Professionals en ACE-bewustzijn, Aflevering 6 – Deze week: Jessica Boerema, Deel 1

Het is een zonnige zomerochtend als ik op mijn vouwfiets kom aanrijden bij mijn interviewee van vandaag, Jessica Boerema, jarenlang medisch pedagogisch zorgverlener en nu zelfstandig ondernemer in haar praktijk ‘Contact in Beeld’. Ik heb vanaf het station de stad doorkruist, die, ver in juli, nog steeds is overgoten met de zoete geur van lindebloesem. Het is pas elf uur, maar toch voel ik al klam aan als ik mijn fiets op slot zet. Op het raam prijkt een poster van Dunstan Babytaal, een methode waarmee ouders het huilen van hun kind beter kunnen leren herkennen en begrijpen. Ik bel aan en Jessica doet met een brede glimlach open. Ze leidt me door de hal en de keuken naar haar heerlijke tuintje. De gele puntwederik straalt me tegemoet, geflankeerd door donkerroze astilbe en een twee meter hoge boom met appels die nog volop aan het rijpen zijn. De in het voorjaar van elders naar hier verhuisde bessenstruik heeft prachtig wortel geschoten en de vruchtjes kleuren al fraai dieppaars. De blauwe deur van het fietsenschuurtje geeft in combinatie met de knalroze hortensia haast een Franse plattelandssfeer. Twee stoeltjes staan klaar en als de mokken op het tafeltje zijn gevuld met thee, smullen we van de koekjes en gaan we van start.

Hoe ben je gekomen waar je nu bent, vraag ik aan Jessica; ze geeft met haar praktijk ‘Contact in Beeld’ trainingen aan professionals en ouders om het belang te illustreren van effectieve communicatie met jonge kinderen op moeilijke en uitdagende momenten.
“Mijn baan als medisch pedagogisch zorgverlener in het ziekenhuis was mij op het lijf geschreven. In de klinische omgeving kan de stress heel snel oplopen en dan kun je voor een kind een cruciale rol spelen. Door goed te kijken en het kind te zien in wat het ervaart, kunnen we heel actief de medisch noodzakelijke behandelingen op een meer sensitieve manier geven. Natuurlijk moeten bepaalde dingen nu eenmaal gebeuren, maar kunnen we met elkaar écht het kind zien en het verhaal van het kind meewegen? Je kunt allerlei interventies immers op heel veel manieren aanbieden en uitvoeren!

Hoewel men enthousiast was over mijn werkwijze, was het soms ook wel moeilijk als solist in deze functie en ik wilde graag nog beter geschoold worden. Toen ik in 2017 werd opgeleid tot video-interactiebegeleider, begreep ik ineens waardoor dit werk zo bij mij paste. Ik zag mijn eigen interactie in beeld terug en bleek in staat om in moeilijke situaties, waarbij emoties bij het kind en de ouders opliepen, mijn basiscommunicatie op peil te kunnen houden. Ik kon rustig blijven, mijn woorden zorgvuldig kiezen en zo voor coregulatie zorgen en dus de stress bij de ander weer omlaag brengen. Deze inzichten hebben me zoveel gebracht! Als je contactmomenten op beeld bekijkt, kun je telkens opnieuw observeren en praten over de beleving daarvan. Videobeelden zijn voor ouders en professionals echte krachtige, positieve ‘eye openers’!
Ik heb sindsdien veel ouders gezien met zorgen over hun kind dat moeite had met poepen, eten of slapen. Via videobeelden ontdekten ze hoe ze hun kind met een goede basiscommunicatie konden ondersteunen door te focussen op contact en verbinding. Een mooi voorbeeld was een kind (3) met obstipatieklachten. Het kind miste de ontvangstbevestiging van de ouders over de angst om te poepen.  Door begrip en erkenning daarvan verdwenen de klachten als sneeuw voor de zon.”

Ik vraag Jessica of ze die term kan uitleggen, ‘ontvangstbevestiging’.
“Jazeker! Het eerste daarbij is kijken wat het kind laat zien met wat ‘ie doet of zegt en of je dat kunt volgen, of je het snapt. Van daaruit ga je kijken wat het kind nodig heeft; vraagt het kind iets aan jou, wil het gehoord worden, heeft het iets nodig? Door te benoemen wat je ziet (‘Je vindt het spannend, geloof ik, hè, om naar de wc te gaan?’), zorg je dat het kind zich gezien en gehoord voelt. Dat is een cruciale bouwsteen in de communicatie! Het is ook een heel andere benadering dan met dwang en overwicht te zeggen: ‘Je gaat NU naar de wc!’ Heel toevallig kwam ik niet zo lang geleden de moeder van dit kindje weer tegen. De moeder zag mij en zei: ‘Wow, jouw tips toen hebben me zóveel inzicht gegeven! Ze hebben me enorm geholpen en ik ben daardoor op een heel ander spoor gekomen en heb een carrièreswitch gemaakt: ik ben nu orthopedagoog!’ Dat vond ik zo bijzonder om te horen! Het punt bij dat kind (en ook in veel andere situaties) was dat door de zorgen van de ouders de communicatie verstoord raakte, met een haperende darmfunctie als resultaat en vervolgens een vicieuze cirkel in de totale interactie. We kennen dat allemaal wel, dat je je vakantiekoffer hebt uitgepakt en nog niet helemaal bent geland, en dat je dan ook niet goed naar de wc kunt. Hoe je je voelt, heeft effect op het hele systeem. De manier van communiceren, hoe de baby ter wereld is gekomen, hoe die is ontvangen, ook al bij de conceptie, zijn ervaringen… ik ben ervan overtuigd dat al die dingen met elkaar samenhangen. Samen met ouders naar de beelden kijken helpt hen bewust te worden hoe zij hun kind met behulp van een sensitieve en responsieve basiscommunicatie kunnen ondersteunen.”

Aansluitend op de invloed van de geboorte zegt ze: “Ik ben een aantal jaren geleden voor het eerst bij een presentatie van Anna Verwaal geweest en ik dacht wow… hier moet ik echt veel meer over weten en dus heb ik verdiepingsdagen gedaan. Ik zag op de afdeling veel ouders van excessief huilende baby’s en na deze scholing nam ik die kennis over pre- en perinatale psychologie mee in de anamnese. Daaruit bleek dat er vaak een belaste voorgeschiedenis was rondom de start van het leven van de baby. Dit bevestigde tevens hoe belangrijk het is dat we gezinnen in dagopname zien en opname zoveel mogelijk voorkomen: scheiding van ouder en kind is zo schadelijk!”Ik kijk Jessica aan en voor ik er erg in heb, zeg ik: “Wat is het heerlijk om jou dat te horen zeggen!”
Ze lacht breeduit: “Ja, met kennis van de pre- en perinatale psychologie is dat dat echt niet meer verantwoord. Met één of twee dagopnames kun je ouder en kind goed op weg helpen onder intensieve, afgestemde begeleiding. Bij voorkeur keken de kinderarts en ik echter al op de poli naar het ‘verhaal achter het verhaal’ en dan probeerden we in een veel eerder stadium ondersteuning aan te reiken, voordat het de ouders helemaal boven het hoofd was gegroeid. Dat was soms nog wel ingewikkeld, want veel ouders missen, net als nog veel professionals, de kennis die nodig is om te snappen waarom kinderen huilen en welke eerdere ervaringen daarin kunnen meespelen. Het idee dat de geboorte en de zwangerschap invloed hebben op hoe het kind functioneert…” Ze kijkt me schalks lachend aan en ik grijns terug, omdat ik voel waar ze heen wil: “… dat is nog niet voor iedereen vanzelfsprekend! En toch… als je dan praat over de invloed van roken en alcohol op het ongeboren kind… dan snappen mensen ergens natuurlijk wel dat het idee dat een kind in de buik niks meekrijgt van het leven van de moeder gewoon niet houdbaar is.”

We praten door over hoe moeilijk het is om te zien dat kinderen en ouders op dit punt nog dikwijls tekort wordt gedaan. Wanneer deze kennis eenmaal integraal onderdeel is van je professionele bagage, is het onmogelijk niet overal haar relevantie te zien. Tegelijk kan het ook heel ingewikkeld zijn om een goede vorm te vinden voor het delen van dit soort kennis. Jessica: “Wie op geen enkele manier met deze inzichten in aanraking is gekomen, of wie merkt dat ze volledig botsen met wat er in de eigen opleiding over werd gezegd, kan er een hele kluif aan hebben om ze naadloos in te passen in de eigen handelwijze. Het helpt dan wel om wetenschappelijke onderbouwing te kunnen lezen, maar dan nog vraagt het tijd en toewijding om je de stof eigen te maken. Daarbij helpt het natuurlijk als je een open leerhouding hebt! Als je bewust onbekwaam bent (je weet wat je niet weet) en eens gaat zitten met iemand die er al meer van weet en dan een training of workshop volgt, kun je je eigen kennis uitbreiden. Da’s geen zwaktebod, maar juist een heel krachtige, professionele stap om te zetten!”
Ze vertelt over een andere methode die ze veel gebruikt, namelijk die van Dunstan Babytaal, over het duiden van het huilen van pasgeborenen, en wat haar betreft geldt dat niet één methode altijd waar of de juiste is. Er zijn veel methodes en toepassingen waar een bepaalde hoeveelheid waarheid in zit, maar niet voor iedereen past alles. “In mijn visie maak je altijd eerst de anamnese op, luister je naar het verhaal dat erachter zit en daarna kijk je wat helpend is.”

Volgende week luisteren we verder naar wat Jessica vertelt over het helende effect van kijken naar beelden en hoe dat leerproces de basiscommunicatie en het gevoel van veiligheid en competentie voor alle gezinsleden ondersteunt.

Professionals en ACE-bewustzijn, Aflevering 5 – Deze week: Kelli van Gerven, Deel 2

Vorige week maakten we een begin met het gesprek met jeugdarts Kelli. Deze week komen nog meer aspecten van haar werk aan bod, zoals de uitdagingen die ze ervaart met ouders en richtlijn en ook met het inbedden van nieuwe inzichten in de dagelijkse praktijk.

We spreken over hoe heftige stress iemands vaardigheid om informatie op te nemen of adviezen goed te begrijpen helemaal verstoort.
Kelli: “Ja, dat is zeker zo, en het is in veel settings hetzelfde als met de richtlijnen hier: als je te veel vasthoudt aan je eigen programma en aan bepaalde standaard procedures, dan zie je het belangrijkste niet of onvoldoende, namelijk wat er speelt bij degene die tegenover je zit. De vraag is dan: durf je die structuur los te laten? Durf je ervoor open te staan dat het soms anders gaat? Dat is namelijk best wel spannend. Je hebt immers ook tijdsdruk; de volgende wil niet eindeloos wachten, dus dat is vaak zoeken.”

Ik vraag van welke aspecten van haar werk ze het meeste houdt en waar ze echt blij van wordt. Ze vertelt dat dat heel breed is en dat haar idealisme daarin een grote rol speelt, de wens dat ouders en kinderen het samen fijn hebben: “Ik gun mensen meer geluk en gezondheid, vooral ook omdat dat later zoveel gehannes voorkomt. Ik weet dat dat heel idealistisch gedacht is, maar dát is uiteindelijk toch mijn drijfveer.”
En de tegenhanger… wat is het moeilijkst?
Ze kijkt wat ernstiger: “Hmm… dan denk ik aan de gezinnen die in tergende armoede leven en mede daardoor ruzie krijgen, dat je naar hun situatie kijkt en denkt… die zitten écht helemaal klem. Hoe moeten die in vredesnaam hun leven op orde houden? Tegen politiek en beleid in moet je dan toch naar concrete oplossingen zoeken. Daarbij kijk je sowieso altijd naar de individuele situatie. Als er twee kinderen in een gezin zijn die aldoor ruzie hebben, dan kunnen ze misschien op een verschillende dag naar de opvang, zodat ze niet aldoor samen zijn en er weer wat rust in het gezin komt. Dat soort dingen organiseer ik dan samen met andere ketenpartners, die ook de sociale kaart goed kennen.”

Hoe ziet Kelli de biopsychosociale inzichten ingebed in de zorg of in de maatschappij als geheel?
“Helaas heb ik niet het gevoel dat dat nu heel anders is dan een jaar of tien geleden. Het is via de social media nu vaak wel wat gemakkelijker voor ouders om gelijkgestemden te vinden of om professionals te vinden met een meer holistische visie, en dat kan ouders veel steun geven. Zelf lees ik daar ook mee om te zien wat er leeft, maar ik heb nog niet het gevoel dat er beleidsmatig gezien een totale mentaliteitsverandering is. Hoewel er duidelijk meer aandacht is voor Infant Mental Health, zie ik nog vaak dat de behavioristische aanpak wordt onderschreven; dat lijkt nog wel de ‘main stream’. Ik zie wel kleine onderstroompjes met meer bewustzijn over de impact van toxische stress, maar het zijn kleine aftakkinkjes die ergens doorsijpelen en ik zie die nog niet overal watervalletjes worden.”

We spreken over hoe om te gaan met wat ouders aangeven op sociale media, zoals: ‘Ik ga naar het consultatiebureau, maar ik luister niet naar wat ze daar zeggen, dus ene oor in en andere weer uit.’ Op welke wijze kunnen JGZ-medewerkers daarmee omgaan?
“Soms willen ouders niet bij bepaalde professionals op consult omdat ze zich daar niet gehoord voelen. De ene ouder is kwetsbaarder dan de andere en voelt zich eerder negatief bejegend, terecht of niet. Tegelijk kan de interactie voor medewerkers tweestrijd geven: ze worden opgeleid om landelijke richtlijnen netjes te volgen, maar als de ouders wetenschappelijk onderbouwd of intuïtief van die adviezen willen afwijken, dan kan de relatie met de ouders onder druk komen te staan. We weten inmiddels dat een baby geen mensje zonder gevoel is, maar juist een heel sensitief wezen. Als ouders huilend tegenover je zitten omdat hun kind zoveel huilt en ze nergens meer heen kunnen, dan wil je graag een oplossing helpen vinden. En daar wringt het dan. We kunnen leuk zeggen met z’n allen dat ‘it takes a village to raise a child’, maar veel ouders hébben geen village; die staan er bijna alleen voor. Dat leidt er dan vaak toe dat men overgaat van plan A op plan B en probeert de baby ‘aan te passen’ aan de omstandigheden in plaats van andersom. Misschien zijn dan de ouder en de professional wel blij, maar de baby niet. Veel methodes die worden ingezet, zijn veel ‘gemakkelijker’ in de zin dat je niet het hele systeem hoeft te veranderen of een dorp om je heen moet krijgen…” Ze aarzelt en valt zichzelf in de rede: “Nou ja, gemakkelijker… ik zou het niet kunnen, want ik zou hormonaal helemaal gek worden van het laten huilen…”

Wordt de kennis over de invloed van de sociale omgeving op de gezondheid voldoende gezien, of heeft het idee dat gezondheid van de genen afhangt nog de overhand?
“Ik houd niet zo van de term dat we een individualistische samenleving hebben, maar toch zie je daar wel voorbeelden van. Zo ken ik een gezin waarvan de kinderen externaliserend gedrag lieten zien en op school en op de sportclub werd dat als storend gezien. De ouders werden erop aangekeken: ‘Ga je kind eens opvoeden!’ Ik wist echter dat die ouders heel goed bezig waren. In zulke situaties zou het mogelijk moeten zijn om als ‘dorp’ om zo’n gezin heen te staan, niet vanuit het idee van ‘je doet het fout’, maar vanuit de vraag ‘hoe kan ik je helpen?’ Mensen leven vaak meer langs elkaar dan met elkaar, maar ik realiseer me terdege dat dat niet iets is wat je privé kunt oplossen. Daarin spelen politieke beslissingen ook een grote rol. Dat zit ingebakken in het zorgsysteem en in het idee dat iedereen op eigen benen moet staan. Ergens zou je hopen dat ouderlijke ondersteuning organisch in een gemeenschap ontstaat en dat je dat niet als een instantie hoeft op te zetten, maar dat is in de praktijk toch lastig.”

Dit onderwerp brengt ons bij de intergenerationele aspecten van opvoedingsproblematiek. Ouders lijken soms individueel de ‘schuld’ te krijgen als dingen niet lukken, maar in de meeste gevallen doen ze ontzettend hun best en hebben ze ook zelf van alles meegemaakt waardoor het moeilijk is om het kind te bieden wat het nodig heeft. Sijpelt dat soort kennis door naar de praktijk, vraag ik aan Kelli.
“Eén van de taken van de jeugdarts is doorverwijzen naar de GGZ als je denkt dat er meer ondersteuning nodig is. Al er íets is wat moeilijk is om te zeggen tegen ouders, dan is het dat je denkt dat niet alleen het kind, maar ook de ouder zélf of andere huisgenoten ondersteuning nodig hebben om de problemen op te lossen. Het is echter heel moeilijk om het thema aan te kaarten als ouders zich zelf nog niet bewust zijn van bepaalde knelpunten en er geen hulpvraag is, vooral ook omdat ik in principe de arts van het kind ben, en niet van de ouder. Pas als ouders leren zien dat hun eigen houding van invloed is op het functioneren van hun kind, zullen dingen veranderen. Dat is soms wel echt een ‘roze olifant’ in de spreekkamer en daar is zeker winst te halen…”

We kijken naar de termen ‘toxische stress’ en ‘trauma’ en over wat je eronder zou kunnen of moeten verstaan.
“Trauma komt heel veel voor, maar dikwijls wordt nog gedacht dat het dan om een heftig event gaat, zoals bijvoorbeeld een moeilijk verlopen bevalling. Dat het ook om meer sluipende vormen kan gaan, als gevolg van je houding naar het kind, dat is moeilijker. Dat komt heftiger binnen en kan als falen voelen. Voor toxische stress geldt denk ik een beetje hetzelfde. Ik gebruik die term niet zo veel, maar heb wel werk van Jack Shonkoff gelezen daarover. We kunnen ons denk ik wel een voorstelling maken van wat het doet met een kind om stelselmatig gekleineerd of geslagen te worden of om geen voedsel te krijgen, maar meer subtiele vormen zijn denk ik lastiger.”

Ik vraag Kelli wat er naar haar idee beleidsmatig zou moeten veranderen om preventie van problematiek gestalte te geven.
Ze denkt na en glimlacht: “Nou… als je het heel utopisch bekijkt, dan zou je natuurlijk graag willen dat we een samenleving creëren waarin kinderen kunnen opgroeien in een omgeving die bij ze past en dat richtlijnen met het oog daarop de laatste stand van zaken in de wetenschap meenemen en dat heftige interventies worden gereserveerd voor de enkele situaties waarin dat nodig is, en niet in standaard documenten voorkomen. Daar moet echt een slag worden gemaakt, zodat ouders minder tegenstrijdige informatie krijgen. Maar ja…” Ze aarzelt, kijkt me aan en grijnst breeduit: “Dat zijn natuurlijk monsterlijk grote maatschappelijke zaken; die verander je niet zomaar even!” We lachen samen om haar term ‘monsterlijk’. Toch ziet ze wel haalbare doelen: “In het klein hoop je natuurlijk dat je ouders altijd wat kunt meegeven waarmee ze hun eigen situatie zo goed mogelijk voor elkaar kunnen krijgen.”

Het valt me op dat Kelli geregeld de richtlijnen ter sprake brengt en ik vraag naar hun invloed.
“Nou ja… in principe vormen die richtlijnen de kaders waarbinnen wij werken. Daar kan niet iedereen een eigen invulling aan geven. Je wilt dus graag dat de samenvatting daadwerkelijk een representatie is van de laatste inzichten. Dat geeft professionals het gevoel dat ze verantwoord bezig zijn. Daarom moet er meer bewustwording zijn aangaande de invloed van de vroege kindertijd en voor de nuances ervan. Alles wat later groot misgaat, begint ergens in het klein, als het nog niet zo heftig is, en dáár wil je graag bij zijn. Iedere euro nú geïnvesteerd, krijg je uiteindelijk meer dan tienvoudig terug door preventie, maar veel beleid is gekoppeld aan vierjarencycli… aan korte termijn, dus eigenlijk.”
Kelli geeft tot slot aan dat haar eigen moederschap enorm veel heeft geleerd wat ze als waardevol ervaart. Zo’n leerproces met de kinderen als motivatie hoopt ze ook bij andere ouders te kunnen ondersteunen.

We ronden af en ik dank Kelli voor haar tijd en haar mooie verhaal!

Professionals en ACE-bewustzijn, Aflevering 5 – Deze keer: Kelli van Gerven, Deel 1

Het is een zonnige woensdag als ik onder de hoge bomen door naar de hoofdingang van het gezondheidscentrum loop. Mijn interviewee van vandaag, jeugdarts Kelli van Gerven, heeft op de bovenverdieping een spreekkamer. Ze staat me op te wachten en het laatste stukje lopen we samen op. Het is bijzonder om elkaar na lange tijd weer te ontmoeten. Terwijl ze voor ons beiden thee zet, stellen we vast dat het als de dag van gisteren voelt dat we in gesprek waren over onze zorgen aangaande advisering rondom excessief huilen. Meer recent hebben we contact gehad over een document dat de behoefte van kinderen aan een diepe veiligheidsbeleving geen recht leek te doen.

Ik vertel dat mijn collega en ik eerder op de dag een gesprek hadden met een zorgverlener over de eerste 1000 dagen en stress in het vroege kinderleven. Ook Kelli was een tijdje geleden bij een overleg over dit onderwerp. De wetenschappelijke inzichten over de behoeften van kinderen in de vroege levensfase zijn de laatste decennia fors aangevuld. Ze blijken dikwijls niet overeen te stemmen met wat in westerse samenlevingen dikwijls ook nu nog wordt verteld aan ouders en het grote publiek. Kelli merkte in het overleg dat de consequenties van deze nieuwe kennis voor de dagelijkse praktijkvoering soms nog op veel weerstand stuiten. Dat is begrijpelijk, want het vraagt veel van professionals als nieuwe inzichten nopen tot het omgooien van de gebruikelijke werkwijzen. Dat vraagt om reflectie: ‘Hoe heb ik dat altijd gedaan? Wat heb ik aan ouders aangereikt? Op welke wijze heb ik dit in mijn eigen gezinssituatie aangepakt? De antwoorden op zulke vragen kunnen confronterend zijn, omdat je bij nader inzien je eigen eerdere keuzes misschien niet meer onderschrijft. Het raakt je misschien, dat de nieuwe advisering botst met hoe je dingen beroepsmatig en persoonlijk altijd aanpakte. Bovendien kan het zijn dat een andere aanpak kennis en tijd vereist die binnen het huidige systeem niet voorhanden zijn.

Kelli zegt: “Het kan terecht zijn dat je je eigen eerdere handelwijze… hoe zal ik het zeggen… ‘afkeurt’, al is dat een te heftig woord, maar met aanvullende kennis kun je besluiten een knip te maken naar iets nieuws. Daarvoor is nodig dat je je van veranderde inzichten bewust wordt, dat je de impact ervan laat binnenkomen en dat je je er niet tegen verweert, want dan is verandering heel moeilijk. Maar goed, het is natuurlijk ook niet eenvoudig. Een ogentest afnemen of een kind wegen… dat is redelijk gemakkelijk. Wanneer het gaat over zaken die meer opvoedingsgerelateerd zijn, zoals slapen en huilen, dan is het veel ingewikkelder. Dat is de reden dat ik altijd hoop dat er bij  beleidsoverleggen niet alleen managers en leidinggevenden aanwezig zijn, maar ook echt de mensen die het werk met de ouders doen. Die kunnen dan namelijk hun waardevolle ervaringen delen en dan kan er van daaruit worden gekeken naar hoe je veranderingen zou kunnen doorvoeren op basis van de nieuwe evidence.”

We spreken over hoe er achter bepaalde zaken, zoals een ogentest, niet zozeer een ideologie of een overtuiging zit waarover je van mening kunt verschillen. “Dat is zeker een aspect daarvan”, zegt Kelli, “want ik merk zelf dat ik soms de kriebels krijg van de visie op kinderen in sommige documenten. Als ik als ouder ergens kom met mijn kind, dan verwacht ik dat die zorgverlener op de hoogte is van de laatste stand van zaken in de wetenschap. Als ik zou merken dat dat niet zo is en ik krijg adviezen waarin ik me helemaal niet kan vinden, dan is dat heel lastig. Misschien sluiten ze niet aan bij wat ik zelf aan informatie heb verzameld en hoe mijn eigen wereldbeeld eruitziet. Ik snap het wel dat ouders in zo’n geval misschien denken: ‘Waarom ga ik daarheen?’ Dat gevoel ondermijnt hun bereidheid om van die zorg gebruik te maken. Dat is denk ik iets wat aandacht verdient van ons als zorgverleners.”

Ik vraag hoe ze door die lastige situaties laveert. Kelli: “Het lukt me bijna altijd prima om met ouders op één lijn te komen. Ik ga samen met hen in de ouderschapsrol zitten en dan gebeurt het eigenlijk nooit dat we er niet samen uitkomen. Tussen collega-professionals onderling is dat veel moeilijker, is mijn ervaring. Zo was ik ooit bij een scholing over breinontwikkeling bij kinderen en daar kwam de vraag aan de orde of bepaalde vormen van schade wel of niet reversibel zijn, dus of je die weer ongedaan kunt maken. De indruk werd gewekt dat dat altijd mogelijk is. Dat stemde niet overeen met wat ik erover heb geleerd, dus ik vroeg erop door. De spreker gaf toen aan dat er inderdaad bepaalde processen zijn die zo in het brein ‘ingebouwd’ raken dat ze niet of in ieder geval heel moeilijk omkeerbaar zijn. Dat lijkt me belangrijke informatie, want dat betekent dat we als zorgverleners heel zorgvuldig moeten omgaan met zulke processen. Het antwoord van de spreker leidde echter tot heel veel boze onrust in de zaal: hoe ik dat kon vragen, wat ik ouders wel niet aandeed, dat ik te ver ging… Ik merkte dat het onderwerp heel triggerend was voor veel aanwezigen.
Wat ik daarna miste, was dat we met z’n allen in gesprek gingen over de vraag waarom we zozeer van slag raken door het idee dat bepaalde vormen van omgaan met baby’s schade geven die maar moeilijk weer ongedaan kan worden gemaakt. Dat zijn dynamieken die ik met ouders eigenlijk nooit op die manier heb, extreme situaties en uitzonderingen daargelaten. De collega-zorgverleners waren van mening dat je het ouders niet kunt aandoen om te zeggen dat bepaalde dingen schadelijk zijn, maar dat was mijn punt niet. Ik ben het ermee eens dat zorgvuldigheid en sensitiviteit de kern moeten zijn in gesprekken met ouders. Dat neemt volgens mij alleen niet weg dat we wél eerst moeten vaststellen dát sommige dingen echt onwenselijk of zelfs schadelijk zijn. Díe discussie moeten we éérst voeren en van daaruit gaan we verder. Zulke kritiek raakt mij dan niet persoonlijk, maar ik hoop wel dat ik met zo’n vraag kan bijdragen aan een denkproces dat we echt moeten doorlopen met elkaar over het principe: de meest recente inzichten zijn de basis voor plan A, het beste scenario. Als Plan A niet werkt, moet je soms voor plan B gaan en dan maak je dáár weer het beste van. Nu lijkt het soms alsof plan B de eerste keuze is en dat als je plan A bepleit, je ouders iets aandoet of ze overvraagt, terwijl ik van mening ben dat ouders recht hebben op de informatie van plan A. Zij moeten kiezen wat ze willen en wij begeleiden ze daarbij.”

Ik vraag Kelli hoe ouders reageren als ze dit soort onderwerpen met hen bespreekt.
“Dat hangt sterk af van welke ouder er voor me zit. Eén ding is altijd zeker: we zitten met elkaar in die spreekkamer omdat iedereen het beste voor dat kind wil. Vaak komt er in zo’n gesprek een vraag van de ouders, bijvoorbeeld over onenigheid over waar het kind slaapt en of het alleen moet leren slapen. Dan is het de bedoeling dat ik als jeugdarts werk overeenkomstig de JGZ-richtlijnen. Ouders krijgen daar in zoverre wat van mee dat voorlichtingsfolders voor hen worden gemaakt op basis van die richtlijnen. Op het consultatiebureau hebben ouders niet altijd dezelfde medewerker voor zich. De continuïteit komt dus voor een heel deel uit het toepassen van de richtlijnen, maar niet iedereen interpreteert die op dezelfde manier. Wat ik dan doe, is dat ik uitleg dat er meerdere visies zijn en dat de keuze voor hoe ouders het willen aanpakken met hun kind natuurlijk altijd bij hen ligt. Ik leg uit wat de basisbeginselen zijn van wat een baby of een jong kind nodig heeft en daarmee geef ik aanvullende informatie. Wat ik belangrijk vind, is dat ze alles op tafel durven leggen waarmee ze zitten of waarover ze vragen hebben, zodat we het kunnen bespreken. Die ouders moeten het immers samen doen! Na afloop van het consult moeten ze niet naar huis gaan met het idee dat ze moeten doen wat de dokter zegt, maar met het idee dat ze samen verder kunnen puzzelen en voldoende informatie hebben, ook in contact met anderen in hun sociale omgeving. Ik vind die gesprekken heel mooi, want je merkt dat je wat gemeenschappelijk hebt, namelijk het welzijn van het kind. Wanneer er zorgen zijn over zaken als mogelijke kindermishandeling, dan is het een ander verhaal, maar voor het gros van de ouders geldt dat natuurlijk niet. Die willen graag kijken wat goed is om te doen. Ik geniet van die interactie en daardoor krijg je een positieve uitwisseling met elkaar. Ik zeg nooit: ‘Zo gaan we het doen’, want het gaat niet om wat ik wil; ik hoef immers dat kind niet te voeden en te verschonen en te verzorgen? Die ouders moeten lekker in hun rol zitten. Dat proces begeleiden… dat vind ik echt fantastisch!”

Volgende week lees je in Deel 2 over de uitdagingen die Kelli ervaart in het contact met ouders en met richtlijnen en de wijze waarop ze de wetenschappelijke inzichten ingebed ziet in de dagelijkse praktijk.

De ervaringsdeskundige, Aflevering 2 – Deze week: Simone, Deel 2

Vorige week maakten we een begin met de herinneringen van Simone aan haar kindertijd, mede inzichtelijk gemaakt met hulp van het Mattenspel. Dat leidde tot een lang gesprek, waarin heel veel facetten naar voren kwamen. In een latere publicatie zullen we haar ervaringen uitgebreider bespreken, omdat veel in haar verhaal laat zien hoezeer intergenerationeel trauma impact heeft op het welzijn en de gezondheid van betrokkenen.

We praten over de rol van Simones vader in het gezin.
“Mijn moeder was bang voor hem en ook tegen ons kon hij enorm schreeuwen en zeggen dat we ‘NU!’ onze kamer moesten opruimen. Ik was altijd kritischer dan mijn zus en heb veel tegen hem geageerd, voerde verhitte discussies en ging er helemaal tegenin, maar ja…” Ze maakt een sussend gebaar, houdt samenzweerderig haar vinger voor haar mond en fluistert: “Dan zei mijn moeder dat ik me gedeisd moest houden!” Ze zucht, wordt even stil en praat dan verder op gewoon geluidsniveau: “Er kwam een moment dat ik merkte dat mijn vader mij verbaal niet meer aankon; dat vond ik wel gaaf, maar het gevolg was dat hij begon te dreigen en dat ik soms ook echt klappen kreeg. Ik vond hem een zwakkeling, dat hij op die manier zijn gelijk probeerde te halen. Hij probeerde soms met me te stoeien, maar dat fysieke contact voelde heel naar en toen heb ik hem een keer een enorme dreun verkocht. Hij lag bijna op de vloer en kwaaaaad dat hij werd! Ik zei: ‘Wat wil je nou? Ik zeg toch stop?!’ Daarna was dat afgelopen, maar de verwijdering werd steeds groter en het erge was… mijn moeder nam het altijd voor hem op.

Toen ik jong was, was mijn moeder mijn alles, maar toen ik haar steun nodig had, was ze er niet voor mij. Ik heb haar dat heel kwalijk genomen, dat ze zich altijd achter mijn vader schaarde en zo mij in de steek liet. Zij zat eigenlijk altijd tussen mijn vader en mij in en fungeerde als boodschapper, als zijn tolk. Later heb ik veel gelezen over narcisme en ontdekte ik dat zij voor hem de ideale ‘flying monkey’ was. Mijn moeder vertelde dat ze ruim voor haar 16e uit huis moest om bij een ander gezin te werken en nooit heeft geleerd om voor zichzelf op te komen. Ze was gewoon echt heel bang voor hem. Mijn zus kon veel beter met mijn vader omgaan; die kreeg veel meer van hem gedaan, mede omdat ze een aantal interesses deelden en ze bij hem in de zaak ging werken. Als je het dan hebt over symbolisch kapitaal… ondernemer zijn, dát was een voorbeeld van symbolisch kapitaal in mijn vaders ogen. Dat ik later een HBO-opleiding afrondde en altijd een goed inkomen genereerde… het betekende niets voor hem. Ik heb van alles gedaan waarvan ik dacht dat mijn ouders er trots op zouden kunnen zijn; mijn moeder fluisterde dan dat ze ook trots op míj was, maar mijn vader mocht dat niet horen.” Bij allerlei dingen maakte haar vader onderscheid tussen de dochters; hij zette haar moeder in om een wig te slaan tussen de kinderen en haar moeder internaliseerde die rol en creëerde ook zelf verdeeldheid. Veel van die patronen zijn tot op de dag van vandaag blijven bestaan, vertelt Simone, en ze klinkt zowel boos als verdrietig.

We praten over de vraag hoe het zo gekomen kan zijn en Simone vertelt uitgebreid over wat er de afgelopen jaren in de familie aan het licht is gekomen, de rol van de katholieke kerk en misbruik daarin, en de pijnlijke ontdekking van porno op computers in de oudere generatie. Daarmee komen we, na eerder over de fijnste herinneringen te hebben gesproken, bij de verdrietigste. Simone vertelt behoedzaam, maar hoeft niet lang na te denken; de ene herinnering roept de andere op.
“Mijn vader vond zwangere vrouwen smerig; dat zei hij tegen mijn zus én tegen mij. Ik was heel trots op mijn zwangerschap en ik wees mijn roomse vader op het feit dat het toch iets was wat God ons had gegeven. Daar had hij geen boodschap aan; een zwangere buik en ook borstvoeding… hij vond het smerig. Daar zit ongetwijfeld een verhaal achter, want zo’n afkeer… dat raakt je, als je vader daar zo mee omgaat. Sowieso had hij moeite met lichamelijkheid en seksualiteit. We hebben onze ouders nooit naakt gezien, maar over mijn lichaam had hij evengoed wel een mening en kleineren kon hij ook. Als kind was ik wat mollig en daarom werd ik ‘Plompie’ genoemd en jarenlang bleef ik negatieve opmerkingen krijgen over mijn uiterlijk. In de puberteit werd ik mondiger, mede omdat ik op school werd gewaardeerd voor mijn discussievaardigheden. Voor mijn kritische houding betaalde ik trouwens wel een prijs: thuis steeg de spanning erdoor en ik werd heel somber. Ik begon te hyperventileren, werd zo stijf als een plank, kon bijna niet meer opstaan uit bed en kreeg allerlei lichamelijke klachten. Daardoor gingen op school mijn prestaties drastisch omlaag. Mijn vader zei dat ik lui was en geen flikker deed op mijn kamer en daarom zulke slechte cijfers haalde, maar ja… ik was gewoon stokongelukkig en intens eenzaam… Het rare is dat ik, ook nu nog, juist vaak heel goed kan opschieten met mensen die intellectueel goed onderlegd zijn. Ik voel me senang bij ze en heb het gevoel dat ze snappen wat ik zeg, als ik mijn verhaal met ze deel.” Simone vertelt hoe die eenzaamheid ertoe leidde dat ze haar verbeeldingskracht ontwikkelde en in haar geheime schijnwereld met fictieve personen praatte.

De teleurstellingen regen zich jarenlang aaneen: geen interesse voor haar studie, geen financiële ondersteuning voor studiekosten, geen telefoontjes om te horen hoe het met haar was toen ze op kamers woonde, afwezigheid van haar vader bij haar diploma-uitreiking, geen aandacht voor vakantieverhalen (maar de verhalen van de ouders volop in de schijnwerpers), een kille houding en gemene opmerkingen van haar ouders toen ze een miskraam had gehad, altijd angst om voor zichzelf op te komen omdat het bewaken van haar eigen grenzen altijd tot ruzie en sancties leidde, vanuit een diepe behoefte aan harmonie opkomen voor anderen en proberen de vrede te bewaren of te herstellen maar dan toch weer ontgoocheld raken of verwijten krijgen, emotionele chantage en dreiging (‘Als het je niet aanstaat, dan ga je maar weg!’)… het is te veel om op te noemen en het heeft haar aangegrepen en kwetsbaar gemaakt. Het heeft haar naar eigen zeggen gevormd tot een ‘pleaser’ op grond van de angst anders helemaal nergens meer bij te horen en alles in elkaar te zien storten. Jarenlang speelde daarbij ook het feit dat ze het grootste deel van het gezinsinkomen inbrengt een rol; ze wilde dat niet in gevaar brengen, maar verloor daardoor het contact met haar authentieke zelf. De druk die ze van kind af aan heeft gevoeld, is haar zwaarder en zwaarder gaan vallen en dat is de reden dat ze nu heeft besloten met overgave aan haar mentale gezondheid te werken.

Als ik vraag of ze als gevolg van alles gedragingen heeft ontwikkeld die ze als ‘slechte gewoonte’ betitelt, kijkt ze me over de tafel heen aandachtig aan. “Oh… dat vind ik een moeilijke…” Ik wacht en gun haar tijd om na te denken. Ze zucht. Ze is stil en slaat de ogen neer. We zwijgen samen. Na een poosje kijkt ze op: “Ik weet het wel, hoor…” “Je weet het wel…?” “Oh ja, ik weet het precies… maar ik vind het echt heel lastig…” De stilte hangt tussen ons in. “En wat maakt het lastig voor je…?” Ze zucht diep, aarzelt, zoekt mijn ogen: “Schaamte…” “Schaamte…?” Een beetje vragend voeg ik toe: “Je hoeft het niet te zeggen, hè…?” “Ja, ik vind het echt heel moeilijk. Ik ga het wel zeggen, hoor! Ik heb me voorgenomen het vaker te zeggen als het gepast is. Ik heb het onlangs ook met mijn therapeut besproken en het blijkt dat er zeker wel meer mensen zijn die ermee worstelen…” Ik wacht hoe ze haar betoog zal vervolgen. “Erover praten is onderdeel van de fase waar ik nu in zit.”

Ze haalt nog een keer diep adem: “Vanaf het einde van de basisschooltijd ben ik gaan haren trekken. Ik was heel veel alleen, ik had lang haar met dode punten en die trok ik er dan uit, maar later was het meer trekken in het algemeen en mijn haar is daardoor heel dun geworden, met hier en daar ook kale plekken. Het heeft een moeilijke naam, trichotillomanie. Ik hield het voor iedereen verborgen, maar nu zijn er wel een paar mensen die het weten. Het ging van kwaad tot erger en ik had de vreemdste gedachten erbij…” Ze slaat de handen voor haar gezicht: “Ik vond het zo raar wat ik deed en was bang dat het erfelijk zou zijn als ik kinderen zou krijgen…” Ze vertelt dat het heeft opgelucht om er met haar therapeut over te praten, om samen oorzaken te vinden en oplossingen te zoeken voor hoe ze kan leven met de gevolgen ervan: angst voor een regenbui, niet durven zwemmen, bang dat anderen het zien en er opmerkingen over maken… We praten dieper door en komen bij de vraag wat het haar bracht en brengt: “Het doet geen pijn, maar geeft een soort fijne prikkel. Ik zoek de dikke, stugge haren en trek ze er stuk voor stuk uit. Avonden waarop ik alleen ben, zijn de triggermomenten, als ik een vol hoofd heb, vermoeid ben of gestrest; dan is het een soort afleiding en voelt het heel lekker. Het geeft me rust, vooral als het leven me zwaar valt en als een gevecht voelt. Tegelijkertijd realiseer ik me heel goed dat de negatieve gevolgen als schaamte en onrust het leven juist nóg zwaarder maken… Het is moeilijk…”

Het gesprek meandert verder naar waar Simone in de samenleving knelpunten ziet voor kinderen en jongeren, naar veranderingen in haarzelf en naar hoe ze dappere stappen zet op een pad naar meer innerlijke rust, waarin haar gezin de liefdevolle kern is en blijft. Haar openhartigheid spreekt boekdelen over haar moed en haar verhaal is opnieuw een illustratie van de impact van de vroege levensfase. Meer bewustzijn daaromtrent kan helpen bij reflectie op hoe we de jongsten in onze samenleving willen bejegenen, zodat ze niet hoeven te ‘genezen’ van hun kindertijd. Daar hoopt ACE Aware NL blijvend een bijdrage aan te leveren!

De ervaringsdeskundige, Aflevering 2 – Deze week: Simone, Deel 1

Het is mooi nazomerweer als ik aankom bij mijn interviewee van vandaag, Simone (pseudoniem). Ik had voorgesteld dat we beginnen met een spel en dat klonk haar goed in de oren. Ze wordt blij als ik de elementen tevoorschijn haal en haar uitleg wat de bedoeling is. We maken de tafel leeg, zodat ze flink speelruimte heeft. Het idee is dat we zicht krijgen op de vraag hoe haar wereld eruitzag op een bepaalde leeftijd in haar kindertijd. Ze kiest de leeftijd van 13 jaar en gaat aan de slag. Ze mag van de acht gekleurde ‘matten’ maximaal zes kiezen en daar een plek van een persoon aan koppelen, te beginnen met ‘ik’. Na de matten volgen er poppetjes, huizen, wegen, vervoermiddelen, geluksklavers en emoji’s. Ze heeft tijd nodig om de onderlinge verhoudingen naar wens gelegd te krijgen. Als ze het gevoel heeft klaar te zijn, gaan we het gesprek aan. Tijdens het gesprek zal ze nog geregeld naar de neergelegde ‘Mattenspel’-elementen kijken en verbaasd vaststellen hoe die allerlei interacties in haar leven als jong meisje zichtbaar maken.

Ze heeft een pittige tijd achter de rug en is een zoektocht gestart; ze wil de oorsprong van haar pijn niet langer uit de weg gaan. Ze realiseert zich dat zij, net als een familielid, de stemmen van vroeger misschien niet volledig tot zwijgen zal kunnen brengen, maar ze wil de pijn niet aldoor meer zo voelen schuren, meer rust vinden, haar eigen grenzen beter leren bewaken, waar ze jarenlang overheen heeft laten lopen. “Soms lijkt het misschien alsof ik een autoriteitsallergie heb, maar dat geloof ik eigenlijk niet. Ik kan best autoriteit verdragen, maar voor machtsmisbruik heb ik een scherp ontwikkeld zintuig. En de laatste tijd realiseer ik me dat machtsmisbruik me triggert. Deels heb ik al meer zicht op de oorzaken daarvan. Mijn ouders hadden een streng katholieke achtergrond en vonden dingen normaal die ik helemaal niet normaal vind, zoals het onderscheid tussen man en vrouw, maar ook de manier waarop er met ons als kinderen werd omgegaan en waarop mijn vader probeerde om met bepaalde aspecten van zijn positie indruk te maken, zoals ook de pastoor dat deed.” Ik knik en vertel over ‘symbolisch geweld’, het misbruik maken van macht en aanzien en Simone herkent de verschillende elementen. Later in het gesprek zullen die nog een aantal keren voorbijkomen.

Tijdens het leggen van het spel is een deel van de openingsvraag die we altijd stellen al beantwoord, namelijk de vraag naar iemands achtergrond.
“Ik ben tussen mijn achtste en dertiende levensjaar binnen de noordelijke provincies heel vaak verhuisd. Vanaf de verhuizing op mijn dertiende kreeg ik het echt moeilijk. Ik kwam in de puberteit, was mijn vriendin en mijn fijne, vertrouwde school kwijt, moest afstand doen van de hond, die altijd mijn grote vriend was geweest en voor wie in het nieuwe huis volgens mijn ouders geen plaats meer was, en mijn ouders en zus waren altijd aan het werk in de winkel die we daar hadden, waardoor ik bijna altijd alleen thuis was. Tijdens de verhuizing overleed mijn opa. Mijn hele leven voelde vreemd voor me. Ik kon de school niet vinden. Mijn ouders hadden niet even een keer de route met mij gefietst. Gelukkig kwam ik onderweg een klasgenoot tegen die ook net daarheen was verhuisd. Op school sprak iedereen Fries en ik verstond bijna niemand. Ik voelde me min of meer gedropt in een totaal onbekende omgeving… ja… die verhuizing was echt traumatiserend voor me. Als ik terugdenk, denk ik dat mijn kameleonkwaliteiten daar zijn ontstaan: ik probeerde me zo snel mogelijk aan te passen, zodat ik er weer bij zou horen, maar dat lukte niet echt. Ik voelde me een normaal kind, maar de normale kinderen gingen niet met me om, alleen de kinderen die zelf, om andere redenen, niet echt bij de groep hoorden trokken naar mij toe en dat zag ík dan weer niet zo zitten… Tsja… zo denk je dan, op je 13e…” Ze is stil en overweegt het gevoel van toen. “In deze periode heeft zich heel veel boosheid ontwikkeld. Daarvóór vond ik het soms ook al moeilijk thuis, maar na die verhuizing werd alles nog een heel stuk erger.”

Fotograaf Cecilia Paredes

Ik vraag bij wie ze terecht kon in haar vroege kindertijd.
“Dat was toen toch wel mijn moeder. Ik kan me niet herinneren dat ik ooit een klik had met mijn vader. Hij was er wel, maar ik vond hem vaak vervelend. Hij begreep mij niet en liet dat ook merken. Hij was heel autoritair, terwijl mijn moeder een gezelligheidsmens was, bij wie iedereen altijd kon aanschuiven. Bij haar kon ik zijn wie ik was en ik vond het heerlijk bij haar. Ik weet nog dat ik een keer met mijn pop op de bank zat en haar vroeg: ‘Mama, kan ik ook met jou trouwen?’ Ik was heel teleurgesteld toen bleek dat dat niet mogelijk was.
Mijn vader was door de week en op zaterdag altijd aan het werk; hij was alleen op zondag thuis en dan was hij heel rooms en streng en kil. Dan moesten we er netjes uitzien en controleerde hij of mijn moeder op zaterdag het huis wel goed genoeg had gepoetst. Als hij vond van niet, dan pakte hij de stofzuiger en een sopemmer en deed hij het dunnetjes over.
Mijn moeder was naar de mening van mijn oma, haar moeder, eigenlijk aan de late kant getrouwd. Ze was 27 en de eerste jaren kwamen er ook nog geen kinderen en dat vond mijn oma maar niks. Toen de huisarts mijn moeder op haar 35e, na een zware bevalling van mij, vertelde dat het beter was dat ze geen kinderen meer kreeg, zag mijn vader mij als de ‘schuldige’: nu zou hij, die graag een opvolger voor zijn zaak wilde, die mogelijkheid zijn ontnomen. Hij had nu twee dochters, terwijl hij verlangde naar een zoon. Later zei hij dingen als: ‘Ja, jij was een zwaar, dik kind; daardoor kon mama geen kinderen meer krijgen.’ Hij legde het vol verwijten bij mij neer en heeft mij altijd een naar mens gevonden; hij heeft letterlijk gezegd: ‘Ik heb niks met haar.’ Dat heb ik heel mijn leven gevoeld in hoe hij met mij omging en onderscheid maakte tussen mijn zus en mij.”

Hoe zou Simone haar thuisomgeving omschrijven?
“Er was veel structuur in huis, de beroemde ‘rust, reinheid en regelmaat’, en ik ben heel erg beschermd opgegroeid. We gingen nooit op vakantie, dus ik heb als kind nauwelijks wat meegemaakt.”
Ze vertelt dat ze op haar 18e min of meer het huis uit vluchtte. Ze wilde niet in het bedrijf van haar vader werken, maar toen ze op kamers woonde, voelde ze zich net zo alleen als thuis: “Ik liep tegen de wereld aan en tegen mezelf. Ik zat als een wereldvreemd meisje in een studentenhuis met bijna allemaal jongens. Hun ouders belden zó vaak dat ze zich onbereikbaar hielden, maar de mijne belden nooit. Mijn ouders hadden me nergens bij geholpen en ik heb alles alleen moeten doen en meestal ook zelf moeten betalen. Ik schrok van allerlei dingen waar ik mee te maken kreeg en was altijd op mijn hoede. Met zo’n houding ga je niet experimenteren en word je heel voorzichtig.”

Als ik vraag aan welke periode ze de fijnste herinneringen heeft, is ze heel duidelijk: “Dat was in mijn geboortehuis, met de tuin daar en een parasol, kinderen om mee te spelen, lekker kleuren, een eitje bakken… het huiselijke, het gezellige – dat vond ik heel erg fijn en dat heb ik na mijn 8e niet meer zo gevoeld. Mijn moeder werd namelijk ook steeds ongelukkiger en gebruikte mij om haar hart te luchten. Ze werd door mijn vader als een medewerker behandeld, maar ze werd niet betaald en kon soms niet rondkomen van het huishoudgeld dat ze kreeg. Ik zei weleens: ‘Dat is toch belachelijk? Het kan toch niet zo zijn dat jij niet kan kopen wat je nodig hebt omdat hij je niet meer geeft, terwijl jij óók de hele week keihard aan het werk bent?!’ Dat vond zij ook, maar dan zei ze: ‘Ja, maar je weet toch hoe hij is?’ Ik zei dat ze voor zichzelf moest opkomen, maar ze was bang voor hem.”

Volgende week lees je het vervolg van het gesprek met Simone, waarin onder andere haar verdrietigste herinneringen aan bod komen en hoe die in haar beleving een aantal gewoontes in de hand hebben gewerkt die haar zwaar vallen.