Van elkaar leren: een les over veilige en onveilige hechting

Of ik een gastles wilde geven bij haar op school, over veilige en onveilige hechting. Ze moest voor dat vak ook nog een examen afleggen en dat kon dan mooi in mijn les. Hoewel ik nog geen beeld had van hoe een examen binnen een les eruit zou zien, hoefde ik over de vraag niet lang na te denken: ja, natuurlijk wilde ik dat graag doen! ACE Aware NL leeft voor meer bewustzijn omtrent hechting en trauma, dus een gastles is volledig in lijn met onze missie. We planden een eerste ontmoeting om te kijken wat ze van mij nodig had en hoe ik haar zou kunnen ondersteunen bij de voorbereiding van haar deel van de les. Het ging om een keuzevak waarbij ervaringsdeskundigheid een belangrijke rol speelt.

We spraken af op haar stageplek; de manager aldaar had me met haar in contact gebracht, dus dit leek een geschikte optie voor een kennismakingsgesprek. We schudden handen, ze maakte een kop thee voor me en toen gingen we zitten aan één van de tafeltjes in het kleine, gezellige restaurant dat onderdeel is van haar werklocatie. Ze keek me onderzoekend en afwachtend aan, niet helemaal zeker over wat ze van mij kon verwachten. Ik begon te vragen naar haar opleiding, naar haar achtergrond, naar wat ze van de stage vond, naar wat ze zoal tegenkwam in haar werk, naar hoe ze daar haar persoonlijke ervaringen benutte. Ik hoefde het er niet uit te trekken, zullen we maar zeggen. Toen ze eenmaal in de gaten had dat ik haar verhaal echt wilde horen, praatte ze honderduit. Voordat we er erg in hadden, was het hoog tijd om af te ronden, omdat ze naar huis moest, waar haar kind op haar wachtte. We maakten wat afspraken over hoe verder te gaan en namen afscheid.

In de dagen erna stuurde ik haar het één en ander aan kijk- en leessuggesties. Dit onderwerp en alles wat ermee is verbonden, ligt me zo na aan het hart, dat ik haar misschien onbedoeld wat overlaadde. Ze was zeer geïnteresseerd, maar alles doornemen bleek niet haalbaar, vooral niet omdat het verleden haar nog bij herhaling inhaalt, ondanks dat ze in het heden hard werkt aan haar toekomst. Hoewel de thuissituatie bij onze ontmoeting in redelijk rustig vaarwater leek te verkeren, was er een paar weken later toch weer ‘gedoe’. Dat gedoe vroeg zoveel van haar aandacht en had zo’n hoge prioriteit dat het studiewerk erdoor onder druk kwam te staan. Desondanks vonden we tijd voor nog een gesprek en namen we door hoe zij haar examendeel zou kunnen inrichten binnen mijn les. Al vlot stuurde ze haar voorzet met PowerPoint naar me op en zo kon ik mijn aandeel daaromheen bouwen.

Op de dag van de les waren we met elf mensen: de docent/mentor, acht studenten live aanwezig, één student online aanwezig en ikzelf. Ik opende met een ijsbreker voor de kennismaking. Ze trekken al een tijdje met elkaar op, maar ik had een paar vragen bedacht waarop ze elkaars antwoorden vermoedelijk nog niet volledig kenden. Ze werkten in tweetallen en koppelden plenair terug, want voor mij was de groep nieuw. Ze moesten hun buurvrouw of buurman aan mij voorstellen en daarbij merkten ze soms dat het even zoeken en nadenken en navragen was. Nadat ik alle namen had gehoord, vertelde ik hoe in zo’n kleine opdracht al meteen een scala aan hechtingseigenschappen een rol speelt. Hoe goed ben je in staat om naar de ander te luisteren? Heb je rust in je hoofd of is het allemaal één grote warboel daarbinnen, omdat je de dag alweer heftig gestart bent of omdat je nog bekaf bent van wat er gisteren is gebeurd? Kun je je aandacht erbij houden? Kun je correct navertellen wat de ander met je heeft gedeeld? Of sluipen er elementen in die niet kloppen? Begrijp je wat de ander zegt of spreekt die op de één of andere manier een taal die je, letterlijk of figuurlijk, niet verstaat? Kun je zonder oordeel blijven luisteren, ook als je dingen hoort die vreemd voor je zijn of waarmee je het niet eens bent? Al deze aspecten hebben een link met (on)veilige hechting. Ze gaan over de setpoints die je in de kindertijd hebt gecreëerd voor je stressregulatie. Werd er naar jóu geluisterd? Werd jíj begrepen? Werd wat jíj zei goed geduid? Kon men jóu zonder oordeel aanhoren? Hoe minder veilig je gehecht bent, hoe moeilijker al deze ogenschijnlijke simpele taken vaak zijn.

Eén van de dingen die verder in de les aan bod kwamen, was het invullen van het ACE’s-scoreformulier.
Dit is een lijst met de tien meest voorkomende ACE’s, hoewel er absoluut meer zijn, zoals ook door één van de studenten werd benoemd. Er zijn ook versies waarbij racisme, armoede, dood van een ouder, en oorlogsgeweld worden meegenomen. Dat is natuurlijk terecht, want ook die gebeurtenissen zijn van enorme invloed op de kinderlijke ontwikkeling.
Desondanks geeft ook de tegenwoordig gebruikte lijst al heel wat handvatten. De lijst bevat tien ACE’s en je score kan dus maximaal 10 zijn, als je alle keren dat je met ‘ja’ antwoordt, bij elkaar optelt.
Onder deze acht studenten waren er maar liefst twee met een score 8 en twee met een score 10.
Ik vond het heftig om de scores te horen en vind het intens verdrietig dat er zoveel kinderen zijn die hun leven met zoveel ellende beginnen. Hoeveel geluk wordt er daardoor niet ervaren? Hoeveel potentieel blijft er daardoor liggen? Hoeveel moeite kost het mensen daardoor om een bevredigend leven op te bouwen? Hoe moeilijk is het met zo’n start om niet voortdurend in conflict te raken met jezelf en anderen? Het is geweldig om te zien dat deze studenten toch allemaal de moed en de mogelijkheid hebben gevonden om weer een leerproces aan te gaan en om daarbij hun eigen ervaringen op een positieve manier ‘uit te buiten’ en in te zetten in de begeleiding van anderen met een ‘rugzak’.

De materie werd gretig ingenomen en dus hebben we een vervolgles afgesproken. Ik kijk er al naar uit!
En de stagiaire…? Ze kreeg geweldige feedback van haar klasgenoten, dat ze zo vooruit was gegaan, dat ze er zoveel krachtiger stond dan bij een eerdere presentatie, dat ze haar medestudenten had geraakt met haar verhaal, dat men het moedig vond dat ze zich zo kwetsbaar had opgesteld door de theorie uit het filmpje dat ze liet zien, te verbinden met haar eigen verdrietige ervaringen, dat men veel had geleerd en zich herkende in wat ze had gedeeld! Ook de mentor was lovend en aan mij was de eer om als ‘tweede examinator’ het formulier voor haar presentatie te ondertekenen. Op de vraag hoe het kwam dat ze deze keer zo goed had gepresteerd, antwoordde ze dat ze zich in de voorbereiding gehoord en gezien en veilig had gevoeld. Veilig… dat oh zo basale gevoel, nodig om je creativiteit en authenticiteit te laten stromen! Ik hoorde het ontroerd aan. Voor mij was er geen examenformulier dat moest worden afgetekend, maar anders had zij er voor mij haar handtekening onder mogen zetten. Ik weet ook niet precies wie er in dit proces meer heeft geleerd: zij met haar klasgenoten, of ik. Mijn dank gaat uit naar allemaal (geen namen, al ken ik ze nog uit hun voorstelrondje), voor de warme ontvangst, de aandacht en de inbreng en de uitnodiging voor een vervolg. En vooral: ik neem mijn hoed af en maak een buiging voor hun lef en veerkracht!

Boekbespreking ‘Het bevuilde nest. Transgenerationeel trauma’ door José Al

“Wanneer zwijgen en ‘het uithouden’ een overlevingsmechanisme zijn geworden en de psyche en emoties geen kant meer op kunnen, dan doorbreekt het lichaam het stilzwijgen.”
“Als je opgroeit in trauma, wordt chronische pijn een achtergrondbehang waar je zo aan gewend bent dat het nauwelijks opvalt.”

Lichaam en geest als losstaande, onafhankelijk van elkaar functionerende delen van een mens… Al decennia geleden liet wetenschappelijk onderzoek zien dat we zo niet in elkaar zitten. Lichaam en geest zijn één geheel; invloeden van binnenuit en van buitenaf hebben voortdurend op heel genuanceerde manieren impact op hoe het met ons gaat. Als we voortdurend te zwaar belast worden, komt er echter een moment dat het lijntje breekt: we worden ziek of lopen anderszins vast. Dit wordt kernachtig weergegeven door deze twee citaten uit ‘Het bevuilde nest’ van José Al (respectievelijk op pagina 148 en 201).

Vroegkinderlijk trauma kruipt onder de huid en laat zich meestal vroeg of laat via het lichaam kennen als ziekte. De pijn van misbruik, verwaarlozing en emotionele overbelasting in de kindertijd kunnen zich ook uiten als emotionele problemen of sociaal disfunctioneren. De citaten stippen bovendien een heel bijzondere tegenstrijdigheid aan. Enerzijds geeft het lichaam signalen af die als teken van onderliggende pijn zouden moeten worden geïnterpreteerd. Anderzijds zijn degenen die met trauma zijn opgegroeid zo aan die pijn gewend, dat ze geneigd zijn die te negeren. Ze zullen die vaak niet bewust interpreteren als signalen van pijn die in het lichaam ligt opgeslagen.

Loskomen uit dit dilemma is waar het helingsproces omtrent trauma over gaat. Hoe kan een mens de pijn in het lichaam leren voelen en die met het hoofd leren begrijpen? Soms begint de heling bij het voelen in het lijf en soms begint het herstelproces met toegenomen kennis, die helpt om fysieke signalen goed te leren duiden. Wat als de veiligste route voelt, zal per persoon verschillen. Voor degene die zich met intellectuele vaardigheden een weg uit de ellende wist te banen, zal het een uitdaging zijn om zich (weer) meer door het lichaam te laten leiden. Voor degene die er via lichamelijke klachten in is geslaagd om bepaalde vormen van zorg en aandacht te krijgen die op een andere manier ontbraken, kan het een confrontatie zijn te ontdekken dat het lichaam via ziekte trauma weerspiegelt. Ziekte blijkt ineens niet slechts ‘pech’, maar kent neurofysiologische verklaringen. José Al laat met haar boek zien hoe ingrijpend het is om de eigen achtergrond te analyseren en het leven een andere draai te geven. sommige kinderen moeten doorstaan, is zó heftig, dat het waarachtig een wonder mag heten dat velen van hen er ondanks alles in slagen een ogenschijnlijk bevredigend bestaan op te bouwen. Daarom is het problematisch dat er nog zoveel stigma rust op openheid over misbruik, verwaarlozing en trauma. Volwassenen met een verwond innerlijk kind verdienen vooral compassie. In de woorden van Al: “Laten we (…) niet vergeten dat een kind dat een bevuild nest overleeft, wel bijzonder vindingrijk moet zijn in het overleven onder moeilijke omstandigheden. Het is gewend door te zetten wanneer alles tegenzit en mogelijkheden te zien waar anderen vast kunnen lopen” (p. 164). Met dat als uitgangspunt kunnen we, ook als samenleving, anders leren kijken naar mensen die geestelijk worstelen of het maatschappelijke tempo en de eisen niet (meer) kunnen of willen bijbenen.

 

De opbouw van het boek

Het boek is opgebouwd uit drie delen. Het eerste deel beschrijft het persoonlijke verhaal van het personage ‘Astrid’. We worden deelgenoot van haar heftige levensgeschiedenis, waarin heel veel gebeurtenissen nét niet tot aan het einde worden uitgeschreven. Zo blijft er voor de lezer een soort dreiging in de lucht blijft hangen, waardoor men enkel kan raden hoe een gebeurtenis zal aflopen – precies wat het leven voor een kind in een bevuild nest zo ingewikkeld maakt. Er is een constante dreiging en het kind is daardoor voortdurend hyperalert. Het kind leeft continu in opperste staat van paraatheid om alle signalen uit de sociale omgeving goed op te vangen en correct te interpreteren. Dat geeft wellicht de mogelijkheid te anticiperen op wat er komt.

Het tweede deel omvat, zoals de auteur het zelf noemt, de ‘toelichting en onderbouwing geschreven en benaderd vanuit mijn dagelijkse praktijk in de psychotraumahulpverlening’. Via een thematische bespreking komen allerlei aspecten aan bod van het leven van een kind dat met misbruik en verwaarlozing te maken heeft (gehad). Onderstaand benoemen we kort een aantal van de thema’s.

Onzichtbare persoonlijke grenzen – over een verminderde lichaamsbeleving, over privacy die met voeten wordt getreden, en over het continue zwijgen en de schuld en schaamte die daarbij horen.
Magisch denken – over de verklaringen die het kind zelf verzint om te begrijpen wat er gebeurt, over de hoeksteen en de molensteen, over rolomkering.
Verwevenheid met de verinnerlijkte daders – over de machtsverhoudingen tussen kind en ouder(s), over daarvan loskomen en de innerlijke terreur stoppen, over de dans tussen redder en slachtoffer.
Schaamte – over schaamte voor de ouders, over schuldgevoel, over het verbod op slechte gedachten over de ouders, over het daardoor ontstaan van een negatief zelfbeeld.
Maskerende mythes en blinde vlekken – over misvattingen: over slachtoffers, over thuis en moeders als veilige plek, over misbruik als enkel een verschijnsel binnen sociaal zwakkere milieus.
Verborgen trauma als een innerlijk slapende krokodil – over het verleden dat steeds het heden inhaalt.
Rouwen om ouders die je nooit gehad hebt – over het verdriet om wat je hebt gemist, ook als het je later beter gaat, en over mantelzorgers die geven wat ze nooit kregen (uit verlangen naar erkenning).

Het derde deel beschrijft de antwoorden op de onderzoeksvragen aan een populatie van tweehonderd cliënten. Zij geven aan wat het voor hen betekende om twee onveilige ouders te hebben.

 

Vormgeving van het boek

Het boek is prachtig vormgegeven. Het is in hardcover in een handzaam formaat uitgegeven en bevat mooie foto’s. Deze hebben een sobere, verstilde en toch ook warme kleurstelling, waarin de eenzaamheid bijna tastbaar is. Dat komt mede door de donkere tonen, die een verdrietige, zware sfeer neerzetten. Door het hele boek heen zijn veel gedichten opgenomen die aspecten van de besproken materie op poëtische wijze verwoorden. Wat fijn zou zijn, is een literatuurlijst en een trefwoordenregister.

Om de inhoud van dit boek goed op je te laten inwerken, hoef je geen professional te zijn. Het taalgebruik is toegankelijk en maakt het verdriet en de pijn zeer invoelbaar. Dat effect wordt mede bereikt door de royaal toegepaste beeldspraak in allerlei passages. Zo spreekt Al over ingehouden boosheid die in het lichaam kwaadaardig woekert in de vorm van tumoren (p. 37), over meubilair en serviesgoed dat door een agressieve ouder als door een wervelwind wordt vernield (p. 74), over willen verdwijnen in het afvoerputje, omdat je je zo kwetsbaar voelt tegenover je vader die plotseling in de douche tegenover jouw naaktheid staat (p. 85), over gebrek aan respect voor je persoonlijke grenzen dat voelt als ongenode vreemdelingen die hun gang gaan in je huis (p. 125), over de ervaring van allesomhullende onzekerheid die als een zware grijze sluierjas om het kind heen hangt en niet meer kan worden afgelegd (p. 131).

Conclusie

Interesse in onderwerpen rondom trauma is meestal gerelateerd aan eigen ervaringen. Velen van ons hebben in de kindertijd traumatische ervaringen opgedaan; hebben we die overwonnen of spelen die bewust of onbewust nog in hoe we functioneren? Hoe ben je je hiervan bewust in je rol als ouder, partner, leerkracht, zorgverlener, politieagent? Hoe spelen je eigen (onverwerkte) ervaringen mee in het contact met en je verwachtingspatronen richting de ander? Hoe oordeelt de neoliberale samenleving over mensen die het leven ingewikkeld vinden en vastlopen op de hoge eisen? Wat betekent het om als volwassene te concluderen dat je ouders niet het beste met je voor hadden? Of hadden ze dat wél, maar was hun werkelijkheid gebaseerd op hun eigen getraumatiseerde achtergrond?

Het boek roept heel veel vragen op en reikt enorm veel stof tot nadenken aan. Eén ding is zeker: het is moedig dat mensen hun verhaal vertellen, in welke positie ze ook zaten of zitten. Dat vraagt dikwijls om het tot op zekere hoogte loslaten van loyaliteit jegens ouders die het nest bevuilden, die hun kind geen veiligheid en geen liefdevolle start konden bieden. Ook degenen die niet met zwaar seksueel misbruik door beide ouders te maken hadden, maar zich thuis wel vaak onveilig hebben gevoeld, zullen veel dingen herkennen. Dat kan inzicht in en compassie jegens de eigen geschiedenis voeden.

Voor professionals is het boek daarnaast een krachtig statement: wanneer het niet lukt om de cliënt of patiënt zich veilig te laten voelen bij jou, als je er niet in slaagt ‘voorbij de eigen blinde vlekken’ te kijken (p. 110), wanneer je niet de moeilijke vragen durft te stellen, dan bestaat het risico dat je trauma toevoegt in plaats van heelt. Jouw moed, je betrokkenheid en je zachtheid in het contact met overlevenden van misbruik, verwaarlozing en trauma kunnen een wezenlijke factor zijn in hun herstel. Wanneer jij je durft te laten raken door wat bij hen onder de huid is gekropen, kan er werkelijk verbinding ontstaan tussen jou en je medemens… en wellicht tussen jou en je eigen innerlijke kind. Dit boek geeft daarvoor een schat aan materiaal en de uitnodiging om ‘met een ruimere blik om ons heen [te] durven kijken’, lijkt ons het aannemen meer dan waard!

Van scherpe kantjes naar meer zachtheid

In het najaar van 2019 maakten Victor Bodiut en Marianne Vanderveen een plan voor de start van ACE Aware NL. Hun kennis op het gebied van fysiologie, psychologie, antropologie, sociologie, hechting, hersenontwikkeling en neurowetenschap maakte dat ze samen het belang zagen van een brede, compassievolle blik op het fundament van gezondheid en de rol van ongunstige ervaringen in de kindertijd. Daarin verdienen de meest recente neurofysiologische inzichten een belangrijke plaats. Die laten zien dat vooral de vroege sociale omgeving wezenlijk invloed heeft op hoe we functioneren en hoe zich onze gezondheid ontwikkelt. Ieder mens is onderdeel van een grotere gemeenschap. we de geest niet los kunnen zien van het lichaam, kunnen we het individu niet los zien van de sociale context. Dat betekent dat gezondheid niet simpelweg een individuele verantwoordelijkheid is; ze hangt niet simpelweg af van of we nú wel genoeg bewegen en of we nú wel gezond eten. Levenslange gezondheid vindt haar wortels voor een belangrijk deel in onze kinderjaren. Voelden we ons veilig? Waren we gewenst, gezien, gehoord, geliefd? Was er aandacht voor wat wij met onze unieke persoonlijkheid de wereld te geven hadden? En wat is de invloed van armoede, opleidingsniveau, werkdruk en discriminatie op hoe onze ouders ons meer of minder goed naar volwassenheid konden begeleiden? Hoe zat het met machtsverhoudingen? Dat zijn ingewikkelde kwesties, die je niet scherp en zwartwit kunt afdoen met: ‘Ga sporten! Rook en drink niet! Doe leuke dingen!’ Ze vereisen genuanceerde antwoorden op ongemakkelijke vragen. Ze verdienen een moedig verbindende, veelkleurige benadering.

Vic en Marianne waren geraakt door de documentairefilm ‘Resilience’, die deze onderwerpen behandelt. Boeiende gesprekken met psycholoog en wetenschapper Suzanne Zeedyk, één van de grondleggers van de ACE-awareness-beweging in Schotland, vormden een verdere aanmoediging om ook in Nederland de kennis over ACE’s breed te delen. Aspa Kandyli, met ervaring in het onderwijs en kennis op het gebied van babyslaapgedrag en borstvoeding, haakte aan bij ACE Aware NL. Vanwege haar bevallingsverlof was er behoefte aan nog een collega en sinds een tijdje draait Petra Bouma, verpleegkundige van oorsprong en tevens lactatiekundige, draagconsulent en geboortetraumaspecialist, mee in het team. In de loop van ruim twee jaar is er in het project een focus op krachtige zachtheid gegroeid, op waarachtige, niet veroordelende nieuwsgierigheid naar menselijke verhalen.

Toen de wereld in het voorjaar van 2020 werd geconfronteerd met grote gezondheidsuitdagingen, werd ineens nog duidelijker hoe cruciaal een goed functionerend immuunsysteem is. Er dienden zich nog veel meer prangende vraagstukken aan. Wat zeg je tegen mensen als hun gezondheid in het geding lijkt? Welke handvatten reik je aan om ziekte te vermijden? Hoe breng je die boodschap? Hoeveel ruimte gun je mensen om hun eigen invulling te geven aan wat ze nodig (denken te) hebben om zich tegen risico’s te beschermen? Wat is het effect van het ontberen van contact met dierbare naasten? Wat is de impact op de mentale gezondheid, als activiteiten die vreugde en zingeving bieden, wegvallen? Hoe duid je de wijze waarop men met een crisis omgaat? Wat is de impact van angst?

Tijden van crisis, transitie en transformatie vragen enerzijds om daadkrachtig en proactief handelen, om opkomen voor rechtvaardigheid en voor grondrechten op het gebied van autonomie en vrijheid, zowel fysiek als mentaal. Anderzijds vragen ze beslist ook om compassie en bezinning, om een pas op de plaats, om naar binnen keren en reflecteren op wat ons raakt en waarom ons dat . Reageren mensen op wat er nu gebeurt of op de herinnering van nu aan toen?

De afgelopen tijd heeft de grote relevantie van de zeven pijlers onder onze missie sterk benadrukt: verbinding, compassie, moed, nieuwsgierigheid, vertrouwen, vriendelijkheid en veerkracht. ACE’s gaan in essentie immers ook over crises, over ervaringen in de kindertijd die ons gevoel van veiligheid en vertrouwen aantastten en gepaard gaan met een hoger risico op ziekte en problemen. Weliswaar staat daarin primair het persoonlijke centraal, maar het persoonlijke is, zoals gezegd, zelden los te zien van de sociale omgeving waarin we geboren worden, opgroeien en leven.

In de meeste gevallen werkt zachtheid helend, zeker wanneer je de wereld als hard ervaart: zachtheid in de verbinding met anderen, zachtheid in de afwezigheid van een oordeel over wat jij en de ander voelen, kiezen en doormaken, zachtheid ook in hoe we onze visie op onszelf inkleuren, met het volle palet aan regenboogkleuren, en waar nodig zwart en wit en de grijstinten daartussenin.

De complexiteit van de afgelopen paar jaren maakte dat we het ACE Aware NL-logo wat meer wilden afstemmen op de menselijke behoefte aan zachtheid en we hebben daarom voortaan een wat rondere letter. Verder kent nog niet iedereen de betekenis van de term ‘ACE’. We wilden graag dat het logo daar in één oogopslag wat over toelicht. Daarbij wilden we niet alleen de verdrietige kant van ACE’s benoemen, maar ook heel bewust aandacht vragen voor het feit dat ACE’s geen diagnose zijn, geen doemscenario voor het leven. Een mens is tot veel herstel in staat, zeker in een omgeving die sensitief met verdriet omgaat. In lijn met de indrukwekkende film ‘The Wisdom of Trauma’ hebben we de A van ACE’s daarom ook een positieve betekenis gegeven: Awesome. Na ongunstige kun je geweldig mooie ervaringen opdoen, herstel van de verbinding met jezelf en anderen. Bovendien brengen de ongunstige ervaringen vaak met zich mee dat je een bepaalde wijsheid ontwikkelt, ‘de wijsheid van ’. Met die ervaringsdeskundigheid kun je voor je medemens en de wereld van heel bijzondere betekenis zijn. Zeker als je je eigen schaduwwerk hebt gedaan, kun je met compassie kijken naar de impact van trauma op menselijk gedrag. Dat maakt je een ‘awesome’ mens, minder ‘hoekig’, met minder scherpe kantjes, meer ‘afgerond’ en vloeiend in je aanpak. Ook daarom is het nieuwe font wat ronder.

Omdat we het maatschappelijke bewustzijn ten aanzien van de kindertijd willen helpen vergroten, heeft het woord ‘Aware’ al vanaf het begin een kleurtje. Het belang daarvan mag in het oog springen! Die kleur zal echter niet meer altijd rood zijn. Het leven ziet er voortdurend anders uit en onze stemming verandert geregeld van kleur. Hoe meer we verdriet van vroeger kunnen helen en boosheid kunnen loslaten, hoe speelser we het leven tegemoet kunnen treden. Die veelkleurigheid mag in het licht staan en zal zichtbaar zijn in diverse uitingen. (En ja… we werken nog aan het updaten van de website met het nieuwe materiaal… ;-))

We kijken uit naar de tijd die voor ons ligt, waarin we graag bij je langskomen voor een presentatie met filmvertoning van ‘Resilience’, voor een workshop of voor een consult. En wil je vertellen hoe jij in je werk of je persoonlijke leven de kennis rondom ACE’s een plaats geeft…? Laat het ons weten! We komen graag luisteren naar je verhaal – voel je uitgenodigd en welkom!

De ervaringsdeskundige, Aflevering 4 – Deze week: Mirjam, Deel 3 (slot)

De afgelopen week lazen we een heel aantal verdrietige ervaringen van Mirjam. Deze week kijken we wat analytischer naar haar leven.

Mirjam vertelt hoe nieuwe levenservaringen haar langzaam meer zicht boden op hoe ernstig de situatie thuis was. Ze overwoog weleens om de banden te verbreken, maar werd angstig over het idee wat dat zou betekenen voor de relatie met zussen en andere familieleden. Zou ze dan zélf bevestigen dat ze inderdaad een lastig kind was…? “ op de dag van vandaag merk ik dat ik enorm mijn best doe om liefde te verdienen, terwijl ik tegelijk veel moeite heb om liefde te ontvangen. Ben ik het wel waard? Wat ik voor mijn moeder deed, was immers nooit, nooit genoeg. Ik voel dat ik daardoor nog steeds hunkerend op zoek ben naar mensen die me accepteren om wie ik ben, niet om wat ik doe. Dat maakt relaties met anderen soms ook moeilijk, want je verlangt zo intens naar… ja… eigenlijk naar het bij iemand op schoot in liefdevolle armen wegkruipen, geborgenheid ervaren… Dat verlangen tekent mijn leven.” We zijn samen in ontroering stil over deze openhartige analyse van wat de kindertijd tot ver in het volwassen leven teweeg heeft gebracht.

Ik vertel over de balans die we als kind zoeken tussen hechting en authenticiteit en wat de gevolgen kunnen zijn als een kind die authenticiteit moet onderdrukken ten behoeve van de hechting, dat het kind daarmee als het ware de verbinding met het ware zelf verliest – het fundament van trauma.
Mirjam is stil en denk na en zegt dan: “Ja… dat herken ik… ik ben mezelf helemaal kwijtgeraakt in het proberen te verdienen wat ik nooit heb gekregen en tegelijk vind ik het moeilijk om liefde te ontvangen. De kinderen zijn daarop een uitzondering; met hen lukt dat wel.”
Ik vraag haar of ze trots is op hoe ze in haar eigen gezin een patroon heeft kunnen doorbreken. Met enige bescheidenheid, maar toch ook vastberaden antwoordt ze: “Ja, daar ben ik wel trots op. Ik ben er weleens onzeker over geweest, maar ik zie nu, ook met de kleinkinderen, hoe anders dat bij ons is gegaan.”
Dat ging niet vanzelf; soms zette ze zich als een leeuwin in om de kinderen te beschermen tegen de negatieve invloed van haar moeder, die muziekoptredens van de kleinkinderen onzin vond, voor haar gemaakte knutselwerkjes meteen na vertrek in de container gooide, of zich afkeurend uitliet over studiekeuzes van de kleinkinderen. “De koppies van de kinderen als hun oma ze zo bejegende… dan brak mijn hart. Ze maakte op structurele basis zoveel moois kapot.”

Ik vraag of Mirjam een idee heeft hoe het komt dat ze aldoor weer in omgevingen terechtkwam die lastig voor haar waren, privé en qua werk. “Ik weet het niet… ik weet het niet… [stilte] ik weet het niet.” Ze vertelt over het verlangen om echt gezien te worden en hoe haar moeder zich soms zelfs op een verjaardag in Mirjams aanwezigheid beklaagde over hoe die eruit zag, dat de jurk niet modern genoeg was, dat de sieraden niet genoeg glommen. “Werkelijk álles werd gezien en becommentarieerd, maar ik, als mens, werd juist níet gezien. Ik had de indruk dat ze zich voor me schaamde.”
Het constante oordelen door haar moeder had een zorgelijke voorbeeldfunctie. Als ik vraag of ze dingen heeft die ze als slechte gewoonte kwalificeert, zegt ze: “Het oordelen.” Ze zwijgt even na deze conclusie, voordat ze verder gaat: “Ik heb steeds meer geleerd om onbevangen naar anderen te kijken, maar dat is een keuze die ik bewust maak; het gaat nog niet vanzelf. Niet oordelen is een vaardigheid waarin ik mezelf nog altijd train.”

Wat ziet Mirjam, terugkijkend, als haar verdrietigste en fijnste herinneringen?
“Eén van mijn verdrietigste herinneringen is de periode rondom mijn Havo-examen. Mijn opa overleed toen; ik verzorgde hem deels en was heel verdrietig. Daardoor had ik me niet goed kunnen voorbereiden en had ik voor één vak een herexamen. Mijn vader zei dat het niks uitmaakte dat ik was gezakt, want ik was een meisje. Mijn moeder zei dat ze het jammer vond dat ik was gezakt; dat was niet nodig geweest, zei ze, als ik me beter had geconcentreerd. Ik verstijfde en keek haar met grote ogen aan, waarop ze zei: ‘Je mag wel huilen, hoor, als je wilt’, maar ze bood me op geen enkele manier troost en erkende mijn verdriet niet. Dat heeft mij ter plekke doen besluiten om thuis nooit meer te huilen. Pas zo’n twintig jaar later kon ik weer werkelijk huilen, toen iemand iets heel liefs voor mij deed om mij te vertroetelen; toen kwamen de tranen.
Mijn fijnste herinnering is de winter waarin mijn broertje werd geboren. Het was rond kerst; mijn moeder lag in het kraambed.” Ze krijgt een lach om haar mond en begint te fluisteren: “Wij zorgden als kinderen voor dat kleine baby’tje en het was voor het eerst dat we niet hoefden te werken in de kerstvakantie! Er was een sfeer van vertedering in huis en wij knuffelden wat af met dat kleine mannetje.”

Als ik vraag naar de wezenlijke aspecten uit haar kindertijd voor haar ontwikkeling als mens, denkt ze na voor ze zoekend en tastend formuleert: “Wat ik me heel erg heb voorgenomen is dat ik mijn best wil doen om de ander te zien en te erkennen zoals die is, omdat ik dat zelf zo enorm heb gemist. Mij werd voortdurend voorgehouden dat het ernstige gevolgen zou hebben als ik me niet gedroeg zoals mijn moeder wilde. Een auto, mijn bruiloft… de anderen kregen dat betaald door mijn ouders, maar ik niet, omdat ik hun onwelgevallige keuzes had gemaakt. Ik heb me vaak enorm machteloos gevoeld en kan me dingen als automutilatie en zelfmoord echt wel voorstellen. Het zijn pogingen om gezien en gehoord te worden. Als je het gevoel hebt dat je er tot op het diepst niet toe doet, verlies je alle zingeving. Wat mij daar gelukkig steeds weer uittrok, was mijn liefde voor onze kinderen.”

Hoewel ze door de situatie thuis erg is beïnvloed, voelde ze diep van binnen altijd dat die niet in orde was. Er klinkt geestdrift in haar stem als ze zegt: “Dat we op de dag van de begrafenis van mijn zevenjarige zusje extra vroeg moesten opstaan zodat het schoonmaakwerk op deze zaterdag gewoon kon doorgaan… ik was twaalf, maar ik voelde echt wel dat dat idioot was! Ik wilde mijn overleden zusje uitzwaaien; mijn andere zus en ik staakten het poetsen en liepen naar de deur, waar we de lijkwagen over het grind zagen en hoorden wegrijden. Ik heb ook toen al gezegd dat die gang van zaken niet normaal was. Maar goed… zelfs toen ik een keer contact opnam met de huisarts en zei dat mijn moeder helemaal hysterisch was en gek leek te worden, leidde dat alleen tot een shot valium, niet tot een gedegen onderzoek naar hoe het er bij ons thuis aan toe ging. Als kinderen werden we niet beschermd tegen wat er gebeurde en mijn moeder werd op zo’n moment met medicijnen rustig gehouden.”

Ik opper dat je dit als verslaving zou kunnen zien, zowel het eindeloze schoonmaken als de medicatie. Er wordt wel gezegd dat niet iedereen met trauma verslaafd raakt, maar dat verslaafden bijna altijd trauma in de voorgeschiedenis hebben. Ik deel met Mirjam de definitie die Gabor Maté geeft van een verslaving: alles wat je doet en nodig hebt om een tijdelijke verlichting van pijn te genereren, gedrag waar je geen afstand van kunt doen en wat schadelijk is voor de lange termijn en je leven ontwricht. Mirjam luistert met aandacht, is een poosje stil en vraagt me dan de omschrijving te herhalen. Ze laat die nogmaals op zich inwerken en zegt zich erin te kunnen vinden. “Ik denk dat mijn verslaving was om altijd maar door te gaan, geen rust te kunnen nemen, omdat doorgaan me hielp om de pijn niet te voelen.” De laatste jaren heeft ze daarvoor, soms noodgedwongen door ziekte, meer tijd ingeruimd en ze voelt progressie. Zo heeft ze inmiddels besloten dat ze zich gaat ziekmelden voor haar werk, nu haar weer een zwaar traject wacht voor de kankerbehandeling. Daarbij weegt het gezinsbelang zwaar, want als het gaat om wat haar leven zin en betekenis geeft, dan staan de kinderen en kleinkinderen met stip op nummer 1. Wat ook heel bevredigend is, is het werken met patiënten: “Wat ik zelf tekortgekomen ben, is wat mij ook sterk in mijn werk heeft gemaakt: mensen echt zien en tijd aan ze besteden en dan de helende effecten zien van oprechte aandacht voor mensen. Dan ben ik heel authentiek. Ik luister zorgvuldig en zie de mens tegenover me voor wie die is. Daarin voel ik me op mijn gemak. Ik heb er niks te verliezen en hoef me nergens tegen te wapenen. De momenten waarop het niet lukt om authentiek te zijn, zijn de momenten waarop ik toch weer angst hebt dat mijn eigenheid ertoe zal leiden dat ik mensen verlies – precies zoals het vroeger ging.”

Ze concludeert dat het een kunst is om te leren ontvangen wat je in het begin van je leven niet hebt gekregen: “Het is vaak gemakkelijker om compassie naar de ander te hebben dan naar jezelf. Ik ben in die zin ook bezorgd over het feit dat er zoveel kinderen lijken te zijn die op jonge leeftijd al worstelen met het leven en basisveiligheid missen. Ik heb het gevoel dat volwassenen daarvoor vaak onvoldoende aandacht hebben. Van kinderen wordt veel aanpassing gevraagd en hun basisbehoeften staan daarin lang niet altijd voorop. Die basisbehoefte is liefde, in de vorm van geborgenheid, veiligheid en aandacht, en ik ben dankbaar dat we onze kinderen op dat punt een zoveel mooier begin hebben kunnen geven.”

Daarmee sluiten we af. We hebben lang gepraat. In de loop van de middag is de hemel dichtgetrokken. De zon is weg, het is killer dan ik had verwacht en het sputtert zachtjes als ik naar huis rijd.

De ervaringsdeskundige, Aflevering 4 – Deze week: Mirjam, Deel 2

Afgelopen week starten we de serie over Mirjam, die openhartig vertelt over haar jeugdervaringen. Deze week vervolgen we haar verhaal.

We praten over haar vader, die ze omschrijft als ‘onzichtbaar’, vaak weg voor allerlei vergaderingen. Ze heeft het idee dat hij de situatie thuis ontvluchtte. Haar moeder maakte de oorlog mee en hield daar veel angst aan over, zeker ook omdat haar vader wat verzetsactiviteiten ontplooide. De angst van haar moeder was zó groot, dat opa met die activiteiten stopte, uit vrees dat zijn dochter zonder het te willen de zaak zou verraden door de uitdrukking op haar gezicht.
Haar angsten maakten dat ze stevig controle probeerde te houden over alles in het leven: “Toen wij verkering kregen, zei ze tegen mijn aanstaande man dat hij één ding goed moest weten, namelijk dat ze grip had op al haar kinderen. ‘Ik heb ze allemaal in de greep’, zei ze, en hij wist niet wat hij met een dergelijke uitspraak aan moest. Net als ik heeft hij echter ontdekt dat het waar was en dat mijn moeder ons werkelijk in de tang had en daardoor tussen ons als gezinsleden verdeeldheid zaaide. Onlangs hebben ook ooms en tantes aangegeven dat mijn moeder vroeger in het gezin niet gemakkelijk was. Haar angst dat spullen of kleren vies zouden worden, maakte dat mijn moeders aanwezigheid geregeld als beklemmend werd ervaren. Ik snap dat; ook ik zou los willen zijn van haar oordeel en me er eindelijk niet meer zo door willen laten beïnvloeden.”

Mirjam denkt terug aan de ongezonde dynamiek in het grootouderlijk gezin en illustreert andermaal wat zo vaak het geval is, namelijk dat problemen en trauma een intergenerationele geschiedenis hebben. Ze haalt pijnlijk gebleven herinneringen op. Zo was ze ooit bij wijze van hoge uitzondering op zondag naar de dierentuin met haar zus. De liefdevolle, kinderloze buren wilden de meisjes een dagje meenemen, omdat ze altijd zo hard werkten thuis. De zondag was problematisch (de ‘Dag des Heeren’), maar de zaterdag, dag van de schoonmaak, zou nóg erger zijn en dus gingen ze op zondag. “Mijn moeder had vooraf gewaarschuwd: ‘Vooruit, je mag mee, maar je mag NIKS kopen, want dan ga je naar de hel.’ Mijn zus en ik hadden vooraf vast besloten niks te kopen, maar bij aankomst realiseerden we ons dat er natuurlijk al entreekaartjes moesten worden gekocht en later wilden de buren wat eten en drinken in het restaurant. Wij probeerden dat nog te voorkomen, maar dat lukte niet. Die nacht hebben we God op onze knieën gesmeekt om te zorgen dat we niet verloren zouden gaan. Al met al was de schoonmaak mijn moeder dus nóg heiliger dan de zondag, want ze liet ons niet op zaterdag gaan en stelde ons voor mogelijk wangedrag op zondag de hel in het vooruitzicht. De lieve buurvrouw wist van niks. Mijn zus vertelde dat ze nog niet zo lang geleden verstijfde bij een bezoek aan de dierentuin en de aanblik van het restaurant. Zo aardsgemeen, om je kinderen zó te indoctrineren…”

Ze vertelt over haar jongste jaren, hoe ze werd verzorgd door een buurvrouw, omdat haar moeder het druk had op de boerderij of aan het schoonmaken was. Ook was ze vaak bij de inwonende opa en oma van vaders kant, die met hun gehandicapte zoon (haar oom) in het voorhuis woonden. Dat waren lieve mensen, van wie ze veel hield en die het soms ook expliciet voor haar opnamen, bijvoorbeeld toen haar moeder meerdere keren na haar geboorte zei dat ze haar dochter zo lelijk vond. Haar oma zei ooit: “Je moet eens ophouden daarmee; er kijken jou twee ogen aan en die vragen je om moeder te zijn van dit kind!” Ook in latere en zelfs vrij recente jaren zei haar moeder dit en als Mirjam vroeg waarom ze het zo belangrijk vond dit steeds te herhalen, zei ze: “Nou, de waarheid mag toch gezegd worden – je was gewoon lelijk.”

Na de middelbare school ging ze op kamers omdat ze ging studeren en om die reden hebben haar ouders haar bruiloft niet betaald. Ze vonden dat ze thuis moest blijven, waar ze jarenlang haar oma had verzorgd en later ook haar opa. Mirjams grens was echter bereikt: ze weigerde na de verhuizing van het gezin ook nog voor de gehandicapte oom te zorgen en vond dat een taak van de ooms en tantes. Maatschappelijk werkers zeiden dat als er ook maar één iemand tegen was dat de oom thuis zou blijven wonen toen het eigenlijk niet meer ging, hij naar een instelling zou verhuizen. Toen Mirjam aangaf ertegen te zijn, werd er echter geen rekening met haar wensen gehouden. Maatschappelijk werk was van mening dat ze haar keuze niet kon overzien: “Je krijgt er spijt van, als je dit je ouders aandoet”, was hun stelling. Daarop zei ze: “Als hij erin komt, ga ik eruit.” Zo geschiedde, maar haar moeder was daar boos over en zei: “Wacht maar, als je zelf later een gehandicapt kind krijgt, denk je nog wel eens aan deze egoïstische keuze terug.” Bij iedere zwangerschap dacht Mirjam daaraan en voelde ze angst, angst dat ze als ‘straf voor haar zonde’ een gehandicapt kindje zou krijgen.

De kinderen ontwikkelden hun eigen ‘coping strategies’; één kind hield geregeld de adem in en viel dan flauw – een zeer adequate methode om te zorgen dat ze werd ontzien. Een ander kind had ook geregeld fysieke klachten, zoals ernstig eczeem. Alleen Mirjam was goed gezond en moest het daarom vaak ontgelden.
Op kamers gaan wonen was dan ook een bevrijding, maar wel één die gepaard ging met leugens over haar studie-/werkrooster, want als haar moeder wist dat ze vrij was, wilde ze dat Mirjam naar huis kwam. Daarop had Mirjam een goed gesprek met de leidinggevende van haar opleiding, waarin ze aangaf dat ze geen toestemming gaf voor het doorgeven van haar rooster. Mirjam denkt dat haar moeder zich schaamde dat haar dochter ervoor koos om op kamers te gaan. Net als haar zussen kreeg Mirjam een auto aangeboden als ze thuis zou blijven wonen, maar Mirjam wees dat aanbod van de hand. Het gevolg was dat ze haar eigen opleiding moest betalen en, anders dan de anderen, geen autootje kreeg voor het heen en weer reizen. Desondanks was haar studietijd een prachtige tijd, een periode die ze graag nog wat langer had willen rekken: een eigen leven, met vriendinnen en vrijheid.

“De studie die ik koos, leek mijn moeder wel geschikt voor mij: ik zou er vast snel werk in vinden en dat was nodig, want ik was zo moeilijk en kritisch dat ik waarschijnlijk niet zou trouwen. Met een vaste baan in de zorg waarin ik ook op feestdagen en in weekenden moest werken, zou niemand met mij opgescheept zitten.”
Maar ze trouwde wél, op haar 24e, en toen het oudste kind werd geboren, realiseerde ze zich dat de vrijheid van die studiejaren niet meer op die manier zou terugkomen en dat haar kindertijd dus echt voorbij was. Ze was dolgelukkig met de kinderen en wilde zich met overgave inzetten om hen een andere jeugd te geven dan ze zelf had gehad. Desondanks voelde ze: “Je kunt later altijd nog allerlei mooie keuzes maken, maar de onbevangenheid die je in kinder- of studietijd zou moeten kunnen ervaren, is dan voorbij.”

We spreken over een aspect dat nog weleens over het hoofd wordt gezien, namelijk dat traumaexperts in toenemende mate benadrukken dat het voor kinderen dikwijls schadelijker is om níet te ontvangen wat ze verwachten te krijgen (namelijk liefdevolle aandacht en veiligheid), dan dat hun iets wordt aangedaan waarmee ze moeten zien te dealen. Het gemis van liefdevolle aandacht maakt het moeilijker om van jezelf te houden en dat heeft een enorme impact op hoe je in het leven staat en of je het gevoel hebt dat je ertoe doet. Mirjam herkent dat: “Ik vind het nog steeds heel moeilijk om naar de schoonheidsspecialiste te gaan of iets voor mezelf te kopen, of me te laten verwennen. Naar de kinderen ben ik heel vrijgevig, maar naar mezelf… écht heel moeilijk.”
Ze vertelt hoe ze in relatie tot de kinderen altijd heeft gekeken vanuit de vraag wat zij nodig hadden. Dat was haar intrinsieke houding: vragen en doorvragen, ook op gevoelens en ervaringen, en zoeken naar het beste voor het specifieke kind. “Dat is niet vergelijkbaar met hoe mijn moeder erin stond. Toen ik twaalf jaar geleden kanker kreeg, was het eerste wat ze zei: ‘Dan kom je zeker nog minder vaak naar mij toe? Dat míj dat nu weer moet overkomen. En wat erg ook, voor je werkgever, dat je nu niet kunt werken.’ Al dat soort situaties staan me nog haarscherp voor ogen en ze blijven pijn doen…”

We praten over mogelijke oorzaken van de gezinsdynamiek. “Het draaide bij ons thuis heel erg om wat andere mensen over ons zouden zeggen. Daarbij lag de lat voor het oordeel over onszelf nóg hoger dan voor het oordeel over anderen. Iedereen liep daardoor continu op de tenen. Het bijbelse ‘eert uw vader en uw moeder’ was leidend, maar mijn moeder vergat dat er ook staat ‘verbittert uw kinderen niet’. Mijn moeder zat in de slachtofferrol; verjaardagsfeestjes geven en bezoeken, uitgezwaaid worden bij een schoolreisje, gebracht en aangemoedigd worden bij diplomazwemmen… er werd geen tijd voor gemaakt: het werk ging altijd voor. Op zondag, de rustdag, mochten we lezen, puzzelen of huiswerk voor godsdienst maken, maar niet buitenspelen of iets doen waarvan je vies van kon worden. Pas later, bij vrienden, ontdekte ik de gezelligheid die er in een gezin kan zijn en die heb ik echt gretig ingedronken.”

Volgende week lees je het laatste deel in de serie over Mirjam.