Boekbespreking van ‘De zin van het bestaan’ door Viktor E. Frankl, Deel 2 (slot)

Vorige week hebben we een begin gemaakt met een recensie van Viktor Frankls ‘Man’s Search For Meaning’ en bespraken we wat er in Deel 1 van het boek aan bod kwam. Verschillende aspecten van het vinden van betekenis zijn het onderwerp van Deel 2 van het boek, waar logotherapie in een notendop wordt besproken.

Logotherapie wordt ook wel de ‘Derde Weense School voor Psychotherapie’ genoemd. Waar Sigmund Freud zich concentreerde op ‘de wil tot plezier’ (psychoanalyse) en Alfred Adler op ‘de wil tot macht’ (individuele psychologie), richtte Viktor Frankl zich op ‘de wil tot betekenis’ (logotherapie), aangezien betekenisgeving in het leven voor de meeste mensen de belangrijkste motiverende kracht blijkt te zijn. Dit is ook wat naar voren komt in het steeds meer gangbare concept van Positieve Gezondheid. Van de zes dimensies (lichaamsfuncties, mentaal welbevinden, zingeving, kwaliteit van leven, meedoen en dagelijks functioneren) blijken de spirituele aspecten het vaakst te worden genoemd als dat wat er echt toe doet. Mensen kunnen chronische gezondheidsproblemen hebben, maar zolang die redelijk goed onder controle zijn en mensen een doel in het leven hebben en zingeving eervaren, beschouwen ze zichzelf meestal als gezond. Als de fysieke gezondheid over het algemeen goed is, maar de zingeving ontbreekt, dan geven mensen veel neerslachtiger beschrijvingen van hoe het met ze gaat. Hoe meer betekenis mensen in hun leven kunnen onderscheiden, hoe groter de kans dat gezondheid en geluk daaruit voortvloeien. Die zijn dan geen doel op zich, maar zijn het gevolg van de gevonden zingeving en levensdoelen en van het kunnen bijdragen aan iets groters dan het eigen leven. In de woorden van Nietzsche, geciteerd door Frankl: ‘Hij die een waarom heeft om voor te leven, kan bijna elk hoe verdragen’ (p. 109, cursivering van de auteur).

Zonder zo’n zingeving, schrijft Frankl, kunnen mensen ‘existentiële frustratie’ ervaren. Je niet uitgedaagd voelen, maar verveeld en nutteloos, is begrijpelijkerwijs moeilijk, stelt hij, en verdient aandacht in plaats van medicatie:

Existentiële frustratie is op zich noch pathologisch noch pathogeen. De bezorgdheid van een mens, zelfs zijn wanhoop, over de waarde van het leven is een existentiële stress, maar geenszins een mentale ziekte. Het is heel goed mogelijk dat het interpreteren van het eerste in termen van het laatste een arts motiveert om de existentiële wanhoop van zijn patiënt te begraven onder een hoop kalmerende medicijnen (p. 108, cursivering van de auteur).

Met andere woorden: zorgverleners moeten de zorgen van hun patiënten serieus nemen wanneer ze geen of onvoldoende zin meer zien in het leven. Frankl ziet drie verschillende betekenislagen in het leven: ‘1) door werk te doen of een daad te verrichten (werk); 2) door iets te ervaren of iemand te ontmoeten (liefde); en 3) door de houding die we aannemen tegenover onvermijdelijk lijden (mentale kracht)’ (p.115). Het gevoel van zinloosheid, ‘is het resultaat van het niet bevredigen van onze existentiële behoeften, wat (…) een universeel fenomeen is geworden in onze industriële samenlevingen’ (p.141) en kan een ‘existentieel vacuüm’ creëren, vaak wijder verspreid op plaatsen waar spirituele, ceremoniële, professionele en familietradities verloren zijn gegaan. Dit kan ertoe leiden dat mensen ‘doen wat andere mensen doen (conformisme) of (…) wat andere mensen willen dat [ze] doen (totalitarisme)’ (p.111).

Het doel van logotherapie is ‘noch doceren noch propageren’ (p.114), maar mensen helpen hun blik te verbreden en hun eigen zin in het leven te vinden en daarom zal de logotherapeut ‘nooit toestaan dat de patiënt de verantwoordelijkheid om te oordelen aan de arts overdraagt’. Een mooie verklaring is deze: ‘Een schilder probeert ons een beeld te geven van de wereld zoals hij die ziet; een oogarts probeert ons in staat te stellen de wereld te zien zoals die werkelijk is’ (p.114,115). Logotherapie moedigt cliënten aan om de potentiële betekenis van hun leven te vinden en Frankl noemt dit ‘de zelftranscendentie van het menselijk bestaan’. Pas als we dit echt kunnen voelen en zien, kunnen we tot zelfverwerkelijking komen, ‘als neveneffect van zelftranscendentie’ (p. 115). Dit geldt vooral in moeilijke omstandigheden, wanneer de zaken er hopeloos uitzien.

Waar het dan [wanneer het lot niet kan worden veranderd] om gaat, is getuige te zijn van het uniek menselijke potentieel in optima forma, namelijk het transformeren van een persoonlijke tragedie tot een triomf, het omzetten van iemands hachelijke situatie in een menselijke prestatie. Als we een situatie niet meer kunnen veranderen (…) worden we uitgedaagd om onszelf te veranderen (p.116).

We worden echter opgeroepen om het lijden waar mogelijk wel te verlichten, want ‘onnodig lijden is eerder masochistisch dan heroïsch’ (p. 117). Wat hiervoor nodig is, is het vinden van de ‘superbetekenis’, niet ‘de zinloosheid van het leven verdragen, maar eerder het verdragen van het onvermogen om de onvoorwaardelijke betekenis ervan in rationele termen te vatten. Logos is dieper dan logica’ (p.122, cursivering auteur).
We kunnen nooit volledig vrij zijn van moeilijke omstandigheden, dus echte vrijheid is volgens Frankl de ‘vrijheid om een standpunt in te nemen tegenover de omstandigheden’ (p.132), een weg naar zelfbeschikking. Dit is typisch menselijk, want: ‘De mens is in staat de wereld ten goede te veranderen als het kan, en zichzelf ten goede te veranderen als het moet’ (p.133). Als zinloosheid ons gek maakt, bewijst dat slechts onze menselijkheid, zegt Frankl. Dit sluit aan bij een citaat uit het werk van Krishnamurti: ‘Het is geen teken van gezondheid om goed aangepast te zijn aan een intens zieke samenleving.’ Dat wil niet zeggen dat het altijd gemakkelijk is. We kunnen om veel verschillende redenen ten prooi vallen aan ‘opgeef-itis’ (p.141), waarbij we alle hoop verliezen, omdat we ons niet langer richten op de resterende zin van het leven. Daardoor verliezen we mogelijk elk vermogen om met het lijden om te gaan.
Er is echter een ‘verschil tussen waardevol zijn in de zin van waardigheid en waardevol zijn in de zin van nuttigheid’ (p.152). Elk lot waardig dragen betekent in groei en ontwikkeling boven onszelf uitstijgen en zo de vrede en het welzijn in de wereld vergroten.

Dat is inderdaad hoopgevend. Door met mensen die rouwen en lijden, compassievol te onderzoeken welke dingen hun leven nog steeds waardevol maken, kunnen we hen ondersteunen bij het terugvinden van de weg naar hun doelen en levensgeluk. Dit alles zo indrukwekkend goed uiteengezet te zien door iemand met een geschiedenis als die van Frankl, stemt een mens nederig.

Boekbespreking van ‘De zin van het bestaan’ door Viktor E. Frankl

Het is een klein boekje, in de paperbackversie van 2004, maar het bevat een cruciale boodschap en daarom werd het een klassieker. Oorspronkelijk werd het boek geschreven en gepubliceerd in 1946 met de titel ‘Ein Psycholog erlebt das Konzentrationslager’ (‘Een psycholoog overleeft het concentratiekamp’) en vervolgens kreeg het in 1978, met de Engelse vertaling, zijn nieuwe titel, die de inhoud treffend samenvat: hoe je zingeving kunt vinden, zelfs onder de meest gruwelijke omstandigheden. (We lazen het boek in het Engels, ‘Man’s Search For Meaning’, maar het boek is ook in het Nederlands vertaald. De vertaling van de citaten is echter van ons en niet afkomstig uit de Nederlandse editie. Daar kunnen dus verschillen aanwezig zijn.)
Viktor Frankl werd in 1905 in Wenen geboren en stierf er in 1997. Hij studeerde er geneeskunde, met als specialisaties neurologie en psychiatrie. Hij richtte zich op depressie en zelfdoding en de kennis en inzichten die hem dit opleverden, nam hij met zich mee toen hij eerst naar Theresienstadt (1942) en later naar Auschwitz en Dachau (1944) werd gedeporteerd. Het boek bestaat in essentie uit twee delen. Deel 1 is een verslag van zijn verblijf en beproevingen in de concentratiekampen en Deel 2 is een uitleg van ‘logotherapie’, de psychotherapeutische methode die hij al voor de Tweede Wereldoorlog ontwikkelde, maar die hij na de oorlog, terug in Wenen, nauwgezet beschreef en beoefende.

Logotherapie wordt ook wel de ‘Theorie van Zingeving’ genoemd, omdat het in de kern gaat over de vraag hoe je betekenis kunt vinden (logos betekent ‘woord’ of ‘betekenis’), hoe je veerkrachtig kunt blijven in het aangezicht van tegenspoed en onrecht. Er kunnen veel redenen zijn om de hoop en het vertrouwen te verliezen, en je kunt worden beroofd van je persoonlijke vrijheid, maar er is één vrijheid, volgens Frankl, die geen mens kan worden ontnomen: de keuze om te beslissen hoe te reageren op externe omstandigheden. In de context van ACE’s is dit uiterst relevant, aangezien de essentie van trauma het verlies is van de verbinding met je ware zelf. Als er manieren zijn om die verbinding te koesteren en authentiek te blijven, is het belangrijk om die te delen met mensen die moeilijke omstandigheden (hebben) ervaren.
Aanvankelijk wilde Frankl het boek anoniem schrijven, maar hij bedacht zich en vond dat hij ‘de moed moest hebben om [zijn] overtuigingen openlijk te verkondigen’ (p.20).

Zijn beschrijving uit de eerste hand van de gang van zaken in de kampen is indrukwekkend. De meeste lezers zullen wel een globale kennis hebben van deze tragische locaties, maar de helderheid waarmee Frankl erop terugkijkt, is bewonderenswaardig. De omstandigheden waren zo erbarmelijk dat hij schrijft dat je het mensen moeilijk kunt verwijten dat ze zichzelf probeerden te verdoven (p.24), hetzij met alcohol, hetzij op willekeurig welke andere mogelijke manier.
Hij beschrijft de fasen die mensen doormaakten bij binnenkomst in het kamp: shock (eerst gepaard gaande met pijnlijke emoties zoals verlangen, medelijden, afschuw en walging), apathie (emotioneel sterven, dat niets je nog wat kan schelen, een poging tot zelfbescherming), en ten slotte de psychologische reactie na de bevrijding.
Deze derde en laatste fase was moeilijk in die zin dat vreugde ‘opnieuw geleerd’ moest worden: ‘De druk die jarenlang op [de gevangene] had gelegen, werd eindelijk losgelaten [en] zijn verlangen om te spreken was onweerstaanbaar’ ( p.96). Frankl omschrijft dit proces weer als ‘van een zenuwenoorlog naar mentale rust’ (p.97). Idealiter gebeurt dit heel langzaam, stap voor stap, om te voorkomen dat er ‘moreel verval’ ontstaat in de vorm van wraak en schade toebrengen aan (eigendommen van) daders.
We kunnen hier een parallel zien met andere soorten trauma: je weer gelukkig voelen, pijn en verlies loslaten, kan moeilijk zijn, als die je hele leven je ontwikkelingsomgeving hebben gevormd.

Het grootste deel van het boek gaat echter over de tweede fase, die van apathie en hoe ermee om te gaan of die te voorkomen. Sommige mensen waren in staat om hun ‘spiritueel leven te verdiepen’ (p.47), schrijft Frankl:

Ze waren in staat zich terug te trekken uit hun verschrikkelijke omgeving naar een leven van innerlijke rijkdom en spirituele vrijheid. Alleen op deze manier kan de schijnbare paradox worden verklaard dat sommige gevangenen met een minder gehard karakter het kampleven vaak beter leken te overleven dan degenen met een robuuste persoonlijkheid (p.47).

Hij omschrijft het als de ‘overleving van de gevoeligen’. Wat onder normale omstandigheden zou kunnen worden omschreven als dissociatie, kan onder ernstige tegenspoed worden gezien als identificatie met de rijkdommen van het innerlijke leven door te putten uit eerdere ervaringen zoals liefde en vreugde en dankbaarheid, humor en nieuwsgierigheid. Dit alles is wat we zouden kunnen zien als ‘de wijsheid van trauma’, waarbij de capaciteiten van de geest worden gebruikt om het ondraaglijke heden te overleven. Het betekent ook dat hoe overvloediger die eerdere positieve ervaringen zijn, hoe groter de kans dat mensen er uit kunnen putten, of, anders gezegd, veerkracht kunnen tonen. Frankl zegt: ‘Een abnormale reactie op een abnormale situatie is normaal gedrag’ (p.32). In lijn hiermee waren de pogingen van gevangenen om in de menigte te verdwijnen, om niet de aandacht op zichzelf te vestigen, terwijl mensen in het normale leven graag gezien en erkend willen worden op grond van hun unieke individualiteit. Kleine stukjes privacy en eenzaamheid werden beschouwd als pure luxe, momenten om weer in contact te komen met het Zelf (p.61).

Toch zijn mensen niet louter het product van biopsychosociale factoren, stelt Frankl, wijzend op de emotionele, spirituele dimensie van de mensheid. Gedurende het hele leven kan ‘alles van een mens worden afgenomen, behalve één ding: de laatste van de menselijke vrijheden – om onder alle omstandigheden je houding te kiezen, om je eigen weg te kiezen. (…) Het is deze spirituele vrijheid – die niet kan worden weggenomen – die het leven betekenisvol en zinvol maakt’ (p.75,76). Door ‘dapper, waardig en onbaatzuchtig’ (p. 76) te blijven terwijl we lijden ervaren, en door het koesteren van hoop op en geloof in betere tijden, kan het leven een diepere betekenis krijgen. Het kan er zelfs toe leiden dat een iemand een enorme persoonlijke en spirituele groei tot stand brengt.

Volgende week bespreken we Deel 2 van het boek.

De ervaringsdeskundige, Aflevering 9 – Deze week: Hester, Deel 3 (slot)

Vorige week vertelde Hester over haar ziekteperiode. Vandaag gaat ze wat dieper in op een aantal therapievormen en lezen we over waar ze nu staat.

Ze vertelt dat ze weliswaar haar heil niet kon vinden in de reguliere zorg, maar dat ook het alternatieve circuit geregeld geen verbetering gaf of zelfs schade aanrichtte. Sommige therapeuten grepen haar moeilijke situatie aan om hun eigen spirituele ego te voeden. Ze vroegen haar hun een succeservaring te gunnen; eentje adviseerde zelfs dat ze een eind aan haar leven zou maken. Het betekende dat ze in haar wanhoop ook nog alert moest zijn op misbruik van haar klachten: “Ik vind dat gevaarlijk, zo’n houding waarbij je je als getraumatiseerde hulpvrager moet beschermen tegen de therapeut. Dan kom je niet tot zuivere heling.” De reguliere zorgverleners boden echter ook geen uitweg. Die kwamen bij herhaling met maar één oplossing: meer medicatie. “Toen ik die weigerde en zei dat ik wél hulp wilde, maar níet eindeloos meer medicijnen, weigerden ze hulp en ben ik uit allerlei circuits uitgeschreven. Toen restte mij nog één ding: helemaal naar binnen keren. Ik heb een gesprek met ‘Boven’ gehad en voelde dat ik nog iets te doen had in deze wereld, maar mijn levensenergie was op, weg, uitgeput. Ik overwoog in bed te gaan liggen en te wachten tot ik zou doodgaan, want niemand wist een oplossing. Geloof het of niet, maar toen heb ik mensen van een holistische bezinningskring benaderd en huilend mijn verhaal gedaan. Toen is er niet slechts lokaal, maar nationaal voor mij gemediteerd. Daarna kwam er rust in mij. Ik voelde dat ik terug wilde naar de bioresonantietherapeut waar ik al eerder was geweest. Diens begeleiding en aanpak, ook van de toxische belasting, hielpen me eindelijk en hebben mij gered. Mijn huisarts was echter sceptisch. Hij noemde het allemaal placebo-effect, maar ook hij had mij niet kunnen helpen.

Mijn ziekte heeft het voor mij noodzakelijk gemaakt om alles wat er in mijn leven is gebeurd, heel diep te doorvoelen. Ik heb, mag ik wel zeggen, het diepste duister gezien en begrijp nu hoe dingen hun impact hebben kunnen krijgen. Vervolgens heeft de pijn mij losgelaten en momenteel gaat het heel goed met me. Mijn energie is beperkt, maar het is geen vergelijk met hoe het was en ik ben enorm dankbaar voor waar ik nu sta. Daar heeft de pijnresetmethode van dokter Sarno mij zeker ook bij geholpen. Ik blijf alert op hoe vroeger nog altijd impact kan hebben op hoe ik dingen voel of ervaar, maar dat heeft nu een heel ander karakter dan eerder. Ik heb dat nu naar mijn mening voldoende doorleefd. Dat neemt niet weg dat mijn lichaam nog steeds wel vrij snel vermoeid is en dat ik dan symptomen krijg die ik serieus mag nemen, ook als mijn hoofd eigenlijk nog verder wil met iets. Er blijft een bepaalde kwetsbaarheid, maar daar kan ik nu goed mee leven.”

We spreken naar aanleiding van het ‘niet goed kunnen voelen’ over de vraag bij wie ze vroeger als kind terecht kon als er heftige gevoelens waren. Ze denkt na en zegt: “Weet je dat ik dat niet meer weet…?” Ergens zegt dat veel, dat er niet duidelijk iemand opkomt aan wie ze een gevoel van veiligheid kan koppelen. “Ik had ook niet veel vrienden; ons gezin was zo besloten, zo’n kleine wereld, dat we eigenlijk niet werden voorbereid op wat je buitenshuis nodig hebt om je betekenisvol met anderen te verbinden. Zo erg is het nu niet meer, maar nog altijd heb ik een voorkeur voor de één-op-één-ontmoeting; van oppervlakkigheid word ik niet happy.”

Vanuit haar behoefte aan diepgang stapt ze soms toch nog weer in de valkuil van meer doen dan haar lichaam aankan: “Dat zou ik wel een slechte gewoonte kunnen noemen – zeker. Vanuit mijn wilskracht denk ik dan dat ik nog wel even door kan en morgen wel weer bijkom en dat blijft een zoektocht…” Ze valt even stil en denkt na. “Een zoektocht… hoe kan ik nou vanuit mijn hoofd echt in mijn lijf dalen en daar die ontspanning vinden, werkelijk voelen dat het goed en veilig is en dan de stress loslaten? Dat te leren is een ongoing process, waar ik soms trouwens ook wel weerstand tegen voel. Wanneer is het een keer klaar? Tegelijk realiseer ik me dat ik soms nog altijd niet werkelijk weet wat ik voel, dus dat vergt beslist nog oefening. En wat ook oefening vergt, is dat als ik moe ben en me onrustig voel, dat ik dan ook echte rust neem en niet de onrust verdoof met ‘bagger’ van bijvoorbeeld social media. Dat is vaak een worsteling: de ene onrust verdoven met andere onrust… niet goed, maar stilte is moeilijk voor me. Ik word er opstandig van, omdat het me de indruk geeft dat mijn leven nog altijd te saai is, en dus ga ik dan op zoek naar prikkels, terwijl ik eigenlijk rust nodig heb. Inmiddels weet ik dat ik wél kan voelen, maar ik voel nog niet altijd goed. Dan fiets ik met mijn hoofd heen over wat mijn lijf te vertellen heeft. Door alles wat er is gebeurd, begrijp ik inmiddels wel een heel stuk beter dat veel van mijn gedrag nodig was om me te redden uit de situatie waarin ik zat, met alle voorouderlijke dynamieken die daarin meespeelden.”

Na alle persoonlijke aspecten zoomen we nog even uit naar het maatschappelijke perspectief. Ik vraag of ze het gevoel heeft dat de invloed van de kindertijd voldoende aandacht krijgt. “Nee, ik vind dat er te weinig erkenning voor is. Zelfs in een traumacentrum waar ik was, bleken de visies op trauma volstrekt achterhaald te zijn. Ik denk dat de inzichten die ervaringsdeskundigen in allerlei organisaties zouden kunnen aanreiken, heel waardevol is. Er is gewoon meer kennis nodig over wat het betekent om trauma te ervaren en ervan te helen. Zoals je zei: er is een verschil tussen ‘helen’ en ‘genezen’, en hoewel ik niet volledig genezen ben, ben ik zeker geheeld. De impact van pre- en perinataal trauma, de invloed van opgroeien in een disfunctioneel gezin, voorouderlijk trauma… er is nog heel wat werk aan de winkel om dat allemaal brede bekendheid te geven!

Ik heb op geestelijk vlak ook nog wel dingen meegemaakt die ik nu niet publiek wil maken, maar echt… we zijn als mens spirituele wezens en dat is iets wat vaak ondergesneeuwd raakt in protocollen en vaste structuren. Veel benaderingen in de reguliere zorg zijn heel cognitief georiënteerd, maar trauma zit zó diep… Daar kun je met je cognitie helemaal niet bij. Daarvoor is heel wat anders nodig. Daar heb je misschien de complementaire zorg voor nodig, maar zoals gezegd… daar zijn de spirituele ego’s soms zo groot dat het op het gevaarlijke af is. Ik heb me ook in die hoek soms werkelijk niet serieus genomen gevoeld. En als je dan eindelijk wel door iemand wordt behandeld, moet je soms weken of maanden wachten op een vervolgbehandeling; ook dat vind ik heel problematisch. In de tussentijd weet niemand hoe het met je gaat en je kunt soms nergens terecht als een eerdere sessie veel heeft losgemaakt wat begeleiding verdient.”

Als we spreken over wat een kind nodig heeft in de vroege fase, heeft ze meteen een duidelijk beeld: “Een zo open mogelijke omgeving, dat alles er mag zijn, dat er geen oordeel rust op wat je voelt en zegt en op dat waarmee je emotioneel gezien bezig bent… dat er begrip voor je is. En daarnaast is het denk ik belangrijk dat we het lichaam niet vergeten. Er kan ook sprake zijn van een toxische belasting die moet worden opgeschoond.”

We eindigen met onze drie standaard vragen.

Wat geeft je hoop?
“Dat we als mensen zo sterk zijn dat je zelfs uit zo’n bijna hopeloze situatie als die van mij kunt komen.”

Wat staat er nummer 1 op je bucket list?
Ze straalt en lacht, als ze antwoordt: “Aaah, ja… toch het uitgeven van die kinderboekjes! Hopelijk vind ik iemand die dat wil doen!”

En waar ben je op dit moment heel enthousiast over of waarmee wil je bezig zijn?
“Dat is ook niet moeilijk! Ik doe momenteel een spirituele cursus, vier online workshops en dat vind ik geweldig. Ik doe het in mijn eigen tempo, maar geniet ervan dat dat kan en dat ík het nu weer kan!”

We ronden af. Hester geeft aan dat ze het heel fijn vond om haar verhaal een keer uitgebreid te doen bij iemand die het neemt zoals het is, die ernaar luistert en het serieus neemt. “Ik weet ook niet of ik nog weer in therapie wil; ik denk dat ik voorlopig genoeg heb aan deze nieuwe fase en aan het rustig integreren van alles wat ik heb geleerd in de voorbije tijd. Ik ben vooral heel dankbaar dat ik vanuit zo’n crisis nu weer hier ben en het was goed daar zo in alle rust over te kunnen vertellen!”

De ervaringsdeskundige, Aflevering 9 – Deze week: Hester, Deel 2

Vorige week hoorden we over het begin van het leven van Hester. Vandaag vertelt ze over haar ziekte.

Ze trouwde, werd zwanger en daarmee begon een periode met veel verdrietige, moeilijke ervaringen. De eerste zwangerschap eindigde in een miskraam. De tweede zwangerschap bracht een dochter, die een alleengeboren tweeling was. Er volgde nog een zwangerschap, die eveneens op een miskraam uitliep. Daarna werd een tweede dochter geboren, scheidden haar ouders, en kwam er nog een derde dochter, eveneens de helft van een tweeling. “Deze jongste dochter heeft daarvan nog steeds veel last. Het voelt voor haar alsof ze nog steeds op zoek is naar haar andere helft. Het wonderlijke was dat de oudste tijdens die zwangerschap zei dat ik twee baby’s in mijn buik had en ze heeft ook last gehad van het verlies van dat andere kindje. Ik vloeide, maar bleef ook zwanger, dus voor ons was de situatie duidelijk. Mijn vruchtbare jaren waren hierdoor heftig en hebben me afgemat. Bovendien had ik toen al last van TMS (Tension Mysositis/Myoneural Syndroom); ik had werkelijk altijd pijn en was, net als mijn moeder, vaak de uitputting nabij. Vervolgens werd ook mijn man flink ziek en er was, naast niet-reguliere medische behandelingen, tijdnodig voordat hij weer naar wens functioneerde. Toen onze jongste dochter 3 werd, zijn in één jaar tijd mijn beide ouders overleden. Al met al hebben we echt heel zware jaren gehad. Op een gegeven moment bleek ook dat ik, naast mijn pijnklachten, een zware toxische belasting had. Ik denk dat ik als kind al emotioneel uitgeput was en dat mijn overlevingsdrang en de spirituele kennis die ik al had, mij door mijn crisis heen hebben gesleept.”

Met deze term ‘crisis’ verwijst ze naar haar ziekte van vijf jaar geleden. Na de eerste miskraam kreeg ze van vrienden een boek over spiritualiteit dat haar een gevoel van ‘thuiskomen’ bezorgde en dat aanzette tot meer verdieping op dat vlak. “Vanaf toen heb ik als een soort hongerige ziel gelezen, gelezen, gelezen, ook al dacht ik na de middelbare school dat ik dat nooit meer zou doen! In spiritualiteit en creativiteit ligt voor mij de essentie van mijn ziel en dat lezen heeft me geholpen daarin houvast te vinden. Ik ben daardoor bijvoorbeeld gaan zien dat ik geen type ben om mijzelf te ‘vermarkten’. Werk waarbij ik mijzelf commercieel moet profileren… da’s niks voor mij. Zo houd ik van schrijven, maar mijn kinderboekjes uitbrengen… daar zou ik iemand voor moeten vinden. Ook poëzie, mandalatekeningen, ansichtkaarten… ik kan er geen business van maken, maar nu ik beter ben, voel ik, anders dan tijdens mijn ziekte, eindelijk ruimte om na te denken over hoe ik dat zou kunnen aanpakken.

Ons gezin groeide op en daarin heb ik zeker ook blijdschap en dankbaarheid ervaren. Toch denk ik achteraf dat ik veel in de overlevingsstand verkeerde. Toen de kinderen de deur uit waren, viel ik in een gat. Er doken existentiële levensvragen op over waar ik vandaan kom, wie ik ben en waarom ik hier ben. Ik dacht: ‘Ik móet iets doen in de maatschappij, want anders ben ik ‘mislukt’ en dan pakte ik maar weer iets op wat niet bij me paste. We zijn heel vaak verhuisd en overal probeerde ik een nieuwe start te maken. Met vrijwilligerswerk en diverse kunstzinnige activiteiten heb ik zeker wel gelukkige jaren gehad, vooral van 2011 tot 2018. Daarna volgde ik een therapie die mij helemaal heeft doen instorten. Verhuizen, in de overgang komen, lichamelijke klachten, blokkades in het emotionele deel van mijn brein… ik wilde een soort sabbatical inlassen, maar de gekozen therapie haalde alles overhoop en zei dat ik het daarna allemaal mocht loslaten en dat het dan ‘klaar’ zou zijn. De therapievorm onderzoekt vooraf echter niet hoe het is gesteld met je emotionele stabiliteit en draagkracht. Ik raakte in paniek en mijn hele systeem zei ‘nee’; ik zat té vol met alles.

Hoewel ik nu zie dat dat instorten nodig was, omdat ik als kind werkelijk álles op slot had gezet, was het wel enorm heftig. Ik had nooit geleerd werkelijk te voelen en door mijn ziekte bleef er alleen nog maar voelen over. Ik kon er niet meer omheen: ik móest alles voelen en doorvoelen, in de tweeënhalf jaar dat ik voornamelijk in bed lag. Tegelijkertijd hadden mijn hersenen eigenlijk niet het vermogen om alle prikkels en emoties te verwerken. Ik had het gevoel dat ik gek werd en daar leek het ook op. Dat leidde ertoe dat een stoet aan zorgverleners mij een scala aan medicijnen en vooral ook psychofarmaca voorschreef. Het is mijn rotsvaste overtuiging dat die mij grotendeels alleen maar zieker hebben gemaakt. Ik werd er nog beroerder van dan ik al was. Ze legden een sluier tussen mijn fysieke lichaam en mijn ziel; zo voelde het: alsof ik door de negatieve kracht van de medicatie mijn eigen kracht en het licht in mij, mijn zelfgenezende vermogen, niet meer kon aanboren.

Jaren later ben ik me gaan afvragen wat het eigenlijk was dat ik nodig had en bij geen enkele therapie of zorgverlener vond of kreeg. Wat ik nodig had gehad, is denk ik om bij iemand in een heel veilige ruimte op een behandeltafel te liggen en op een heel zachte manier te worden aangeraakt, waardoor ik weer had kunnen leren voelen. Ik had een therapeut nodig die mij in piepkleine stapjes dichter bij de pijn van vroeger kon brengen, naar de momenten waarop ik me niet gehoord had gevoeld en naar de pijn en het verdriet die daardoor in mijn lichaam opgeslagen zijn geraakt. Een voorbeeld daarvan is dat mijn amandelen eruit moesten. Destijds mochten ouders daar niet bij blijven en waren heel jonge kinderen helemaal moederziel alleen in zo’n ziekenhuis. Mij heeft dat toen zó bang gemaakt, dat ik uit mijn lichaam ben getreden. Ik ben bewusteloos geraakt en heb de hele operatie gezien, de dokter met de lamp op zijn hoofd, het operatieschort, de kinderstoel, het ballonnetje… ik heb alles gezien, maar ik heb dat heel ver weggestopt. De verlatingsangst, die ik toch al had, is daarmee verder aangewakkerd en tijdens mijn ziekte merkte ik dat mijn lichaam al die gebeurtenissen kwijt wilde uit het celgeheugen.

Er zijn wel meer dingen gebeurd die allemaal binnen dat kader passen. Sommige daarvan hebben ook weer te maken met dat al eerder benoemde schuld-schaamte-schande-programma dat zo diep in mijn moeder verankerd lag. Als iets zogenaamd mijn of mijn moeders schuld was, creëerde dat schaamte en vervolgens was ik of zij dan een schande voor de sociale omgeving. Dat is een heel toxische dynamiek om in op te groeien. De overtuiging ontstond dat als ik nu maar niet dit of dat of zus of zo… dán zou mijn moeder niet zo ongelukkig zijn. Er was heel veel angst ook, vanuit de kerkelijke dogmatiek, om naar de hel te gaan. Door mijn ziekte ben ik gaan zien dat heel die last niet van mij, maar van mijn moeder was en dat ik die niet hoef te dragen.

Het was alleen geen sinecure om me door dat alles heen te werken. Ik ben zo’n drie jaar ziek geweest en er waren periodes dat ik wel tien uur per dag huilde; soms kwam daar ook nog gillen en schreeuwen bij, van wanhoop en woede en dwanggedachtes, en door de effecten van de medicatie. Ik probeerde alles kwijt te raken en van me af te praten, praatte daardoor soms de hele dag en schoot geregeld van de ene in de andere paniekaanval. Er was eigenlijk niet met mij samen te leven in die tijd, dus voor mijn man was het ook enorm heftig. Uiteindelijk is het allemaal helend geweest, voor mij, voor hem en voor onze relatie, maar het was een loodzware reis die we moesten afleggen.”

Ze vertelt hoe ze vier jaar lang maar iets van drie of vier uur per nacht sliep, hoe haar zenuwstelsel zó overbelast was dat ze zowel hyperactief als apathisch was, zowel depressief en manisch als psychotisch, en hoe ze wel 50 therapeuten heeft gezien die haar allemaal niet verder konden helpen, zeker niet omdat er ook periodes waren waarin ze maar vijf minuten kon praten voordat ze weer totaal uitgeput was. “Ik heb ook heel veel op mijn kop gekregen, dat ik egoïstisch was en aan mijn gezin moest denken, dat ik een andere mindset moest hanteren, dat ik wat positiever moest zijn, dat ik langer moest doorgaan met bepaalde trajecten, hoewel alles in mij schreeuwde dat ik onveilig was. Die boosheid van anderen, hoe onterecht ook, voedde dan weer mijn schuldgevoel. Ik vond dat allemaal zo ingewikkeld, want ik voelde dat hoe ik was… dat dat niet mijn ware zelf was. Ik wilde maar al te graag beter worden, maar het lúkte niet en ik werd er wanhopig van. Ik vreesde het allemaal niet te zullen overleven. Uiteindelijk is de oplossing pas gekomen toen ik stopte met het zoeken ernaar.”

Volgende week lezen we het slot van het gesprek met Hester.

De ervaringsdeskundige, Aflevering 9 – Deze week: Hester, Deel 1

We treffen elkaar bij een bijeenkomst over de invloed van onderdrukte emoties op de fysieke gezondheid. Daar heeft ze veel mee te maken gehad en ze zou er graag eens uitgebreider over vertellen. Voor een consult voelt de tijd nog niet helemaal rijp, maar een interview… dat lijkt haar een goed idee! Niet lang daarna komt Hester (pseudoniem) bij mij in de praktijk en met thee en lekkers en kaarsjes aan hebben we een paar goede uren samen.

“Ik heb een tijdje geleden besloten dat ik mezelf niet meer klein wil maken, dat schuld, schaamte, schande en oordeel er allemaal vanaf mogen en dat ik ruimte mag innemen, puur om wie ik ben en om mijn ervaring van het overwinnen van een diepe crisis met zeer ernstige ziekte te delen met anderen die er mogelijk wat aan hebben. Dat is echt waarom ik hier nu bij jou ben. Ik heb een groot deel van mijn leven met heftige minderwaardigheidsgevoelens te maken gehad en mijn ziekte heeft me daar voor een heel groot deel vanaf geholpen.”

We inventariseren eerst uit wat voor nest ze komt. Ze is de tweede in een gezin met vier kinderen. Haar ouders zijn na 39 jaar huwelijk alsnog gescheiden; ze was toen zwanger van de middelste van drie kinderen. Dat de invloed van prenataal trauma als gevolg van stress bij de moeder groot kan zijn, hoorde ze onlangs in een lezing van Anna Verwaal. “Mijn eigen situatie heeft zich bij mijn dochter herhaald. Mijn ouders woonden bij opa en oma in huis, naast het bedrijf, en door omstandigheden moesten huis en bedrijf worden afgebroken en moesten we verhuizen. Mijn moeder was toen zwanger van mij en mijn vader werd werkloos. Mijn ouders waren intellectueel goed aan elkaar gewaagd, maar sociaal gezien hadden ze een andere achtergrond. Door de toestanden moesten ze verhuizen naar een buurt met sociale huurwoningen en ik had het gevoel dat mijn moeder daar zeer ongelukkig was – zij was dat niet gewend. Ik ben twee weken voor die verhuizing geboren en mijn moeder was totaal bekaf en overspannen. Daar werd niet over gepraat, maar ik heb dat altijd gevoeld. Vanwege de stressvolle omstandigheden besloot mijn vader dat het beter was om mij naar een bevriend stel zonder kinderen te brengen voor een tijdje, zodat mijn moeder meer rust had. Ik weet niet hoe oud ik precies was en hoe lang het heeft geduurd, maar ik was echt nog een pasgeboren baby en werd dus van mijn moeder gescheiden, terwijl mijn zus thuis bleef.

Deze Tante, zoals ik haar noemde, was een lieve, rustige vrouw en ze ervoer mij echt als haar kind. Toen ik na een tijdje terugging naar huis, lukte het niet met de moederbinding. Ik begon pas te praten toen ik twee was en bij ieder dingetje of pijntje dat moeilijk was, wilde ik dat Tante zou komen. Toen ik obstipatieklachten kreeg, verordonneerde de huisarts een Tante-verbod van een half jaar, zodat ik mij weer aan mijn moeder zou gaan hechten. Ik heb mijn leven lang een goede band met Tante gehad en al mijn herinneringen tot aan mijn zesde jaar liggen bij haar. Van thuis weet ik echter bijna niks. De hele situatie heeft bij mij verlatingsangst gecreëerd en soms speelt die nog op.

En vreemd genoeg… toen ik zwanger was van de jongste, was ik óók compleet overspannen. We woonden in een raar huis met een nare energie en zijn in de achtste zwangerschapsmaand nog verhuisd. Toen deze hooggevoelige dochter zwanger was van haar tweede, woonde ze óók in een naar huis, waarin een vrouw zelfmoord had gepleegd en toen is ze ook nog met acht of negen maanden zwangerschap verhuisd. Ik gun het mijn kleindochter echt dat haar dat niet óók overkomt en ik vraag me soms af wat het is, dat zich dat zo drie keer heeft voorgedaan. Wat wil dat zeggen? Gelukkig kan ik er met onze dochter heel open over praten, maar je kunt het niet ongedaan maken.

Ik heb sowieso best nog veel onbeantwoorde vragen. Ik was als kind altijd heel erg niet aanwezig, alsof ik op mijn eigen wolk zat, in mijn eigen bubbel leefde. Op mijn oudste broer waren mijn ouders heel erg trots; hij werd opgehemeld en kon bij hen geen kwaad doen en ik dacht altijd: ‘Waarom word ík niet gezien en gehoord? Ik ben toch ook zoet en braaf? Ik mag er toch ook zijn?’ Ik voelde me destijds door mijn moeder niet begrepen. Ik was altijd anders; ik was hooggevoelig en schopte heilige huisjes omver. Eenmaal thuis uit school moest ik mijn energie kwijt en was ik heel druk, maar vervolgens sloot ik me weer op in mijn bubbel; men begreep mij niet. Ik had en heb nog steeds moeite om echt fysiek in mijn lichaam te wonen, zeg maar, en ik huilde als kind veel, ogenschijnlijk om niks, en ik kon heel dramatisch doen… Mijn pijngrens is ook nu nog laag. Toch was ik vergeleken met de rest van het gezin een rebel en ik paste niet in het schuld-schaamte-schande-programma van mijn moeder. Alles moest netjes en braaf zijn en dat was ik niet.”

Ze vertelt dat haar vader na de verhuizing eerst nog een nieuwe baan vond, maar daarna ziek werd en vanaf zijn 46e, toen Hester 11 jaar oud was, altijd thuis was en nooit meer beter is geworden. Haar moeder was druk met de kinderen en de zorg voor haar man. Dat er jaren na het derde kind nog een nakomertje kwam, vond moeder heel moeilijk. Ze was voortdurend op de rand van uitputting. Beide ouders hebben volgens Hester ongelooflijk hun best hebben gedaan om er het allerbeste van te maken, maar toch leidde het gezin een zeer beperkt leven, met een heel kleine sociale kring. Dat had zijn weerslag op de kinderen en ook op het huwelijk, dat na een kleine veertig jaar en therapie door moeder, toch nog strandde.

Hester begon na de basisschool aan het atheneum; dat was pittig voor haar en eigenlijk wilde ze liever naar het HAVO, want muziek was daar inmiddels een officieel examenvak en dat zou haar helpen naar het conservatorium te gaan. Haar ouders wilden haar echter op het atheneum houden: hun dochter zou dat doen wat ze zelf niet hadden kunnen realiseren. Ze mocht niet naar het HAVO. Ze voltooide het atheneum en had het gevoel daarna nooit meer een boek te willen aanraken. Muziek zou het worden: het conservatorium in Den Haag, de deur uit, al realiseerde ze zich pas later dat ze eigenlijk totaal niet wist wat haar interesseerde. Ze had een wens om naar Poona te gaan en Bhagwan-volgeling te worden, maar ook dat was voor een keurig katholiek meisje geen optie. Je best doen, braaf zijn, studeren, een baan vinden, een gezin stichten… dat was de verwachte loop der dingen.

“Ik was er alleen helemaal niet op toegerust om goed op eigen benen te staan. Zo was ik niet opgevoed; ik wist niet hoe je sociale contacten kon leggen, ik kon de weg niet vinden. Ieder weekend ging ik naar huis en dan nam ik mijn was mee…” Ze schudt haar hoofd over dat beeld van een meisje dat zich vanuit een kleine, beschermde gezinsomgeving staande moest houden in ‘de grote wereld’: “Wat een dráma was het… Ik speelde blokfluit en wist vanaf het begin dat het niks voor me was, maar het was in ieder geval beter dan de door mijn ouders voorgestelde secretaresseopleiding. Ik dacht… als ik dát moet doen en dan thuis moet blijven wonen, dan ga ik dood; dat trek ik niet. Ook andere opties, zoals diëtetiek of de bibliotheekacademie zijn nog de revue gepasseerd, maar het paste op de één of andere manier allemaal niet. Na het derde jaar ben ik in Den Haag gestopt en uiteindelijk heb ik het conservatorium in Maastricht afgemaakt. Daar waren de eisen lang niet zo hoog; daar was het veel schoolser en beter behapbaar en daar kon ik wél meekomen en mijn examens halen.”

Ze vertelt hoe ze van jongs af het gevoel heeft gehad dat ze een vierkantje was dat in een maatschappelijk rondje moest worden geperst: “Altijd netjes, me altijd keurig gedragen, me aanpassen… maar ik was rebels! Ik wilde mijn eigen leven leiden! Ik wilde er anders uitzien! Ik wilde dat allemaal dolgraag, maar ik had niet de vaardigheden en het zelfvertrouwen kunnen ontwikkelen om het ook werkelijk te doen. Ik was een braaf, bijna depressief, wereldvreemd, eenzaam, gedichten schrijvend pubermeisje…”

Deze eigenschappen maakten dat ze ook podiumangst had, dus een carrière als musicus zat er niet in. Ze gaf les, vanwege de hoge werkloosheid met name als invaller, maar ook daaraan beleefde ze weinig plezier. Ze had nu wél een conservatoriumdiploma, maar was níet als musicus aan het werk. In plaats daarvan werkte ze met kinderen die op blokfluitles moesten voordat ze een ‘echt’ instrument mochten spelen – het voelde als tijdverdrijf waaraan de passie ontbrak. Ze wist toen nog niet dat dat het einde was van een fase waarin ze betaald werk deed.

Volgende week horen we meer over Hester.