeken. Daarbij is dan natuurlijk de vraag: ‘Hoe benader je ouders waarvan je de indruk hebt dat ze niet zo lekker veilig hun kinderen opvoeden?’ Dat is moeilijk, want ook daar heeft puur bestraffend optreden helemaal geen zin.

Ik vraag welke beleidsmatige veranderingen er volgens haar nodig zijn en welke aanknopingspunten ze ziet. “Ik denk dat de toegenomen aandacht voor psychotrauma een positief punt is. Het mag worden genoemd. Ik realiseer me dat ik soms misschien in een bubbel zit en denk dat je boeken en uitzendingen hierover echt niet meer kunt ontlopen en dat iedereen het al snapt… zo overduidelijk zal het allemaal vermoedelijk nog niet altijd zijn, maar ik zie zeker vooruitgang. Er valt veel kennis te brengen, maar ik raak ook nooit klaar met ‘halen’, want er blijft altijd zoveel te leren! Ik blijf nieuwsgierig, naar meer kennis, maar ook naar de mensen die ik zie. Dan komt het aan op pure aandacht. En het belangrijkste is dan om die aandacht zonder oordeel te geven. Mensen zijn vaak zelf al vol oordeel over zichzelf en als jij als professional niet oordeelt, kunnen ze zelf ook met meer compassie en minder oordelend kijken naar hun eigen geschiedenis en die leren begrijpen.”

We zijn inmiddels een paar weken verder. We hebben per mail en telefoon contact gehad over de blogteksten en kijken met veel genoegen terug op ons gesprek. Binnenkort zal ik Henriëtte opzoeken en een collega van haar interviewen voor nog meer mooie verhalen!
Een paar dagen na Henriëttes bezoek lag Stephen Porges bij mij op tafel, een tip van haar en één van de titels die al heel lang op mijn leeslijstje stonden. Ik ben er inmiddels in begonnen en zal er binnenkort eens een blog aan wijden!