Professionals en ACE-bewustzijn; Aflevering 3 – Deze keer: Carla Brok, Deel 1

Dwars door het prachtige landschap van de Achterhoek, langs allemaal kleine dorpjes, rijd ik naar Carla Brok, mijn respondent van deze februarimiddag. Rond 14.00 uur stap ik binnen; thee, roomboterkoekjes, chocola en andere lekkernijen staan klaar op de heerlijk grote tafel in de ruime keuken die is aangebouwd aan het oude pand. We hebben elkaar per mail en app gesproken, maar nog niet eerder getroffen, dus we nemen even tijd om kennis te maken. Nog steeds geldt het devies elkaar geen hand te geven en het blijft vreemd, zo’n afstandelijke manier van elkaar voor het eerst ontmoeten en begroeten. Desondanks is het ijs snel gebroken en we raken vrijwel meteen inhoudelijk in gesprek. We moeten allebei lachen als ik ons geanimeerde onderhoud onderbreek en toestemming vraag om de voicerecorder aan te zetten, zodat ik thuis al haar mooie verhalen kan terugluisteren.

Omdat het onderwerp ‘fysiologie’ bijna onmiddellijk op tafel ligt, vertelt Carla over een situatie die haar de afgelopen week heeft beziggehouden en die illustreert hoe een zorgelijk begin van een mensenleven tot lang daarna gevolgen kan hebben. “De moeder kwam bij mij omdat haar kind van 12 jaar oud probleemgedrag liet zien. Zoals ik altijd doe, vroeg ik haar onder andere hoe de zwangerschap was verlopen en ze vertelde dat ze destijds was achternagezeten. Ze was, met haar dikke buik en haar andere kinderen achterin, door een stel mannen in een auto gevolgd en wist ze maar amper af te schudden. Na een tijd kriskras rondrijden raakte ze de mannen gelukkig kwijt! Pas daarna is ze terug naar huis gegaan en zo kon ze voorkomen dat ze tot aan haar voordeur werd achtervolgd. Deze moeder vertelde heel beeldend over wat haar was overkomen, hoeveel stress het had veroorzaakt en hoe eng het was. Ik vond het shocking; ik luisterde vol aandacht, vroeg haar hoe ze dat vond en wat het met haar had gedaan, maar vreemd genoeg was deze moeder juist dáárvan onder de indruk. Het hoorde bij haar cultuur, zei ze, dat vrouwen door mannen achterna worden gezeten. Ze had allerlei vormen van therapie gehad, maar er was nog nooit iemand geweest die haar naar deze traumatische ervaring had gevraagd en ze had het verhaal ook nog nooit eerder verteld; ze was totaal verbaasd dat ik er zo ruim de tijd voor nam. Ik vroeg haar wat zij dacht dat de invloed is van zo’n ervaring voor de moeder en wat dat kan betekenen voor de baby in de buik. Dat was helemaal een nieuw idee voor haar, dus ja… mijn ervaring is dat de invloed van fysiologie op latere problemen nog zeer onderbelicht is.”

En zo zitten we vanaf het begin van ons gesprek midden in wat trauma-geïnformeerde professionals aan zich voorbij zien trekken, in de impact daarvan op het lichaam, en in de vragen over hoe daarmee om te gaan, zeker als het cultureel gekleurde situaties betreft. “Ik heb veel te maken met andere culturen dan de Nederlandse, maar de angst die een moeder en haar kroost met een verhaal als dit doormaakt… die staat los van cultuur. Die zou voor iedereen heftig zijn.”
Dat vind ik een interessante stelling; ik deel met Carla mijn ervaring dat universalisme in de antropologie een heel lastig thema is. Ik geef aan dat ik dat niet goed begrijp, want hoe kun je hartstochtelijk tegenstander zijn van geweld, sociale uitsluiting en discriminatie, als je in je basale uitgangspunten de meest fundamentele menselijke overeenkomsten bagatelliseert? Zijn de behoeften die ons als mensen verbinden niet veel talrijker dan de dingen die ons scheiden? En is fysiologie daarvan niet bij uitstek een voorbeeld? Zo heeft de wetenschap ons geleerd wat we uit ervaring allemaal al millennialang weten: veiligheidsbeleving ondersteunt menselijke stressregulatie en sociaal competent gedrag. Natuurlijk zijn er culturele verschillen ten aanzien van wat als veilig of onveilig wordt beleefd, maar dat het lichaam op onveiligheid reageert met een stressreactie… dat is universeel. Als dat niet zo was, waren we waarschijnlijk uitgestorven als soort: reageren op gevaar met vechten, vluchten of bevriezen, is een overlevingsreactie. Wanneer een kind opvallend gedrag laat zien, zouden er vragen moeten opkomen als: ‘Wie reageert op wie? Welke onderliggende processen spelen hier, bij het kind of bij de volwassene? Is het gedrag stress-gerelateerd?’ Dat Carla het gedrag van het kind duidt als een mogelijk symptoom van trauma bij de moeder als gevolg van overmatige stress, getuigt van inzicht in de fysiologie. Dat ze dit doet, zegt iets over hoe ze kijkt naar de interactie tussen mensen die elkaar na staan en hoe ze gedrag zie als een uiting van een emotie die wijst op een onderliggende behoefte.

Ik kijk haar aan en spreek het vermoeden uit dat ze nog veel meer verhalen heeft die de moeite waard zijn. Ze lacht en zegt: “Ik denk zelf eerlijk gezegd altijd dat ik niks te vertellen heb! Voor mij voelt het vaak zo logisch!” Misschien is dat niet verwonderlijk, vanuit haar perspectief bezien, want inmiddels zit ze al zo’n veertig jaar in het vak van mensen begeleiden, ook al heeft haar werk in de loop der jaren andere accenten, een andere naam en een andere opleiding gekregen. “Ik zeg altijd dat ik nog steeds als SPV-er werk, Sociaal-Psychiatrisch Verpleegkundige, omdat ik ooit zo ben opgeleid. Nu heten mensen die dit werk doen Verpleegkundig Specialist, of in het Engels ‘nurse practitioner’. De kern is echter dat ik écht ben opgeleid als behandelaar, als generalistisch behandelaar in de sociale psychiatrie; dat zit na al die jaren in mijn bloed.” Ik vraag hoe oud ze was toen ze met dit werk begon. “Ik was 17 jaar en 7 maanden, precies oud genoeg om te mogen starten met de in-service opleiding tot verpleegkundige. Dat was een zeer eerzaam beroep in die tijd, dus ik had de zegen van mijn ouders en was daarmee al jong het huis uit. In het klinische werk kreeg ik al jong met behoorlijke ernstige problematiek van patiënten te maken. Daarna ben ik doorgestroomd naar de opleiding Maatschappelijke Gezondheidszorg (MGZ-GGZ) en ben ik in de ambulant GGZ gaan werken.”

Ik vraag haar of er een aanleiding was voor haar interesse in dit werkveld, omdat het niet bepaald een lichtvoetige keuze is. Ze kijkt verrast en denkt even na. “Ja, die was er zeker! Ik kom uit een nest met een chronisch zieke vader met een streng rooms-katholieke achtergrond en een ongelooflijk zorgende moeder uit een veel minder strenge hervormde familie. Ik ben de derde in een gezin met vier kinderen en voor ons allemaal was het duidelijk dat de zorg voor onze vader op de eerste plaats kwam. Al sinds mijn geboorte was hij ziek en hij lag ieder jaar in het ziekenhuis wegens afstervende ledematen. Dat was natuurlijk heftig en zijn situatie stond centraal; hij had altijd pijn en dat legde een enorme druk op ons gezin. Ondanks omscholing werd mijn vader uiteindelijk arbeidsongeschikt en de ziekte en pijn die letterlijk zijn lijf verteerden, verteerden uiteindelijk ook zijn leven. Tegen de verwachtingen in is hij toch nog ruim 70 geworden. Dat ik als kind door alle zorgen heen heel nieuwsgierig bleef en graag alles wilde weten, omdat ik mezelf niet in beweging krijg als ik dingen niet begrijp… dat was voor mijn ouders denk ik niet altijd gemakkelijk. Zij hadden geen mentale ruimte om mijn nieuwsgierigheid te bevredigen. Als volwassene kan ik dat begrijpen, maar destijds als kind lukte dat niet. Ik legde me niet zomaar overal bij neer, maar ik denk nu dat ik het mijn ouders en overige familie daarmee niet gemakkelijk maakte.”

Volgende week horen we meer over wat Carla tot haar beroepskeuze bracht en over wat ze als de essentie van haar werk ervaart.

‘Via veiligheid naar veerkracht’ – het ontstaan van het Vakblad Vroeg-artikel, Deel 2

Afgelopen week bespraken we hoe zelfs subtiele verschillen in bewoording een onwelkom machtsverschil tussen volwassenen en kinderen kunnen introduceren. Deze week bespreken we het belang van het benaderen van moeilijke situaties als een kans voor een leerproces en hoe dat een hoopvolle manier is van het kijken naar een kloof in kennis.

Leren vereist meestal intense nieuwsgierigheid, wat min of meer gelijk staat aan moed, omdat je, vooral met betrekking tot traumabewustzijn, dapperheid en kwetsbaarheid nodig hebt die je in staat stellen om moedig en met heel je hart te luisteren naar de levenservaring van mensen, open en zonder oordeel. Naast iemand zitten, het heftige verhaal aanhoren en ‘holding space’ bieden is mogelijk iets wat we tijdens ons opgroeien niet hebben meegekregen, dus het vereist een leerproces. Dit is een aspect dat we eveneens inbrachten in het artikel. Kijk maar eens naar deze twee zinnen:

Daarom is het van belang dat volwassenen de behoeftes en de pijn van een kind kunnen herkennen.
Om te begrijpen wat een ander doormaakt, is oprechte nieuwsgierigheid nodig, het verlangen om het levensverhaal van de ander zonder oordeel te (leren) begrijpen.

In de eerste zin wordt aangegeven dat het herkennen van behoeftes belangrijk is. Daarover waren we het eens; dat is inderdaad van uitzonderlijk groot belang. Tegelijkertijd is het herkennen niet iets wat je nu eenmaal wel of niet kunt. De meeste dingen in het leven zijn te leren, als leerling-in-wording intrinsiek gemotiveerd is en de toegevoegde waarde ziet van wat er te leren valt. In de eerste zin is het echter zo dat je het wel of niet kunt en dit kan het gevoel geven dat je in de ‘verkeerde’ categorie zit. Het kan gemakkelijk worden gevoeld als een oordeel: ‘Je zou dit al moeten kunnen; zo niet, dan schiet je tekort.’
Dit is de reden dat we het anders hebben verwoord en ‘leren’ hebben toegevoegd. Als je eenmaal onderkent dat iets zowel belangrijk is als te leren valt, zitten mensen niet langer in één van twee categorieën (je kunt het of je kunt het niet), maar op een continuüm van minder of meer gevorderd als leerling. Dit biedt hoop en vriendelijkheid. Door ‘leren’ toe te voegen, is er sprake van een proces, niet van een onveranderlijke staat. Het neemt het oordeel weg en biedt daarvoor in de plaats compassie en vertrouwen: ‘Het is okay; jij bent okay! Dit is wat het kind nodig heeft en je kunt leren om het kind dat te geven, als je dat op dit moment nog niet kunt!’ Het voorkomt dat mensen de angst en schaamte moeten ervaren van een ‘loser’ te zijn of ‘niet goed genoeg’. Schaamte is één van de grootste blokkades op het pad van groei en ontwikkeling. Je kunt iemand niet dwingen iets te leren; de druk van het presteren, de angst om te falen en de stress van schaamte zijn in zichzelf al genoeg om een betekenisvolle leerervaring te verhinderen. Het enige wat je kunt doen, is een sfeer creëren die bemoedigt en aanmoedigt (letterlijk moed geeft), die uitnodigend is en uitdaagt om je ‘leerbaar’ op te stellen. Om dat te laten gebeuren hebben mensen meestal een gevoel van verbinding nodig, een gevoel dat ze gezien, gehoord en gewaardeerd worden, des te meer als er sprake is van veel onderliggende pijn, die wellicht naar buiten komt als boosheid, koppigheid of weerstand, om een paar verschijningsvormen te noemen.

Het beschrijven van belangrijke vaardigheden als zaken die je je hele leven lang kunt leren, zowel privé als in de werkomgeving of in de samenleving als geheel, is een teken van vertrouwen: ‘Toe maar! Je kunt het!’ Als we die lastige gesprekken kunnen voeren over wat kinderen nodig hebben en vaak nog ontberen, en we voegen daaraan het vertrouwen toe dat je als volwassene kunt leren om dat te bieden, dan werken we aan het voorkomen van (culturele en persoonlijke) intergenerationaliteit van ongezonde gewoontes. Je kunt echter alleen maar werkelijk iets leren, wanneer je je veilig voelt (daar heb je die psychoneuroimmunoendocrinologie weer!) en wanneer je weet dat je ook mag falen. Zonder toestemming om te falen of om hulp te vragen, zou het bijna dwaas zijn om een leerproces aan te gaan. Waarom zou je je leven, je imago, je sociale inclusie op het spel zetten door te proberen iets te bereiken waarvan je amper zeker weet of het zal lukken? Wie zou willen koorddansen zonder ervaring én zonder vangnet? Bovendien zul je in het algemeen alleen een bewust leerproces kunnen aangaan wanneer je je bewust bent van je incompetentie. Dit is andermaal een reden waarom je het nodig hebt je veilig te voelen en gesteund zonder oordeel, omdat de stress van onveiligheid ons in een vecht-of-vlucht-modus brengt; die laat geen effectief leerproces toe, alleen maar overleving.
Als leerprocessen moeilijk blijken te zijn, verdient daarom de volgende vraag aandacht: ‘Wat maakt het moeilijk om de verbinding tot stand te brengen, tussen de volwassene en het kind, en ook tussen de volwassene en diens eigen innerlijke kind?’ Het gaat allemaal om dat grote verschil tussen ‘Wat is er met je aan de hand?’ (oordeel, geen ‘holding space’, machtspositie) en ‘Wat is er met je gebeurd?’ (nieuwsgierigheid, verbinding, compassie, moed, gelijkwaardigheid), het verschil tussen ‘Wat is je probleem?’ en ‘Wat is je verhaal?’

Voor ons zijn bewoordingen die al deze onderliggende fysiologische processen respecteren van cruciaal belang en we zijn van mening dat we er ons als volwassenen van bewust moeten zijn dat kinderen voor zulke dynamieken geen verantwoordelijkheid dragen. Zij doen na wat hun omgeving hen voorleeft. Ze ervaren toxische stress als gevolg van de interactie met hun omgeving, die hun vaak ook nog toxisch taalgebruik aanreikt. De verantwoordelijkheid voor dit alles ligt dus bij de volwassenen om hen heen, waarbij het belangrijk is te onderkennen dat hoe meer de volwassenen te lijden hebben onder vroegkinderlijk trauma, hoe moeilijker het voor ze zal zijn om tot diepgaande reflectie te komen en dit vraagt op zijn beurt weer om compassie. Hoe meer veiligheid we ervaren, hoe meer moed we zullen hebben om onszelf kwetsbaar op te stellen, omdat we in een veilige omgeving niet steeds alert en op onze hoede hoeven te zijn voor dreigend gevaar. Wanneer we over vaardigheden spreken in termen van leerprocessen, in plaats van mensen in te delen als ‘competent’ of ‘incompetent’, wordt alles vriendelijker en dit zal leiden tot het terugdringen van toxisch taalgebruik, waarin tekortkomingen het uitgangspunt zijn.

Laten we, tot slot, terugkeren naar de vragen die de redactierondes inspireerden: Wat is de toegevoegde waarde van ACE Aware NL? Wat is er anders in jullie benadering? Wat is jullie kernboodschap?
De wetenschap heeft aangetoond dat we onze kindertijd niet achter ons laten. Ten goede of ten kwade blijft die bij ons en ze kleurt de manier waarop we in de wereld staan, de manier waarop we voelen, denken, ons gedragen in relatie tot anderen, en de manier waarop we reageren op de behoeften van onze jongsten en hoe we die koesteren, wat van invloed is op hun eigen start in het leven. Uiteindelijk begint een gezonde en rechtvaardige samenleving, met aandacht en compassie voor anderen en de leefomgeving, met een veilige kindertijd.
Dit betekent dat we ons niet slechts richten op baby’s en jonge kinderen, maar zeker ook op het ondersteunen van volwassenen voor hun eigen herstel van ACEs, waardoor ze vervolgens sensitiever en responsiever kunnen zijn in contact met kinderen en nieuwe ACEs kunnen worden voorkomen.
We hopen dat het artikel en deze twee blogs hebben laten zien dat we tot doel hebben om in Nederland bewustzijn aangaande ACEs te creëren, een bewustzijn dat versterking vereist en verdient op zowel het persoonlijke als het beleidsniveau, zoals in gezinnen, gemeenschappen, kindgerelateerde gezondheidszorg en landelijke instanties.

Op deze wijze zijn we in gesprek geweest met de Vakblad Vroeg-redactie en het was hartverwarmend om te ervaren dat wanneer we allemaal in die staat van nieuwsgierigheid blijven (‘Wat bedoel je hiermee?’, ‘Wat is de reden dat je dit erin/eruit hebt geredigeerd?’, ‘Hoe kunnen we binnen de woordlimiet voor twee pagina’s blijven en deze tekst zo krachtig en toegankelijk mogelijk maken?’), er veel kan worden bereikt!
We hopen dat het artikel je ondersteunt in je werk en we hopen je in de nabije toekomst te ontmoeten voor een ACE Aware NL-bijeenkomst of een filmvoorstelling. We willen met name Jan en Louise bedanken voor hun geduld en hun meedenken en we kijken ernaar uit om binnenkort weer samen te werken!

‘Via veiligheid naar veerkracht’ – het ontstaan van het Vakblad Vroeg-artikel, Deel 1

Afgelopen vrijdag vonden twee van onze teamleden de papieren versie van Vakblad Vroeg op hun deurmat met daarin het artikel dat we schreven. Het is altijd bijzonder om een stuk waaraan je met meerdere mensen hebt gewerkt, in print te zien in plaats van op een scherm. Om een tekst daadwerkelijk in handen te houden, op papier, is zeer bevredigend. Deze keer was dat extra speciaal, omdat de weg naar de eindversie een lange en kronkelige was geweest, met af en toe één stap vooruit en twee stappen terug. Samen met de redacteuren van Vakblad Vroeg, Jan de Graaf en Louise van den Broek, hebben we allemaal geduldig toegewerkt naar een versie waarvan zij het gevoel hadden dat die aansluit bij hun lezerspubliek en waarvan wij het gevoel hadden dat die recht deed aan de boodschap die ACE-bewustzijn te brengen heeft.

Jan en Louise zijn goed in redigeren en herformuleren, dus de eerste versie kreeg al meteen een aantal mooie aanpassingen waarin de essentie zeer goed behouden bleef; goed werk. Na nog een ronde waren wij blij, waren zij blij en hadden we allemaal het idee dat we ongeveer rond waren. Toen ging het artikel naar het grotere redactieteam van Vakblad Vroeg en kwam de tekst terug met een aantal belangrijke vragen: wat is de toegevoegde waarde van ACE Aware NL, aangezien er al zoveel mensen actief bezig zijn met concepten als de ‘eerste 1000 dagen’ en een ‘Kansrijke Start’? Wat is er anders in jullie benadering? Wat is jullie kernboodschap?’ Daarmee werd het allemaal wat lastiger. We realiseerden ons dat we het moeilijk vonden om onder woorden te brengen wat zo langzamerhand zo diep geworteld is geraakt in ons hart en onze ziel. We realiseerden ons dat het grote conceptuele onderscheid voor ons zat in de ogenschijnlijk kleine verschillen in bewoording en dat we niet expliciet genoeg waren geweest in het toelichten daarvan. Er was werk aan de winkel!

Neem deze twee zinnen:

Wat maakt het zo moeilijk om tot ons te laten doordringen dat ook kinderen zich onveilig kunnen voelen?
Wat maakt het moeilijk om de onveiligheidsbeleving van kinderen tot ons te laten doordringen?

Hoe ervaar je als lezer wat hier gebeurt…? Voel je een verschil? En waar zit ‘m dat in?
Wij hebben deze twee zinnen met de volgende gedachten en argumenten nader uitgewerkt. In de eerste zin is de volwassene het referentiepunt; dit wordt voornamelijk veroorzaakt door het woord ‘ook’. Het kind is op een bepaalde manier een bijkomstigheid waar je achteraf bij stilstaat. Het denken begint vanuit de volwassene, die zich vaak onveilig voelt en die een muur om dat gevoel heen bouwt. Die muur is dik. Oh wacht… voelen kinderen die onveiligheid ook…? Hmm… misschien… De perceptie van het kind van een gelijksoortige ervaring dringt niet zomaar door die muur heen. Erger nog… de zin zegt dat kinderen zich onveilig *kunnen* voelen, niet per se dat dat vaak het geval is. Op de één of andere manier kun je haast het woord ‘soms’ horen fluisteren na ‘zich’. Deze bewoording laat een duidelijke machtsrelatie zien waarin het kind de ondergeschikte is. Op deze manier komt het kind op de tweede rang. Het is niet de focus van de reflectie van de volwassenen op hoe zij van invloed zijn op het welzijn van het kind, ten goede of ten kwade.

In de tweede zin hebben we een totaal andere situatie. Hier is de onveiligheidsbeleving in kinderen het basisgegeven. Het is de kern van de zin en de vraag is gericht op de volwassenen: ‘Jongens, laten we bescheiden de strijd aangaan met deze kwestie: wat maakt het zo moeilijk? Hoe komt het dat we niet kunnen zien hoe ellendig ze zich (dikwijls) voelen? Laten we dat nauwkeurig onder de loep nemen.’ Het geeft ons als het ware een stomp in de maag, ‘onveiligheidsbeleving’, en we staan voor de opdracht dat op ons te laten inwerken. Dat is voelt behoorlijk oncomfortabel. Het vraagt ons een stap terug te doen, om onszelf kwetsbaar op te stellen en moedig dit gegeven onder ogen te zien, om van kinderen de feedback te ontvangen aangaande hun werkelijkheid, zonder dat we in de verdediging schieten. Dit is echt moeilijk, want als volwassenen zijn we meestal niet bewust bezig kinderen te beschadigen of onbelangrijk te vinden. Desondanks zijn er veel kinderen die lijden onder impactvolle volwassen beslissingen waarop ze zelf geen invloed kunnen uitoefenen. En het wordt nog weer een stuk moeilijker wanneer we ons realiseren dat veel volwassenen, die onveiligheid voor een kind creëren, een gewond innerlijk kind met zich meedragen dat zelf nog steeds naar veiligheid op zoek is. Hoe daarmee om te gaan…? Dat is geen eenvoudige vraag, maar zoals klinisch psychiater en expert op het gebied van interpersoonlijke neurobiologie Dan Siegel zegt: ‘You need to name it to tame it’ – benoem het om het te temmen. Als we een probleem niet benoemen, kunnen we het ook niet aanpakken, niet als individu en nog veel minder als gemeenschap of samenleving.

Je zou dit kunnen vergelijken met de discussie over ‘white supremacy’ en ‘male supremacy’, waar niet-witten of niet-mannen niet langer dulden dat witten of mannen zeggen dat zij ook met allerlei problemen te maken hebben. Dat mag wel zo zijn, maar daar gaat het niet om, als je ongelijkheid wilt aankaarten die voortvloeit uit het feit dat niet-witten of niet-mannen niet serieus worden genomen of dat hun welzijn van minder belang wordt geacht. Als je het niet bespreekt, kun je het niet tot zwijgen brengen. Zoals Brené Brown zegt in haar boek ‘Dare to Lead’: ‘Ervoor kiezen om het gesprek over privilege en onderdrukking niet te voeren omdat je er ongemakkelijk van wordt, is het toppunt van privilege.’

Wat een kleine verandering in de bewoording lijkt, kan zo een compleet andere blik op de wereld weergeven. En jazeker, dat kan zeer, zeer ongemakkelijk voelen… Hoe kunnen we in vredesnaam de status quo handhaven, als we ons eenmaal bewust zijn dat veel van onze economische, culturele en sociaalemotionele gewoontes bij kinderen een onveiligheidsbeleving veroorzaken, iets wat vaak lange schaduwen werpt op hun levensweg? Wel, dat kan misschien ook wel niet… en dat is precies wat dit onderwerp zo pittig, pijnlijk en precair maakt. Wat er nodig is om ACEs te voorkomen, is in feite hetzelfde als wat er nodig is om verandering te creëren in de wijze waarop we als volwassenen (ouders of familieleden of professionals of buren of docenten of trainers) kinderen benaderen en de problemen waarmee ze te maken hebben. Het vraagt van ons om op een heel nieuwe manier te leren kijken en om ons met compassie op een diep niveau met kinderen te verbinden. Het vraagt waarschijnlijk ook van ons dat we onderkennen dat onze eigen levensgeschiedenis en onze eigen pijn ons daarbij in de weg kunnen zitten. We moeten leren begrijpen waar moeilijke gedragsuitingen vandaan komen. We moeten naar de wortels van hun ‘waarom’ zoeken en gedragingen zien voor wat ze werkelijk zijn, namelijk dappere, maar uitputtende overlevingsstrategieën. De kans is reëel dat we nieuwe dingen moeten leren om daartoe in staat te raken. We moeten vertrouwd raken met een ‘biopsychosociale’ benadering – een term waar we als ACE Aware NL dol op zijn, omdat dit woord zo prachtig de onlosmakelijke samenhang illustreert tussen het lichaam, de geest en de omgeving. Er is een woord waarvan we haast nog meer houden: psychoneuroimmunoendocrinologie, de voortdurende terugkoppeling (het feedbacksysteem) tussen onze psyche, onze neurofysiologie en ons immuunsysteem, allemaal met invloed op onze hormonale staat, en daarmee de basis voor zo veel van wat we voelen, denken, en doen en hoe ons lichaam daarop reageert.

Volgende week bespreken we het belang van het kijken naar moeilijke situaties of een kloof in kennis en inzicht als mogelijkheid om een leerproces aan te gaan. Dit stelt mensen in staat om te zien dat het er niet om gaat jezelf te kwalificeren als al dan niet (goed) genoeg, maar om de reis langs een continuüm, een stijgende groeilijn.

Boekbespreking van ‘The Body Keeps the Score’ door Bessel van der Kolk, Deel 2

Afgelopen week behandelden we Deel 1, 2 en 3 van het boek ‘The Body Keeps the Score’. In deze delen bespreekt Van der Kolk hoe de wetenschap trauma in medische diagnoses begon op te nemen, hoe neurologische beeldvormingstechnieken het mogelijk maakten om zicht te krijgen op de effecten van trauma op het zenuwstelsel, en wat de impact is van trauma en hechtingsstijlen op de wijze waarop we ons ontwikkelen naar volwassenheid.
Deze week duiken we dieper in hoe zich het geheugen vormt na blootstelling aan tegenslag of trauma, en op welke manieren mensen kunnen helen van trauma, zeker ook in relatie tot de ondertitel van Van der Kolks boek: ‘Mind, Brain en Body in the Transformation of Trauma’ (geest, brein en lijf in de transformatie van trauma).

Deel 4
Deel 4 gaat helemaal over de herinnering aan trauma. In dit deel illustreert Van der Kolk in detail hoe de samenleving aankijkt tegen de narratieve versus de traumavorm van herinneren vanaf de 19e eeuw. Hij legt het verschil uit tussen de twee vormen van herinneren. Enerzijds vertellen mensen het verhaal over de traumatische gebeurtenissen die ze hebben doorgemaakt (en dat vertellen kan moeilijk zijn, maar maakt het mogelijk om een nieuwe wending of betekenis aan de gebeurtenissen te geven, afhankelijk van de toehoorder). Anderzijds ervaren mensen de herbeleving (die zich herhaaldelijk voordoet en waarbij mensen het gevoel hebben vast te zitten in dat moment of die situatie). In het traumageheugen kunnen mensen dissociëren (het proces waarbij men mentaal vlucht of zich losmaakt van een ervaring of een herinnering) of een tweede zelf ontwikkelen (het verlies van de verbinding met het authentieke zelf). In essentie is het verschil tussen beide vormen dat het narratieve geheugen een gevoel van controle geeft over hoe het verhaal zich ontvouwt, terwijl het traumageheugen focust op de belichaamde ervaring, de fysiek geïnternaliseerde beleving van het gebeurde.
Samen met de analyse van deze concepten stipt de auteur het probleem aan van misdiagnose, waarbij hij als voorbeeld de diagnose ‘hysterie’ aanhaalt voor vrouwen in de 19e eeuw, die achteraf gezien duidelijk leden aan traumagerelateerde stoornissen. Hij benoemt bij herhaling het thema van weerstand en onwil in de samenleving als geheel om over trauma te spreken en, nog belangrijker, om te luisteren naar hen die trauma hebben overleefd.

Deze twee onderwerpen, (narratief en trauma-)geheugen en de tegenzin van de samenleving om over trauma te praten, zijn onderling met elkaar verbonden. Aan de ene kant streven slachtoffers ernaar om het trauma te vergeten, omdat het te pijnlijk is om je te realiseren dat andere mensen zo gewelddadig of onmenselijk kunnen zijn dat ze een ander trauma bezorgen, of dat de wereld zo chaotisch, beangstigend en wreed kan zijn. Het kan ertoe leiden dat je het fundament onder je bestaan gaat betwijfelen of het kan ervoor zorgen dat je meerdere persoonlijkheden of werkelijkheden creëert als een manier om om te gaan met het verlies van veiligheid en Sense of Coherence (SoC).
Aan de andere kant wil de samenleving als geheel trauma liever als de uitzondering zien en de rest van de wereld als veilig en goed geordend beschouwen, omdat de erkenning van trauma op de één of andere manier het bewijs levert van problematische sociaal-culturele praktijken. Het kan betekenen dat er in de status quo iets moet veranderen; dat is ongemakkelijk, want systemen streven naar continuïteit en stabiliteit, niet zozeer naar verandering. Deze twee houden elkaar gevangen: het individu vindt het moeilijk om het eigen verhaal te vertellen, omdat de samenleving moeite heeft dat verhaal aan te horen, en de samenleving vindt het moeilijk om trauma te erkennen, omdat het systeem moeite heeft zich aan te passen aan een nieuwe benadering of zelfs een heel nieuw paradigma. Tegen het einde van dit deel van het boek vinden we het onderstaande citaat, dat laat zien hoe deze twee onderwerpen verbonden zijn en hoe we naar herstel kunnen toewerken, het onderwerp van Deel 5 van het boek.

“Niemand wil zich trauma graag herinneren. In dat opzicht verschilt de samenleving als geheel niet van traumaslachtoffers. We willen allemaal leven in een wereld die veilig, hanteerbaar en voorspelbaar is en slachtoffers herinneren ons eraan dat dat niet altijd de realiteit is. Om trauma te begrijpen, moeten we onze natuurlijke tegenzin overwinnen om die werkelijkheid onder ogen te zien, en moeten we de moed ontwikkelen om naar de getuigenissen te luisteren van hen die trauma hebben overleefd.”

Rembrandt van Rijn: Christus geneest de zieken Gebaren van troost worden universeel herkend en laten de kracht zien van goed afgestemde aanraking.

Deel 5
Dit is één van de meest krachtige en optimistische delen van het boek. In de laatste acht hoofdstukken deelt Bessel van der Kolk zowel decennia aan onderzoek als zijn ervaringen in het werken met professionals van over de hele wereld in onderzoekssettings, buurt- en wijkcentra en schoolomgevingen. Hij beschrijft de mentaliteitsveranderingen, strategieën en methoden die hij als nuttig heeft ervaren voor de behandeling van trauma. Hij onderkent het feit dat de gewaarwordingen die je tijdens bepaalde gebeurtenissen hebt gevoeld en ervaren, worden opgeslagen in je lichaam, je geest en je ziel. Dat betekent dat je het verleden niet simpelweg kunt uitwissen, omdat er in je lichaamsgeheugen een opgeslagen herinnering leeft aan wat er is gebeurd. Dat betekent echter niet dat je geen vooruitgang kunt boeken in je genezing en dat het gevoel van angst, alertheid en verdwazing niet kunnen worden verminderd om ervoor te zorgen dat je niet voortdurend aan het trauma wordt herinnerd of daardoor gaat dissociëren. Hij bespreekt een aantal doelen die mensen zich kunnen stellen als ze onderweg zijn naar herstel, zoals het gebruik van kalmeringstechnieken en het leren om in het hier en nu aanwezig te zijn. Liefdevolle en veilige, goed afgestemde aanraking kan in dat proces een belangrijke rol spelen, omdat die helpt elkaars zenuwstelsel te coreguleren.

De hoofdstukken in Deel 5 zitten vol met ideeën waarmee mensen aan de slag kunnen om zich van hun trauma bewust te worden, hen te helpen dit in woorden tot uitdrukking te brengen, en hun lichaam te integreren in al het werk dat ze misschien doen voor hun geestelijke groei om het trauma op te lossen en daar uiteindelijk sterker en veerkrachtiger uit te komen.

Bessel van der Kolk

Nadere analyse
Eén van de sterkste punten van dit boek is dat het erin slaagt om de weg naar herstel te beschrijven zonder dat het goedkoop klinkt of vol clichés zit. Bessel van der Kolk’s schrijfstijl is vol compassie en toch fris en open door de inzichten die hij deelt vanuit zijn onderzoek en zijn ervaring, tot leven gebracht via de levensechte verhalen en dialoogfragmenten van zijn patiënten. Dit maakt dat je je als lezer kunt herkennen in het materiaal dat hij aanreikt en dat je je ertoe kunt verhouden. Daarbij is het schokkend om te beseffen met hoeveel lagen van trauma sommige mensen onder ogen moeten zien. Dit is bekrachtigend én het maakt je nederig.
Een ander sterk punt duikt op in Hoofdstuk 17, waar Van der Kolk uitlegt dat de geest de optelsom is van de ervaringen en gewaarwordingen die een mens opdoet. Wanneer men het eigen trauma wil genezen, of anderen wil helpen met het herstel van hun trauma, dan moet men in staat zijn de geest als een puzzel te zien, met alle verschillende lagen van complex trauma die zich daarin bevinden. Hij vertelt een fascinerend verhaal van Jane, die onbedwingbare driftbuien heeft en zich schuldig voelt over haar relaties met anderen. Pagina na pagina na pagina legt hij vast hoe hun sessies verlopen, waarbij hij gebruikmaakt van Internal Family Systems-therapie (IFS). Hij illustreert hiermee in onze beleving op perfecte wijze twee belangrijke dingen. Ten eerste laat hij zien dat genezing binnen de context van een groter systeem moet plaatsvinden en niet slechts in individuele mensen (wat een reductionistische benadering zou zijn). Ten tweede laat hij zien hoe complex trauma is, en dat het daarbij gaat om schaamte en schuld, om zelfkritiek en zelftwijfel. Dit gaat in tegen het vaak nog gangbare idee dat trauma een eenmalige gebeurtenis is die leidt tot een enkelvoudig, scherp afgebakend persoonlijk probleem dat door de persoon in kwestie zelf moet worden opgelost, een soort ‘leer er maar mee leven’-verhaal. Niet altijd is bekend hoe indringend en diepgaand de effecten van trauma zijn voor de totale mens, effecten op gedrag en gewoontes, op de wereldvisie en het sociale functioneren. Een zodanig veelzijdig probleem vereist dan ook een multidisciplinaire en onbekrompen attitude.

Samenvattend kunnen we zeggen dat ‘The Body Keeps the Score’ één van de meest invloedrijke boeken is op het gebied van trauma en psychologie en dat is zonder meer terecht. Van der Kolk legt vanuit diverse perspectieven de neuroendocrinologie van trauma uit en daarnaast de effecten van trauma niet alleen op het individu, maar op de samenleving als geheel. Hij neemt een kritisch standpunt in aangaande onderzoek en gangbare medische praktijken en werpt licht op de misdiagnoses en het gebrek aan traumadiagnose dat tot op de dag van vandaag bestaat op verschillende gebieden van trauma. In lijn met het bespreken van de rol van de samenleving ten aanzien van trauma biedt hij strategieën en therapieën om trauma te voorkomen en te genezen wanneer het zich toch voordoet.
Wat hij bepleit, is iets waar veel experts op het gebied van trauma voor opkomen: voor de mens, die is gemaakt voor sociale verbinding, zijn veilige relaties met anderen de sleutel tot het doorlopen van een herstelproces. Het vergt moed en compassievolle nieuwsgierigheid van zowel degene die de ervaringen doorleefde als degene die ‘holding space’ biedt (liefdevolle gespreksruimte) om als gemeenschap werkelijk te helen. Dit boek draagt op indrukwekkende wijze bij aan dat doel.

P.S. Dit boek is naar het Nederlands vertaald en heet dan ‘Traumasporen’; je vindt het op onze websitepagina bij ‘Meer informatie’, kopje ‘Boeken‘.

Boekbespreking van ‘The Body Keeps the Score’ door Bessel van der Kolk

In dit blog bespreken we een boek van Bessel van der Kolk, een (van oorsprong Nederlandse) psychiater, onderzoeker en auteur van onder andere het boek ‘The Body Keeps the Score’, naar het Nederlands vertaald als ‘Traumasporen’. Sinds de publicatie in 2014 is het boek een bestseller geworden en het is één van de meest prominente boeken over de effecten van trauma op het biopsychosociale niveau, zowel voor de persoon in kwestie als voor de samenleving als geheel. Van der Kolk is tevens de grondlegger van het National Child Traumatic Stress Network (NCTSN); dit is een netwerk van organisaties en professionals in veel verschillende sectoren van de samenleving die gespecialiseerd zijn in de behandeling van getraumatiseerde kinderen en hun gezinnen overal in de Verenigde Staten.
Hoewel de inleiding van zijn boek haast als een curriculum vitae voelt, is deze zeer relevant om het werk van Van der Kolk te begrijpen, evenals de manier waarop hij zijn ideeën en argumenten presenteert. Hij gebruikt veel levensechte voorbeelden (uiteraard volledig geanonimiseerd om de identiteit van de gezinnen te beschermen). Hij bepleit multidisciplinaire samenwerking binnen sociale gemeenschappen, op de manier waarop hij ook in het NCTSN samenwerkt met professionals uit heel de wereld.
Per deel van het boek geven we een overzicht van de belangrijkste thema’s die hij bespreekt.

Deel 1
Deel 1 is een weergave van hoe Bessel van der Kolk begon met zijn onderzoek naar trauma en dit is bijna het relaas van hoe het terrein van trauma-onderzoek zich heeft ontwikkeld tot wat het heden ten dage is. Hij begon zijn carrière via het werken met Vietnam-veteranen met symptomen van PTSD. In de jaren 70 was PTSD in de VS echter nog geen officiële diagnose. Van der Kolk observeerde veel veteranen die de kliniek binnenkwamen met klachten over nachtmerries, paniekaanvallen, extreme woede, agressie, neiging tot overmatig drinken en middelengebruik en die vervolgens nauwelijks ondersteuning vonden wegens gebrek therapiemogelijkheden. Om hun een minimale vorm van steun te bieden, organiseerde hij een informele groepsbijeenkomst waar de veteranen, die zich vaak niet in staat voelden om over hun ervaringen te praten (omdat ze zich verdoofd voelden of de woorden niet konden vinden), hun verhalen binnen deze groep begonnen te delen. Men voelde zich gesteund, kwam terug voor een volgende sessie en bleef vervolgens wekenlang terugkomen voor de bijeenkomst.
In 1980 begon Van der Kolk te werken met een andere patiëntengroep: overlevenden van kindermisbruik. Hij merkte op dat dit veld net zo onderbestudeerd was als de PTSD in de veteranen en dat er qua symptomen overeenkomsten waren met die van de oorlogsveteranen. In de jaren rond 1990 begonnen de technieken rondom beeldvorming van de hersenen wetenschappers te ondersteunen bij het vaststellen van de effecten van trauma op het brein en daardoor ontstond er veel meer inzicht in wat trauma inhoudt. Van der Kolk beschrijft dit als volgt:
“Trauma resulteert in een fundamentele reorganisatie van hoe de geest en het brein omgaan met wat ze waarnemen. Trauma verandert niet alleen hoe we denken en waarover we denken, maar vooral ook de vaardigheid van het denken zelf. We hebben ontdekt dat het van enorme betekenis is om traumaslachtoffers te helpen om woorden te vindens waarmee ze kunnen omschrijven wat hen is overkomen; meestal is dat echter niet voldoende. Het vertellen van het verhaal verandert namelijk niet noodzakelijkerwijs de automatische lichamelijke en hormonale reacties van het lichaam dat hyperwaakzaam blijft, ieder moment voorbereid op het moment waarop het wordt aangevallen of misbruikt. Om echte verandering te bewerkstelligen, moet het lichaam leren dat het gevaar is geweken en dat het mag leven in de realiteit van het heden.”

Deel 2
Deel 2 gaat dieper in op de neurowetenschap en de manieren waarop brein en lichaam reageren op toxische stress en trauma en hoe mensen wel of niet in staat zijn grip te krijgen op hun traumatische ervaringen. Twee afbeeldingen en begeleidende verhalen laten dit op opmerkelijke wijze zien, zoals hieronder wordt uitgelegd.

Het eerste verhaal: kleine Noam was getuige van de aanval op het World Trade Center op 9/11. Hij zag het eerste vliegtuig crashen op de Twin Towers en zag hoe mensen hun dood tegemoet vielen. De volgende dag maakte hij een tekening van wat hij had gezien; in zijn tekening vielen de mensen echter niet hun dood tegemoet, maar landden ze op een trampoline (de zwarte cirkel net rechts van de deur). Van der Kolk legt uit dat Noam opgroeide in een liefdevol gezin; zijn verzorgers bleven rustig en waren responsief. Hoewel de gebeurtenis waarschijnlijk een vluchtreactie in Noam teweeg had gebracht, was hij, in de veiligheid van zijn thuissituatie, in staat om de hele gebeurtenis waarvan hij getuige was geweest, te verwerken.

Het tweede verhaal: Stan en Ute hadden,  als stel, een vreselijk ongeluk in 1999. Drie maanden later hadden ze allebei last van flashbacks; ze waren gespannen, hypersensitief en snel geïrriteerd. Ze vroegen aan het team van Van der Kolk om een hersenscan. Stan’s brein liet zien dat hij het trauma keer op keer herbeleefde, waardoor hij begon te zweten en te trillen en waardoor zijn hart op hol sloeg. Ute’s scan was heel anders; deze liet zien dat iedere keer dat ze aan het ongeluk werd herinnerd, helemaal bevroor. Dit bracht Van der Kolk tot de overtuiging dat er sprake moest zijn van voorgaand, niet opgelost trauma, dat haar geconditioneerd had om te dissociëren.
Van der Kolk legt uit dat de hersenen van getraumatiseerde mensen moeite hebben om interne en externe prikkels goed te verwerken; ze zijn geneigd om bepaalde signalen als bedreigend te ervaren, hoewel het gevaar allang voorbij is.

Om de verbinding tussen lichaam en geest duidelijk te maken, noemt Van der Kolk twee beroemde wetenschappers: Charles Darwin en onze tijdgenoot Stephen Porges.
Darwin legde de reacties vast die veel dieren laten zien wanneer ze zich bedreigd voelen en zijn observaties maakten hem duidelijk dat wanneer een organisme in de overlevingsmodus verkeert, het geen ruimte heeft voor koestering en liefde. Hij legt dit prachtig uit, zoals het volgende citaat laat zien:
“Wanneer een organisme gevangen zit in de overlevingsmodus, richt het alle energie op het bevechten van onzichtbare vijanden, waardoor er geen ruimte overblijft voor koestering, zorgzaamheid, en liefde. Voor ons mensen betekent dit dat zo lang als de geest zichzelf verdedigt tegen onzichtbare aanvallen, de relatie met onze meest nabije dierbaren wordt bedreigd, evenals onze verbeeldingskracht en de vaardigheid om te plannen, te spelen en te leren en aandacht te hebben voor de behoeften van anderen.”
V
ervolgens schetst hij de grote lijnen van de polyvagaaltheorie van Stephen Porges als een theorie die lichaam en geest verenigt en die de lichamelijke reactie van het lichaam op toxische stress en trauma kan verklaren.



Deel 3
In Deel 3 bestudeert Van der Kolk nauwkeurig de vroege levenservaringen en het belang voor kinderen om veilige hechtingsrelaties op te bouwen met de verzorgers. Wanneer kinderen daar niet in slagen, kan zich een vorm van onveilige hechting ontwikkelen. In het algemeen worden er drie vormen van onveilige hechting onderscheiden:

  • vermijdend gehecht: wanneer de ouders/verzorgers in belangrijke mate emotioneel niet beschikbaar of niet responsief waren, waardoor het kind zich emotioneel afstandelijk en wantrouwig voelt;
  • angstig/ambivalent gehecht: wanneer de ouders/verzorgers overbezorgd, inconsistent of onvoorspelbaar reageren en het kind grote stemmingswisselingen laat zien;
  • gedesorganiseerd gehecht: wanneer de ouders/verzorgers een bron zijn van zowel geruststelling als angst, waardoor het kind een gebrek aan vertrouwen in zichzelf en anderen heeft en zich heel verward voelt.

In de rest van Deel 3 bespreekt Van der Kolk de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM), het internationale handboek dat wordt gebruikt door werkers in de geestelijke gezondheidszorg om psychische stoornissen te diagnosticeren. Hij wijst op de problemen die zijn verbonden aan de praktijk om mensen een traumadiagnose te geven (die soms uitloopt op PTSD), zonder aandacht te schenken aan de onderliggende oorzaken van hun gezondheidsproblemen. Hij benoemt verder de trage vooruitgang die in medische settings wordt geboekt bij het herkennen van signalen of gedrag als een symptoom van trauma en met het vertalen van die signalen naar een traumagerelateerde diagnose. Bovendien bespreekt hij de resultaten van onderzoeken op het gebied van ACE’s en hoe deze het bewijs leveren voor een veel grotere, verborgen epidemie van ontwikkelingstrauma dat, ondanks de grote omvang, nog steeds niet wordt geclassificeerd als een gezondheidsrisico en waarvoor geen formele behandelingen bestaan.

Volgende week zullen we kijken naar Deel 4 en 5 en een korte analyse geven van het totale boek.