De ervaringsdeskundige, Aflevering 1 – Deze week: Elizabeth, Deel 2 (English below)

Wanneer schaamte en gebrek aan verbinding verhinderen dat je je thuis voelt

Vorige week hebben we een begin gemaakt met het verkennen van Elizabeths jeugd, de dingen die ze zich nog goed kon herinneren en de dingen die op de een of andere manier verdwenen leken te zijn.
We duiken dieper in haar jongste jaren en vragen of er een bepaalde sfeer is die ze zich van die tijd kan herinneren. Ze zit en denkt na… Op de achtergrond horen we het geluid van meeuwen die over het balkon vliegen. Vervolgens noemt ze het vioolspelen op 3- of 4-jarige leeftijd, de op- en neergaande relatie met haar zus en een aantal specifieke herinneringen aan de kerk. “Veel van mijn goede vrienden uit de tijd dat ik jong was, kwamen uit de kerk. Ik heb herinneringen aan spelen buiten de kerk in een enorm korenveld, of in de zomers naar Jezuskamp gaan – dat soort dingen.”

“Was er iets van een echt gemeenschapsgevoel?”

Ze beaamt dat: “Ja, zeker een gemeenschapsgevoel. Vreemd, toch? Ik was super, megareligieus tot ik ongeveer 16 was. Een groot deel van mijn jeugd was ik echt helemaal dol op de kerk, de evangelische tak. Ik bestudeerde de Bijbel, deed workshops en ging naar kampen. Er was echter ook een aspect van ‘shaming’, schaamte oproepen, en van controle. Ik herinner het me heel duidelijk, ik was ongeveer 10 – je mocht geen korte broeken boven je knie of mouwen boven je schouder dragen, of mobiele telefoons bij je hebben. Op een dag had ik een korte broek die tot net boven de knie kwam, en de kampdirecteur nam me apart en gaf me een preek over hoe dat ongepast was en zei dat ik me moest omkleden. Ik schaamde me zo… Er was zeker een element van ‘shaming en blaming’, en zeer strikte regels waaraan we ons moesten houden.
Toch hadden we ook veel plezier tijdens de kampen en samen met al mijn vrienden voelde ik me echt thuis in deze gemeenschap. Het voelt soms alsof de belangrijkste fases van groter worden zich in deze kampen afspeelden: de eerste jongen op wie ik verliefd was, mijn eerste menstruatie (een grote mijlpaal voor me), dat ik werd gedoopt – heel veel levensgebeurtenissen vonden plaats in de zomers in het Jezuskamp. Ik was er dus zeer aan gehecht; het was zo’n groot deel van mijn leven en dat is waarschijnlijk de reden waarom het tot mijn 16e of 17e heeft geduurd om het geloof achter me te laten.”
Op de vraag wat er gebeurde op die leeftijd, zegt ze dat het geen bepalend punt was, maar meer een geleidelijk proces met lezen en denken en het in twijfel trekken van de traditionele opvattingen van haar ouders en de gemeenschap, bijvoorbeeld over homoseksualiteit en religie.

“Een van de weinige herinneringen die ik heb van toen ik een jaar of vijf was – ik nam elke dag de stereotypische gele bus naar school en ik zat naast een meisje genaamd Zoe, en Zoe vertelde me op een dag (nadat ze ontdekte dat ik op die leeftijd zo christelijk was als je maar kunt zijn op die leeftijd) dat ‘God niet echt is’. En ik had zoiets van… ‘Wat bedoel je, God is niet echt?’ Dit was de eerste keer dat ik zoiets hoorde, dus ik ging naar mijn moeder en vroeg: ‘Mam, bestaat God echt?’ Ze werd zo boos: ‘Hoe durf je deze vraag te stellen! Natuurlijk bestaat God echt, je zou je moeten schamen!’ Ik herinner me dat ik gewoon wat troost zocht, iets van: ‘Laten we erover praten en het bespreken, waarom vraag je dit’… dat soort gesprekken. Zo ging het helemaal niet; mijn moeder toonde geen nieuwsgierigheid naar mijn vragen. Toen dacht ik: ‘Natuurlijk heeft ze gelijk, hoe kan ik dat vragen…’ Maar als ik me dat nu nog zo levendig herinner, heeft het me duidelijk meer geraakt dan ik dacht.” Ze vervolgt: “Ik was een heel slim meisje dat eindeloos vragen over de wereld stelde en verschillende ideologieën om me heen zag. Dat maakte me steeds nieuwsgieriger naar andere omgevingen en toen ik 18 werd, besloot ik het huis en de kerk te verlaten.”

In de voorgaande paragrafen heeft Elizabeth het woord ‘schaamte’ meerdere keren genoemd. Schaamte is een zeer moeilijk begrip om mee om te gaan, zowel voor degenen die het ervaren als voor degenen die het onderzoeken en proberen uit te leggen, omdat het een zeer gecompliceerde emotie is met veel sociaal-culturele aspecten. Als we jong zijn, hebben we de liefde van onze naaste verzorgers nodig om een gevoel van eigenwaarde te ontwikkelen, het idee dat we het waard zijn om liefde en verbondenheid te ervaren. Gestresste en strijdende ouders stralen een energie uit die wordt opgepikt door hun kinderen, die, afhankelijk als ze zijn van hun ouders om te overleven, de ouderlijke ellende proberen te verlichten en zichzelf gemakkelijk de schuld ervan kunnen geven. Het zelfverwijt verandert vaak in schaamte, wat een indringend, vernietigend effect kan hebben op iemands gevoel van eigenwaarde: ‘Verdien ik het om bemind te worden? Zullen deze mensen me in de steek laten omdat ze slecht over me denken? Moet ik voldoen aan wat er van mij wordt gevraagd, zodat men mij weer waardevol vindt omdat ik me heb aangepast?’
Zulke overwegingen wekken een diep gevoel van angst op en kunnen mensen in een constante stress-modus brengen waarin allerlei verdedigingsmechanismen worden geactiveerd. Als mens hunkeren we naar een zinvolle verbinding met anderen, waarin we onszelf kunnen zijn, en als we die niet kunnen krijgen van degenen in onze sociale omgeving, zoeken we naar andere bronnen van troost en manieren om het gevoel van eenzaamheid en gebrek aan verbondenheid te verdoven (en precies dat is waar verslavingen en ander ongezond gedrag op de loer liggen).
In haar boek ‘Daring Greatly’ spreekt sociaal wetenschapper Brené Brown over hoe ‘aanpassen’ precies het tegenovergestelde is van ‘je thuis voelen’. Je aanpassen betekent vaak dat je een situatie beoordeelt en probeert te voldoen aan de normen van de groep; die accepteert je *ondanks* je authenticiteit, zolang je je maar ‘gedraagt’. Je thuis voelen betekent dat mensen je accepteren *vanwege* je authenticiteit; je hoeft niet te veranderen wie je bent – je hoeft alleen te zijn wie je bent. Elizabeth geeft een paar voorbeelden waarbij ze zich ongemakkelijk voelde als ze zich aanpaste aan de normen van anderen. Ze verloor daarmee op de een of andere manier de verbinding met zichzelf, iets wat ze pas jaren later ontdekte; ze zegt zelfs dat ze nog steeds bezig is om zich opnieuw met haar authentieke zelf te verbinden.

Naar aanleiding van het gesprek met haar moeder over religie, praten we over andere situaties waarin ze troost zocht en over wie haar die troost kon bieden. “Ik denk dat mijn vader en mijn zus degenen waren. Mijn vader… hij is heel rustig, heel niet-confronterend. Aan de andere kant… Ik haatte hem uiteindelijk ook, omdat hij nooit opkwam voor mij en mijn zus; hij stond altijd aan mijn moeders kant. Maar tegelijkertijd was hij een heel vriendelijk en zachtaardig persoon, dus als ik echt van streek zou zijn, zou hij degene zijn naar wie ik toe zou gaan. Toch was dit niet in termen van ‘ik worstel met mijn wereldbeeld en ik heb hulp nodig…’ Daarmee zou ik ook niet naar mijn vader gaan. Ja, als ik terugkijk, voel ik dat er echt een gapend gat was, dat ik niemand had die ouder was en naar wie ik toe kon gaan voor advies of troost. Dat ontbrak voor mij in de ervaring met mijn ouders; er was niemand op wie ik altijd kon rekenen, geen constante…” We vragen ons af of het een gebrek was aan een continue hechtingsfiguur en ze zegt: “Ja, precies. Je wisselt elk jaar van leraar, je gaat weg; er zijn mensen met wie je niet echt kunt praten omdat ze vrienden zijn van je moeder uit de kerk, enzovoort. Zelfs nu voel ik hetzelfde, vooral omdat ik allerlei mijlpalen in mijn leven doormaak, zoals het krijgen van mijn eerste baan nu. Ik zou graag met mijn moeder willen praten over de grote stappen die ik zet en haar vertellen hoe ik me voel, maar zo’n band is er niet echt.”
Dit gevoel van gebrek aan vertrouwde figuren kan dus blijven bestaan ​​tot in de volwassenheid; de ervaring wordt een constante gedurende het hele leven. Voor Elizabeth maakte de eenzaamheid de kindertijd moeilijk en het gevoel blijft ook in de volwassenheid complex.

De vraag rijst of dat gebrek aan verbondenheid alleen met de religieuze aspecten te maken heeft. Elizabeth zegt dat haar moeder christen werd nadat haar ouders verkering kregen op de universiteit. Haar vader groeide op met de kerk, maar haar moeder trad pas later toe en was toen zeer toegewijd. “Ik denk dat mijn moeder op zoek was naar zingeving in haar eigen leven, omdat ze een vreselijk verschrikkelijke relatie met haar ouders had. Toen ik vier jaar oud was, gebeurde er iets tijdens een bezoek aan mijn grootouders. Mijn moeder liep weg en we gingen nooit meer naar ze toe. Ik was 12 toen mijn oma stierf, maar we gingen niet naar haar begrafenis. Er werd niet over gesproken; ik had geen emotionele band met haar en ik miste haar niet toen ze stierf. Rond die tijd, toen ik al in Europa was, kwam ik erachter dat mijn moeder een blog had geschreven met foto’s van haar laatste bezoek aan mijn oma, haar moeder, nadat ze haar jarenlang niet had gezien. Blijkbaar vond er een gesprek plaats waarin mijn oma tegen mijn moeder zei: ‘Ik ben zo teleurgesteld in je, je bent zo’n mislukkeling’, en toen stierf ze… Ik was echt geschokt toen ik dat las.” We bespreken dat, ongeacht of dit de precieze woorden waren, dit is hoe het bij haar moeder is aangekomen: ‘Dus … helemaal waar of niet… dit is het gevoel dat ze eraan overhield, dus, hè? Dit is wat ze heeft geïnternaliseerd. Ik begrijp volledig dat mijn problemen met met mijn moeder toen ik opgroeide, volledig voortkomen uit de problemen die zij had met háár moeder. We hebben er alleen nooit echt over gesproken en ik heb geen idee hoe ik het ter sprake zou kunnen brengen, wetende hoe gevoelig dit onderwerp voor haar is. Soms heb ik het gevoel dat ik heel dat verhaal overdrijf, maar ik ben me gaan realiseren dat de manier waarop het me nu beïnvloedt, laat zien hoe relevant het was en hoe logisch mijn gevoel van weerzin.”

In deze trieste regels horen we Elizabeth uitweiden over de intergenerationele effecten van trauma. Haar moeder heeft duidelijk geleden onder een zeer moeilijke relatie met haar eigen moeder, en achteraf kan Elizabeth zien hoe dit van invloed was op de manier waarop haar moeder haar en haar zussen opvoedde. Een verband zien tussen je eigen jeugd en die van je ouders is al een belangrijke ontdekking om te doen, één die kan dienen als een eerste stap naar een beter begrip van waar relationele en andere problemen misschien vandaan komen.

De vraag hoe je hiermee kunt omgaan is heel belangrijk. In alle situaties waar trauma aanwezig is en waar schaamte en schuld vaak een belangrijke rol spelen, kan het nuttig zijn om te weten wat de onderstromen zijn, de onderwerpen die niet ter sprake komen, maar die wel aanwezig zijn en een negatieve invloed hebben op de relaties binnen een gezin, een gemeenschap, of zelfs een hele cultuur. Deze onderstromen kunnen soms zichtbaar worden gemaakt door een niet-invasieve aanpak waarbij de vraag centraal staat: ‘Wat is er met je gebeurd? Wat is je verhaal?’ Als we een omgeving kunnen bieden met ‘holding space’, ruimte voor de ander waarin we met heel ons hart en zonder oordeel kunnen luisteren, en als we daarbij ‘compassionate inquiry’ kunnen toepassen (met mededogen vragen naar wat er is gebeurd), dan kunnen mensen misschien de moed vinden om hun verhaal te vertellen, om met nieuwe ogen en meer compassie te kijken naar hun eigen levensgeschiedenis te kijken. Dit kan een zeer helende werking hebben op alle betrokkenen.

Volgende week gaan we nog dieper in op de gezinssfeer bij Elizabeth thuis.

Posted in Interviews ervaringsdeskundigen.