Professionals en ACE-bewustzijn; Aflevering 2 – Deze keer: Henriëtte Markink, Deel 1 (English below)

Als ik de voordeur open, staat Henriëtte Markink, verpleegkundig specialist, met een stralende lach voor me. We hebben elkaar nog nooit ontmoet, maar het voelt meteen alsof we een fijn gesprek gaan hebben. We babbelen al in de hal over de charme van oude huizen. Die hebben zo hun gebruiksaanwijzing en eigenzinnigheden en ook hun sterke en zwakke punten, maar vooral, zo zijn we het eens, laten ze hun eigen karakter prachtig zien. Dat voel je, als je in zo’n doorleefd pand bent, waarin zich hoogte- en dieptepunten hebben afgespeeld. Pas achteraf bedenk ik me dat dit een rode lijn is in ons gesprek.

Het is begin januari; de kerstboom is weg, maar een paar laatste kerststukjes verraden dat de feestdagen pas net voorbij zijn. Omdat het nog vroeg donker is, heb ik kaarsen aangestoken en we drinken verse thee met een nieuwjaarsversnapering erbij. Dat morgen in de persconferentie zal worden meegedeeld dat de huidige lockdown, die half december inging, met drie weken zal worden verlengd, is al uitgelekt naar de media. We spreken over onze zorgen aangaande de impact daarvan op de mate waarin voor velen de stress oploopt. Veel mensen kunnen maar heel beperkt positieve sociale ervaringen opdoen of worstelen met inkomensonzekerheid of met het thuiswerken met alle kinderen over de vloer. Henriëtte woont in de Achterhoek en haar partner zit in de horeca, dus ze ervaren de problemen allebei heel direct, zij door extra werk met patiënten, hij door gebrek aan werk met gasten. Beiden hebben ze te maken met de complexiteit van het zoeken naar creatieve oplossingen.

Hij is samen met haar naar Assen gekomen, zodat ze een uitje hadden. We lachen erom, maar bespreken ook hoe vreemd en triest het is, dat je bijna zenuwachtig blij wordt af en toe, als je met andere mensen aan één tafel zit en het fijn hebt met elkaar. Zo diep zit de behoefte aan menselijk contact in ons allemaal ingebakken. Ontbreekt dat contact, dan lopen velen spaak. Henriëtte ziet in haar omgeving dat het leven voor sommige jongeren momenteel heel complex is en dat als gevolg van eenzaamheid en verveling het drugsgebruik toeneemt.

Zo komen we van de huidige corona-omstandigheden bij haar werk met patiënten met psychotrauma en stressgerelateerde klachten in een kleine GGZ-instelling. Via een ontroerend interview met haar daarover, ben ik bij haar terechtgekomen. Ik heb simpelweg de stoute schoenen aangetrokken voor een gesprek met haar, omdat ik het zo hoopgevend en inspirerend vind om met professionals te spreken voor wie die vroege fase centraal staat als fundament onder het leven dat erop volgt. “Bij drugsgebruik is er vaak maar één vraag: ‘Hoe ga je het nu anders doen?’, maar dat is niet voldoende. Ik moet denken aan een patiënte die tegen me zei: ‘Ik heb nog nooit zo veel verteld over de achtergrond van mijn trauma als nu bij jou.’ Ze voelde zich schuldig over van alles en nog wat en dan vraag ik: ‘Ga eens terug dan, naar die gebeurtenis; hoe oud was je? Weet je nog hoe en wat? Kun je de dingen in een context plaatsen?’ Voor veel vroegkinderlijk getraumatiseerde mensen is dat moeilijk, maar als je ze daarbij helpt en uitlegt wat er in je lijf gebeurt in relatie tot zulke gebeurtenissen, dan realiseren ze zich dat je je als kind niet schuldig hoeft te voelen.”


Na haar HBO-V-opleiding (1993) behaalde Henriëtte een propedeuse voor Sociologie aan de Universiteit van Amsterdam en naast de studie werkte ze als verpleegkundige in de psychiatrie. In dat jaar kreeg ze een vaste baan op een opnameafdeling in de psychiatrie. Na de geboorte van haar kinderen werd ze sociotherapeut en kreeg ze te maken met jongvolwassenen die soms al een flinke bagage meebrachten: “Die jongeren kwamen uit een nest en daar zat van alles achter, achter hun verhalen. Ik was inmiddels zeer geïnteresseerd geraakt in kindontwikkeling en hechting en binding; ik heb dat altijd een heel boeiend thema gevonden. Ze vroegen iemand voor een traumagroep. Dat kwam toen nog bijna niet voor, maar na overleg in een denktank zochten ze een vrouwelijke sociotherapeut voor die groep en mij leek dat wel wat. Ik ging er tamelijk bleu in, in de zin dat ik weinig wist van traumabehandeling. Ik had nog weinig kaas gegeten van het effect van trauma op een mensenleven. Gelukkig werkte ik met een zeer ervaren klinisch psycholoog in een periode waarin er nog veel tijd was voor intervisie, terwijl de literatuur er nog niet zoveel over te melden had. Gaandeweg kwamen er meer behandelmogelijkheden, waarbij lichamelijke methodes ook een belangrijke rol gingen spelen, zoals psychomotorische therapie, traumasensitieve yoga, of anderszins een meer lichaamsgerichte benadering in de psychologische behandeling. Het belangrijkste was echter dat mensen hun verhaal konden doen en dat ze hun eigen verhaal konden horen, dat ze uit hun hoofd gingen en meer gingen voelen met hun lijf. Ik was totaal geboeid door de verhalen. In de groepstherapie vertelden mensen die verhalen aan ons als therapeuten, maar daarmee stelden ze zich ook open richting de groep. Ze kwamen één keer in de week een hele dag. Daarbij was het belangrijk dat we ze leerden zien wat hun overlevingsmechanismes waren. We bespraken dat het goed was dat die strategieën hadden gewerkt, maar dat ze dat nu niet meer deden en zelfs disfunctioneel waren geworden. Dan werd de vraag hoe ze dat konden veranderen en hoe ze patronen konden doorbreken.”

Toen ze meer uitdaging zocht, begon ze aan de opleiding tot verpleegkundig specialist (2010), die toen nog in de kinderschoenen stond. “Het was mij namelijk opgevallen dat mensen met trauma in de voorgeschiedenis veel lichamelijke klachten hadden, zoals astma en fibromyalgie, maar ook langdurige en traumatische baringservaringen. Meer en meer dacht ik… dit kan geen toeval zijn… of is het wél toeval? Dat wilde ik onderzoeken. Toen heb ik voor mijn studie een literatuuronderzoek gedaan bij lichamelijke klachten na een geschiedenis van trauma en zo kwam ik rond 2008, 2009 met de ACE-studie van Anda en Felitti in aanraking. En ik las nog veel meer waaruit bleek dat er wel degelijk een verband was tussen chronische stress en lichamelijke klachten. Zowel voor mij als voor mijn cliënten viel er toen veel op z’n plek! Ik kon ze eindelijk uitleggen dat het niet zo raar was dat ze van dit en dit en dit last hadden. Als je voortdurend een gespannen lijf hebt, dan kun je je wel voorstellen dat dat invloed heeft op je gewrichten, en op je ademhaling en op je hart. Dat werkt ook heel ontschuldigend voor mensen. Toch houd ik me bij de heftige ziektes op de vlakte. Ik leg uit dat je van chronische stress lichamelijke kwalen kunt krijgen, maar ik noem dan niet astma of kanker, ondanks dat we weten dat de kans op kanker ook veel groter is bij chronische stress. Een vrouw die ik ooit begeleidde en die uiteindelijk is overleden aan kanker, zei tegen me: ‘Je hoeft me dat niet te vertellen; ik weet wel dat het daardoor komt.’ Dus ja…”

We zijn even stil, als ze dit heeft verteld. Het is altijd weer indrukwekkend om te horen hoe de innerlijke wijsheid van mensen soms tot intens verdrietige conclusies leidt. Het is niet eenvoudig om als zorgverlener te beslissen hoe je met zulke inzichten kunt omgaan. Als iemand er niet klaar voor is om deze optie in overweging te nemen, in een levensfase waarin er aan de vroegere gebeurtenissen niets meer kan worden veranderd… werkt het dan nog ontschuldigend of veroorzaakt het juist hertraumatisering? En minder op het persoonlijke, maar meer op het maatschappelijke niveau… als de statistieken dit soort verbanden laten zien, hoe kunnen we er dan voor zorgen dat daarvoor veel meer aandacht komt bij alle beleidsmakers en zorgverleners die voorstander zijn van échte preventie? Vaak is het narratief over mensen die bepaalde ziektebeelden vertonen en verslaafd zijn nog heel anders. Henriëtte daarover: “Over mensen met psychotraumagerelateerde stoornissen bestond het idee dat ze zichzelf verwaarloosden, verslaafd waren of verslavingsgevoelig, de neiging hadden seksueel overactief te zijn met vele wisselende contacten en onbeschermde seks en daardoor zouden ze dan vooral ziektes oplopen. Toch wordt dát in de literatuur al geruime tijd ontkracht. Er is zeker al wel bekend dat veel ziekte voortkomt uit wat zich in je lichaam afspeelt. En nu er de laatste jaren zoveel neurocognitief onderzoek is gedaan, blijkt dat ons brein… ja… ik wil bijna zeggen… ons lichaam infecteert! In ieder geval is het zo dat een overprikkeld brein enorme effecten heeft op onze gezondheid. Ik smul van die studies, omdat ze ons zoveel meer inzicht geven in wat er in mensen omgaat als gevolg van stress en trauma!”

Ik kijk haar aan en kan het niet laten om die onmogelijke term die zo prachtig al deze processen samenvat op tafel te leggen: psychoneuroimmunoendocrinologie. We hebben even dikke pret om dit woord, maar stellen vast dat het hierom gaat, om de fysiologische processen die het dualistische denken op de helling zetten: lichaam en geest zijn geen losstaande aspecten van het menszijn. Ze vormen samen één groot systeem waarin de psyche, het neurologische systeem, het afweersysteem en het hormonale systeem onlosmakelijk en onontwarbaar met elkaar verbonden zijn. “Wat mooi, hè?”, zegt Henriëtte, “en wat weten we dat eigenlijk al lang! Volgens mij gaan we écht toe naar goeie behandeling als we dat dualisme helemaal kunnen loslaten, maar zover zijn we nog lang niet…”

Volgende week reizen we verder mee met Henriëtte en horen we meer over haar ervaringen met het werken met mensen met vroegkinderlijk trauma.

Posted in Interviews professionals.