Professionals en ACE-bewustzijn; Aflevering 2 – Deze keer: Henriëtte Markink, Deel 2

Afgelopen week bespraken we Henriëtte Markinks start van het werken met mensen met trauma. Vandaag reizen we verder met haar mee, op weg naar meer ‘waardenvolle’ inzichten van haar ontdekkingstocht.

Ik vraag haar naar haar werkplek en ze vertelt dat ze als verpleegkundig specialist/traumabehandelaar tegenwoordig in een kleine GGZ-praktijk werkt. “In de kleinere praktijk waar ik nu werk, streven we naar korte lijntjes in de communicatie en ook naar korte wachtlijsten. Iemand die lang had moeten wachten, zei een keer tegen me: ‘Ik heb een afschuwelijke winter gehad. Ik had wel dood kunnen zijn.’ Die persoon was heel erg boos op mij en ik begreep dat ook, al had ik juist mijn stinkende best gedaan om die cliënt zo snel mogelijk aan de beurt te laten komen.”
Ik kijk haar aan en probeer haar lichaamstaal te lezen: “Het klinkt alsof er voor jou aan die wachtlijsten een ethische component zit…?”
Ze knikt en kijkt fel: “De wachtlijsten voor psychotraumabehandeling, soms wel bijna driekwart jaar, zijn echt een groot en landelijk probleem en ik ervaar dat zeker als een ethische kwestie. Ik vermoed dat achter de wachtlijsten een politiek spel zit dat te maken heeft met zorgverzekeraars en hun voorwaarden richting zorginkopers, maar daar weet ik niet genoeg van, dus daar kan ik me beter niet over uitlaten.”
Ze houdt de handen langs het gezicht in een gebaar van oogkleppen en zegt: “Ik heb ooit besloten om me voortaan verre te houden van al die politieke en beleidsmatige zaken, om me daar niet meer over op te winden en alleen maar patiëntgericht te werken.”

Daarmee komen we op de essentie van haar werk; ik vraag haar er expliciet naar, hoe ze die ziet. “De essentie van mijn werk…” Ze kijkt peinzend en denkt een poosje in stilte na. “Ja, dat vind ik wel een lastige… er komen allerlei dingen in me op… Heel erg van belang is om mensen die vroegkinderlijk getraumatiseerd zijn, weer hoop te geven, om die te ontschuldigen, om ze de ruimte te geven die ze zelf niet innemen… maar de essentie is misschien toch wel om goed te luisteren, want mensen hebben een chronische behoefte om gehoord en gezien te worden. Dat geldt natuurlijk voor iedereen, maar als je een beetje leuk uit de klei getrokken bent, dan heb je in de volwassenheid niet meer die voortdurende behoefte om gezien te worden en tegelijkertijd ook om juist niet gezien te worden.

We praten verder over ‘niet gezien willen worden’: “Vanochtend had ik een online groepsbehandeling samen met een collega en we vroegen iedereen of ze konden stilstaan bij zichzelf en konden voelen hoe het met ze ging. Dat was voor velen heel confronterend. Sommigen zeiden: ‘Ik wil WEG!’ Iemand anders zei: ‘Ik vond dit een AFSCHUWELIJK uur!’ Die trok dat bijna niet.” Ik vraag hoe dat zichtbaar werd, nu alles via een beeldscherm verloopt. Henriëtte breekt open in een lach: “Oh, dat was heel duidelijk!” Ze draait haar hoofd en haar ogen weg, kijkt naar het plafond, naar links, naar rechts, naar haar schoenen: “Die persoon keek ook voortdurend om zich heen en het was duidelijk dat die vooral niet met het besproken thema bezig wilde zijn. Dat is heel moeilijk om te ervaren, want zo iemand heeft eindelijk een groep waarin er wél wordt geluisterd, maar durft dan eigenlijk niet gehoord te worden, omdat dat een leven lang niet is gelukt. Zulke mensen zijn zo geraakt en gekwetst door alles wat ze is overkomen, dat de confrontatie met hun pijn in een liefdevolle, aandachtige omgeving bijna te veel voor ze is. Daarom streef ik er altijd naar om met compassie en zonder oordeel te luisteren. Je moet ze leren voelen dat ze echt gehoord mogen worden. Er is vaak zozeer níet geluisterd naar sommige mensen…”

We komen op de vraag wat er in haar werkomgeving onder trauma wordt verstaan. Ze geeft aan dat ze de omschrijving van de DSM-5 aanhouden, de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders. Bij PTSS gaat het dan onder andere om seksueel misbruik, mishandeling en getuige zijn van een plotselinge dood, en de effecten daarvan, zoals nachtmerries, vermijding en stemmingsproblematiek. Ze maakt onderscheid tussen situaties waarin een persoon wel of niet goed wordt opgevangen na een ingrijpende gebeurtenis en dat die opvang het verschil kan maken tussen wel of geen trauma ontwikkelen. Dit doet me denken aan de omschrijving van trauma door Gabor Maté: ‘Trauma is een psychische wond die je psychologisch hard maakt en die dan je mogelijkheden om te groeien en je te ontwikkelen, in de weg staat. Het doet pijn en nu handel je vanuit pijn. Het creëert angst en nu handel je vanuit angst. Trauma is NIET wat er met je gebeurt. Trauma is wat er binnen in je gebeurt als gevolg van wat er met je gebeurt.’

Henriëtte denkt mee: “Dat is een mooie omschrijving! Ik vind het namelijk problematisch dat verwaarlozing en gepest worden niet in de DSM staan, terwijl die zo’n enorme impact hebben. Daar moet echt nog veel veranderen. En tegelijk lijkt het woord ‘trauma’ soms ook wel een beetje een afvalbak geworden, een verzamelnaam voor van alles. Mensen zeggen soms bij iets wat niet lukt: ‘Ik krijg er een trauma van!’ Aan de ene kant maak je het daarmee te simpel, maar aan de andere kant laat het toch ook zien dat dit onderwerp maatschappelijk misschien meer aandacht begint te krijgen. Toen ik sociotherapeut werd, wilde eigenlijk nog niemand met getraumatiseerde mensen werken. Ken je het boek van Judith Herman? Dat was mijn ‘bijbel’ en is het eigenlijk nog steeds. Echt een aanrader.”

Dat Judith Hermans boek nog steeds haar ‘bijbel’ is, komt omdat het nog steeds actueel is: “Herman legt uit hoe de vraag of er wel of niet over trauma mag worden gepraat, heel erg samenhangt met de maatschappelijke trends op dat punt. Ergens willen we namelijk allemaal helemaal NIET weten dat er ellendige dingen zijn gebeurd. We willen niet weten over misbruik, over mishandeling, over ouders die dat doen of die dat laten gebeuren, want we willen ons dat eigenlijk niet kunnen voorstellen – het is te pijnlijk. Nu er meer behandelmogelijkheden zijn, lijkt het alsof er ook meer over mag worden gesproken. Overigens is het natuurlijk nog steeds moeilijk werk en als je niet transparant en ‘down to earth’ bent met je cliënten en een verborgen agenda hebt, dan gaat het mis. Dan krijg je frictie en gaan mensen de grenzen opzoeken. En daar zijn ze heel goed in, want dat hebben ze hun hele leven al moeten doen. Dan ontstaat er een sfeer van: ‘Ik zal eens even kijken of je wel werkelijk te vertrouwen bent. Wanneer spuug ook jij mij weer uit, omdat je zat van me bent?’

We kijken elkaar aan en laten de heftigheid van een dergelijke grondbeleving tot ons doordringen. “Sommige mensen zijn zó beschadigd… die hebben een leven lang niets anders ervaren dan dat. Nu we meer weten over de neurofysiologie, is het ook voor therapeuten iets gemakkelijker om te begrijpen wat er gebeurt als mensen moeilijk te hanteren gedrag laten zien en om dan met meer begrip achterover te blijven zitten en niet persoonlijk te worden getriggerd. Dat gebeurt weleens… ik ben ook een mens en dan realiseer ik me dat ze op mijn pijnpunt zitten… (ze lacht), maar met meer ervaring is het veel gemakkelijker om weer terug te keren en de verbinding proberen aan te gaan. Verbinding… ook dat is een deel van de essentie van mijn werk. Het duurt soms lang voor je die hebt met mensen, maar dan is ‘ie er!”

NL-Trust

We bespreken wat Henriëtte het meeste voldoening geeft in haar werk. “De vooruitgang, de groei, het feit dat mensen ook zelf leren zien hoe krachtig ze werkelijk zijn. Veel van mijn cliënten voelen zich extreem kwetsbaar, ondanks dat ze soms een ogenschijnlijk normaal leven leiden, met gezinnen, banen en studies. Ik probeer er dan altijd op te wijzen dat ze heel krachtig zijn, omdat ze anders nooit tot hier hadden kunnen komen, dwars door alle ellende heen. Velen met vroegkinderlijk trauma hebben comorbide klachten: daar speelt van alles door elkaar heen wat lang niet altijd aan dat trauma wordt gelinkt. Dan wordt er soms min of meer gezegd: ‘Jammer voor je, maar jouw problemen zijn te ingewikkeld; die kunnen we met methode X of Y niet behandelen.’ Mensen worden geregeld van het kastje naar de muur gestuurd… Er is op veel plekken nog veel meer psycho-educatie nodig om te zorgen dat we in de zorg en in de samenleving als geheel veel beter leren begrijpen waar het mee te maken heeft dat je als persoon op een bepaalde manier in elkaar zit.”

Dat bij allerlei problematiek de kindertijd een belangrijke rol speelt en veel meer in de belangstelling zou moeten staan, staat voor Henriëtte vast: “Ik zou willen dat er veel beter naar kinderen wordt geluisterd, ook in de jeugdzorg. Als ik de volwassenen zie, weet ik niet of ik ze als kind zou kunnen helpen. Ik denk dat ik te overweldigd zou zijn, te bang voor een slecht afloop. De volwassen cliënten hebben het in ieder geval tot daar overleefd! En ik heb echt buikpijn van wat kinderen nu door de lockdown allemaal overkomt. Over de hele linie staat het kindwelzijn volgens mij niet centraal in onze samenleving; er is te veel focus op prestatie, al vanaf dat ze baby zijn. Met drie maanden moeten ze bij wijze van spreken al een groentehap…” Ze wiebelt op de bank heen en weer en laat haar hoofd van links naar rechts en voorover zakken: “Tol… tol… tol…” We lachen samen om het treurige beeld van een baby die nog niet kan zitten, maar al van alles moet. “Laat ze toch lekker baby zijn!”

Dat is een mooi motto: baby’s de ruimte geven om er gewoon te zijn, met alle behoeften die daarbij horen, en tegelijkertijd beseffen dat baby’s in al hun kracht en kwetsbaarheid volwaardige mensjes zijn met een rijk gevoelsleven. Wanneer we hun behoeften en gevoelens respecteren, helpen we ze om met compassie naar zichzelf en de wereld te kijken.
Volgende week zetten we onze tocht met Henriëtte voort en bespreken we onder andere veiligheid en authenticiteit.

Professionals en ACE-bewustzijn; Aflevering 2 – Deze keer: Henriëtte Markink, Deel 1

Als ik de voordeur open, staat Henriëtte Markink, verpleegkundig specialist, met een stralende lach voor me. We hebben elkaar nog nooit ontmoet, maar het voelt meteen alsof we een fijn gesprek gaan hebben. We babbelen al in de hal over de charme van oude huizen. Die hebben zo hun gebruiksaanwijzing en eigenzinnigheden en ook hun sterke en zwakke punten, maar vooral, zo zijn we het eens, laten ze hun eigen karakter prachtig zien. Dat voel je, als je in zo’n doorleefd pand bent, waarin zich hoogte- en dieptepunten hebben afgespeeld. Pas achteraf bedenk ik me dat dit een rode lijn is in ons gesprek.

Het is begin januari; de kerstboom is weg, maar een paar laatste kerststukjes verraden dat de feestdagen pas net voorbij zijn. Omdat het nog vroeg donker is, heb ik kaarsen aangestoken en we drinken verse thee met een nieuwjaarsversnapering erbij. Dat morgen in de persconferentie zal worden meegedeeld dat de huidige lockdown, die half december inging, met drie weken zal worden verlengd, is al uitgelekt naar de media. We spreken over onze zorgen aangaande de impact daarvan op de mate waarin voor velen de stress oploopt. Veel mensen kunnen maar heel beperkt positieve sociale ervaringen opdoen of worstelen met inkomensonzekerheid of met het thuiswerken met alle kinderen over de vloer. Henriëtte woont in de Achterhoek en haar partner zit in de horeca, dus ze ervaren de problemen allebei heel direct, zij door extra werk met patiënten, hij door gebrek aan werk met gasten. Beiden hebben ze te maken met de complexiteit van het zoeken naar creatieve oplossingen.

Hij is samen met haar naar Assen gekomen, zodat ze een uitje hadden. We lachen erom, maar bespreken ook hoe vreemd en triest het is, dat je bijna zenuwachtig blij wordt af en toe, als je met andere mensen aan één tafel zit en het fijn hebt met elkaar. Zo diep zit de behoefte aan menselijk contact in ons allemaal ingebakken. Ontbreekt dat contact, dan lopen velen spaak. Henriëtte ziet in haar omgeving dat het leven voor sommige jongeren momenteel heel complex is en dat als gevolg van eenzaamheid en verveling het drugsgebruik toeneemt.

Zo komen we van de huidige corona-omstandigheden bij haar werk met patiënten met psychotrauma en stressgerelateerde klachten in een kleine GGZ-instelling. Via een ontroerend interview met haar daarover, ben ik bij haar terechtgekomen. Ik heb simpelweg de stoute schoenen aangetrokken voor een gesprek met haar, omdat ik het zo hoopgevend en inspirerend vind om met professionals te spreken voor wie die vroege fase centraal staat als fundament onder het leven dat erop volgt. “Bij drugsgebruik is er vaak maar één vraag: ‘Hoe ga je het nu anders doen?’, maar dat is niet voldoende. Ik moet denken aan een patiënte die tegen me zei: ‘Ik heb nog nooit zo veel verteld over de achtergrond van mijn trauma als nu bij jou.’ Ze voelde zich schuldig over van alles en nog wat en dan vraag ik: ‘Ga eens terug dan, naar die gebeurtenis; hoe oud was je? Weet je nog hoe en wat? Kun je de dingen in een context plaatsen?’ Voor veel vroegkinderlijk getraumatiseerde mensen is dat moeilijk, maar als je ze daarbij helpt en uitlegt wat er in je lijf gebeurt in relatie tot zulke gebeurtenissen, dan realiseren ze zich dat je je als kind niet schuldig hoeft te voelen.”


Na haar HBO-V-opleiding (1993) behaalde Henriëtte een propedeuse voor Sociologie aan de Universiteit van Amsterdam en naast de studie werkte ze als verpleegkundige in de psychiatrie. In dat jaar kreeg ze een vaste baan op een opnameafdeling in de psychiatrie. Na de geboorte van haar kinderen werd ze sociotherapeut en kreeg ze te maken met jongvolwassenen die soms al een flinke bagage meebrachten: “Die jongeren kwamen uit een nest en daar zat van alles achter, achter hun verhalen. Ik was inmiddels zeer geïnteresseerd geraakt in kindontwikkeling en hechting en binding; ik heb dat altijd een heel boeiend thema gevonden. Ze vroegen iemand voor een traumagroep. Dat kwam toen nog bijna niet voor, maar na overleg in een denktank zochten ze een vrouwelijke sociotherapeut voor die groep en mij leek dat wel wat. Ik ging er tamelijk bleu in, in de zin dat ik weinig wist van traumabehandeling. Ik had nog weinig kaas gegeten van het effect van trauma op een mensenleven. Gelukkig werkte ik met een zeer ervaren klinisch psycholoog in een periode waarin er nog veel tijd was voor intervisie, terwijl de literatuur er nog niet zoveel over te melden had. Gaandeweg kwamen er meer behandelmogelijkheden, waarbij lichamelijke methodes ook een belangrijke rol gingen spelen, zoals psychomotorische therapie, traumasensitieve yoga, of anderszins een meer lichaamsgerichte benadering in de psychologische behandeling. Het belangrijkste was echter dat mensen hun verhaal konden doen en dat ze hun eigen verhaal konden horen, dat ze uit hun hoofd gingen en meer gingen voelen met hun lijf. Ik was totaal geboeid door de verhalen. In de groepstherapie vertelden mensen die verhalen aan ons als therapeuten, maar daarmee stelden ze zich ook open richting de groep. Ze kwamen één keer in de week een hele dag. Daarbij was het belangrijk dat we ze leerden zien wat hun overlevingsmechanismes waren. We bespraken dat het goed was dat die strategieën hadden gewerkt, maar dat ze dat nu niet meer deden en zelfs disfunctioneel waren geworden. Dan werd de vraag hoe ze dat konden veranderen en hoe ze patronen konden doorbreken.”

Toen ze meer uitdaging zocht, begon ze aan de opleiding tot verpleegkundig specialist (2010), die toen nog in de kinderschoenen stond. “Het was mij namelijk opgevallen dat mensen met trauma in de voorgeschiedenis veel lichamelijke klachten hadden, zoals astma en fibromyalgie, maar ook langdurige en traumatische baringservaringen. Meer en meer dacht ik… dit kan geen toeval zijn… of is het wél toeval? Dat wilde ik onderzoeken. Toen heb ik voor mijn studie een literatuuronderzoek gedaan bij lichamelijke klachten na een geschiedenis van trauma en zo kwam ik rond 2008, 2009 met de ACE-studie van Anda en Felitti in aanraking. En ik las nog veel meer waaruit bleek dat er wel degelijk een verband was tussen chronische stress en lichamelijke klachten. Zowel voor mij als voor mijn cliënten viel er toen veel op z’n plek! Ik kon ze eindelijk uitleggen dat het niet zo raar was dat ze van dit en dit en dit last hadden. Als je voortdurend een gespannen lijf hebt, dan kun je je wel voorstellen dat dat invloed heeft op je gewrichten, en op je ademhaling en op je hart. Dat werkt ook heel ontschuldigend voor mensen. Toch houd ik me bij de heftige ziektes op de vlakte. Ik leg uit dat je van chronische stress lichamelijke kwalen kunt krijgen, maar ik noem dan niet astma of kanker, ondanks dat we weten dat de kans op kanker ook veel groter is bij chronische stress. Een vrouw die ik ooit begeleidde en die uiteindelijk is overleden aan kanker, zei tegen me: ‘Je hoeft me dat niet te vertellen; ik weet wel dat het daardoor komt.’ Dus ja…”

We zijn even stil, als ze dit heeft verteld. Het is altijd weer indrukwekkend om te horen hoe de innerlijke wijsheid van mensen soms tot intens verdrietige conclusies leidt. Het is niet eenvoudig om als zorgverlener te beslissen hoe je met zulke inzichten kunt omgaan. Als iemand er niet klaar voor is om deze optie in overweging te nemen, in een levensfase waarin er aan de vroegere gebeurtenissen niets meer kan worden veranderd… werkt het dan nog ontschuldigend of veroorzaakt het juist hertraumatisering? En minder op het persoonlijke, maar meer op het maatschappelijke niveau… als de statistieken dit soort verbanden laten zien, hoe kunnen we er dan voor zorgen dat daarvoor veel meer aandacht komt bij alle beleidsmakers en zorgverleners die voorstander zijn van échte preventie? Vaak is het narratief over mensen die bepaalde ziektebeelden vertonen en verslaafd zijn nog heel anders. Henriëtte daarover: “Over mensen met psychotraumagerelateerde stoornissen bestond het idee dat ze zichzelf verwaarloosden, verslaafd waren of verslavingsgevoelig, de neiging hadden seksueel overactief te zijn met vele wisselende contacten en onbeschermde seks en daardoor zouden ze dan vooral ziektes oplopen. Toch wordt dát in de literatuur al geruime tijd ontkracht. Er is zeker al wel bekend dat veel ziekte voortkomt uit wat zich in je lichaam afspeelt. En nu er de laatste jaren zoveel neurocognitief onderzoek is gedaan, blijkt dat ons brein… ja… ik wil bijna zeggen… ons lichaam infecteert! In ieder geval is het zo dat een overprikkeld brein enorme effecten heeft op onze gezondheid. Ik smul van die studies, omdat ze ons zoveel meer inzicht geven in wat er in mensen omgaat als gevolg van stress en trauma!”

Ik kijk haar aan en kan het niet laten om die onmogelijke term die zo prachtig al deze processen samenvat op tafel te leggen: psychoneuroimmunoendocrinologie. We hebben even dikke pret om dit woord, maar stellen vast dat het hierom gaat, om de fysiologische processen die het dualistische denken op de helling zetten: lichaam en geest zijn geen losstaande aspecten van het menszijn. Ze vormen samen één groot systeem waarin de psyche, het neurologische systeem, het afweersysteem en het hormonale systeem onlosmakelijk en onontwarbaar met elkaar verbonden zijn. “Wat mooi, hè?”, zegt Henriëtte, “en wat weten we dat eigenlijk al lang! Volgens mij gaan we écht toe naar goeie behandeling als we dat dualisme helemaal kunnen loslaten, maar zover zijn we nog lang niet…”

Volgende week reizen we verder mee met Henriëtte en horen we meer over haar ervaringen met het werken met mensen met vroegkinderlijk trauma.

Onze samenleving en Adult Supremacy, Deel 6 (slot)

Afgelopen week bespraken we hoe het voor ouders heel moeilijk kan zijn om aan de behoeften van hun kinderen tegemoet te komen, zeker wanneer ze aan allerlei invloeden uit de sociale omgeving blootstaan en aan sociaalculturele gewoontes en verwachtingspatronen moeten voldoen. Het kindbelang meer in het oog houden en je erop afstemmen, vraagt een proces van zelfreflectie dat voor volwassenen heel confronterend kan zijn. Wat maakt het zo moeilijk, om de verbinding met het kind en diens behoeften te leggen?

Fysiologie

Mensen vallen biologisch gezien onder de klasse van de zoogdieren. Daarin wordt onderscheid gemaakt tussen schuilzoogdieren, nestzoogdieren, volgzoogdieren en draagzoogdieren. Al die soorten hebben andere manieren om hun jongen te verzorgen en hebben andere vetpercentages in hun melk. Dat is natuurlijk wat ze bindt: dat ze hun jongen met melk uit de melkklieren van de moeder voeden. De mens hoort, net als andere primaten, bij de draagzoogdieren. De melk bevat een beperkte hoeveelheid vet en de moeder moet haar baby daarom met grote regelmaat voeden. Daarom draagt ze haar kroost bij zich, zodat die toegang heeft tot de borst en om de haverklap kan drinken. Van alle primaten zijn mensenbaby’s het meest onrijp bij de geboorte, zodat ze lange tijd afhankelijk zijn van de zorg van de moeder en andere volwassenen. Zonder die nabijheid zijn ze als het ware ten dode opgeschreven: er kan zomaar een sabeltandtijger om de hoek komen die ze opvreet. Mensenbaby’s zijn daarom zó geëvolueerd dat al hun gedrag erop is gericht om de verzorgende volwassene dichtbij te houden. Als baby’s daarin slagen, voelen ze zich veilig. Lukt dat niet, dan is er een constant gevoel van dreiging en gevaar met als gevolg dat het lichaam in een fysiologische staat van stress raakt en zich voorbereidt op vechten, vluchten of bevriezen. In die staat stromen er flinke hoeveelheden stresshormonen door het lichaam, allemaal bedoeld om te zorgen dat het organisme zichzelf via de meest basale vaardigheden in veiligheid kan brengen. Andere functies zijn daaraan ondergeschikt, zoals leerprocessen, analytisch denken, planning, creativiteit, spel en empathie. Het lichaam heeft onder die hoge stress te lijden, maar als het goed is, duurt die maar kort en dan is ‘ie functioneel: de stress helpt om te ontsnappen aan het gevaar.

Een beeld uit de documentaire ‘Resilience’ met een weergave van de overlevingsmodus van een kind dat toxische stress ervaart

Wanneer de stress echter blijvend is en het individu niet meer tot rust komt en geen veilige haven vindt, tast de stress het brein aan, evenals andere organen en daardoor raakt stressregulatie ontregeld. De kans op ziekte en problemen later in het leven neemt dan toe. De stress wordt opgeslagen in het lichaamsgeheugen en is weigert zomaar te verdwijnen als de gebeurtenis voorbij is. Het risico ontstaat dat je als het ware ‘ontregeld’ blijft of in ieder geval extra gevoelig wordt voor ontregeling. Hier zit een groot knelpunt, want zoals psychiater en trauma-expert Bruce Perry zegt: ‘Een emotioneel ontregelde volwassene kan een emotioneel ontregeld kind niet weer tot gezonde regulatie brengen.’ Wanneer ze allebei in een overlevingsmodus verkeren, is het voor allebei moeilijk om rekening te houden met de ander. Dit is de essentie van waarom het moeilijk is om je in de ander in te leven (empathie te voelen) en voor de ander mededogen te hebben (compassie te voelen) als je zelf op structurele basis, heftig, langdurig of herhaaldelijk gestrest bent. Een sensitieve, responsieve benadering van de ander is moeilijk onder stress: je hebt meer dan genoeg aan jezelf.

Kun je je de Biosociale Erfenis nog herinneren? ACEs hebben impact opde biologische mechanismen die op hun beurt worden beïnvloed door sociale factoren. Met name de combinatie van het effect van problematische machtsverhoudingen tussen volwassenen en kinderen en de invloed daarvan op stressregulatie is de kern van Adult Supremacy. (En natuurlijk zijn al deze aspecten onderling met elkaar vervlochten!)

Verantwoordelijkheid (nogmaals, maar nu anders)

Een responsieve benadering houdt in dat je adequaat reageert op de ander, dat je de behoeften van de ander onderkent en probeert eraan tegemoet te komen, dat je diens vragen en noden ziet en er actie op onderneemt. Daarvoor heb je een zekere mate van empathie nodig. Dan kun je ver-antwoord-elijkheid dragen: antwoorden. Het Engelse woord voor ‘verantwoordelijkheid’ is ‘responsibility’ en relatie tot stress en trauma wordt hierbij met een woordspeling vaak gesproken over ‘response-ability’: de vaardigheid om te antwoorden. Als je onder hoge stress staat en in een overlevingsmodus bent, kun je niet antwoorden, je niet ver-antwoorden, geen ver-antwoord-elijkheid dragen, niet voor jezelf en niet voor een ander. Anders gezegd: hoe zwaarder ouders en andere volwassenen belast zijn, met hun huidige taken of met pijn, verdriet of trauma uit het verleden, hoe moeilijker het voor ze is om de behoeften van het kind goed te zien en goed te bevredigen. Daardoor kan er gemakkelijk een zich eindeloos herhalend patroon ontstaan van stress die tot stress leidt, van verstoorde ontwikkeling die tot verstoorde ontwikkeling leidt, van gebrek aan verbinding met het zelf tot gebrek aan verbinding met de ander, kortom: van intergenerationeel trauma. Het kind kan daar op grond van de eigen onrijpheid weinig aan veranderen; dat is echt de taak van de volwassenen in de sociale gemeenschap. Zij moeten dit oppakken en ermee aan de slag gaan. Beleid en therapie moeten sleutelen aan die volwassen problematiek, aan die volwassen structuren, niet aan de kinderen. Die kinderen en het probleemgedrag dat ze mogelijk laten zien, zijn slechts een symptoom, een afspiegeling van de problematiek van de volwassen wereld, waarin het kind de verbinding met zichzelf verliest, omdat voor de volwassenen de authenticiteit van het kind, de unieke eigenheid, de krachtige drang om zichzelf volledig te ontplooien, misschien te veel is, te moeilijk, te ingewikkeld, te anders, te confronterend, te pijnlijk in relatie tot hoe ze zelf niet mochten zijn wie ze waren toen zij klein waren. Dat is zwaar, want om te overleven en gelukkig te zijn, heb je meer nodig dan fysieke veiligheid. Emotionele veiligheid, spiritueel en creatief kunnen overleven, zijn minstens zo belangrijk, zo weten we tegenwoordig, want emotionele onveiligheid leidt tot allerlei vormen van ellende. Hoe kunnen we dat voorkomen?

Een afbelding die de invloed van verschillende sectoren in de samenleving laat zien in relatie tot ACE’s

Investeren in het kind

We kennen als ouders en volwassenen allemaal wel het gevoel dat we ‘op’ zijn, dat we ons geduld niet kunnen bewaren, dat we even niet aanspreekbaar willen zijn voor de behoeften en eindeloze vragen van onze kinderen. Zegt dat iets over hoe ‘lastig’ het kind? Of zegt de mate van ongeduld iets over de mate waarin we al dan niet volwassen genoeg zijn om de kinderlijke verlangens te zien voor wat ze zijn: een diepe behoefte aan je gehoord, gezien en gewaardeerd weten?
De moderne wetenschap, zowel de sociale als de medische, laat zien hoe belangrijk die vroege jaren zijn: wie gezond start, vergroot meestal die positieve voorsprong; wie ongezond start, ziet hoe allerlei problemen in het leven zich opstapelen. De kindertijd is voor ouders daarom een intensieve fase in het leven, een fase waarin ze grootschalig tijd en energie (en geld) moeten steken in de toekomst van het kind. Dat is géén pleidooi voor ‘child supremacy’, wél een oproep om als samenleving te streven naar meer ‘child inclusivity’, naar beleid waarin de behoeften en dus de rechten van kinderen veel serieuzer worden genomen. Tegen allerlei trends in lijkt het bovendien urgent dat de zorg voor kinderen zowel persoonlijk als maatschappelijk niet als een lastige kostenpost wordt gezien, maar als een eervolle taak, een fantastische investering in de nieuwe generatie. Ieder kind wordt geboren met een potentieel in de knop. Door liefdevolle zorg kan dat potentieel tot bloei komen en kan het kind floreren.

Het zorgen voor kinderen verdient meer sociale én economische status dan het nu heeft, maar daarvoor moet de adult supremacy wel eerst wijken. De volwassen belangen (meer maatschappelijk, zoals neoliberale ideologieën) en de belangen van volwassenen (meer persoonlijk, zoals individuele ontwikkeling los van het kind) zullen een stapje terug moeten doen in verhouding tot wat kinderen, als zwakkere partij in het machtssysteem van de samenleving, nodig hebben. Dat is vermoedelijk een uitdaging waarvoor een paradigmaverschuiving nodig is, een fundamentele verandering van hoe we naar kinderen kijken. Zo’n verandering, waarin compassie centraal staat, naast nieuwsgierigheid voor wat het kind drijft, is echter in alle opzichten zeer de moeite waard, want, zoals de 19e-eeuwse anti-slavernij-activist Frederick Douglass zei: ‘It’s easier to build strong children than to repair broken men’!

Dit was het laatste deel in een serie over Adult Supremacy.

Onze samenleving en Adult Supremacy, Deel 5

Afgelopen week bespraken we hoe het kindbelang vaak niet hetzelfde soortelijk gewicht lijkt te hebben als het volwassen belang en hoe dat van invloed is op de status quo van het kind en op uiteenlopende vormen van beleid, die op hun beurt weer invloed hebben op het leven van het kind. Vooralsnog duurt deze situatie voort, ondanks de kennis die er is over de impact van de kindertijd op volwassen gezondheid en welzijn. We stipten ook aan dat het kan lijken alsof Adult Supremacy (AS) min of meer een label is om op volwassenen te plakken en waarmee ze als ‘schuldige’ kunnen worden aangewezen voor waar het kind mee tobt. Op dit aspect gaan we deze week dieper in.

Bewust of onbewust?

De stelling dat volwassenen dikwijls tekortschieten in de behoeftebevrediging van het kind, verdient een nadere beschouwing, omdat hierbij veel meer speelt dan zomaar onwil of onwetendheid.

De term ‘bewust of onbewust’ vormt een weloverwogen aspect in de definitie van AS en kreeg daarin een plaats na een brainstorm met Robin Grille, een auteur en professional met een indrukwekkend holistische visie, die telkens weer benadrukt dat we de hobbels op het multigenerationele pad niet over het hoofd moeten zien. Het is belangrijk expliciet te onderkennen dat volwassenen lang niet altijd bewust het kindbelang negeren. Ze walsen veelal niet met opzet heen over wat voor het kind cruciaal is. Als gevolg van een scala aan factoren, zijn ze er vaak helaas simpelweg niet op getraind of toe in staat om dat kindbelang bewust waar te nemen en te dienen. Die beperking benoemen voorkomt een sfeer waarin empathie en compassie voor de ouder ontbreken, waarin de ouder wordt weggezet als ‘dader’, als schuldige voor dat wat in het kinderleven misloopt. Zo eenvoudig is het immers niet. Veel volwassenen zijn als kind zélf beschadigd geraakt en de pijn van vroeger belemmert een helder zicht op de behoeften en problemen in het heden, vaak zowel die van henzelf als die van hun kind. De tragiek van ACEs en AS is dan ook precies dat intergenerationele aspect: volwassenen die als kind met veel ACEs werden geconfronteerd, die opgroeiden in een omgeving waarin hun belangen onvoldoende aandacht kregen, lopen een groter risico om hun eigen kinderen opnieuw hieraan bloot te stellen. Wat hun destijds zoveel ellende bezorgde, geven ze vaak deels weer door. Er is dus sprake van een lange en verdrietige, intergenerationele keten van oorzaak en gevolg, wat iets heel anders is dan een lange keten van schuldigen. Dat is een moeilijk te doorbreken proces. Op welke manier zouden we daaraan kunnen werken?

Moeilijke vragen over verantwoordelijkheid

Dat we de handelwijze van ouders en andere volwassenen met de noodzakelijke mildheid bezien, betekent vanzelfsprekend niet dat deze niet ter discussie hoeft te staan. Het betekent niet dat we, omwille van onze kinderen of de kinderen waarvoor we zorgen of beleid maken, niet hoeven te reflecteren op de invloed van de keuzes, culturele gewoontes en sociale tradities die we als samenleving en als volwassenen onderhouden. Een wezenlijk onderdeel van volwassen zijn is immers dat je verantwoordelijkheid neemt voor je handelwijze en voor de consequenties ervan. Veel keuzes die we als ouders maken, komen echter onder druk van sociaal-culturele conventies tot stand. Het hele idee van AS is dan ook niet het aanstippen van wat simpelweg een gezinsprobleem zou kunnen lijken, maar om het uit de taboesfeer halen en bespreekbaar maken van een maatschappelijk issue dat veel facetten kent. Met alle kennis die er is, wordt het tijd dat we daarvoor als samenleving verantwoordelijkheid nemen. Dat kan, zeker in de persoonlijke sfeer, een hele confrontatie zijn:

‘Luistert mijn kind niet naar mij omdat ik niet naar haar luister?’,

‘Pest mijn kind klasgenoten omdat het zich hier thuis niet veilig voelt?’,

‘Is mijn kind zo gesloten omdat ik altijd haast heb en geen tijd neem het gesprek rustig op gang te laten komen?’,

‘Wil mijn baby de hele nacht bij mij drinken omdat ik overdag niet beschikbaar ben?’,

‘Legt mijn kind problemen niet aan mij voor omdat ik meteen naar een oplossing zoek in plaats van ze eerst rustig, mét empathie en compassie en zónder oordeel aan te horen?’

Geïnstitutionaliseerde kwesties

Naast persoonlijke zijn er natuurlijk ook veel geïnstitutionaliseerde praktijken die tot moeilijke vragen en mogelijk oncomfortabele antwoorden kunnen leiden.

– Als we weten hoe belangrijk huid-op-huidcontact is voor de pasgeborene, hoe komt het dan dat er op NICU’s en vergelijkbare ziekenhuisafdelingen niet veel vaker continu een ouder aanwezig is voor het prematuur geboren kind?
– Als we weten hoe belangrijk borstvoeding en moedermelk zijn voor immunologische, neurologische, emotionele en motorische ontwikkeling van het jonge kind, hoe komt het dan dat het bevallingsverlof niet veel langer duurt?
– Als we weten dat de veiligheidsbeleving van kinderen zo belangrijk is voor hun stressregulatie en dus voor het voorkomen van toxische stress, hoe komt het dan dat het samen slapen van ouders en kinderen in de jeugdgezondheidszorg vaak zo actief (en soms bijna agressief) wordt ontmoedigd?

– Als we weten hoe ingrijpend het voor kinderen is als hun ouders uit elkaar gaan en ze daarmee de ongedeelde eenheid van het gezin verliezen, hoe komt het dan dat allerlei regelingen echtscheiding juist gemakkelijker hebben gemaakt in plaats van probleemoplossing en ondersteuning effectiever ter hand te nemen, te faciliteren en te financieren, zodat iedereen kan helen en groeien?

De lijst is eenvoudig uit te breiden met andere zaken die meer sociale verontwaardiging zouden mogen oproepen. Denk bijvoorbeeld aan anonieme spermadonatie, besnijdenis zonder medische indicatie, behavioristische opvoedstrategieën, knellende schoolsystemen, problematische jeugdzorgdossiers en schrijnende kinderarmoede. In dit alles spelen, naast de algehele gezondheid van de volwassene die voor het kind zorgt, sociaal-economische, maatschappelijke en politieke tendensen een rol. Het jonge kind heeft behoefte aan veiligheidsbeleving en fysieke nabijheid van dierbaren; het wil op existentieel niveau worden gezien en bemind om wie het is. Er is inmiddels veel onderzoek dat laat zien dat dat alles van enorm belang is voor de psychische, neurologische en hormonale gezondheid; desondanks blijft veel daarvan in instituties en systemen onderbelicht. Dat die behoeften dikwijls niet zonder meer in economische termen te vatten zijn, speelt daarbij vermoedelijk een rol die implementatie in beleid vertraagt. Liefde en emotionele veiligheid kunnen niet worden berekend voor het bruto nationaal product en dus moeten ouders en kinderen vaak maar doormodderen met elkaar en er het beste van maken, ondanks moeilijke omstandigheden, met alle gevolgen van dien.

Conclusie

Het kindbelang is vaak ondergeschikt aan het volwassen belang en dit is in veel gevallen mede het gevolg van onvoldoende kennis en inzicht en onvoldoende sociaal-culturele mogelijkheden om de kindbehoeften de aandacht te geven die ze verdienen. Het vergt van volwassenen reflectie op ongemakkelijke vragen en antwoorden om aanknopingspunten te vinden voor waar maatschappelijke verandering nodig is.

Volgende week zullen we dieper ingaan op het idee van sociale verandering en de link met fysiologie.

Onze samenleving en Adult Supremacy, Deel 4

Afgelopen week bespraken we dat kinderen onder stress copingstrategieën ontwikkelen die zijn afgestemd op de situatie waarin ze (over)leven. Stress wordt toxisch wanneer sociale steun ontbreekt; voor kinderen is voor het goed hanteren van die stress een beschermende volwassene nodig. Een situatie waarin de belangen van het kind voortdurend worden overvleugeld door de privileges, ambities en biosociale behoeften van de volwassenen voert die stress juist verder op en schaadt het welzijn en de gezondheid van het kind. We kunnen dit, analoog aan white en male supremacy, Adult Supremacy (AS) noemen. Hoe gaan we als samenleving om met die machtsongelijkheid, met het kindbelang in relatie tot volwassen belangen?

Nature or nurture? 

Het concept AS is voortgevloeid uit de fascinerende vraag hoe de ontwikkeling van het jonge kind tot volwassene verloopt. Hoe vormen we ons als mens een beeld van de wereld om ons heen? Hoe vormt zich onze persoonlijkheid? Hoe zit het met de wortels van onze gezondheid en ons welzijn in relatie tot onze kindertijd? In discussies over de verhouding tussen nature en nurture, tussen genetische en opvoedingserfenis, tussen biologische en sociale invloeden op persoonlijkheid en gezondheid, sloeg de balans decennialang door naar het eerste. Wanneer we kijken naar opvoedingspraktijken en allerlei andere vormen van geïnstitutionaliseerd beleid is dat vermoedelijk voor velen nog steeds het geval. De gedachtegang is dan vaak ongeveer als volgt: “Natuurlijk is er een zekere invloed van hoe we worden bejegend, maar uiteindelijk draait het toch om hoe we nu eenmaal zijn, om wat er nu eenmaal in onze genen ligt. Sommige dingen zijn gewoon erfelijk.”
Dat is een interessante stellingname, want dat impliceert ook dat wanneer iemand (sociaal) disfunctioneert, we tot de conclusie moeten komen dat die persoon zo geboren is. Diegene is dus niet door de omstandigheden zo gewórden, maar was op grond van de genen moeilijk, koppig, lui, eigenwijs of egoïstisch vanaf het prille begin. Dat is niet niks. En tegelijk… dat is wél niks, want onderzoek heeft inmiddels aangetoond dat die stellingname veel te simplistisch en op grond van de huidige stand van de wetenschap niet houdbaar is. Er is heden ten dage wetenschappelijke consensus over de onlosmakelijke verbinding tussen nature and nurture; ze kunnen niet los van elkaar worden gezien, tenzij we kijken naar een ziekte die 100% genetisch overdraagbaar is, zoals de ziekte van Huntington. De vroege kindertijd blijkt veel belangrijker dan we eerder dachten… of dan we hoopten, wellicht, want als die periode zo cruciaal is, legt ze natuurlijk ook een grote verantwoordelijkheid op de schouders van de volwassenen om dat kind heen. En dat is dan weer wél niet niks! Dat zegt iets over de status van het kind in de samenleving en of we deze status belangrijk genoeg vinden om er onze sociale praktijken op af te stemmen.

Waar staan het kind en het kindbelang in de samenleving?

In essentie gaat AS over de positie van de volwassene in het leven van het jonge kind en, wat breder, in de wijze waarop er met kinderen en hun belangen wordt omgegaan door volwassenen, zowel in de privé-omgeving als via de landelijke en lokale overheid, maatschappelijke instanties en vele vormen van wetgeving. Wat is de plaats van kinderen in onze samenleving? Hoe kijken we naar ze? Hoe wegen we hun korte- en langetermijnbelangen af tegen volwassen belangen en belangen van volwassenen? (Volgende week meer over dit onderscheid.)
Geregeld lijkt het kindbelang er tamelijk bekaaid vanaf te komen. In praktische omstandigheden, maar zeker ook in beleidsdocumenten is de teneur dikwijls: het kind moet zich aanpassen aan het volwassen leven, het volwassen tempo. Geluiden als ‘voorkom dat het kind de boel overneemt’, ‘maak duidelijk wie de baas is’, ‘wees consequent, want het kind moet weten waar het aan toe is’ geven allemaal aan hoe de machtsverhoudingen liggen: het kind is ondergeschikt.
Zo zijn diverse richtlijnen in het ouder-kindveld in hun grondtoon helaas nog heel adult-centered: de belangen van de volwassene zijn leidend, zoals dikwijls naar voren komt uit het taalgebruik en de aanbevelingen in deze beleidsdocumenten. In combinatie met wat we om ons heen kunnen waarnemen in (opvoedings)boeken en discussies over kinderen, is het soms moeilijk om hoopvol gestemd te blijven ten aanzien van de mate waarin we als samenleving de belangen van het kind goed voor ogen houden. Dat geldt met name ook wanneer die samenleving zelf voor uitzonderlijke problemen staat, zoals sinds maart 2020 het geval is. Het overheidsbeleid stelt dat het de meest kwetsbaren wil beschermen, maar gebeurt dat ook? Hoe worden kinderen beschermd?

Twee voorbeelden die als AS kunnen worden beschouwd

De huidige coronaomstandigheden laten prangende AS-voorbeelden zien, waarvan we er hier twee zullen uitlichten.
Ten eerste: het sluiten van de scholen en de kinderopvang is bedoeld te zorgen dat ouders thuis gaan werken en de reisbewegingen worden verminderd. Daarbij wordt niet gekeken naar het feit dat:
1) kinderen aldoor zijn omschreven als niet-substantiële bronnen van besmetting;
2) kinderen voor hun sociale en intellectuele ontwikkeling positieve interacties nodig hebben en de school voor sommige kinderen de veilige plek is waar ze tot bloei komen en de (soms toxische!) stress van thuis ontlopen;
3) kinderen thuis niet de zorg kunnen krijgen die ze nodig hebben als hun ouders moeten werken, en dat daardoor de kans op toename van stress zó groot is dat iedereen er mogelijk slachtoffer van wordt.
Deze overheidsmaatregel creëert in relatie tot het kindbelang zorgelijke risicofactoren en lijkt het belang van ouderlijke stabiliteit als fundament onder het kindwelzijn onvoldoende te onderkennen.

Ten tweede: lactatiekundige zorg staat op het lijstje van ‘niet-noodzakelijke contactberoepen’, vergelijkbaar met kappers en nagelstylisten. De basis van gezondheid wordt gelegd in de babytijd, zoals mondiaal en ook door de Nederlandse overheid wordt onderkend met onder andere het begrip ‘de eerste 1000 dagen’: je hebt maar één kans om die optimaal te laten verlopen. Daar hoort borstvoeding bij, op grond van de voedingseigenschappen, de ontwikkeling van een gezond microbioom en dus gezonde immuniteit, en omdat borstvoeding gezonde stressregulatie en veilige hechting faciliteert en bevordert. Internationale documenten spreken over het recht van het kind op de hoogste standaard van gezondheid, ‘the highest attainable standard of health’ en in lijn daarmee over het recht van het kind op borstvoeding. Dit maakt dat je je ernstig kunt afvragen hoe het kan dat de begeleiding van borstvoeding als niet noodzakelijk wordt gekwalificeerd. Ook deze overheidsmaatregel lijkt het kindbelang onvoldoende scherp in het vizier te houden en laat zien dat de rol van borstvoeding voor gezondheid nog steeds niet  op gepaste wijze wordt onderkend. De maatregel houdt bovendien onvoldoende rekening met het belang van het ondersteunen van krachtig, zelfeffectief ouderschap; dat is immers zo belangrijk voor de mate waarin ouders hun kind de eerder besproken ‘bufferende bescherming’ kunnen bieden in geval van stress bij het kind. Welke AS-aspecten kunnen we hierin ontdekken?

De essentie van Adult Supremacy

Laten we de definitie nog eens herhalen:
Adult Supremacy (AS) is een machtspositie waarin volwassenen er bewust of onbewust voor zorgen dat hun privileges, ambities en niet-(h)erkende biosociale behoeften het welzijn van het kind overtroeven, waardoor de minderjarige een minderwaardige wordt.

De kernbegrippen zijn waarschijnlijk helder:

  • het gaat om de machtspositie van de volwassene: het kind is afhankelijk, de volwassene beslist over zaken die op het kind van invloed zijn;
  • wensen en behoeften van de volwassene spelen daarin een belangrijke rol: de volwassene wil of moet terug naar de fulltime betaalde baan, tobt met overbelasting in het ouderschap, wil het kind niet toestaan wat in de eigen kindertijd niet was toegestaan, voelt op grond van persoonlijk trauma of de algemene opinie druk om duidelijk te maken wie in het gezin de regels bepaalt;
  • volwassen belangen worden bewust of onbewust ten koste van het kind(belang) nagestreefd: volwassenen zijn onderdeel van een groot arsenaal aan sociale conventies en volgen deze (noodgedwongen) op zonder diepgaand te reflecteren op hoe ze samenhangen met de kindbehoeften;
  • de minderjarige wordt hierdoor een minderwaardige: volwassenen zien het kind niet als een gelijkwaardige mens met vergelijkbare behoeften en gevoelens.

Dit is een pittige opsomming, eentje die gemakkelijk de indruk kan wekken dat de term Adult Supremacy gewoon is bedoeld om ouders af te schilderen als kwaadwillende wezens en om hun de schuld te geven van problemen bij het kind. Dat is zeer zeker niet de intentie en daarom zal de aflevering van volgende week hier dieper op ingaan.

Een interessante en krachtige stellingname van Benjamin Perks, UNICEF New York

Conclusie

Het kindbelang wordt vaak gezien als ondergeschikt aan het volwassen belang. Er wordt nog vaak vanuit gegaan dat gedrag en persoonlijkheid van het kind voornamelijk het gevolg zijn van nature, van aangeboren eigenschappen. Het gevolg is dat de invloed van nurture, de wijze waarop we kinderen behandelen, minder relevant of ondergeschikt kan worden gemaakt. Gezien de uitgebreide kennis omtrent sociale constructie van stress en gedrag, en omtrent de impact van bufferende bescherming op de preventie van levenslange problemen, is het tamelijk schokkend te constateren dat veel beleid daarmee nog onvoldoende rekening houdt.

Volgende week zullen we kijken naar de taak die volwassenen hebben om de meest kwetsbaren werkelijk te beschermen en hoe enorm moeilijk dat kan zijn wanneer ze worstelen met hun eigen biosociale erfenis.