De ervaringsdeskundige, Aflevering 4 – Deze week: Mirjam, Deel 1

Het is zonnig als ik kom aanrijden voor ons gesprek op een nazomermaandagmiddag. Net als ik wil aanbellen, komt haar man me tegemoet lopen uit de tuin. Ik vraag hem hoe het gaat en zeg erg te zijn geschrokken van het nieuws. Toen Mirjam en ik kort ervoor probeerden een datum te prikken, vroeg ik of het paste, ondanks de op handen zijnde verhuizing. Ze liet weten dat die niet zozeer een knelpunt vormde. Wat alles anders had gekleurd de afgelopen dagen, was het bericht dat de uitslag van de biopsie niet goed was: de knobbel die ze onder haar arm had ontdekt, bleek ondanks de luchthartige reactie van de radioloog wel degelijk kankercellen te bevatten. Gezien het feit dat ze die twaalf jaar geleden dacht te hebben overwonnen, was dit een enorme klap, zowel voor haar en haar man als voor de kinderen en hun gezinnen. We overlegden of een interview dan nu wel een goed idee was. Ik hield de optie open dat het nu misschien juist extra van belang was dat haar verhaal werd opgetekend en gehoord. Mirjam wilde er even over denken en ik zei dat welke beslissing dan ook okay was en dat het helemaal aan haar was om te beslissen of, en zo ja wanneer en waar we elkaar zouden spreken. Het duurde maar kort voordat ze antwoordde: “Mijn moeder is dit voorjaar overleden en na alles wat er tussen haar en mij is gebeurd, had ik zo gehoopt, nog een poos ontspannen te kunnen leven. We zijn allemaal heel verdrietig.”

Haar man kijkt me aan en zegt: “Ja, het is heftig. Het gaat op en neer. Soms heb je weer wat moed en op andere momenten kun je het eigenlijk niet geloven en overvalt je het machteloze gevoel van niet te weten wat je te wachten staat.” Terwijl we nog wat praten, opent ze de voordeur en valt ze in ons gesprek. We kijken elkaar aan en ogen vullen zich met tranen. De angst en onzekerheid werpen een grote schaduw over wat, na het overlijden van haar moeder en de verhuizing, een nieuwe start had zullen worden, een fase waarin ze was bevrijd van haar moeders oordelende blik.

Ik stap naar binnen, de hal in; ik strik mijn schoenen los, doe ze uit en dan omhelzen we elkaar. Ik houd haar lang vast en voel in haar lichaam de onrust die zo begrijpelijk is.
We lopen de woonkamer in en terwijl Mirjam thee zet, kijk ik om me heen. Ik zie dat de boekenkast al deels is ontmanteld: lege planken, ingepakte boeken. Bij het raam staan een tafeltje en een stoel die ik daar eerder niet heb gezien. Als ik navraag, blijken ze inderdaad uit de boedel van haar overleden moeder afkomstig te zijn. Op het tafeltje staat een bos zonnebloemen met gele gerbera’s en ook elders staan bloemen. Op het plateau naast de open haard staat een tiental handgeschreven kaarten van mensen die haar een hart onder de riem willen steken. Mirjam zet de koppen thee neer en steekt meteen van wal met wat er de afgelopen dagen alweer allemaal is voorgevallen in contact met zorgverleners.

Diverse gebeurtenissen herinneren haar pijnlijk aan hoe het twaalf jaar geleden verliep: een huisarts die het wel vindt meevallen en aanvankelijk aarzelt met een doorverwijzing, verpleegkundigen die informatie verstrekken die vanwege de eerdere operaties niet relevant is, radiologiemedewerkers die onbenullig staan te kijken als ze voor onderzoek komt, een radioloog die zegt helemaal niks te kunnen vinden: “Stelt dat niet gerust?” “Nee”, had ze geantwoord, “dat stelt helemaal niet gerust, want twaalf jaar geleden zei u dat ook en toen was het ook helemaal mis.” Hij was wat geïrriteerd geweest en had gezegd: “Nou, voor de geruststelling wil ik wel een biopt nemen, hoor, maar het zijn geen fijne prikken, dus je kunt er ook vanaf zien.” De sfeer van bagatellisering in de toon had haar getroffen, maar ze had aangedrongen. Toen ze een paar dagen later voor de uitslag kwam en twee mensen achter het bureau zag zitten, wist ze, met al haar verpleegkundige kennis, genoeg: ze zitten er alleen samen als ze een slecht-nieuwsgesprek moeten voeren. Dat werd het ook, en nu is ze in afwachting van de vervolgonderzoeken. in het gesprek komen we op de vraag of het de ervaringen in het nu zijn die haar zo boos, teleurgesteld en verdrietig maken, of dat die ervaringen raken aan alle pijn van vroeger, waardoor ze telkens opnieuw de oude wonden openrijten.

We nippen van de thee, omringd door de geur van versgebakken boterkoek. vertelt hoe hartverscheurend het was om het slechte nieuws aan de kinderen te moeten vertellen. Anders dan in haar ouderlijk gezin is hun eigen gezinscultuur er niet één waarin er voor dit soort verdrietige dingen geen tijd en aandacht is, maar één van openheid en samen delen. Ze kijkt dan ook met een pijnlijk gevoel terug op het sterven van haar moeder en hoe ze op afstand van elkaar om het bed heen zaten, een fysieke representatie van het gebrek aan contact dat ze in haar leven had ervaren. Bijna verontschuldigend jegens haar moeder zegt Mirjam dat er natuurlijk ook mooie ervaringen waren, maar het zijn de nare die schrijnende, belemmerende littekens hebben nagelaten. Een voorbeeld is de laatste Moederdag, waarop ze door omstandigheden haar moeder niet had bezocht. De reactie van haar zeer oude moeder: “Dat valt me zwaar tegen; het zal jij ook weer niet zijn die niet komt… Komen je eigen kinderen wel bij jou deze zondag? Nee? Oh, dus ze vinden jou niet belangrijk genoeg om te komen? Nou, dan weet wat je voorland is en dit is nog maar het begin; het zal allemaal nog veeeel erger worden. Ik heb altijd al gezegd: je zondigt niet goedkoop door niet bij mij te komen, want wat je doet met mij, krijg je in tienvoud terug.”

We zijn samen stil; ik merk dat het kippenvel op mijn huid staat en ik kijk Mirjam aan als ze vervolgt: “Ik heb nog nooit zó’n rottige Moederdag gehad; voelde werkelijk alsof mijn moeder gewoon een vloek over me uitsprak. Ik was er helemaal kapot van. Je wilt het niet laten binnenkomen, maar dat gebeurt tóch. En dit was het laatste echte contact dat ik met haar had. Ze is vlak daarna overleden en omdat ik me zo gebroken voelde, had ik een tijdje niet gebeld. Dit gesprek was zo’n dreun voor me, dat ik het pas na haar overlijden aan de kinderen heb verteld…” Ik vraag wat haar overweging was om het niet meteen met de kinderen te delen. Ze valt stil en zoekt naar woorden. “Misschien angst… of schaamte? Stel je voor, dat ze toch gelijk heeft…?”

Mirjams stem trilt; ze vertelt wat ze in de tijd ervoor nog wél allemaal had gedaan en zoekt in feite nog steeds naar een antwoord op de vraag wat ze had kunnen doen om dit soort reacties van haar moeder te voorkomen. Als ik vraag of ze een idee heeft hoe zich dit gedrag laat verklaren, zegt ze: “Ik denk dat mijn moeder zelf een groot minderwaardigheidscomplex had, dat ze eigenlijk psychiatrisch patiënt was, al wilde ze dat zelf niet toegeven. Haar hele leven stond in het teken van schoonmaken in huis. Daar moest werkelijk alles voor wijken en het was haar manier om toch ergens de beste in te zijn. Onze eigen verjaardagen, feestjes van klasgenoten, uitjes in het weekend… er kon geen sprake van zijn. Zelfs de portemonnee moest tot in de uiterste hoekjes schoongemaakt met een schroevendraaier, kruidenpotjes moesten gesopt, lampfittingen met een kwastje geveegd… ik heb nog littekens van het zoutzuur waarmee de vloeren van de stallen moesten worden geboend. En als het te traag ging of niet goed genoeg, kon ze hysterisch worden.”

Mirjam vertelt verder: “Zij belde zelf elke dag met haar eigen moeder, maar wij deden dat niet en dat vond ze zwaar teleurstellend. Als zij iets van ons wilde waaraan wij niet tegemoetkwamen, noemde ze mensen die dat wél graag voor hun ouders over hadden. Bezochten we een vriendin, dan zei ze: ‘Oh dus dáár heb je wél tijd voor?’ Ze probeerde voortdurend onze schuldgevoelens te voeden. Jarenlang werden dergelijke uitspraken vooral richting mij gedaan, maar de laatste jaren hebben ook anderen uit ons gezin ermee te maken gehad. Dit heeft hun ogen geopend voor wat er decennialang speelde en waarin ik niet serieus werd genomen. Het heeft er bij hen nu ook fors in gehakt.” Ze vertelt hoe ze de relatie met haar moeder eigenlijk niet anders kent dan als één met veel verwijten: “Mijn moeder vond het vervelend dat ik in het voorjaar was geboren. Mijn verjaardag werd alleen gevierd wanneer die op zondag viel, want op andere dagen moest de grote voorjaarsschoonmaak worden gedaan, moesten de koeien weer naar het land en moesten de stallen geboend. Jarig zijn in het voorjaar kwam dus slecht uit… ik kwam slecht uit… Een briefje waarop ze dat had geschreven, kwamen we bij het leegruimen van haar huis tegen… in haar bijbel.” Opnieuw zijn we samen stil.

Volgende week vervolgen we het verhaal van Mirjam.

De kracht van een goede bevalling en geboorte

Onlangs vertelden moeders in drie afzonderlijke lactatiekundige consulten ervaringsverhalen met verdrietige elementen die raken aan ACE’s. Een aantal aspecten delen we in dit blog.

Eén moeder was onzeker over de vraag of het aanleggen van haar baby van 7½ week wel goed ging en of ze geen dingen zou moeten veranderen in de manier waarop ze het voeden regelde gedurende de dag. “Ik wil heel graag blijven voeden. Mijn zus heeft er ook erg van genoten en ik wil er nog niet mee stoppen, vooral ook omdat mijn baan als zelfstandig ondernemer het mogelijk maakt om het voeden goed in te passen in mijn dag, maar ik vraag me steeds af of ik het wel goed doe. Mijn kindje is een superfanatieke drinker, zei de kraamverzorgende, een echte piranha!” Ik sloeg aan op deze twee labels; zijn die wel gepast voor een baby die net op de wereld is…? Hoe vormen ze het beeld van de ouders over hun pasgeboren kind…? Ik vroeg hoe het kwam dat ze zich onzeker voelde en waar de twijfel zat. Ze vertelde over haar bevallingservaring, waarbij ze thuis had willen blijven, maar toch in het ziekenhuis terechtkwam, op de rug werd gelegd, weeënopwekkers kreeg en in haar beleving de regie uit handen had moeten geven. “Ik heb bij de zorgverleners een sterke controledwang ervaren; de zorg was niet holistisch en ik wilde daar eigenlijk zo snel mogelijk weg, zodat we het thuis op onze eigen manier zouden kunnen doen. Er zijn allerlei dingen gebeurd die ik juist niet wilde, zoals ook een elektrode op het hoofd van onze ongeboren baby en waarbij werd gezegd dat die er niks van zou voelen. Ik voelde dat er een hiërarchie was en dat mijn baby en ik daarin niet bovenaan stonden. Er werd *over* ons gepraat, niet *met* ons. Ik wilde geen ruggenprik, maar kreeg wél een syntocinoninfuus en uiteindelijk moest er ook nog een knip worden gezet. Kortom… er is veel gebeurd en ik voel nu dat ik thuis nog helemaal mijn draai moet vinden.” We hebben uitgebreid alles doorgesproken en ik kon bevestigen dat ze met haar intuïtie helemaal goed zat en dat ze de controledwang die ze had ervaren, niet hoefde over te nemen, maar op haar kindje en hun onderlinge relatie mocht vertrouwen. Wat een geruststelling was dat… van pure opluchting kwamen de tranen en knikte ze heftig bij de dingen die ik omschreef als goed voor haar baby: knuffelen, lekker veel voeden, niet laten huilen… Dat was precies wat ze graag wilde en eigenlijk diep van binnen ook wel wist.

Bij een ander consult moesten we tijdens de ontmoeting nog wat dingen doornemen, die ik normaal gesproken vooraf al uit het intakeformulier heb kunnen halen. Dit consult was zó snel gepland dat ik daarvoor geen tijd had gehad. Moeder vertelde dat ze in het ziekenhuis was bevallen. Ik vraag dan meestal of dat ook de planning was of dat het tijdens het baringsproces zo is ontstaan. Al pratende bleek dat ze een keizersnede had gehad, omdat diverse dingen anders waren gelopen dan gehoopt. Ze zei dat ze daar vrede mee had. Ik keek haar aan en liet een lange stilte vallen, waarin ik de tranen in haar ogen zag opwellen. “Het is helemaal okay, hoor, als je verdrietig bent om wat er is gebeurd. Zelfs als je blij bent dat de essentiële dingen goed zijn afgelopen, heb je alle recht om te rouwen om wat je bent misgelopen en waarop je had gehoopt…” Ik legde een hand op haar arm, waarna het huilen intenser werd. gevoel van ‘er vrede mee hebben’ was er verstandelijk wel, maar emotioneel was het een heel andere zaak. Ook vader had de bevalling als heftig ervaren; er was van alles gebeurd waarop hij had gevoeld geen invloed te hebben en dat had hen beiden geraakt. We namen alles door en ik moedigde beide ouders aan om met z’n drieën via veel knuffelen en huidcontact te baden in het oxytocinehormoon, dat niet alleen goed is voor de borstvoedingsrelatie, maar ook helend werkt.

Bij een volgend consult ging het voeden nog wat lastig omdat de baby van een dikke week oud aan de borst onrustig was en niet goed hapte, waardoor moeder pijnlijke tepels had gekregen. We namen samen door hoe ze haar kindje kon ondersteunen en sturen bij het aanleggen, zodat er een grotere hap borstweefsel in het mondje zou komen en de tepel verder achterin lag en niet werd belast. Dat ging tijdens het consult heel goed en het hummeltje viel in mama’s armen tevreden in een diepe slaap.

Moeder voelde zich dit keer beter dan bij de geboorte van de oudste. Die was via een keizersnede ter wereld gekomen nadat er van alles was gebeurd wat moeder als traumatisch had ervaren: de doula mocht niet mee naar de verloskamer, er liepen voortdurend onbekende mensen in en uit waardoor de concentratie werd verstoord, en moeder voelde zich niet ‘in control’. Na aanvankelijk weeënopwekkers te hebben gekregen, mocht ze bij 9½ cm ontsluiting niet persen. Toen de verpleging had gezegd dat het niet langer dan een half uur zo kon doorgaan, omdat baby het zwaar had en dat er een keizersnede zou moeten volgen, ontstond er een noodsituatie in een andere verloskamer. Iedereen verdween, vader zag het halve uur verstrijken en maakte zich zorgen om de baby, maar niemand had de ouders verteld dat er ook weer weeënremmers waren gegeven en dat afwachten geen risico was. Al met al was het hele proces met stress omgeven geweest – een groot verschil met de badbevalling die ze nu, goed voorbereid, in het ziekenhuis hadden meegemaakt (in een andere woonplaats).

Wat raakt in deze drie verhalen, is dat de omstandigheden waarover de ouders verdrietig en teleurgesteld zijn en waarom ze rouwen, niet inherent waren aan het natuurlijke verloop. De pijn, het verdriet en de teleurstelling gaan vooral over de communicatie, over de wijze waarop hun wensen niet zijn gehoord of gehonoreerd, over dat er onvoldoende aandacht was voor het belang van privacy en zachtheid. een ongestoord en stressvrij verloop van de bevalling en de geboorte is het nodig dat er een veilige, warm omhullende omgeving wordt gewaarborgd. De barende en de baby zijn samen het middelpunt van dat kleine, besloten universum en iedereen is dienstbaar aan de grote overgang die zij samen maken. Een bevalling en een geboorte zijn cruciale, transformatieve gebeurtenissen in het leven van respectievelijk de ouder en het kind. Die verdienen het om met het grootste respect te worden omgeven, zodat ze als een anker en een stralende ervaring in het geestelijke en lichamelijke geheugen van (vooral) moeder en kind worden gegrift.

We weten dat ACE’s, Adverse Childhood Experiences, al heel vroeg in het leven kunnen optreden en dus preventie verdienen. We weten ook dat een goed verlopende geboorte voor de baby een krachtig begin is en dat een mooie baring bij de moeder juist veel oude pijn kan helen. Als ze ervaart dat haar lichaam iets kan wat ze nog nooit eerder heeft gedaan, dan geeft dat een enorme kracht. Die kracht neemt ze mee in haar ouderschapsrol en die helpt bij het bouwen van het fundament voor het kind. Het goed begeleiden van de bevalling en de geboorte is daarom niet alleen een emotionele en spirituele verantwoordelijkheid. Het is ook gewoon een kwestie van salutogenetische, preventieve gezondheidszorg. Laten we er gezamenlijk aan werken dat daar steeds meer aandacht voor komt!

Hoe ouders van nu voor hun kleintjes kunnen zorgen, Deel 2

Afgelopen week deelden we een eerste deel over de communicatie richting kersverse ouders naar aanleiding van een artikel van Ouders van Nu. Vandaag bespreken we de tweede helft van die bijdrage.

Het artikel behandelt ook slaapritme: er wordt gesproken over een ‘normaal’ slaapritme. In lijn met eerdere vragen: wat is de definitie van ‘normaal’? Over wiens norm spreken we in deze context? Het Engels heeft twee mooie woorden die vaak worden gebruikt: ‘normal’ en ‘common’. dingen die ‘common’ zijn (veelvoorkomend), zijn biologisch gezien in feite niet ‘normal’ (normaal, volgens de biologische norm). Het is belangrijk daarin een bewust onderscheid te maken. Wat we duiden als een ‘normaal’ slaapritme, is voor iedere cultuur anders. In veel landen doet men aan siësta; in Nederland doen we dat niet. Is het ‘normaal’ een middagdutje te doen of is het normaal om alleen in de nacht te slapen?

Iedere volwassen mens is anders; iedere baby is ook anders. Alle patronen bij elkaar opgeteld vormen samen een gemiddelde (dat misschien als ‘normaal’ wordt aangeduid). Zelfs als niet één baby slaapt volgens het gemiddelde patroon, kan dat toch het gemiddelde zijn (dit is wiskunde: tel alles op, deel door het aantal elementen). Je kunt daar best wat in sturen, maar je kunt het niet afdwingen. Sommige kinderen zijn al jong zeer actief en nieuwsgierig en energiek (en daarom veel wakker) en andere kinderen vinden het heerlijk om veel te slapen. Hoe dan ook: ze hebben allemaal veiligheidsbeleving nodig om zich vertrouwensvol aan de slaap over te geven. Die veiligheid zit vooral in jouw aanwezigheid als ouder, in je vaardigheid om je kind te coreguleren, om sensitief en responsief te zijn en de behoeften van je kind zo goed mogelijk te bevredigen. Als je dáárin slaagt, dan zal het slapen meestal ook niet al te grote problemen opleveren. En als je baby veel wakker is en jou nodig heeft, dan laat dat iets belangrijks zien: het is waarschijnlijk niet zo’n goed idee dat vaak al zo snel weer van ouders wordt verwacht dat ze de zorg voor hun kind met allerlei dwingende andersoortige verplichtingen combineren. Het kan ons helpen om te beseffen dat het misschien tijd is om dit (sociaal geconstrueerde, cultureel gekleurde) patroon van zorg voor een pasgeboren kind anders vorm te geven.

Steeds naar de babyfoon kijken als probleem: goed punt, om te focussen op je baby en niet op technologie.

Je baby te lang bij je laten slapen: hier zijn allerlei eerder genoemde punten opnieuw aan de orde. Wat is ‘te lang’? Volgens wiens mening? Op grond waarvan kan iemand stellen dat het ‘te lang’ is? Welke bezwaren zijn ertegen aan te voeren? Het is, zoals wordt gesteld, zonder meer handig om je baby dichtbij te hebben als je borstvoeding geeft, maar dat is voor een deel omschreven vanuit het perspectief van de volwassene (namelijk de moeder die borstvoeding geeft). zou er gebeuren als we álle adviezen over baby’s en hoe met ze om te gaan, zouden geven vanuit *hun* perspectief, vanuit de vraag wat *zij* als fijn of belangrijk of handig of geruststellend of troostend ervaren? Hoe kunnen we het belang van de nabijheid en het horen van de ouders inschatten voor *iedere* baby, niet slechts de borstgevoede? Wie heeft dat bepaald, dat een baby op een gegeven moment op een eigen kamer *moet* gaan slapen? Van wie moet dat? Met welke reden? En waarom zou dat moeten samenvallen met het moment waarop de ouder weer aan het werk gaat (waarbij ‘zorgen voor een gezin’ naar het lijkt niet als ‘werk’ wordt gedefinieerd)? Wanneer een (borstvoedende) moeder haar werkzaamheden buitenshuis oppakt en de baby naar de opvang gaat, is baby’s behoefte aan nabijheid van mama vaak juist extra groot in de nacht. Dat is precies om de reden die in het artikel wordt genoemd: baby’s voelen zich veilig als ze mama (en papa) dichtbij weten. Ze proberen de gescheidenheid van overdag ’s nachts te compenseren. Er zijn baby’s die dan juist overgaan op ‘reverse cycling’: ze drinken overdag maar weinig, slapen veel op de opvang, en halen dan het contact met mama’s lijf in de nachtelijke uren in. Andermaal: als we kijken vanuit het perspectief van de baby, dan is dit volslagen logisch gedrag. Je baby voelt zich dicht bij jou het allerfijnst en zal dus proberen dit zoveel mogelijk te realiseren. Je kind is immers niet gericht op een carrière of andere economische zaken; je kind wil gewoon bij jou zijn.

Als gezin, als ouders kies je voor een bepaalde nachtelijke slaapconstellatie. Het is zeker waar dat kinderen die hiervan genieten, deze waarschijnlijk zullen proberen te handhaven. Daar is niks op tegen en dat is volslagen logisch (als volwassenen doen we ook ons best om te behouden wat we fijn vinden). Wel kan het zijn dat er een moment komt waarop één of meer slapers in het bed de situatie niet meer fijn vinden. Dan wordt het tijd om in goed overleg en met zachte overreding tot een andere aanpak te komen. Afhankelijk van ieders wensen zal dat tot een andere oplossing leiden. Wat ouders daarbij kiezen, zal afhangen van de waarde die ze hechten aan het nachtelijk contact, hoezeer die hun nachtrust verstoort of bevordert, hoe zwaar ze de veiligheidsbeleving van hun kind wegen, hoe gemakkelijk het kind zich al aan de slaap kan overgeven, hoeveel ruimte er is in huis om het anders te doen, hoe de eventuele andere kinderen erop reageren… en wat je verder nog maar kunt verzinnen.

Kortom: ieder gezin is uniek. Iedere baby is ook uniek, maar over de hele wereld delen baby’s de behoefte om, zeker ‘s nachts, dicht bij hun primaire hechtingsfiguren te zijn (mama, papa, grootouders, brusjes – allemaal mede afhankelijk van wat in een bepaalde cultuur de gewoonte is). het belang van de babybehoeften lijkt het wenselijk breed te kijken en niet te volharden in gedragsmatige benaderingen die cultureel misschien ‘normaal’ worden gevonden, maar waarover de wetenschap inmiddels nieuwe inzichten heeft verworven, in lijn met wat we intuïtief en instinctief eigenlijk allang weten. We hoeven niet zonder meer het advies van sommige experts op te volgen; dat kleine kindje, dat zich veilig wil voelen en daarmee een goede basis legt voor een gelukkig volwassen leven, is immers niet hún kind. Het heeft daarom niet veel zin en het werkt juist averechts om in allerlei media-uitingen te polariseren tussen ouder(s) en kind. Ook dát is framing: het kind zó neerzetten dat het lijkt alsof dat kind een lastpak is dat je als ouder een beetje (veel) onder controle moet zien te houden, omdat je anders gegarandeerd ellende kunt verwachten. Zoals een vis het water waarin hij zwemt niet kan zien, zo kunnen we als mensen vaak de vreemde gewoontes van onze cultuur niet zien. We zijn ermee opgegroeid en opgevoed en zitten er vervolgens mee opgescheept, soms van generatie op generatie. Als je altijd geloofde dat de mensen die je bepaalde dingen vertelden het bij het rechte eind hadden en je hebt daaromheen je eigen wereldvisie gebouwd, dan kan het een verontrustend idee zijn om van dat beeld af te stappen en te zeggen: ‘Hmmm… ja, nu ik snap hoe dat werkt met de veiligheidsbeleving van een baby of een jong kind, nu begrijp ik dat veel adviezen niet echt zinvol of zelfs schadelijk zijn. Laten we het voortaan anders aanpakken!’ Dat is vaak niet gemakkelijk, maar het is wél een volwassen manier van omgaan met voortschrijdend inzicht: ‘Ik wist het niet en ik zie nu dat het beter anders kan.’ Vooral mensen op een positie met een groot publiek dragen op dat punt een grote verantwoordelijkheid. Het is te hopen dat we als samenleving de moed hebben die verantwoordelijkheid, omwille van onze baby’s, dapper te dragen, zodat ze veilig gehecht en gezond kunnen opgroeien!

Hoe ouders van nu voor hun kleintjes kunnen zorgen, Deel 1

Geen fouten, maar een gedeelde zoektocht

Onlangs kregen we via iemands Facebookpagina een bericht onder ogen over een artikel van Ouders van Nu. Er ontspon zich onder de lezers van het bericht een discussie over onder andere de vraag of het wel was geschreven voor ouders van ‘nu’, of meer voor ouders van ‘vroeger’. Ook vonden diverse mensen de toon betuttelend en ze hadden moeite hadden met de stelligheid van bepaalde formuleringen, om te beginnen het woord ‘fouten’ in de titel.
De tekst van het artikel is niet super recent, maar van 2021. Toch waren vorig jaar rond deze tijd de inzichten ook al wel zodanig dat er hier en daar kanttekeningen te plaatsen zijn bij de boodschap aan jonge ouders. Die verdienen eerlijke informatie en ondersteuning in hun totaal nieuwe zoektocht, geen negatief oordeel over hun keuzes. We willen daarom graag wat aspecten bespreken die van invloed kunnen zijn op de veiligheidsbeleving van zowel het kind als de ouder in de ouderrol. Die veiligheidsbeleving is van grote invloed op hoe we ons als mens ontwikkelen en daarmee ook op onze totale gezondheid.

Laten we inderdaad beginnen met de titel: fouten. Dat is een lastige opening. Wat betekent het voor kersverse ouders om te lezen dat keuzes die ze maken ‘foute’ keuzes zijn…? Op een wat fundamenteler niveau: wie bepaalt wat ‘goed’ of ‘fout’ is…? Is daarop een eenduidig antwoord te geven? Hoe beïnvloedt onze cultuur de ideeën daarover? Hoe hangen dat soort ideeën samen met normen en waarden en visies op wat de verantwoordelijkheid is van ouders richting hun baby? Hoe kijken we naar de taak die je als ouders hebt? Daarin kunnen we ons een heel continuüm voorstellen, van een lastige, afmattende opgave waar je je doorheen moet werken tot je kinderen eindelijk op eigen benen staan… tot aan een eervolle, vreugdevolle taak waarin je een totaal afhankelijk mensje naar volwassenheid mag begeleiden… en alle gradaties van ervaringen daartussenin. Nog meer vragen: wat zegt de wetenschap zegt over de behoeften van kinderen en wat vinden we daarvan? Hoe zit het met de rechten van kinderen om hun evolutionair ingeprente behoeften bevredigd te krijgen? Hoe bekend zijn die behoeften in de samenleving als geheel? De antwoorden op dit soort vragen bepalen hoe we met die kleine wezentjes willen omgaan zolang ze voor hun overleving en welzijn nog volledig van ons als volwassenen afhankelijk zijn.

Slapen: velen denken dat het iets is wat een baby moet leren, maar dat is natuurlijk niet zo. Baby’s slapen immers al in de baarmoeder. Ze kunnen dus al slapen voordat ze geboren zijn. Wat we mogelijk wél vaak doen, is ze een ervaring van onze wereld meegeven die het moeilijker voor ze maakt om zich vol vertrouwen aan die slaap over te geven. Wanneer zien we zelf tegen de nacht op? Wanneer kunnen we zelf de slaap niet vatten of worden we aldoor wakker en zoeken we naar troost en geruststelling midden in de nacht? En als we die nodig hebben… wat doen we dan? Hoe verhoudt zich dat wat we als volwassenen kunnen doen om onszelf te reguleren en weer in slaap te vallen tot wat een baby zelf in gang kan zetten? Wat is de definitie van een ‘makkelijke slaper’? Voor wie moet het ‘makkelijk’ zijn? Wat is de definitie van ‘goed slapen’? Wat is de definitie van ‘doorslapen’? Slapen we zelf altijd ‘door’, zonder ook maar één keer wakker te worden? En zo niet, waar komt dat dan van en wat doen we eraan (of ertegen)?

Huilbaby, loterij, ronken, terror: er worden allemaal woorden gebruikt die een sfeer neerzetten. Met een ander woord wordt dat wel ‘framen’ genoemd: je brengt iets op een bepaalde manier over om een visie te bewerkstelligen. Je wilt een bepaalde mening propageren en probeert de lezer of toehoorder daarvan te overtuigen door woorden te kiezen die die sfeer overbrengen. Hoe behulpzaam is het om uitingen van totaal afhankelijke baby’s, die voor alles wat ze nodig hebben zijn aangewezen op de bereidheid van hun verzorgers om dat in orde te maken, te ‘framen’ met negatieve termen? Als een baby niet goed kan slapen… voor wie is dat dan het ergst? Als een baby zich niet kan overgeven aan de slaap… hoe kunnen we de onrust van dat kleine kindje dan duiden? Wie kan daar welke dingen aan veranderen? Wat wordt er bedoeld met de aansporing je niet druk te maken over het slaapgedrag van je baby?

Op de bank in slaap vallen met je baby in je armen: er wordt gesteld dat dit één van de fijnste dingen in de wereld is. Dat is op zich een mooie stellingname. Er wordt echter vervolgd met de uitspraak dat dit gevaarlijk is, net als ‘bedsharing’ (je baby bij jou in bed laten slapen). Ten eerste is dat laatste niet waar, mits je aan een aantal voorwaarden vooraf hebt gewerkt. Ten tweede: hoe komt het dat ouders op de bank in slaap vallen met hun baby in plaats van in een veilig gemaakte setting in bed? Dat komt dikwijls omdat ze van zorgverleners en beleidsmakers en mediamensen aldoor opnieuw angst aangejaagd krijgen over samen slapen, terwijl de mensheid al millennia met de eigen kinderen samen slaapt. Vervolgens gaan ze op een bank of stoel zitten terwijl ouder en kind beide moe zijn, want de baby mee in bed nemen is ‘verboden’. De slaapplek delen is echter de norm voor zoogdieren, en dus ook voor de mens. Dat we baby’s apart te slapen leggen, soms in een andere kamer, is sociaal-cultureel en antropologisch gezien heel ‘weird’ en komt vooral voor in WEIRD-landen (Western, Educated, Industrialised, Rich, Democratic). Het is een historisch nieuwtje, een afwijking van wat we altijd hebben gedaan als mens. Gezien de enorme aantallen mensen die alleen maar met hulp van slaapmedicatie kunnen slapen, lijkt het geen slecht idee ons wat vaker af te vragen of al die slaapproblemen wellicht een culturele oorzaak hebben. Zouden ze hun oorsprong kunnen vinden in de kindertijd? Zouden ze gelieerd kunnen zijn aan wat ouders aangeraden en soms opgedrongen krijgen aangaande slaapgedrag…? Dat zijn misschien ongemakkelijke, maar wél belangrijke vragen om te stellen en te onderzoeken.

Slapen in een autostoeltje: dat is inderdaad niet zo’n heel erg goed idee. Slapen in een draagdoek is daarentegen heerlijk voor een baby. Als de doek goed is geknoopt en de baby ergonomisch verantwoord in de doek zit, is dit in alle opzichten een zeer heilzame slaapplek voor een jong kind en voor de ouder is het vaak een zeer praktische manier om de handen vrij te hebben terwijl baby slaapt.

Een bedomrander: hier wordt het risico van wiegendood genoemd. Het is inderdaad belangrijk om de slaapplek van een baby veilig te maken. Dat geldt zowel voor een ledikant (waar instructies voor afstand tussen de spijlen en matrasdikte en meer heel gewoon worden gevonden en zelfs aan wettelijke regelgeving zijn gebonden) als voor een volwassen bed waar het kind samen met de ouders in slaapt (een setting die meestal wordt omschreven als uitermate risicovol, ondanks het vele onderzoek dat het tegendeel laat zien). Het is trouwens interessant dat dit verschijnsel ‘wiegendood’ wordt genoemd. Het benoemt de plaats waar het kind sterft. Is die wieg misschien toch niet zo veilig als vaak wordt beweerd…? Hoe dan ook… wiegen zijn niet verboden. En in de tragische gevallen waarin een kind in het ouderlijk bed sterft… is er dan gekeken hoe de ouders eraan toe waren? Hadden ze gedronken, gerookt, medicatie gebruikt? Anders gezegd: lag het aan de slaapplek of aan de conditie waarin de ouders verkeerden? Ook hier is vaak sprake van negatieve framing.

Volgende week kijken we naar nog een aantal aspecten.

How parents of today can take care of their little ones, Part 1

No mistakes, but a shared quest

Recently we received a message via someone’s Facebook page about an article by Ouders van Nu. A discussion arose among the readers of the message about, among other things, whether it was written for parents of ‘now’, or more for parents of ’the past’. Several people also found the tone patronising and had difficulty with the resoluteness of certain formulations, starting with the word ‘mistakes’ in the title (‘7 ‘mistakes that many new parents make around the issue of their baby’s sleep’).
The text of the article is not super recent, but from 2021. Nevertheless, around this time last year, the insights were already such that some comments can be made about the message to young parents. They deserve honest information and support in their completely new search, not a negative judgment about their choices. We would therefore like to discuss some aspects that can influence the perception of security of both the child and the parent in the parental role. This perception of security has a major influence on how we develop as humans and therefore also on our total health.

Indeed, let’s start with the title: mistakes. That’s a tricky opening. What does it mean for new parents to read that choices they make are ‘wrong’ choices…? On a more fundamental level: who determines what is ‘right’ or ‘wrong’…? Is there an unequivocal answer to that? How does our culture influence ideas about this? How do those kinds of ideas relate to norms and values ​​and visions of parents’ responsibility towards their baby? How do we view the task you have as parents? In it we can imagine a whole continuum, from a difficult, gruelling task that you have to work through until your children finally stand on their own two feet… to an honourable, joyful task in which you can lead a totally dependent person into adulthood… and all degrees of experience in between. More questions: what does the science say about children’s needs and how do we feel about that? What about children’s rights to have their evolutionarily imprinted needs satisfied? How well-known are those needs in society as a whole? The answers to these questions determine how we want to interact with these little creatures as long as they are completely dependent on us as adults for their survival and well-being.

Sleep: many think that sleep is something a baby needs to learn, but of course it isn’t. Babies already do that in the womb. This means they can already sleep before they are born. What we may often do is give them an experience of our world that makes it harder for them to confidently surrender to that sleep. When do we ourselves dread the night? When are we ourselves unable to fall asleep or do we keep waking up, looking for comfort and reassurance in the middle of the night? And when we need it… what do we do? How does what we as adults can do to regulate ourselves and go back to sleep compare to what a baby can initiate on their own? What is the definition of an ‘easy sleeper’? Who should it be ‘easy’ for? What is the definition of ‘good sleep’? What is the definition of ‘sleeping through the night’? Do we always sleep ’through’, without waking up even once? And if not, where does that come from and what do we do about it (or against it)?

Crybaby, lottery, roar, terror: many words are used that create a certain atmosphere. In another word, this is called ‘framing’: you convey something in a certain way to realise a vision. You want to propagate a certain opinion and try to convince the reader or listener of this by choosing words that convey that specific atmosphere. How helpful is it to ‘frame’ the expressions of totally dependent babies with negative terms, while they rely for everything they need on their caregivers’ willingness to make things right? If a baby cannot sleep well… who is it worst for? If a baby cannot surrender to sleep… how can we explain the restlessness of that little child? Who is able to change which things about it? What is meant by the admonition not to worry about your baby’s sleeping behaviour?

Falling asleep on the couch with your baby in your arms is said to be one of the best things in the world. That in itself is a nice statement. However, it continues with the remark that this is dangerous, just like ‘bedsharing’ (letting your baby sleep in your bed). Firstly, the latter is not true, provided you have worked on a number of conditions beforehand. Second, why do parents fall asleep on the couch with their baby rather than in a safe setting in bed? This is often because parents are constantly being terrified by healthcare providers and policy makers and media outlets about bedsharing, although humanity has been cosleeping with its own children for millennia. Next thing, parents then sit on a sofa or chair while parent and child are both tired, because taking the baby to bed is ‘forbidden’. However, sharing the sleeping place is the norm for mammals, and therefore also for humans. The fact that we put babies to sleep separately, sometimes in another room, is very ‘weird’ from a socio-cultural and anthropological point of view and occurs mainly in WEIRD countries (Western, Educated, Industrialised, Rich, Democratic). It is an historic novelty, a departure from what we have always done as humans. Given the enormous numbers of people who can only sleep with the help of sleep medication, it seems a good idea to ask ourselves more often whether all those sleeping problems may have a cultural cause. Could they have their origins in childhood? Could they be related to what parents are advised and sometimes forced to do regarding sleep behaviour…? These may be uncomfortable, but nevertheless important questions to ask and investigate.

Sleeping in a car seat: that is indeed not a very good idea. Sleeping in a sling, on the other hand, is wonderful for a baby. If the cloth is properly knotted and the baby is worn in en ergonomically responsible way, this is in all respects a very beneficial place to sleep for a young child and for the parent it is often a very practical way to have their hands free while baby sleeps.

A bed surround: the risk of SIDS is mentioned here. It is indeed important to make a baby’s sleeping place safe. This applies to both a cot (where instructions for distance between the bars and mattress thickness and what not are considered very normal and are even bound by legal regulations) and an adult bed where the child sleeps together with the parents (a setting usually described as extremely risky, despite the extensive research to the contrary). It is interesting, by the way, that this phenomenon is called ‘cot death’. It names the place where the child dies. Maybe that crib is not as safe as is often claimed…? Whatever the case… cots are not forbidden. And in the tragic cases where a child dies in the parental bed… was the condition of the parents checked? Had they been drinking, smoking, taking medication? In other words: was it the sleeping place or the condition the parents were in? Here also, negative framing is often involved.

Next week, we will look at another couple of aspects.