Professionals en ACE-bewustzijn, Aflevering 7 – Deze week: Chris Vleesman

We vertrokken met een groep van zo’n vijftien mensen vanaf de locatie waar we hadden genoten van koffie en thee en heerlijk Valentijnsgebak. Velen van ons hadden elkaar niet of pas een enkele keer ontmoet en we zouden een stevige wandeling maken om van de frisse winterlucht te genieten en elkaar te leren kennen. Bovendien zou op die manier na terugkeer uit het natuurgebied de lunch er extra goed in vallen. Eén van de wandelaars was Chris en nadat ik een poosje met anderen had gelopen, kwam ik met hem in gesprek. Hij is de coördinator van de Haven van Kloosterveen, onderdeel van de Stichting Phusis. Ik wist al dat hij diverse dingen deed, maar ik was vooral benieuwd naar zijn ‘core business’: “Wij vangen jongeren op die te maken hebben met moeilijk opvoedbare ouders”, was zijn antwoord, terwijl hij mij met glimmende ogen aankeek. Ik barstte in lachen uit: “Wow, wat een geweldige formulering! Die vind ik goed!” Hij lachte terug en door mijn uitbundige reactie had hij snel in de gaten dat ik begreep waarop hij doelde. Omgekeerd had ik snel in de gaten dat hij begreep wat intergenerationele overdracht inhoudt. We raakten in een boeiend gesprek, dat de rest van de wandeling duurde.

Ik vertelde hem dat ik net de week ervoor een vergelijkbare omkering had meegemaakt. Ik had een tekst onder ogen gehad waarin werd gesproken over verwarde mensen die in de acute zorg terechtkomen en een ‘veiligheidsrisico’ vormen voor de sociale omgeving. Daarbij had ik moeten denken aan wat er gebeurt als het niet lukt om in de kindertijd een stevig fundament te leggen voor de rest van het leven en hoe er dan voor kinderen een ‘veiligheidsrisico’ ontstaat. Ook daarin zit een andere duiding dan de meest gangbare. Bij ‘moeilijk opvoedbaar’ wordt meestal gedacht aan het resultaat van het ouderschap, aan een kind dat ‘lastig’ is. Bij ‘veiligheidsrisico’ wordt meestal gedacht aan het resultaat van een leven met zoveel hindernissen dat het tot agressie en onbeheersbaar gedrag leidt. Wat Chris echter bedoelde, was dat de kinderen het zwaar hebben omdat hun ouders niet goed begrijpen wat ze nodig hebben en hoe dat te bieden. Dat was ook wat ik bedoelde: als kinderen in hun ‘eerste 1000 dagen’ niet ontvangen wat ze nodig hebben om tot een bloeiende ontwikkeling te komen, als ze niet veilig gehecht raken, dan hebben ze een extra hindernis. Dan creëert de sociale omgeving een ‘veiligheidsrisico’, een kans dat de veiligheidsbeleving onder druk komt te staan.

Uiteindelijk gaat het natuurlijk om wat voor aanpak je hanteert wanneer mensen zoekend of dwalend door hun dagelijks bestaan gaan en ondersteuning nodig hebben. Toch is het boeiend om te zien hoe je door een verandering in je taalgebruik op creatieve wijze kunt laten zien wat je denkrichting is. Zo’n innovatieve formulering maakt bovendien een scala aan mensbeelden en wereldvisies zichtbaar. Wie is waarvoor verantwoordelijk? Welke doelstellingen streef je na? Vanuit welke kernwaarden bied je een verdwaalde ander een plek in het leven, in jouw leven? Hoe wil je eraan bijdragen dat de mens voor wie je zorg draagt, de eigen plek in de wereld kan vinden, kan kiezen, kan krijgen? In de zorgsector gaat het vaak over hoeveel geld het kost als mensen ‘ontsporen’. Daarover had Chris ook ideeën: “Een onsje welzijn scheelt een kilo zorg!”, zei hij, terwijl we over een voetbreed paadje door een veld met gras en heide in wintertooi liepen. Chris vertelde over wat hij dagelijks aan impact ziet van zijn filosofie. De collega’s, zoals ze worden genoemd, vinden hun draai in het zorgbedrijf als keukenmedewerker, als reacreatiebegeleider, als verkoper, en krijgen zo weer een volwaardig leven.

Niet dat het altijd allemaal eenvoudig is en zonder hobbels verloopt… Hij glimlachte bij de herinnering aan een week weg met een groepje jongens die veel te veel blowden. Hij was met ze naar een omgeving vertrokken waar die joints niet te krijgen waren, maar waar wél volop aandacht was en tijd voor mooie gezamenlijke activiteiten. Een sjamaan had een spirituele sessie geleid met bezinning en muziek en het effect ervan had weken en weken na-geijld. Ook na terugkeer thuis werd er nauwelijks een joint gerookt. Ook andere vormen van moeilijk gedrag waren in settings waar hij met deze aanpak werkte, met 50% afgenomen. Dat was het gevolg van het aandachtig en op voet van gelijkwaardigheid omgaan met jongeren en jongvolwassenen naar wie jaar in jaar uit niet of nauwelijks was geluisterd. “Hoewel het goed gaat, moet je dan toch ook weer niet denken dat je ze zomaar weer ergens anders kunt neerzetten. Hun geschiedenis heeft ze kwetsbaar gemaakt en als ze zulke stabiele, sensitieve zorg weer kwijtraken, kan ook de structuur in hun leven zomaar weer kapot worden gemaakt. Dan valt alles weer onder ze vandaan, iets wat we nog op heel veel plekken zien gebeuren.” We spraken over het grote belang van mentaal welzijn en zingeving, ook en juist voor degenen die er niet in slagen daar helemaal zelfstandig vorm aan te geven.

Zodoende kwamen we ook op het onderwerp Positieve Gezondheid, dat gebaseerd is op de salutogenetische gedachte: niet kijken vanuit pathogenese (waar komt ziekte vandaan en wat moet ik vermijden?), maar vanuit salutogenese (hoe behoud ik gezondheid en wat kan ik daarvoor het beste doen?). Dan heb je in ieder geval een dak boven je hoofd nodig, een bed om in te slapen. Voor veel jongvolwassenen met problemen is zelfs dat al een uitdaging van jewelste. Chris vertelde over een jongere die vanuit Noord-Afrika via allerlei omzwervingen bij hen was terechtgekomen en in de opvanglocatie tijdelijk onderdak en een veilige haven had gevonden tot er een meer structurele oplossing was. Chris gebruikt samen met zijn team de fysieke, organisatorische en juridische ruimte die er is in dit soort noodsituaties. “Wij werken hier vanuit onvoorwaardelijke liefde”, omschreef hij de essentie van het beleid. Dat was heel wat anders dan ik de week ervoor had gehoord van een manager die helaas moest vaststellen dat nog heel vaak niet compassie, maar repressie de standaard is als mensen in een instelling ‘onhandelbaar’ zijn.

Chris had me geraakt met zijn visie en verhalen. Op zijn vraag waar mijn professionele interesse lag, vertelde ik over ACE’s, over de invloed van onveilige hechting op de volwassen gezondheid en over hoe we met ACE Aware NL na twee vreemde jaren nu eindelijk graag via live ontmoetingen de film ‘Resilience’ willen vertonen. Terwijl ik naar hem had geluisterd, had ik me gerealiseerd dat ik heel graag eens met de ervaringsdeskundige jongvolwassenen naar de docufilm zou kijken. Ik fantaseerde hardop over hoe mooi het zou zijn hun mening erover te horen en dan in een focusgroep te vernemen wat hen had aangesproken in de film en wat ze hadden herkend. Ook Chris zag het voor zich.

Terug van de wandeling kwamen we tijdens de lunch wonderlijk genoeg met vier mensen nogmaals te spreken over trauma, over hoe dat ertoe kan leiden dat we onze zorginstincten willen volgen, zodat een ander niet hoeft te ervaren wat voor onszelf zo moeilijk en verdrietig was. We spraken ook over hoe de huidige omstandigheden veel pijn uit het verleden aanraken en pijn voor de toekomst creëren: mensen zijn immers niet gemaakt om afgescheiden van anderen te functioneren. We realiseerden ons bovendien hoe zulke situaties ons een spiegel voorhouden: wat vinden we moeilijk in wat we voelen en zien gebeuren? Willen we echt de ander helpen? Of zijn we eigenlijk vaak koortsachtig op zoek naar verzachting van de pijn die nog sluimert in onszelf…? Eén tafelgenoot zou daar graag eens dieper in duiken, gezien het eigen levensverhaal. Dat voornemen ligt er nu.
En Chris en ik gaan er binnenkort samen voor zitten om te kijken hoe een filmvertoning gestalte kan krijgen. Is het geen wonder, hoe je soms bij de meest onverwachte gelegenheden tot inspirerende ideeën komt en de prachtigste mensen treft? Wat een Valentijnsontmoeting!

De ervaringsdeskundige, Aflevering 3 – Deze week: Isis, Deel 3

Afgelopen week eindigden we met een verdrietige constatering door Isis, namelijk dat ze zichzelf in de loop der jaren is kwijtgeraakt.

Na een moment van stilte vertelt Isis over haar eigen rebirthing-ervaring, waarin de therapeut vroeg of Isis wellicht was geboren na een ingeleide bevalling. Die vraag kon ze niet beantwoorden, maar haar moeder bevestigde dat. De zorgverleners zaten niet te wachten op een bevalling op zondag en dus werd haar moeder op zaterdagavond ingeleid. “Ik heb ervaren dat ik machteloos ter wereld kwam, dat ik niks kon doen… De bevalling ging te snel en te heftig en dat gevoel van machteloosheid kan ik nog vaak ervaren. Vreemd genoeg… Robin is na een natuurlijke thuisbevalling geboren, maar een dag later kreeg ik kraamvrouwenkoorts en ik werd per ambulance naar het ziekenhuis afgevoerd. Ik was zomaar ineens doodziek en dat is waarschijnlijk ook traumatisch geweest voor Robin en voor de oudste. Ook hier zit dus weer een overlapping met mijn eigen leven.”

Ik vraag Isis waaraan ze denkt bij het woord ‘traumatisch’: “Dat is een breed begrip, toch…? Ik denk aan een plotselinge gebeurtenis of aan verwaarlozing of andere chronische toestanden…”
Ik vertel wat veel trauma-experts als de essentie van trauma zien: het alleen zijn met de pijn van moeilijke ervaringen. Het gaat niet om die ervaring zelf, maar om wat die ervaring doet met je innerlijke, je emotionele wereld en hoe dat je gedragsrepertoire beperkt en minder flexibel maakt. Je vervalt al snel in de bekende overlevingsstrategieën: fight, flight, freeze en fawn (veinzen, je tegenstander ‘pleasen’). Hoe vroeger in het leven dat gebeurt, hoe groter de gevolgen. Isis had truckjes om zich niet de woede van haar vader op de hals te halen en om schelden en opsluiting te voorkomen, maar de angst was er voortdurend. Ze zag zich genoodzaakt haar authenticiteit deels op te offeren. Ze liet bepaalde delen van wie ze was niet zien, opdat ze iets van veiligheid in de relatie met haar ouders kon handhaven. Ze zegt dat ze, doordat ze vaak op stap was, ook lang niet alles meekreeg en dat ze er niet zo’n sterk bewustzijn over had. Desondanks is de impact er meestal wel, want hoewel we niet alles wat we meemaken via ons narratieve geheugen kunnen reproduceren (we kunnen het verhaal niet vertellen), slaan we de imprint die onze stresshormonen in onze cellen hebben achtergelaten, wel op. We hebben er dus wél een lichamelijke herinnering aan, ook als die niet bewust is, en die fysieke herinnering wordt getriggerd door situaties die lijken op wat we eerder meemaakten. Wat we in het ‘nu’ ervaren, is daarom vaak een herinnering aan wat er ‘toen’ gebeurde en waarin we alleen stonden, omdat er geen bufferende bescherming was van een volwassene die voor coregulatie zorgde en ons geruststelde. Dan zoeken we andere manieren om ons veilig en tevreden te voelen en dat zijn dikwijls ‘slechte gewoontes’ en verslavingen, vanwege hun hormonale bevredigingseffect. Die zijn ook Isis niet vreemd: ze noemt roken, drinken, slaapmedicatie en koffie.

Verslaving werd lang gezien als gedrag dat bestraft moest worden, toen als hersenaandoening en inmiddels bij voorvechters van een meer holistische kijk als een oplossing voor een onderliggend probleem, dat bijna altijd trauma is. Niet iedereen met trauma raakt verslaafd, maar mensen met een verslaving hebben bijna altijd trauma in hun voorgeschiedenis. Vanuit dit perspectief kunnen we met meer compassie kijken naar wat er speelt. Het laat ook zien dat het waarschijnlijk moeilijk is de verslaving te beëindigen als er voor het onderliggende trauma geen oprechte aandacht en erkenning is.

We stellen vast dat er veel moment zijn geweest waarop Isis de verbinding met zichzelf niet kon vasthouden en dat in veel situaties in haar kindertijd haar ouders er niet voor haar waren om haar liefdevol te begeleiden: “Het kwam niet in me op om moeilijke dingen met mijn ouders te bespreken. Ik sloeg me erdoorheen en zorgde dat ik het relatief naar de zin had.” Ze heeft al met al lange tijd een grote last met zich meegedragen en hoe verdrietig ze nu ook is… ze is ook moe daarvan en even niet voor Robin hoeven te zorgen, voelt voor een deel ook als verlichting van die last. Daarmee is ook duidelijk dat lichaam en geest nauw verbonden zijn: wat we geestelijk als een zware last ervaren, heeft gevolgen voor ons lichamelijk welzijn. De machteloosheid die Isis momenteel ervaart, is al heel oud, zo heeft ze aangegeven, want die stamt al van haar geboorte. Het is indrukwekkend om dit soort verbanden te kunnen zien en daarmee ook te ervaren dat we niet te gering mogen denken over hoe we omgaan met onze allerkleinsten op het moment dat ze ter wereld komen en in hun eerste 1000 dagen.

We zijn het erover eens dat het voor jezelf als ouder heel confronterend kan zijn om te zien dat je kinderen je spiegelen. Wat je moeilijk vindt in hen, is meestal wat heling in jezelf verdient. De zelfreflectie die daarvoor nodig is, vraagt echter om een veilige omgeving, één waarin je niet meteen weer in je ‘coping strategies’ vervalt, in gedragspatronen die je ooit logischerwijze ontwikkelde om te overleven. Pas als die veiligheid er is, kun je met compassie je eigen pijn aankijken en bevragen. Dan kun je weer leren luisteren naar je intuïtie en bepalen wat je in de interactie met anderen wilt aannemen en wat niet.

De boeddhisten zeggen: als je een cadeautje geeft en de ontvanger het niet aanneemt, dan blijft het geschenk van jou. Dat geldt voor mooie dingen (aandacht, liefde, blijdschap) en ook voor je boosheid: neemt de ander je boosheid niet aan, dan komt die bij jou terug, vaak dubbel en dwars, en dan kan die boosheid van alles triggeren. Wanneer we kunnen leren zien dat onder boosheid vaak heel diepe pijn zit, kunnen we meer compassie ervaren, zowel voor onszelf als voor de ander.
“Dat vind ik mooi”, zegt Isis, “over die boosheid niet aannemen… Ik probeer dat ook met Robin. Ik kan Robin’s gedachten over mij niet veranderen. Ik heb gezegd ‘ik hou van je’ en meer kan ik nu niet doen.”

Mijn gedachte is wat positiever; ik denk wél dat ze Robin’s gevoel kan beïnvloeden. Ik benoem een andere boeddhistische wijsheid, die zegt dat als het niet lukt om actief groei of verbetering te bewerkstelligen, het al winst is als je geen schade meer berokkent. Dan kan het stof van de strijd neerdalen en komt er voor iedereen meer zicht en ademruimte. Het stelt ook iedereen in staat om wat meer te voelen wat er in het eigen lichaam gebeurt en om daarop te reflecteren, zonder dat er telkens escalatie optreedt die ‘zwaar op de maag ligt’ of die ‘het bloed onder de nagels vandaan haalt’ – over de taal van het lichaam gesproken. Bovendien betekent meer ruimte creëren dat je elkaar niet belast met wat je van elkaar wilt en verwacht. Robin kan Isis niet geven wat Isis als kind heeft gemist. Isis kan Robin ook niet geven wat Robin als kind heeft gemist. Ze hebben allebei behoeftes die ze bij elkaar niet kunnen vervullen. Dat is enerzijds een verdrietig en anderzijds een cruciaal inzicht voor hen allebei om verder te komen. Als ze beiden een gesprekspartner kunnen vinden bij wie ze zich veilig voelen, die zonder oordeel, zonder dreigen met sancties en zonder het creëren van schaamte naar hen kan luisteren, naar alles wat ze voelen en ervaren, kunnen ze langzaam maar zeker de verbinding met zichzelf herstellen. En dát, zeggen trauma-experts, is de essentie van genezing: het herstel van de verbinding met je authentieke zelf. Die verbinding is de basis van waaruit je de verbinding met de ander kunt terugvinden of opbouwen.

Met die hoopvolle gedachte ronden we af. De komende tijd zal leren hoe het verder gaat met Isis en Robin en ik wens Isis en Robin daarbij alle goeds van de wereld!

De ervaringsdeskundige, Aflevering 3 – Deze week: Isis, Deel 2

De praktijkruimte is lekker warm; de kaarsjes branden en er staan verse bloemetjes. Vanuit het raam zie ik Isis aankomen en ik loop de trap af om haar welkom te heten. Het is fijn om elkaar, na een bondige telefonische uitwisseling, nu te ontmoeten. We beginnen ons gesprek met een korte creatieve check-in en dan leggen we het Mattenspel om in beeld te brengen hoe Isis de eigen kindertijd heeft ervaren en welke relaties daarin voor haar belangrijk waren op 16-jarige leeftijd. Al tijdens het leggen komen er dingen naar boven: “Ik heb geprobeerd er nog wat vrolijks van te maken”, is haar reactie als ik wijs op de blije smileys die pas in een laat stadium aan een aantal plekken en personen worden toegevoegd. Verderop in het gesprek komen we terug op deze veelvoorkomende behoefte om voor de binnen- en de buitenwereld een beeld hoog te houden van een gelukkige jeugd, ook als dat diep van binnen niet zo voelde. Als de legging naar de mening van Isis klaar is, kijken we er samen uitgebreid naar, bijvoorbeeld naar de boosheid die bij vader ligt. “Ik had foefjes om hem vrolijk te stemmen. Ik wist wat ik moest doen om straf te voorkomen. Zo moest je aan tafel bijvoorbeeld niks verkeerds zeggen, want als het allemaal niet netjes genoeg was en je ‘misdroeg’ je ondanks een waarschuwing, dan werd je in het magazijn achter de winkel opgesloten. Anders dan bij een zus is het mij nooit overkomen, maar de dreiging hing wel altijd in de lucht. Ik hield me dus stil, of ik verstopte me, en altijd voelde ik die spanning. Soms kreeg ik huisarrest, als ik betrapt was op een leugen. We werden niet gezien voor wie we waren en ik heb allerlei dingen gedaan om toch aandacht te krijgen, zoals dingen stelen uit de winkel van mijn ouders, of geld uit de portemonnee van mijn moeder. Ik heb haar dat niet lang geleden opgebiecht en hoewel ze het niet wilde geloven, heeft ze uiteindelijk toch mijn terugbetaling aanvaard. Ook met haar was en is het niet gemakkelijk, maar als kind voelde ik me bij haar nog relatief veilig; zij was in ons gezin meer de stabiele factor, al voelde ik me soms meer op mijn gemak bij de grotere luchtigheid en het gek doen van mijn vader.”

Isis vertelt hoe ze buiten het gezin haar heil zocht bij vrienden en vriendinnen, hoe ze spijbelde en wilde dingen deed. Met één vriend kreeg ze een relatie, maar bij hem thuis was de situatie bijna net zo moeilijk: onrust, spanning tussen de ouders, een botte vader… de dynamiek was vertrouwd. Ze gingen uit elkaar, kwamen later weer samen en trouwden toen Isis zwanger bleek te zijn. Na een miskraam werden er uiteindelijk drie kinderen geboren, maar het huwelijk hield geen stand en resulteerde in een vechtscheiding, die grote impact had op de partners en de kinderen. Als we tijdens ons gesprek meer in detail kijken naar de situatie van Isis, wiens vader al jong stierf, en naar die van haar eigen gezin, waarin de kinderen al jong hun thuisbasis verloren, dan zijn er opvallende overeenkomsten.

De reden dat Isis voor een gesprek bij mij is, is eigenlijk dat haar middelste kind, de 30-jarige Robin, het eigen leven niet goed op orde krijgt. Na een verbetering afgelopen jaar, toen Robin weer bij Isis woonde in een poging meer structuur te ontwikkelen, is er nu weer een terugval. Isis is verdrietig en vreest de verbinding met Robin te verliezen, ook omdat ze zich overweldigd voelt door alles wat er door de onrust wordt opgeroepen in haarzelf. “Je zou de plaatjes zo over elkaar kunnen leggen. Er zijn veel overlappingen in wat er in onze levens gebeurt. Robin en ik zijn allebei jong de deur uit gegaan en zijn gevlucht in weggaan en in verslavingen.” We spreken over de verschillende vormen van verslaving die er zijn en die veel meer omvatten dan alleen drugs of alcohol. Ook altijd de hort op zijn, voortdurend werken, op een negatieve manier aandacht vragen… het zijn allemaal gedragingen vanuit een diep verlangen om gevoelens van pijn en eenzaamheid te verdoven en de overtuiging te creëren dat je ergens bij hoort, dat je gezien en gehoord wordt. Ze helpen op de korte termijn, maar geven op de lange termijn schade en je kunt ze dan amper meer loslaten.

Dat Robin wél contact met vader heeft, maakt het emotioneel extra ingewikkeld voor Isis, die erg bezig is met wat haar eigen rol kan zijn voor Robin, wat er nodig is om weer verbinding te ervaren. We spreken over wat er bij het leggen van de geluksklavers in het Mattenspel gebeurde; bij diverse mensen lagen al klavertjes, maar bij Isis zelf nog niet en ze had gevraagd, terwijl ze mij aankeek: “Ik mag bij mezelf ook klavertjes leggen, zeker…?” Ik had geantwoord dat ze dat helemaal zelf mocht beslissen. Haar reactie was: “Hmmm… ja… ik vergeet mezelf een beetje…” In het vervolg van ons gesprek noem ik dat en Isis geeft aan dat ze zich ervan bewust was geweest. Nu ik er expliciet naar vraag, zegt ze dat het een rode draad in haar leven is, dat ze probeert het voor de ander goed te doen, maar daarbij niet vaak genoeg de vraag stelt of die keuzes ook goed voor háár zijn. We spreken in die context over authenticiteit en Isis zegt: “Nee, mijn authenticiteit blijft daarin niet goed overeind; dat realiseer ik me wel en ik ben daar meer mee bezig. Ik vind het alleen moeilijk om afstand te nemen en mijn eigen grenzen te bewaken, omdat men daar, toen ik kind was, zo vaak overheen is gegaan. Ik vraag me steeds weer af: ‘Was het wel goed genoeg? Had ik niet meer kunnen doen?’ Zo lastig allemaal…”

We zijn even stil samen; ik schenk opnieuw thee in en ik vraag haar hoe het nu met haar is. Ze denkt na; haar ogen vullen zich met tranen als ze zegt: “Ik voel verdriet; ik vraag me af… hoe verhoudt zich dit alles tot mijn relatie met Robin? Ik ervaar dat ik af en toe gewoon de weg kwijt ben, dat ik niet meer weet wat ik kan doen. Robin heeft zelf wel dingen geprobeerd tijdens de vechtscheiding om ons weer bij elkaar te brengen, maar de ontmoeting met mijn ex en mij die Robin een keer onaangekondigd organiseerde, vond ik heftig. Ik voelde me gemanipuleerd.” Ze is zich bewust van de vrijwel zeker goede intenties van Robin, maar toch werkte het niet. Ik kijk haar aan en voel haar innerlijke worsteling. Manipulatie… ik moet denken aan een andere interviewee die dat woord over zichzelf gebruikte en bij wie we er dieper op in gingen. We constateerden dat het een term was die de pijn van vroeger weerspiegelde, die ging over hoe ze werd bejegend door haar ouders, waarna ze in dat mantra was gaan geloven. In hoeverre was Isis als kind gemanipuleerd en triggerde de actie van Robin de pijn die vroeger was veroorzaakt? Ik vraag Isis wanneer ze zich voor het eerst gemanipuleerd voelde. Ze noemt haar huwelijk, maar als we verder zoeken, speelde het ook al in patronen in haar thuissituatie, waarin familieleden zeiden dat ze geen zin hadden om naar Isis te luisteren. “Nog steeds zeggen ze dat wel en dan komt er een heel diepe pijn bij mij naar boven; verdriet en boosheid voel ik.”

We spreken over haar eerdere uitspraak van ‘relatieve veiligheid’ die ze voelde bij haar moeder. “Ik wist wel dat het niet was zoals het moest zijn, maar ik nam er genoegen mee. Ik had geen keus en had het gevoel dat ik het hier dan maar mee moest doen en dat zij ook niet beter wisten en konden. Inmiddels heb ik best heel wat dingen bereikt en dan is het misschien verleidelijk alles weer weg te redeneren en te bagatelliseren, maar…” Ze valt stil en de tranen vloeien weer: “Veel patronen van vroeger bestaan nog steeds en ik heb een diepe angst dat ik Robin verlies. Ik geef nu mijn grenzen aan, maar met welke prijs gaat dát dan weer gepaard? Mijn angst Robin te verliezen was er zelfs al bij de geboorte… de angst om dat kleine hummeltje te verliezen… maar misschien was ik het zelf wel…”
We zwijgen samen in diepe ontroering, omdat ze nu vrijwel letterlijk zegt wat ze bedoelt, wat ze voelt als gevolg van wat er is gebeurd, namelijk dat ze zichzelf is kwijtgeraakt in de loop van haar leven. Dat ziet ze nu gespiegeld in haar kind en dat doet intens zeer.

Volgende week analyseren we een aantal van de punten die Isis naar voren heeft gebracht.

De ervaringsdeskundige, Aflevering 3 – Deze week: Isis, Deel 1

Mijn cliënt en ik waren via een ongebruikelijke route in contact gekomen. Ik had met iemand over mijn werk gesproken en die persoon had een ​​paar dagen later contact met me opgenomen met de vraag: “Doe je consulten over dit trauma-onderwerp, naast je lactatiekundige werk? Ik ken iemand die worstelt met een volwassen kind dat een terugval heeft in de verslaving en die op dit moment niet met elkaar in gesprek zijn. Zowel ouder als kind hebben het moeilijk om alle pijn van de verstoorde relatie te verwerken en misschien kunnen jouw kennis en inzichten hen helpen om dingen weer in beweging te krijgen, al is het maar een klein beetje. Het kind leek vorig jaar vooruitgang te hebben geboekt, maar alles lijkt nu een zorgwekkende wending te hebben genomen.” Mijn reactie was geweest dat ik zeker benaderd kan worden voor dit werk, hoewel ik niet pretendeer een therapeut te zijn. Aan de andere kant… we hoeven als mens geen therapeut te zijn om een ​​therapeutisch effect te hebben op de processen die onze naasten doormaken. Het beschikbaar stellen van onze tijd en onze werkelijke aanwezigheid kan al enorm verzachtend werken.

Ik had er vertrouwen in dat mijn kennis van pas zou kunnen komen en legde uit dat zo’n gesprek tot doel zou hebben om erachter te komen hoe de kindertijd was geweest voor die persoon, ouder of kind. Ik heb een spel dat daarbij helpt en hoewel het is ontwikkeld om te worden gespeeld met kinderen, kan het ook bij gesprekken met volwassenen worden ingezet. Het is dan zaak de volwassene te vragen een leeftijd te kiezen waarvoor de elementen van het spel zullen worden gelegd. Ik had gezegd dat als ik het 30-jarige kind (laten we het Robin noemen) zou zien, het raadzaam zou zijn om  nazorg te waarborgen, omdat een sessie met mij triggerende en intense herinneringen en emoties zou kunnen oproepen.

We hadden afgesproken dat mijn gesprekspartner de ouder zou laten weten dat ik bereikbaar was en terwijl we nog wat door praatten, hadden we het over Robins negatieve ervaringen met zorgverleners, wat altijd een triest gegeven is. We kunnen allemaal in situaties komen waarin we gespecialiseerde zorg nodig hebben, maar als eerdere ervaringen met zorginstellingen aangrijpend of zelfs (her)traumatiserend waren, dan kunnen ze ertoe leiden dat de cliënt of patiënt zorgmijdend gedrag ontwikkelt, terwijl er misschien echt zorg nodig is. Tegelijkertijd is het belangrijk om te beseffen dat zorgverleners ook gewoon mensen zijn met hun eigen levensgeschiedenis en mogelijk met onopgelost trauma. Daarom is het zo belangrijk dat we reflecteren op onze eigen ervaringen, zodat we ervoor zorgen dat we niet werken als  ‘gekwetste mensen die mensen kwetsen’.
In mijn eigen overleg met cliënten richt ik mij altijd op hun autonomie. In wat ik zeg, is er niets wat ze moeten doen; ik geef ze informatie nadat ik heb geprobeerd ze te ondersteunen bij het aanboren van hun innerlijke wijsheid en als we afsluiten en afscheid nemen, is het volledig aan hen in hoeverre ze dat wat ik hun heb aangeboden, willen toepassen. (Oh, nou ja, er is één ding dat wél moet… de rekening betalen… 😉 )

Ik had mijn kennis gevraagd of ouder en kind beiden bereid waren om na te denken over hun eigen rol in de relatie, omdat kinderen soms lastige dingen ter sprake brengen, ervaringen die voor de ouder moeilijk kunnen zijn om te horen. Misschien wist de ouder iets niet of misschien wist de ouder het op een diep niveau wel, maar was er sprake van angst om er verder in te duiken. Het bleek dat de ouder, net als andere familieleden, op het punt stond het op te geven. Als ouders het moeilijk vinden om naar hun eigen aandeel in de dynamiek te kijken, is het vaak ook heel moeilijk om doorbraken te bewerkstelligen en het leek erop dat deze ouder moeite had om daarvoor de moed te vinden. Mijn kennis had het aspect naar voren gebracht dat als iets ‘eigen schuld’ is, het ook iets is wat je kunt veranderen. Mijn antwoord was dat ik niet in termen van ‘schuld’ spreek, omdat dat meestal niet erg behulpzaam is. Er is een fundamenteel verschil tussen ‘schuld’ en ‘oorzaak’. Je kunt ergens de oorzaak van zijn, zonder er verwijtbaar schuld aan te hebben.

Dat is de essentie van traumasensitief werken, dat je je er bewust van bent dat trauma meestal intergenerationeel is en dat iedereen in de meeste gevallen het uiterste heeft gedaan binnen de persoonlijke en indirecte mogelijkheden die men had. Dat is een cruciaal besef. Aan de andere kant kan het kind met de overtuiging leven dat de oorzaak van de problemen bij de ouders ligt. Bovendien moeten we onderkennen hoe moeilijk het voor ouders kan zijn om vertrouwen te houden en voortdurend de moed te hervinden om er voor het kind te zijn als er telkens weer een terugval optreedt. Hoe moeilijk het ook is, als ouders niet aan hun eigen genezing werken, is de kans groot dat ze het herstelpotentieel van het kind verminderen of op zijn minst compliceren. Voor het kind is de enige optie die overblijft misschien om zich los te maken van de ouderlijke invloed om volledig aan de eigen genezing te werken, hopelijk met steun van naaste en dierbare anderen.

Tijdens ons gesprek was er nog nieuwe informatie naar boven gekomen over de ouders van de ouder, dus we hadden vrij snel de conclusie getrokken dat er opnieuw intergenerationele pijn leek te zijn die wordt doorgegeven, zonder dat wie dan ook dat opzettelijk beoogt.
We waren het erover eens dat het voor de ouder misschien een bekrachtigend stap zou kunnen zijn om contact met mij op te nemen, gezien de momenteel moeizame communicatie met Robin. Op dit moment werd Robin beschouwd als degene die de slachtofferrol op zich nam, mede door beschamende dingen op Instagram te plaatsen en zo voor onrust te zorgen bij andere familieleden en vrienden. Het vermoeden was dat Robin daarbij onder invloed was geweest van drugs, hoewel Robin vorig jaar clean leek te zijn. Ik had gezegd dat zowel ouder als Robin welkom waren en dat ik hoopte dat de ouder ook Robin zou kunnen aanmoedigen om te komen, ook als het eigen consult met mij moeilijk zou blijken te zijn en verdriet zou oproepen.

Daar waren we gebleven. Het duurde maar een dag voordat de ouder me belde – wat dapper! We praatten wat, ik legde wat uit, dingen werden een beetje geïllustreerd… we kregen wat voeling met elkaar en eindigden ons telefoongesprek door een datum te prikken voor de week erna. Ik was geraakt door de getoonde moed en het gegeven vertrouwen. Ik besloot dat ik me goed zou voorbereiden en ervoor zou zorgen dat ik mijn volledige en aandachtige aanwezigheid zou kunnen bieden.

Volgende week zullen we zien hoe het gesprek met de ouder verliep.

Professionals en ACE-bewustzijn, Aflevering 6 – Deze week: Jessica Boerema, Deel 2

Afgelopen week hoorden we hoe Jessica Boerema switchte van medisch pedagogisch zorgverlener naar zelfstandig ondernemer in haar praktijk ‘Contact in Beeld’; ze vertelt hoe kijken naar de interacties met jonge kinderen de kern van haar werk is geworden. Vandaag horen we nog veel meer over haar visie en missie.

We eindigden vorige week met de stelling dat niet één methode altijd werkt. Toch is er wel een aspect dat wél vrijwel altijd waar is, namelijk dat huilen stressvol is voor een kind, en dat het niet serieus nemen ervan problematisch is, net als het denken in termen van ‘het kind moet weten wie de baas is’. Hoe kijkt ze daarnaar?
“Ja, daar ben ik het mee eens… Ik zeg vaak… probeer je voor te stellen hoe het was toen je nog in een grot leefde; zou je dan je kind alleen laten? Heel vaak wordt nog niet de link gelegd dat nabijheid en sensitiviteit van zorgzame volwassenen voor een kind de basis zijn om zelfvertrouwen te ontwikkelen!”
De aandacht voor het belang van nabijheid is bij Jessica erg gegroeid in de tijd dat ze veel met prematuur geboren kindjes werkte en na het volgen van de Infant Mental Health-opleiding. Wanneer ze met ouders naast de couveuse stond, zag ze de ontroering als ze uitlegde wat hun baby allemaal al liet zien. Op die ervaring heeft ze haar workshops en al haar andere trainingen met beeldmateriaal gebouwd. “Ik merk dat het kijken naar beelden waar trainingsdeelnemers niet zelf op staan, ertoe leidt dat ze gemakkelijker kunnen opnemen wat er te zien is. De behoefte aan veiligheid is er immers bij iedereen en naar jezelf kijken kan heel ingewikkeld zijn…”

We zijn even stil en laten ons afleiden door de musjes, die de insecten uit de vlinderstruik verorberen. Ook een merel vliegt af en aan: “Misschien heeft die merel ook een soort dagritme”, zegt Jessica glimlachend, “want hij doet zich heel vaak zo rond dit tijdstip tegoed aan de rijpste blauwe bessen!”

Ze denkt na en pakt de draad weer op: “Communicatie bestaat uit bouwstenen; als je begrijpt waarvoor die zijn bedoeld en wat hun belang is, dan word je bewust bekwaam en kun je bij stress de angel uit een lastige situatie halen. Beelden zijn dan enorm helpend om te zien wat er gebeurt; je ziet bijvoorbeeld een kindje tandenknarsen of andere kleine lichaamssignalen. Als je beeld voor beeld kijkt en je hebt het eenmaal gezien, dan kun je niet meer níet zo kijken!”
Ook voor Jessica was dat een leerproces en de ervaringen van ouders zelf hielpen haar daarbij, ook al voordat ze de theoretische fundamenten legde. Toen die er eenmaal waren, kon ze theorie en praktijk combineren. Als ze dán het verhaal van de ouders vertaalde naar de baby, kwamen vaak de helende tranen. “Dan zie je het kind heel aandachtig luisteren en alert zijn, hoe klein ook, en de ouders, die nu ineens begrijpen hoe het voor hun baby was, kunnen dan ook hun eigen zorgen en verdriet ontladen. Met het huilen vertelt een baby een verhaal en door daarnaar te luisteren, ontstaat er validatie van de emotie van zowel kind als ouders. Tevens biedt het gehoord worden een enorme ontschuldiging. Baby’s vallen na zo’n gesprek vaak ontspannen bij de ouders op schoot in een diepe slaap, iets wat ze vaak nog nooit meemaakten en wat verbazing wekt. Erkenning, gezien en gehoord worden… in de basis is dát wat we allemaal nodig hebben.”

We spreken over hoe leerprocessen met ouders vaak ook voor jezelf als professional heel leerzaam zijn en verbindingen met je eigen levensgeschiedenis onthullen. Meer inzicht in je eigen triggers en je eigen pijn helpt om ook je doelgroep met meer compassie en zachtheid te benaderen en draagt bovendien vaak bij aan het formuleren van je professionele doelstellingen. In lijn daarmee vraag ik Jessica naar wat ze als de essentie van haar werk ervaart.
“Ik wil heel graag dat mensen groeien van onbewust bekwaam naar bewust bekwaam, zodat ze hun eigen leerproces kunnen doorlopen en kunnen bijdragen aan het waarborgen van een goede start van het leven van de kinderen voor wie ze zorgen, als professional of als ouder.”
Ze denkt na en zegt: “Er is nog zoveel winst te halen op dit gebied… We kijken bijna altijd vanuit ons eigen kader naar wat we zien; de eerste blik is gekleurd door onze eigen ervaringen. Bij nadere beschouwing zien verschillende mensen veelal hetzelfde, maar aanvankelijk vullen we vaak dingen in. De kunst is om écht te luisteren naar de stem van het jonge kind, die we dikwijls niet zo goed kennen. We zijn gewend aan de gesproken taal, maar kunnen we het kind horen met diens eigen taal?”
We onderbreken onszelf even als we precies op dit moment op de achtergrond een baby horen huilen.

Wat zijn de lastige dingen, de dingen waar Jessica tegenaan loopt?
Ze denkt in stilte een poosje na. “Soms denk ik dat ik het meest tegen mezelf aan loop, dat ik altijd graag meer wil bieden dan ik doe, terwijl het vaak al meer dan genoeg is. Wat ik heel erg moeilijk vind, is als ik dingen hoor waarvan ik denk: ‘Dat kán toch echt niet meer in 2021?’ Een voorbeeld daarvan is dat kwetsbare baby’s die op een operatie wachten, in sommige ziekenhuizen niet opgepakt mogen worden, terwijl we weten dat buidelen dé manier is om ze te laten groeien en aansterken. Dat ervaar ik als heel verontrustend; deze gezinnen hebben elkaars nabijheid zó nodig. Dat zijn trouwens tegelijk ook de situaties waarvan ik denk: ‘Hier doe ik het voor!’ En het werk is echt nog nodig, want er zijn genoeg professionals die dit óók graag willen doen, maar op de werkvloer worden afgeblaft door degenen die nog niet bekend zijn met deze evidence. Dat zijn schrijnende situaties…”

Dit brengt ons bij het concept van EBM en EBP, evidence based medicine en evidence based practice. Het kan heel frustrerend zijn om te zien dat ouders en kinderen en collega’s tekort wordt gedaan doordat systemen de integratie van nieuwe inzichten bemoeilijken. De Verklaring voor de Rechten van het Kind van de Verenigde Naties spreekt over het recht van het kind op de ‘highest attainable standard of health’. Hoe komt het, dat die nog zo vaak niet haalbaar lijkt?
Jessica: “Dat kan denk ik met heel veel dingen te maken hebben, zoals met ego of met het getriggerd worden van eigen ervaringen, als nieuwe informatie botst met je eigen aanpak.” Ik vertel hoe het voor één van onze interviewees juist heel verhelderend was om te horen dat dingen die ze aan zichzelf had toegeschreven als negatieve persoonlijkheidseigenschappen, in feite misschien enkel coping strategies waren voor het trauma dat ze had doorstaan. Ze realiseerde zich dat ze uit verdriet had gereageerd. Voor haar was het horen van de kennis hierover een openbaring die haar op een heel andere manier naar zichzelf deed kijken. Nieuwe kennis kan door het nieuwe perspectief dus zowel (eerst) pijnlijk zijn als helend vanwege de andere categorisering die daardoor kan ontstaan. Zou dat ook niet in veel organisaties zo kunnen zijn, dat trauma vernieuwing in de weg zit?
Jessica: “Oh ja, dat denk ik zeker! En tegelijkertijd… wat de wetenschap ons nú vertelt, is totaal anders dan wat we, pakweg, 50 jaar geleden hoorden, dus… hoe zeker kunnen we zijn van de wetenschap van nu? Hoe meer ik leer, hoe meer ik me realiseer hoeveel er is wat ik niet weet!” We lachen samen om dit herkenbare gevoel van zeer bewuste onbekwaamheid en het belang van met mildheid en compassie kijken naar je eigen overlevingsmechanismen. Daarbij kan de vraag ‘Wat is je probleem?’ (waarin al snel een oordeel doorklinkt) beter worden vervangen door ‘Wat is je verhaal?’, een vraag die uitnodigt tot vertellen en een intentie van oprecht luisteren blootlegt. Daarmee kan veiligheid worden gecreëerd en kan de verteller laagjes afpellen, terwijl onveiligheid juist verdedigingslaagjes toevoegt.

“Ja, zo zie ik dat ook”, zegt Jessica, “want in de basis zijn we niet gericht op nare, destructieve acties richting de ander. Als je dat denkt, zou je immers moeten geloven dat sommige kinderen gewoon als rotkinderen worden geboren en daar geloof ik niet…” Ze kijkt me aan en we moeten allebei lachen: we willen eigenlijk allebei zeggen ‘dat is niet zo’, in plaat van ‘daar geloof ik niet in’. We zijn er diep van overtuigd dat er gedurende het leven dingen gebeuren die tot verdedigingsmechanismes leiden.
“En ik merk”, zegt Jessica, “dat je die gebeurtenissen heel gericht moet uitvragen, want mensen zijn vaak geneigd te zeggen dat het allemaal wel meeviel en dat het niet zo erg was, terwijl ik, als ik vervolgens het verhaal hoor, tot de conclusie kom dat het wél heftig was en mogelijk traumatisch.”

We bespreken dat het spannend kan zijn om eerdere gebeurtenissen te onderzoeken, zeker als mensen een ondersteunende sociale omgeving missen. Ik vraag Jessica of ze het gevoel heeft dat er al voldoende kennis beschikbaar is over dit soort zaken.
“Nou, er is al heel veel over geschreven, maar in de dagelijkse praktijk moet het nog wel een olievlek worden voordat het breed wordt gedragen en ingezet. De Infant Mental Health-visie wint momenteel snel terrein en dat is mooi, maar ja… in je eigen bubbel kun je de toepassing soms wel overschatten… Ik krijg namelijk ook wel mensen in mijn trainingen voor wie dit nog volledig nieuw is en dan komt het er voor kennisoverdracht dus ook erg op aan hoe goed ik als professional bij hun leefwereld kan aansluiten. Ook daar speelt de basiscommunicatie weer een grote rol. Ik begin vaak met een heftige binnenkomer, zoals het ‘still face’-experiment, zodat we meteen bij de kern zijn. Daarna hoop ik dan dat het kwartje zodanig valt dat mensen zelf conclusies trekken over wat een baby nodig heeft en hoe zij dat kunnen bieden.”

Het is lunchtijd geworden. We praten echter nog geruime tijd verder, vergeten de tijd en ronden pas tegen het einde van de middag ons boeiende gesprek af.