Concepten, Deel 1

Conversaties, cocreaties en conceptualisaties

Afgelopen week wilden we een aantal interviews uitwerken tot blogteksten. Dat bleek, gezien de lengte van de ontmoetingen, een hele uitdaging! De professionals met wie we spreken, hebben prachtig mooie dingen te vertellen over hun werk. Er zit een schat aan verworven ervaring, opgedane kennis en reflectieve wijsheid samengebald in deze vaklieden, die wordt ingezet ten behoeve van de doelgroep. Dat kan zijn via hun praktijkvoering, hun workshops, hun onderzoek of hun schrijven. Daarmee zetten ze zich in om zorgvuldig recht te doen aan de menselijke kwetsbaarheid.
Die kwetsbaarheid is, op haar beurt, duidelijk zichtbaar in de verhalen van ervaringsdeskundigen. Hun ‘lived experience’, hun doorleefde ervaring, laat zien hoe verlies, verdriet en trauma vormende elementen zijn in een mensenleven. Allemaal vinden ze in de loop der jaren hun eigen manieren om daarmee om te gaan.

We ervaren het als een eer om naar die (soms aangrijpende) persoonlijke belevenissen te mogen luisteren en willen er recht aan doen. Dat betekent voor ons dat al die verhalen, van ervaringsdeskundigen en van professionals, een plaats verdienen binnen een goed geschetste context. Daarom kiezen we ervoor om niet via ‘cherrypicking’ een paar heftige, activistische of confronterende quotes eruit te lichten, omdat dan de nuances verdwijnen. Omdat we tegelijkertijd proberen de blogs een behapbare lengte te geven, kunnen we lang niet alles opnemen wat mensen vertellen. De ervaring heeft inmiddels namelijk geleerd dat wanneer je tijd neemt om met elkaar een open en aandachtig gesprek te voeren, de tijd bijna ongemerkt verstrijkt, omdat verteller en toehoorder wederzijds opgaan in de uitwisseling. Een gesprek van soms twee uur of langer is meestal niet in twee blogdelen te vatten.
Alles bij elkaar leidt dit ertoe dat we forse delen van de interviews bewaren voor een latere publicatie; over de precieze vorm daarvan gaan we binnenkort nadenken.

Bij wat we publiceren, in welke vorm ook, speelt de inbreng van de geïnterviewde een belangrijke rol, ook in het redactieproces. We maken de tekst samen; die is een cocreatie, opdat aan alle betrokken personen en processen recht wordt gedaan en er geen retraumatisering ontstaat.

Verder is het zo dat veel mensen ervaringen delen die door de sociale wetenschappen worden beschreven in de vorm van een ‘concept’, een theoretisch idee dat is verbonden met de empirische realiteit, met de beleving van mensen. Een voorbeeld daarvan is ‘trauma’ of ‘parentificatie’ of ‘symbolisch geweld’. We zullen de komende tijd af en toe zulke concepten bespreken, zodat we er in de blogs zelf via een link naar kunnen verwijzen en dan het betoog van de geïnterviewde niet hoeven te onderbreken met een uitgebreide uitleg. We hopen op deze manier toch zoveel mogelijk met jullie als lezers te kunnen delen van de indrukwekkende verhalen waarnaar we mogen luisteren. Ook de conceptuele duiding van een levensechte ervaring komt in samenspraak tot stand.

Zo lichtte ik in een recent interview met ‘Simone’ (pseudoniem) naar aanleiding van een opmerking van haar iets toe over de verschillende vormen van ‘kapitaal’ die socioloog Pierre Bourdieu onderscheidt: economisch (geld, spullen), sociaal (netwerk, wie je kent, wie je om hulp kunt vragen) en cultureel kapitaal (weten hoe dingen ‘horen’ en wat er van je wordt verwacht, kennis van muziek, geschiedenis of literatuur). Hoeveel je kapitalen waard zijn in je dagelijks leven, hangt nauw samen met de waarde die een bepaalde gemeenschap aan bepaalde kapitalen hecht: professoren hechten misschien minder aan kennis over voetbal, loodgieters minder aan kennis over kwantummechanica. De vierde vorm is symbolisch kapitaal; die vormt min of meer een optelsom van de andere drie. Het prestige, de status en de autoriteit die uit de andere kapitalen voortvloeien, bepalen mede welke waarde er wordt gehecht aan wat iemand doet, zegt of vindt; denk aan rolmodellen. Vroeger hadden de dominee, de pastoor, de notaris en het schoolhoofd bijvoorbeeld veel symbolisch kapitaal. Tegenwoordig zijn de beroepen wellicht deels veranderd, maar het principe is overeind gebleven (denk aan wetenschappers, artsen of politici). Degene met veel symbolisch kapitaal heeft geloofwaardigheid, en daarmee meer status, meer invloed en meer macht.

Misbruik maken van symbolisch kapitaal door je wil op te leggen of vooral je eigen positie te verbeteren, wordt ‘symbolisch geweld’ genoemd. Vanuit een ingewikkeld gevoel van vanzelfsprekendheid (“Het zal vast wel zo zijn wat die ander zegt, want die heeft de kennis, de positie, de inzichten”) houden degene die symbolisch geweld uitoefent en degene die eraan is onderworpen samen min of meer onuitgesproken de status quo in stand als een logische, natuurlijke orde der dingen.

(Ook hier dus cocreatie!) Tussen ouders en kinderen kan eveneens een dergelijke dynamiek ontstaan. Het kind ziet de overmacht van de ouder als normaal en heeft weinig tot geen mogelijkheden om zich eraan te onttrekken. Het inzicht dat je ouder niet altijd gelijk had en dat het klopte wat je als kind al voelde, maar waarop je de vinger niet kon leggen… dat inzicht komt vaak pas jaren later. Tegen die tijd zijn de overlevingsstrategieën die je als kind ontwikkelde, vaak al veel dieper in je persoonlijkheid ingesleten. Verderop in ons gesprek herkende Simone een paar keer dit mechanisme.

Nauw verbonden met ‘symbolisch geweld’ is het concept ‘autoritatieve kennis’, kennis die meer gezag heeft dan andere, omdat ze de staat van de wereld beter uitlegt of omdat ze afkomstig is van partijen met meer macht (en meestal beide), waardoor andere vormen van kennis naar de achtergrond verdwijnen. Daarbij gaat het niet om de juistheid van de kennis, maar om de geldingskracht. Een voorbeeld: in de tijd dat door de kerk werd gezegd dat de aarde plat was, was dit autoritatieve kennis en werd het als ketterij gezien wanneer je hier tegenin ging. Een ander voorbeeld:  de heksenvervolging, die zo’n driehonderd jaar lang (van 1450 tot 1750) Europa in haar greep had, werd door de geïnstitutionaliseerde macht in stand gehouden en gesanctioneerd. Zowel de wetenschappers die beweerden dat de aarde rond was als de (veelal) oudere vrouwen die als natuurgenezers, helers en vroedvrouwen werkten, deelden niet-autoritatieve kennis. Het type kennis dat ze wél brachten, zou je kunnen scharen onder wat wel ‘ongemakkelijke kennis’ wordt genoemd, kennis die de potentie heeft de status quo te verstoren, maar die óók negatieve gevolgen heeft wanneer ze níet wordt toegepast. We zien hier dat kennis niet alleen macht is, maar dat macht ook tot (soms onterechte erkenning van) kennis leidt!

Jonge kinderen hebben diepgewortelde behoeften en daarnaast een uitgebreide set rechten, zoals onder andere vastgelegd in het VN-Kinderrechtenverdrag, ook door Nederland geratificeerd. Op grond daarvan hebben volwassenen belangrijke verantwoordelijkheden. Wanneer zich in een kinderleven problemen voordoen of als er sprake is van trauma, zullen we in veel gevallen ook stuiten op de impact van symbolisch geweld, autoritatieve kennis en weerstand tegen ongemakkelijke kennis. Wanneer die de toon zetten, is het heel moeilijk om de belangen van het kind goed te behartigen. Daarom kan het helpen die concepten te kennen en te zien dat ze in het (gezins)systeem verankerd liggen. Dan wordt het gemakkelijker om ze te herkennen en dát kan weer helpen om samen de richting van noodzakelijke verandering te bepalen. Ook daar is dus sprake van cocreatie: kinderen kunnen niet in hun eentje hun eigen welzijn realiseren. Dat vraagt in allerlei omgevingen een bewuste, sensitieve houding van volwassenen.

We hopen dat we met het toelichten van een aantal belangrijke concepten kunnen bijdragen aan meer inzicht in diverse interacties en patronen en zullen naar dit en andere blogs verwijzen waar dat toepasselijk is, zodat kennis niet zozeer macht is, maar kracht die kan worden ingezet voor het gezamenlijk creëren van welzijn en gezondheid!

Professionals en ACE-bewustzijn; Aflevering 4 – Deze keer: Beatrijs Smulders, Deel 2

Vorige week eindigden we met het belang van het leggen van een fysiek, non-verbaal fundament voor het omgaan met stress en emoties. We spreken verder over de rol van borstvoeding daarin.Beatrijs zegt dat voor haar twee dingen belangrijk zijn bij borstvoeding: “Ik denk dat seksuele opvoeding begint bij de geboorte. De babyhersenen worden in een belangrijke fase verzadigd met oxytocine en dat is goed voor je stresscopingsysteem. En alle zogenaamde voedingsvoordelen…” Ze aarzelt, daagt de lactatiekundige in mij uit en zegt: “… dat geloof ik verder wel!” Nu schatert ze uit volle borst. Daarna gaat ze door op de waarde die ze ziet in de borstvoedingsrelatie tussen moeder en kind voor de latere seksuele ontwikkeling. “Aan de tepel zuigen zie ik als de eerste vorm van tongzoenen, van heel nauwe fysieke intimiteit.Uitgaande van de biologische blauwdruk mag een kind daar twee jaar of langer van genieten. Heel die tijd mag het kind zich verlustigen aan die borst, aan de geur en het lichaam van de moeder, terwijl zijn hersenen verzengd raken door oxytocine, endorfine en prolactine. Die totale verlustiging… en de overgave, de zelfregulering, het drinken en het ondertussen maar aaien met dat kleine handje… en uitreiken naar het gezicht en de mond van de moeder… fantástisch! Dat is naar mijn idee het fundament van een seksuele opvoeding.”

Ze ziet daar zowel voor jongens als meisjes een belangrijk leerproces weggelegd. “Jongens die lang borstvoeding krijgen, ontwikkelen een enorme bewondering en vertrouwdheid ten aanzien van het vrouwenlichaam en de grenzen ervan. Ze krijgen via de melk en via het zuigen de overvloedige oxytocine en endorfines binnen en dat ondersteunt een gunstige bedrading in dat brein. Via hun moeder kunnen meisjes leren om straks diezelfde non-verbale oxytocinedouches aan hun eigen kind te geven. Oxytocine is the word – ik ben van de oxytocinekerk!” We lachen er samen om, want ook ik ben een warm bewonderaar van dit belangrijke hormoon.

Ik vraag of er dingen zijn die ze moeilijk vond in haar werk.
“Door de basis die ik heb gekregen, zit er veel vertrouwen in mijn lichaam en dat kon ik in mijn vak goed gebruiken. Dat heeft mij altijd geholpen in mijn werk en daardoor zijn er geen grote dingen die ik lastig vond. Het meeste deed ik op mijn intuïtie en die werkte uitstekend!”
Toch brengt deze vraag haar bij haar eigen kindertijd, waarin ze opgroeide in een groot katholiek gezin in Brabant. Ze was de vierde van acht, met een moeder die eigenlijk voortdurend overvraagd was in de zorg voor de kinderen en de huisartsenpraktijk van haar man, de vader van Beatrijs. “De zomer waarin ik werd geboren, had mijn moeder toevallig een heel goede assistente in de praktijk en drie goede meisjes in huis, waardoor ze zich ontspannen voelde en ik langer dan de anderen borstvoeding heb gekregen. Daardoor heb ik het geluk gehad van een goede basis, denk ik. Mijn moeder was een heel lieve vrouw, maar ze was altijd wel overbezet en te druk met alles. Mijn vader was een echte patriarch, die bang was voor intimiteit. Hoewel ik me laafde aan zijn intellectuele inspiratie en aan mijn moeders zachtaardigheid en haar streven naar persoonlijke groei, zijn we als kinderen qua persoonlijke aandacht soms wel tekort gekomen. Daardoor kan onder hoogspanning de zelftwijfel soms enorm toeslaan.”

Er schiet haar nog een grote traumatische gebeurtenis in haar jonge leven te binnen, die van invloed is geweest op hoe ze met dingen kan omgaan. Ze kreeg als meisje van vier een virale hersenvliesontsteking en niet zij alleen, maar alle kinderen in het gezin. Eerst lagen ze met z’n allen geïsoleerd, maar toen een paar van de kinderen naar huis mochten en zij met haar kleine broertje achterbleef, zag ze haar ouders wekenlang niet. Ze dachten dat hun ouders hen waren vergeten; ze voelden zich totaal verlaten, konden niet meer lopen en hadden alleen nog de troost van elkaars nabijheid. Toen ze na zes weken werden opgehaald en thuisgebracht, leek iedereen heel vrolijk en dat paste totaal niet bij hoe zij zich voelde. “Dat was denk ik mijn eerste depressie. Ik implodeerde om te overleven en in benarde situaties in mijn leven vind ik het nog steeds moeilijk om met die emoties om te gaan. Ik kan heel lang volhouden, maar als álles tegenzit en het lukt echt niet… dan moet ik oppassen dat ik niet implodeer.”

Ze zegt dat ze er destijds echt een knauw van heeft gekregen, maar zich toch goed heeft kunnen ontwikkelen omdat ze de krachtige basis van de jaren ervoor al had. We spreken in dit verband over hoe ze aankijkt tegen het belang dat in Nederland wordt gehecht aan die eerste levensjaren.
Beatrijs: “Ik vind dat dat dit te weinig wordt gezien. Dat blijkt wel uit de duur van het bevallingsverlof. Sommige feministes spreken mij daar vaak op aan: ‘Daar heb je Beatrijs Smulders weer met haar zeugverlof!’ Ze maken er een scheldwoord van! Ik vind het ontbreken van continuïteit van zorg in de kinderopvang voor kleine baby’s schadelijk.”

Dit onderwerp raakt aan het idee van veiligheid of het ontbreken ervan en ik vraag haar of ze het begrip ‘toxische stress’ kent. “Ja, zeker! Wat ik daaronder versta, is dat een kind ingrijpende dingen meemaakt en heftige stress ervaart en niet het gereedschap heeft om die stress op te vangen en daarvoor ook niet bij zijn ouders terecht kan. We hebben, om te groeien, een zekere mate van tegenslag nodig. Dat is onvermijdelijk; zo zit de evolutie in elkaar. Kinderen worden als kwetsbare klompjes goud geboren en je moet proberen ze zo lang mogelijk heel te houden. De ontwikkeling van ons stresscopingsysteem via de bescherming door onze ouders is daarbij van levensbelang. Ouders kunnen je echter niet blijven beschermen, dus je moet ook een gezond ego ontwikkelen dat later in je leven die functie vervult. En als er dán tegenslag is, dan hoop je dat je stresscopingsysteem op een fundamenteel niveau sterk genoeg is om je daar doorheen te laten groeien. Soms lukt dat niet. Dan gaan mensen stuk. Vrouwen die als kind door hun vader misbruikt werden… dat is iets wat een kind nauwelijks kan verwerken. Dan ga je dicht en stuk en kost het heel veel moeite om weer heel te worden. De onveiligheid die je daardoor ervaart, heeft invloed op de rest van je leven.”

Ik vertel dat trauma ook wel wordt beschreven als een diepe wond in de geest, een verbroken verbinding met het zelf, en verlies van authenticiteit. Wanneer een wond goed kan genezen, ontstaat er minder littekenweefsel. Dat is belangrijk, want eigenschappen van littekenweefsel zijn dat het niet zo flexibel is, dat het niet meegroeit, dat het de boel op spanning zet als de rest wél groeit, en dat het weinig zenuwuiteinden heeft en daardoor sensitiviteit mist. Dat zijn eigenschappen die door trauma ook zichtbaar kunnen worden in de persoonlijkheid. Beatrijs ziet haar trauma van het ziekenhuis als litteken: “Gelukkig is de rest zo gezond dat ik ermee kan leven! Maar mensen zijn kwetsbaar en je hoeft soms maar drie keer op een heel gemene manier te horen dat je niks waard bent en dan ben je ergen al getraumatiseerd, omdat je gevoel van veiligheid wordt beschadigd en dat kan grote gevolgen kan hebben. Dan komt het aan op de kracht van het vroege fundament om je erdoorheen te slepen.”

We bespreken tot slot kort wat Beatrijs van belang acht voor het beleid voor een mooie start in het leven. “Ik vind de autonomie van vroedvrouwen in de eerste lijn heel belangrijk, zodat zij hun prachtige vak kunnen blijven uitoefenen en zwangeren en barenden kunnen blijven ondersteunen. Over de hele linie denk ik dat het tijd is dat vrouwen een grotere rol gaan spelen in de samenleving en veranderingsgericht te werk gaan. Helaas hebben vrouwen nog lang niet altijd toegang tot die macht; ze worden soms onsolidair met de verkeerde machtsmiddelen tegen elkaar opgezet, en ze worden niet opgevoed en gesocialiseerd om andere vrouwen te ondersteunen bij het opstoten in de vaart der volkeren. Maar het gaat steeds beter; gelukkig staan er hordes vrouwen klaar om een veranderende rol in de maatschappij te nemen, vrouwen die een wereld van verschil kunnen maken voor pasgeboren kinderen!”

We ronden af; ik dank Beatrijs voor haar tijd en het plezier dat we samen hebben gehad. Het is prachtig om te zien dat er in zoveel disciplines voorvechters zijn van het belang van gezonde, veilige eerste 1000 dagen in een mensenleven. Via haar boek ‘Bloed’ kunnen mensen een inkijkje krijgen in de start van haar leven als vroedvrouw. Mettertijd zullen het tweede en derde deel van de trilogie verschijnen, delen waaraan Beatrijs nu dagelijks werkt.

Professionals en ACE-bewustzijn; Aflevering 4 – Deze keer: Beatrijs Smulders, Deel 1

De zon schijnt als ik aankom op Amsterdam-Centraal. Ik klap mijn vouwfiets open en rijd over het drukke stationsplein aan de centrumkant richting de Prins Hendrikkade. Vlak na de Odebrug sla ik rechtsaf richting het grachtenpand van mijn interviewee van vandaag. Met mijn nu weer opgevouwen fiets beklim ik de acht treden van de trap naar de voordeur. Vanachter het smeedijzeren hek rondom het bordesje bovenaan kun je uitkijken over de afgemeerde schepen in de gracht en de panden aan de overkant van het water. Ik bel aan bij de linker van twee identieke, gespiegelde deuren met fraai houtsnijwerk, die op een derde van onderaf allebei een messing brievenbus hebben. De bovenste twee derde bestaat uit een ondoorzichtig reliëfglazen raam dat is versierd met een gietijzeren kunstwerk met bloemen en ronde krullen. Links naast de deur aan de muur, die is betegeld met witte, geglazuurde tegels met bloemen in twee tinten blauw, hangt een klein vitrine-altaartje met gebedskaarsen en een Mariabeeld. Nadat ik heb aangebeld, hoor ik stevige voetstappen op de vloer in de hal en dan opent de voordeur met een zwaai en staat er een breed lachende Beatrijs Smulders voor me. Ze verwelkomt me hartelijk en nadat ik mijn fiets in een hoekje heb gezet, lopen we over de witmarmeren vloer door de lange gang naar achteren, naar de woonkeuken waar we eerder al eens met elkaar in gesprek waren. We praten even bij, terwijl Beatrijs thee zet en dan gaan we van start.

Ik wil graag van haar horen hoe ze in dit vak is terechtgekomen. Dat is momenteel een veelbesproken en veelgelezen verhaal, want het eerste deel van de autobiografische trilogie waaraan ze schrijft, is recent uitgekomen en is getiteld ‘Bloed’. Ze beschrijft daarin uitgebreid haar fascinatie voor het vak. “Het kostte een tijdje voordat ik in de gaten had dat dit mijn bestemming was en eigenlijk ben ik er via de seksualiteit in beland. Als meisje stond ik al heel vrolijk in dat onderwerp; dat idee van een positief gevoel over seksuele energie droeg ik altijd bij me. Jaren later, toen ik eenmaal verloskundige was, realiseerde ik me dat ik een kind eigenlijk zie als het gematerialiseerde resultaat van seksuele energie. Je bedrijft samen de liefde, dat leidt tot een bevruchting en in wezen is dat een via seks gematerialiseerde vorm van liefde – het kostbaarste wat je kunt hebben, de verbinding tussen twee mensen die elkaar liefhebben en waaruit een goudklompje voortkomt. Ik heb soms een discussie in mijn hoofd met Rutger Bregman, die in zijn boek zegt dat de meeste mensen deugen, maar ik zeg dat álle mensen deugen bij hun geboorte. Daarna wordt er helaas veel beschadigd en raken veel mensen getraumatiseerd. Op dit moment zie ik in de maatschappij namelijk nog veel onderdrukking en te veel machtswellust. Dat zijn de thema’s waarmee ik in mijn vak mijn hele leven bezig ben geweest.

Wat ik zie, is onder andere dat we in de westerse gezondheidszorg de baring steeds vaker medicaliseren. Daardoor wordt bevallen voor veel vrouwen een ontkrachtende ervaring. Dat is zeer spijtig, want als je vrouwen tijdens de bevalling op een goede manier begeleidt, dan is een bevalling juist een bekrachtigende gebeurtenis, iets waardoor je een positieve energie ervaart. Dan werken de zwangerschap en de bevalling liefde-ontketenend, zeker ook als dat kind uit je komt. Dat werkt je leven lang door, zowel naar jezelf als naar je kind. De hormonen tijdens een baring zonder medicatie helpen daarbij: oxytocine, prolactine, endorfines… ze helpen bij het ontstaan van liefdesgevoelens en de ‘love gaze’, de eerste blik die moeder en kind uitwisselen als ze allebei helemaal bedwelmd zijn door die mooie mix van hormonen. De borstvoedingsrelatie is een voortzetting hiervan. De hersenen en het lichaam van een baby die borstvoeding krijgt, worden nog maanden na de geboorte gemarineerd in oxytocine en endorfine, de hormonen van geluk, verbinding en empathie. Ik ben ervan overtuigd dat borstvoeding de toekomstige gevoelens van empathie in een kind bevordert. Een kind dat geruime tijd aan de borst mag zijn, krijgt daarmee een geschenk voor het leven. Zo’n kind krijgt namelijk de kans om in de non-verbale fase van het leven het lichaamsbewustzijn optimaal te ontwikkelen. Dat helpt om rechtstreeks te genieten van wat er is, zonder de tussenkomst van de dwang van woorden en gedachten. Daar kan geen mindfullnesstraining tegenop, tegen zo’n start!”

Ik vraag haar hoe ze kijkt naar die goede start, wat voor periode ze daaraan koppelt.
“Dat eerste jaar is cruciaal. Dat we het als samenleving vrouwen en kinderen nog steeds aandoen om die kleintjes na drie maanden naar een crèche te brengen… dat beschouw ik als een grote dwaling. Het is belangrijk om in de eerste 1000 dagen van je kind te investeren. Dat houdt in dat beide partners minder zouden moeten kunnen werken, niet alleen moeders, maar ook hun partners, zodat partners de moeders kunnen ondersteunen in de zorg voor de baby. Dat is belangrijk voor de hechting en voor de ontwikkeling van het brein, dat in de eerste jaren zo ongelooflijk snel groeit. De hele zwangerschap was het kind in de buik en is er een fijngevoelige hormonale afstemming ontstaan, die zich tijdens de bevalling en daarna via de borstvoedingsrelatie voortzet. Die rol kan niemand overnemen; die borst kan niemand vervangen. Mensenkinderen worden evolutionair gezien allemaal prematuur geboren; een baby is als het ware nog een larf, die net als bij de grote apen gewoon nog minimaal negen maanden tegen de borst geplakt zou moeten zijn. Onze intellectuele, rationele, feministische frames zeggen: ‘Nee, hoor! Na drie maanden kan het kind best naar de opvang!’ Ik ervaar dat als de hedendaagse vervreemding, waartoe vrouwen door de wet worden gedwongen. Ik ben blij te zien dat er in Nederland naast de moeders ook heel veel vaders zijn die parttime gaan werken als hun kinderen klein zijn. Dat is mooi en het thuiswerken tijdens de coronacrisis heeft zichtbaar gemaakt dat daar veel meer mogelijk is dan we dachten.”

Beatrijs steekt een lofdicht af op vrouwen als Hedy d’Ancona en Sigrid Kaag die, toen hun kinderen eenmaal groter waren, zich alsnog volop in de politiek stortten en prachtige carrières opbouwden. Ze vindt dat vrouwen het lef mogen hebben om samen met hun partner hun carrière te plannen en te zorgen dat beiden daarin tijd inruimen voor de zorg voor de kinderen. Ze realiseert zich dat niet iedereen er op die manier naar kijkt, maar “borstvoeding is cruciaal voor het menselijk fundament, niet alleen voor de voeding, de antistoffen en de hechting, maar vooral ook voor een gezonde ontwikkeling van de hersenen en een gezond stresscopingsysteem. Dat was lange tijd een uitspraak die je veel kritiek kon opleveren, maar inmiddels heeft de wetenschap duidelijk laten zien hoe belangrijk die stressregulatie in de vroege jaren is, dus ik wil dat punt tóch graag maken!” Ze lacht hardop en slaat vastberaden met de vuist op tafel.

We spreken over wat Beatrijs ziet als de essentie van haar werk als vroedvrouw.
“Nou, ik zie twee dingen… ik vind het belangrijk om de autonomie van vrouwen te ondersteunen en bevorderen, zodat baren een seksuele, bevrijdende en bekrachtigende ervaring is. Daarnaast zie ik een baring die zo verloopt, ook als een manier om oude pijn te helen, om heel te worden, als vrouw en als moeder. Moeder worden is een belangrijk proces in een vrouwenleven en wanneer je dat op een bekrachtigende manier kunt doen, dan is dat liefde-ontketenend en een versterkende factor in de harmonie met jezelf. En dát helpt weer bij de hechting met het kind en met de harmonie tussen jou en je kind. Daarmee voed je de non-verbale vertrouwensband. Je wordt verliefd op je kind en die verliefdheid, die ontketening van de liefde, die vormt de basis, wat er daarna ook nog allemaal voor vreselijks kan gebeuren. Als een kind de eerste paar jaren in veiligheid de wereld mag ontdekken en van de ouders kan leren hoe je op een goede manier kunt omgaan met stress en emoties, dan leg je een woordeloos, non-verbaal fysiek fundament. Dat zit dan in je lichaam; daar kun je bij stress altijd op terugvallen, dat straal je uit. Dat zit in de bedrading van je hersenen en dat ondersteunt een stevig stresscopingsysteem.”

Volgende week spreken we door over de rol van borstvoeding en oxytocine, over het belang van een goed fundament voor het te boven komen van traumatische ervaringen, en over het belang van veiligheid.

De ACE Aware NL-presentatie voor GOLD Early Years

Afgelopen week had ik de eer en het genoegen om namens ACE Aware NL een van de sprekers te zijn op het GOLD Learning Early Years Online Symposium 2021! De vroege jaren… dat is nogal een onderwerp! Er is zoveel wat we over die periode kunnen zeggen en er zijn zoveel perspectieven die je zou kunnen kiezen om de aandacht te vestigen op hun belang voor levenslange gezondheid en welzijn. Het voelde dan ook als een hele uitdaging om te beslissen wat ik zou bespreken en delen met de deelnemers. Natuurlijk heb ik uiteindelijk toch keuzes gemaakt en wil ik graag wat vertellen over mijn presentatie. Je kunt deze nog steeds bekijken, net als de andere presentaties in de serie, die ook zeer de moeite waard zijn. Dit is de pagina waar je meer kunt lezen en je kunt inschrijven. Je kunt een eerste indruk krijgen via een kort interview dat ik gaf.

Aangezien ik antropoloog en socioloog ben, leek het me gepast om vanuit dat perspectief te beginnen, dus mijn eerste vraag voor de luisteraars was: “Hoe zouden we als gemeenschap handelen als er ‘vroeger’ echt wat aan de hand was?” Waar denk je dan aan? Hoe zouden we reageren op tegenspoed in de tijd dat we nog in klein groepen leefden als jager-verzamelaars? Wat is een belangrijk onderdeel van het bij elkaar houden van een stam of gemeenschap, ook in recentere tijden?

Dit is een thema dat me bij het concept van salutogenese bracht, gemunt door Aaron Antonovsky in de late jaren 70 van de 20e eeuw. Hij vond dat de oorsprong (‘genesis’) van gezondheid (‘saluto’) meer aandacht verdiende, in plaats van steeds in angst te leven over alles wat we moeten vermijden om niet ziek te worden. Hij zei dat de achteruitgang van het menselijk organisme geen uitzondering is, maar de regel! We zijn allemaal kwetsbaar; we zullen allemaal op een dag ziek worden en sterven. We bevinden ons allemaal in ‘de rivier van het leven’ en hoewel een reddingsvest soms nuttig kan zijn, is het vooral belangrijk dat we leren zwemmen in de turbulente stroomversnellingen waarmee we misschien te maken krijgen. Het is de moeite waard, zei Antonovsky, om uit te zoeken hoe we de entropie, het proces van achteruitgang, kunnen vertragen en hoe we gewoontes en gedragspatronen kunnen bevorderen die onze gezondheid ondersteunen. Een ander belangrijk aspect van zijn visie is dat hij gezondheid en ziekte als een continuüm zag, niet als een tweedeling. Je bent niet ziek of gezond; het is niet zwart-wit. Gezondheid is een dynamisch evenwicht en afhankelijk van veel sociale, psychologische en biologische factoren kun je je meer of juist minder gezond voelen. Daarom vond hij ook de persoonlijke mening van mensen belangrijk: wat maakt ons gelukkig, wat kalmeert ons na tijden van stress, wat helpt ons om ons evenwicht te hervinden na ingrijpende ervaringen? Dit is in feite een uitnodiging om te luisteren naar de verhalen van mensen: ‘Wat is je overkomen?’ Die vraag, de vraag die als cruciaal wordt beschouwd in de traumageïnformeerde praktijk, is dezelfde vraag die Antonovsky erg belangrijk vond voor een salutogenetische benadering, want wanneer we mensen zien als de experts van hun eigen leven, dan luisteren we naar hun behoeften en angsten en dan kunnen we daar proactief aan werken.

Antonovsky zag een specifiek ‘meetinstrument’ voor een inschatting van onze gezondheid en ons welzijn: de Sense of Coherence. We bespraken dit eerder in een blog; het is het gevoel dat het leven begrijpelijk, hanteerbaar en zinvol is. Als deze drie goed in balans zijn, zullen de meeste mensen zich gelukkig voelen, zelfs als er chronische aandoeningen zijn waarmee ze dagelijks te maken hebben (op gezondheids- of sociaal gebied).
Er kunnen echter allerlei factoren zijn die belemmerend werken op het vermogen van mensen om hun taken uit te voeren, om hun leefomstandigheden het hoofd te bieden, om te ‘kunnen beantwoorden’ aan hun plichten (​​‘response-ability’). Hoe meer ons bestaan ​​bedreigd wordt, hoe moeilijker het wordt om goed te functioneren. Hoe meer pijn we ervaren, hoe waarschijnlijker het is dat we op zoek gaan naar dingen of gedragingen die die pijn kunnen verzachten of verdoven. Anders gezegd: een leven vol pijn vergroot de kans ten prooi te vallen aan verslavingen, of het nu gaat om middelen of gewoontes zoals te veel uren achter een scherm zitten, te veel eten of drinken, of altijd werken en niet genoeg hersteltijd inbouwen.

Wanneer we ons er vervolgens bewust van worden dat sommige van onze gewoontes een negatieve invloed kunnen hebben op onze gezondheid en ons welzijn, dan kan dat om twee belangrijke redenen zeer ‘ongemakkelijke kennis’ zijn, redenen die de keerzijde zijn van dezelfde medaille. Aan de ene kant kan deze kennis ons wereldbeeld verstoren, de manier waarop we het leven benaderen, onze kijk op wat ‘goed’ en ‘slecht’ is en wat te doen en wat te vermijden. We zijn gewoontedieren en gewoontes veranderen kan ons een zeer ongemakkelijk gevoel geven. Aan de andere kant zijn ongezonde gewoontes meestal onderdeel van onze overlevingsstrategieën; ze vormen gedrag waar we niet zonder kunnen. Als we een gewoonte moeten afleren die ons troost biedt en een uitweg uit onze pijn, wie of wat gaat er dan voor zorgen dat we ons weer prettig voelen? Het aspect dat de beide zijden van de medaille samenbrengt, is onze diepe behoefte aan veiligheidsbeleving en aan het gevoel erbij te horen. We kunnen als mens voelen dat er wat moet veranderen, maar kunnen het tegelijkertijd moeilijk vinden de stappen te zetten waarmee we die verandering kunnen bereiken, persoonlijk of beroepsmatig, als we vrezen daarmee verbindingen en hechtingsrelaties te verliezen.

Met betrekking tot salutogenese en veerkracht is het echter belangrijk om ons bewust te worden van de dingen die leer- en veranderingsprocessen bevorderen. Wat zijn de ‘Awesome (Childhood) Experiences’, de prachtervaringen die ons kracht geven en op een positieve manier uitdagen? Wat is het tussen ons en andere mensen dat echt voelt als ‘bufferende ondersteuning’, als een uitnodiging om het beste in onszelf naar boven te halen? Hier komen de zeven pijlers van ACE Aware NL om de hoek kijken, begrippen die een prominente plaats innemen in alle traumageïnformeerde settings: verbinding, compassie, moed, nieuwsgierigheid, vertrouwen, vriendelijkheid en veerkracht. Wanneer we deze ervaren, voelen we ons sterk en krachtig. En wanneer we ze naar anderen toe kunnen tonen, helpen we bij het creëren van een gezonde omgeving. Wat zouden we ons liever wensen voor de ‘Early Years’?!

Je bent van harte uitgenodigd je te registreren voor het symposium voor nog veel meer informatie over deze thema’s in mijn presentatie (en voor nog vijf mooie lezingen)!

Een dialoog over verbindend opvoeden, Deel 2

Vorige week deelden we Deel 1 van een dialoog die ACE Aware NL had met Anky De Frangh van ‘Verbindend Opvoeden’ naar aanleiding van een Instagram-post. Vandaag lees je Deel 2.

De begeleidende tekst van de Instagram-post ging als volgt verder:
Dat [ontbreken van bepaalde vaardigheden bij kinderen] betekent dus dat niet alle driftbuien te voorkomen zijn, maar je kan als ouder wel heel veel doen om driftbuien zoveel mogelijk te voorkomen én om je kind te ondersteunen in zijn of haar ontwikkeling. Ook jouw aanpak tijdens een driftbui is heel erg belangrijk!”

Marianne: Precies! Dit klinkt als een raak statement. De rol van de ouders is cruciaal in hoe het kind reageert op een situatie waarin de veiligheidsbeleving onder druk staat of waarin het kind zich niet gehoord en gezien voelt. De gemoedstoestand van de ouders is ook van invloed op hoe frequent zich dat soort situaties voordoen.

Anky: En daar gaat eigenlijk heel de masterclass en ook de cursus emotiecoaching over. Dat vertel ik ouders alleen niet meteen bij de start. Door ouders op een zachte manier mee te nemen in het verhaal, begrijpen ze zelf welke cruciale rol zij spelen en zijn ze vanzelf bereid om dingen bij zichzelf te veranderen en aan te pakken.

“Wanneer kinderen emotioneel competenter worden en hun emoties dus beter leren herkennen, benoemen, verwoorden, begrijpen en reguleren, neemt de frequentie, de intensiteit en de duur van driftbuien af.⁠⁠ En dat zijn allemaal dingen die jij als ouder mee kan ondersteunen.”

Marianne: Enerzijds helemaal waar! Anderzijds… kinderen zijn emotioneel vaak veel competenter dan volwassenen: ze voelen feilloos aan dat er iets mis is en dan roepen ze om hulp. Om duidelijk te maken wat er aan de hand is, hanteren ze echter instrumenten waarmee volwassenen moeilijk uit de voeten kunnen. Daarmee is de kern eigenlijk dat volwassenen vaak de competenties missen om te begrijpen wat het kind vertelt en van welk probleem het gedrag of de uiting een signaal of een symptoom is. Door te zeggen dat het kind nog onvoldoende competent is, kan er gemakkelijk een framing ontstaan van het kind als een niet volwaardig individu.

Anky: Daar kan ik me in vinden. De oorzaak van veel frustraties zit hem echter wel vaak ook in het feit dat ze nog niet altijd de woorden hebben om zich uit te drukken (en uiteraard is dat altijd in combinatie met een zorgfiguur die het dan niet lijkt te begrijpen). Daarom zien we ook meer driftbuien bij kinderen die bijvoorbeeld een taalontwikkelingsstoornis hebben. Dat kinderen emoties beter kunnen aanvoelen, doorvoelen en er kunnen laten zijn, daar ben ik het volledig mee eens. Het is pas in interactie met anderen dat we dit als mens ‘afleren’ of gaan onderdrukken. Ook daar is in de cursus ontzettend veel aandacht voor en daar maak ik ook op de sociale media goed ruimte voor.

Marianne: Dat is mooi, want als het kind als onvolwaardig wordt neergezet, blijft de rol van de ouderlijke incompetentie buiten schot. Dat is ethisch gezien lastig, want wie groter en sterker is, draagt een verantwoordelijkheid om het kleine en kwetsbare te beschermen. Het Verdrag van de Rechten van het Kind beschrijft die verantwoordelijkheid op allerlei manieren. Als volwassene ‘achterover leunen’ totdat het kind ‘competenter’ is geworden, lijkt daarom niet gepast. Volwassenen kunnen onderzoeken hoe zij zelf competenter kunnen worden in het verstaan en spreken van, en zich verbinden met de taal van het kind. Daarmee kan de ouder inderdaad (de ontwikkeling van) het kind enorm ondersteunen en het kind een gevoel van veiligheid bieden dat een leven lang van grote waarde blijft. Zo kunnen ouders en andere volwassenen een krachtig neurofysiologisch en stressregulatiesysteem helpen bouwen.

Anky: Zeker; in de masterclass gaan we ook uitgebreid daarop in!

“Je ontvangt nadien van mij ook de slides en enkele handige handouts met tips rond het aanleren van alternatief gedrag én hoe je als ouder zelf kalm kan blijven.”

Marianne: De tekst lijkt met ‘aanleren van alternatief gedrag’ op het kind te doelen. In het licht van het voorgaande is waarschijnlijk de vraag gerechtvaardigd of het niet de ouder is die nieuwe vaardigheden moet aanleren. Als flora niet gedijt, wijt je dat niet aan de bloem of plant, maar aan de omgeving (aarde, licht, water, voedingsstoffen). Dat principe verdient ook ten aanzien van kinderen veel meer maatschappelijke aandacht.

Anky: Zeker mee eens dat dit principe op de voorgrond moet staan. Dat is ook de reden dat ik als kinderpsychologe steeds minder met kinderen individueel werk en de focus leg op ouders. Ik vind het echter ook belangrijk om een evenwicht te bieden voor ouders die heel streng zijn voor zichzelf of die op den duur door de bomen het bos niet meer zien, omdat er zoveel dingen zijn die ze ‘moeten’ doen om het ‘goed’ te doen of waarvan ze denken dat ze die aan zichzelf moeten veranderen.

Marianne: Dat is mooi om te horen, dat je de focus bij de ouders legt! Belangrijke vragen zijn dan: ‘Wat heeft het kind nodig? Waarom gedijt het niet? Wat kunnen we bieden?’

Anky: Het grootste deel van de cursus emotiecoaching en de masterclass gaat inderdaad om het aanleren van alternatieve vaardigheden en alternatief gedrag voor ouders zelf. Een mini-stukje gaat over welk alternatief je je kind zou kunnen aanleren (door dit als ouder zelf voor te leven en dus ook je gedrag te veranderen) om met grote emoties om te gaan. Ik schenk daar heel bewust aandacht aan, omdat ouders hierover vaak vragen hebben en daarvoor is de masterclass ook bedoeld.

Marianne: Wat goed! Door de vraag over wat het kind nodig heeft, blijvend te stellen kunnen we de Adult Supremacy voorkomen, een concept dat in onze eerdere blogs al aan de orde kwam, de machtspositie waarin de belangen van de volwassene het welzijn van het kind overtroeven.’

Anky: Interessant! Als ik tijd heb, ga ik er eens over lezen; ik kijk er erg naar uit!

We rondden via e-mail de dialoog af. En over de oorspronkelijke post, die deze tekst bevatte:

Reminder: De driftbuien van je kind zeggen niets over jou als ouder, maar zeggen iets over de ontwikkelingsfase waarin je kind zich bevindt.

Wat brainstormen daarover leidde tot een suggestie voor een alternatieve formulering, waarover ook Anky enthousiast was:

“Driftige boosheid (een ‘driftbui’) zegt iets over de gemoedstoestand van je kind; de mate waarin jij je kind veiligheid kunt bieden bij zulke stress, zegt iets over jouw ontwikkeling als ouder.”

We wisselden nog wat zaken uit en dit was de conclusie van Anky:

Ik denk dat we inderdaad heel erg op dezelfde lijn zitten. Ik ben denk ik wel wat minder bewust of wat nonchalanter in mijn taalgebruik. Ik ben er echter van overtuigd dat we daarmee in de masterclass rond driftbuien en de cursus emotiecoaching heel genuanceerd omgaan, zorgvuldiger ook dan op een medium als Instagram mogelijk is. Tegelijkertijd vind ik het wel heel fijn dat de tekst je zo aan het denken heeft gezet! Zo krijg ik ook jouw ideeën erover en zo kunnen we allebei onze blik verruimen en nog weer wat bewuster ons taalgebruik inzetten voor onze doelen!

Al met al was het een mooie uitwisseling met Verbindend Opvoeden en de volgende dag wees Anky ons op de nieuwe Insta-post: “Helping your kid to manage their emotions requires you to learn to manage yours first” met een prachtige caption erbij. Wat heerlijk en bemoedigend om telkens weer accounts te leren kennen en de mensen erachter die zich inzetten om via de heling van de volwassenen onze jongste burgers met meer zachtheid te bejegenen! Wie weet moeten we ook nog eens aanhaken bij Anky’s masterclass…?