De ervaringsdeskundige, Aflevering 12 – Deze week: Gita

Ze zit nog geen vijf minuten bij me op de bank als de tranen al over haar wangen biggelen. Het is een opluchting voor haar om de stap naar mij te hebben gezet, maar het is ook ingewikkeld. Ze heeft er nog met niemand over gesproken dat ze naar mij zou gaan. En dat niet alleen: ook over veel van de dingen die ze aan me wil voorleggen, heeft ze nog met niemand gepraat. Er komen moeilijke gedachten op over wat te zeggen als ze hier ‘betrapt’ zal worden, zelfs terwijl ze weet dat er niks te ‘betrappen’ valt. Ze overweegt er thuis voorlopig maar niet het gesprek over aan te gaan, zelfs terwijl ze weet dat dit vroeg of laat onvermijdelijk zal zijn. Ze bereidt zich alvast voor op ruzie over de keuze om therapeutische ondersteuning te zoeken, zelfs terwijl ze weet dat dat de enige manier is waarop ze de komende tijd meer rust in zichzelf zal kunnen gaan vinden, want ze kan de last in haar eentje niet meer dragen. Ze voelt hoe er meer en meer dingen spaak beginnen te lopen in haar innerlijk, hoewel het er aan de buitenkant allemaal aardig uitziet. Ze vertelt, aan het begin van ons gesprek nog wat stoer, dat de meeste mensen niet aan haar kunnen zien hoe het er werkelijk met haar voorstaat, hoe ze altijd weer in staat is om klaar te staan voor anderen, maar dat ze, zodra ze alleen is, eigenlijk alleen maar wil huilen, wil wegkruipen voor de eisen van de wereld, onzichtbaar wil worden, zodat niemand meer iets van haar vraagt en verlangt. De eenzaamheid, het gevoel nergens thuis te horen, de ervaring dat alles in het leven een chaos is… ze worden langzaam maar zeker ondraaglijk en ze wil ze niet langer alsmaar alles verdoven op de momenten waarop ze er niet meer op een andere manier mee kan omgaan.

“Ik weet eigenlijk niet wie ik ben en wat ik wil… ik heb werkelijk geen idee… Andere mensen hebben doelen, maar ik zou niet weten wat ik met het leven aan moet… En als je me vraagt wat me een goed gevoel geeft, waar ik van opknap als ik me echt rottig voel… dan kan ik ook dat bijna niet beantwoorden… Ik heb er in feite nog nooit op die manier naar gekeken en over nagedacht. Er was altijd zoveel onrust… ik was gewoon aan het overleven, maar ik wil dat niet meer. Ik realiseer me dat ik de pijn niet langer uit de weg kan gaan. Als ik wat wil met mijn leven, dan moet ik die pijn onder ogen zien en op de één of andere manier leren om er anders naar te kijken en anders mee om te gaan. Ik heb heel veel klaargestaan voor anderen en ik heb de indruk dat die mij echt zien als degene bij wie ze terecht kunnen met al hun moeilijke dingen om erover te praten, maar de laatste tijd is me dat ook gaan tegenstaan. Waarom moet het altijd over hen gaan…? En waarom pakken ze hun problemen niet aan en moet ik het aldoor weer aanhoren? Ik ben bekaf. Ik wil het niet meer. Het wordt tijd dat ik beter voor mezelf ga zorgen. Nou… en dat is waarom ik hier ben. Ik hoop dat jij me daarmee op weg kunt helpen…”

Uiteindelijk werken we samen vier uur. Ik heb de verwarming eerder op de dag al opgestookt, want de ervaring leert dat als er zoveel emoties vrijkomen, mensen rillerig worden. In de wintermaanden voelt het meestal koesterend als een ruimte behaaglijk warm is. Het fysiologische effect is een grotere kans op het stromen van oxytocine: poriën en bloedvaten staan wijder open. Dat bevordert vaak ook dat de emotionele en psychologische openheid, mede omdat het hele organisme van oxytocine tot rust komt. Er is thee, er is wat lekkers, er branden kaarsjes, er liggen voor de zekerheid zelfs twee gehaakte wollen dekens klaar en tot twee of drie keer toe ben ik geneigd er één om haar heen te wikkelen, als ze snikkend en met de handen voor de ogen in de hoek van de bank wegkruipt en in stilte reflecteert op wat er speelt en op de vraag wat ze in haar lichaam waarneemt tijdens het verhaal dat ze vertelt.

Ik nodig haar uit echt te voelen wat haar lijf haar te zeggen heeft, maar voor wie in geen tijden werkelijk met aandacht naar het eigen lichaam heeft geluisterd, is dat nog helemaal geen eenvoudige opdracht. We nemen de tijd; bij mij hoeft iemand niet na drie kwartier weg omdat de tijd ‘om’ is. Bij mij mogen cliënten uren blijven zitten, zodat we tijd hebben om dingen diep te onderzoeken en om intense emoties eindelijk eens naar de oppervlakte te laten komen zonder dat ze meteen te hoeven worden gedempt of afgeschermd, weggepoetst of opzij geschoven. Ze zegt het diverse keren: “Het voelt alsof er iets uit wil, alsof er iets op knappen staat…”

Dat is al een heel mooi inzicht, de gewaarwording dat zich vanuit het lichaam iets meldt dat gezien wil worden. Ik ben bij haar en ik zie het; ik hoor wat ze zegt en ze is verbaasd als ze mij haar eigen woorden aan haar hoort teruggeven. “Als je het zo zegt, dan klinkt het zo logisch… Ja, ik ben ook wel een sukkel, dat ik er al die tijd nog niks mee heb gedaan…” Dat is een uitspraak die geregeld ook in andere gedaantes even opduikt en die ik zowel aan het begin als aan het einde krachtig onder haar aandacht breng.

Ik vraag haar hoe ze zich zou voelen als ík dat tegen haar zou zeggen, dat ze een sukkel is omdat ze nog altijd bepaalde issues niet heeft aangepakt en opgelost. Ik vraag haar of ze zou blijven en of we in dat geval een fijn en veilig aanvoelend gesprek zouden hebben. Ze lacht: “Euh… nee. Bepaald niet!” We concluderen dat als ze niet meteen zou weglopen, ze in ieder geval niet zou terugkomen. We concluderen eveneens dat dit wél de manier is waarop ze zichzélf toespreekt. De relatie met haar ware Zelf wordt daardoor óók onaangenaam en onveilig. Daarom zeg ik zowel aan het begin als tussendoor als aan het einde dat het allergrootste geschenk dat ze zichzelf met deze en een eventuele vervolgsessie mag geven, is dat ze liever wordt voor zichzelf.

Ze heeft als kind veel liefde en veiligheid gemist en dat gegeven kan niet meer ongedaan worden gemaakt. Dat heeft invloed gehad op hoe zich haar persoonlijkheid en overtuigingen hebben ontwikkeld. Wat ze wél kan doen, is in lastige situaties of als het tegenzit, dat kleine meisje in zichzelf met zachte ogen aankijken en zich afvragen wat zij nu nodig zou hebben. Dat is wat ze zichzelf mag geven en wat ze ook van dierbare anderen in ontvangst mag nemen. Dat kan ze verstandelijk wel begrijpen, maar emotioneel is dat nog niet één-twee-drie een vanzelfsprekendheid. Het vergt immers ook dat ze kenbaar maakt wat er speelt. Het is logisch dat dat beangstigend kan voelen: je kunt decennialange patronen meestal niet van de ene op de andere dag veranderen, zeker niet als ze zo lang met onveiligheid gepaard gingen of als ze juist de enige manier waren om te overleven. Vandaag heeft ze echter een begin gemaakt en een belangrijke, moedige stap gezet. Ik beloof haar dat ik het verslag van onze ontmoeting zo snel mogelijk zal uitwerken. Met haar toestemming geef ik haar een knuffel voordat ze vertrekt. Ze ziet er wat minder bezwaard uit, maar het verdriet en de kwetsbaarheid zijn zichtbaar. Dat is mooi; ze heeft kunnen verzachten tijdens ons gesprek en heeft haar muur een beetje afgebroken. Ik hoop dat ze die zachtheid kan vasthouden, vooral ook naar zichzelf, en dat ze het laat weten als ik wat voor haar kan betekenen.

De ervaringsdeskundige, Aflevering 11 – Deze week: Elize

Deze week pakken we na een lange tijd de draad van het bloggen weer op! We hebben in de afgelopen periode heel veel andere prachtige dingen mogen doen, maar willen heel graag weer mooie verhalen met jullie delen. Het onderstaande blog is een gastblog van ‘Elize’, die ACE Aware NL benaderde en haar verhaal met ons deelde.

 

Kennis rondom ACE’s – het ontbrekende puzzelstukje?

Als ik in de auto naar mijn werk rijd, luister ik vaak een podcast. Opgeleid tot leefstijlcoach, ben ik geïnteresseerd in alles wat te maken heeft met gezondheid en vitaliteit. Deze keer luisterde ik naar de OERsterk-podcast van Richard de Leth, waar Marianne Vanderveen te gast was. Van begin tot einde was ik geboeid door het onderwerp: ACE’s, ongunstige ervaringen in de kindertijd.

Gezien worden
Ik herinner me mijn kindertijd als een fijne tijd, maar tóch herken ik veel in de podcast. Dit is mijn verhaal.
Ik ben ruim 50 jaar, geboren als middelste kind van een drieling. Mijn oudste zus had al op jonge leeftijd mentale problemen, mijn jongste fysieke. Ik huppelde door het leven, maar moest het met veel minder aandacht doen van mijn ouders. Mijn zussen haalden hun havodiploma. Ik deed mijn stinkende best om óók gezien te worden en haalde een jaar later mijn vwo-diploma. Het gevoel er niet toe te doen, bleef echter aanwezig.

Kloof
Mijn partner en ik kregen drie prachtige kinderen. Toen ze wat ouder waren, hadden onze kinderen een aantal flinke uitdagingen op hun levenspad: onze oudste dochter kreeg op haar elfde de diagnose Asperger, een autismespectrumstoornis. Onze tweede dochter ontwikkelde een eetstoornis. Onze zoon kreeg, naast zijn ADD, een depressie. Destijds vermoedde ik dat de ADD van onze zoon en zijn depressie een relatie hadden met het autisme en de anorexia van zijn zussen. Na het luisteren van de podcast, het lezen van de website van ACE Aware NL én een gesprek met Marianne heb ik een ander beeld. De kinderen lieten gedragspatronen zien die gelabeld worden als ‘autisme’, ‘anorexia’ en ‘ADHD’, maar in feite waren dat in belangrijke mate ‘coping strategies’. Dit gedrag was voor hen een manier om te overleven in een ongunstige omgeving. Met de kennis van nu zie ik dat het bijna niet anders kon dan dat ons huwelijk strandde – de kloof was te groot. Op dat moment in ons leven konden we elkaar niet ondersteunen bij alles wat er speelde. Door de gebeurtenissen werden onze eigen trauma’s blootgelegd. En op nog een diepere laag denk ik nu dat het onderliggende trauma bij ons allebei van invloed is geweest op het ontstaan van de problemen van de kinderen. Na de scheiding ben ik op meerdere manieren met mijn persoonlijke ontwikkeling aan de slag gegaan. De kinderen zijn nu 25, 23 en 20 jaar, fijne jongvolwassenen met wie het goed gaat. De basis daarvoor is denk ik in hun vroege leven gelegd.

Ratrace
De eerste tien jaar was ik fulltime thuis voor de kinderen. Toen de jongste naar school ging, werkte ik drie ochtenden en ving ik ze na school thuis op. Na de scheiding, toen de jongste zeven jaar was, heb ik me laten omscholen. Daarna kon ik helaas niet anders dan 32 uur werken, waardoor ik minder thuis was voor de kinderen. Ik had een hoop ballen hoog te houden en ik ging mee in de ratrace van het leven.
Dat veranderde met één telefoontje: “Je moet nú je dochter komen halen, want ze wil naar het spoor.” Zij was toen al ernstig ziek. Op dat moment stond mijn wereld stil. Het was alsof ik wakker schrok, alsof ik voor het eerst besefte ik dat ik haar daadwerkelijk kon verliezen door haar ziekte. Ik was compleet in paniek: waar was ik mee bezig? Wij leven met zijn vieren onder één dak, maar we leiden ieder ons eigen leven. Hoe werkelijk verbonden zijn we eigenlijk met elkaar? Dat wilde ik anders!

Beschikbaar zijn
Ik maakte afspraken op mijn werk en stond mijn dochter bij waar ik kon. Alle eetmomenten deden we samen. Ook bezoeken aan arts en therapeuten deden we voor het grootste deel samen. Ik kon er voor haar zijn en dat voelde fijn. Ik voelde echter des te meer hoe ik mijn moeder had gemist in mijn eigen jeugd. Dat ik het anders kon doen dan mijn eigen moeder, was helend voor mij en hopelijk ook voor mijn dochter. Zoals ik mijn moeder destijds miste, heeft zij mij ook moeten missen. Als ouders hadden wij haar in de steek gelaten in onze zoektocht naar een verklaring voor het gedrag van haar oudste zus (autisme). Ik was me ervan bewust en toch wist ik op dat moment niet hoe ik het anders kon doen. De anorexia dwong ons om anders met elkaar om te gaan. Het resultaat hiervan is een nóg betere band met elkaar.

Persoonlijke ontwikkeling
Na een aantal ingrijpende life events sloeg ik in 2004 het pad van persoonlijke ontwikkeling in. Begin 2018 bleek de eetstoornis in remissie. Dat zelfde jaar volgde ik een jaarprogramma bij ‘365 dagen succesvol’. Voor mij was dit life changing! Laatst keek ik een webinar van hen over niet genomen rouw, bijvoorbeeld na trauma. Bij trauma dacht ik altijd aan grote zaken als misbruik of mishandeling. Dat bleek onvolledig; ook kleinere gebeurtenissen kunnen impact hebben op iemands leven en tot trauma leiden. In mijn hoofd ontstond er een indrukwekkende lijst, waaronder de emotionele ervaringen die voorafgingen aan en volgden op twee auto-ongelukken, een miskraam, scheiding en ziekte. Na het beluisteren van de OERsterk-podcast luisterde ik de podcast van Marianne zélf: ‘Voed de Veerkracht’. Ik begrijp nu veel beter waar het gevoel van ‘ik doe er niet toe’ vandaan komt. Ook kijk ik nu anders naar de gevolgen van het auto-ongeluk. Dat vond plaats in een periode waarin de anorexia van de tweede om een ander behandeltraject vroeg. Ik voelde simpelweg de ruimte niet om de emotionele en fysieke kant ervan te verwerken. Ik gaf voorrang aan wat ik zag als haar belang, en vergat dat mijn eigen welzijn (of gebrek eraan) in feite het fundament is onder het geluk (of gebrek eraan) van de kinderen.

Traumatherapie
Na mijn auto-ongeluk in 2016 kreeg ik gerichte traumatherapie in de vorm van EMDR. Het deed me niets. In 2019 boekte ik een sessie EMI, een variant op EMDR, waarmee de lading van de gebeurtenis verdween. Een vergelijkbare ervaring had ik recent. Ik werd getriggerd op mijn stuk ‘ik voel me niet gezien’, waarvan ik nu begrijp dat dat valt onder de gevolgen van ACE’s. Mijn lief boekte een traject voor me bij een bevriende traumatherapeut. Na een uitgebreide intake pakte hij niet alleen het auto-ongeluk aan, maar al het trauma dat ik onbewust verzameld had in mijn leven, trauma dat me beperkte in mijn functioneren en dat me moe maakte. Hij keek daarbij naar het grotere geheel. Samen gingen we een middag intensief aan de slag met het herprogrammeren van de verschillende gebeurtenissen. Het resultaat is verbluffend: de lading is weggenomen!

Spiegelen
Hoe is het nu? Ik ben als vrijwilligster verbonden aan het Leontienhuis, een inloophuis voor mensen met een eetstoornis. Veel ouders zie ik worstelen met de issues die ik zelf ook heb gehad. Ik vertellen me dat ze zich machteloos voelen staan tegenover de eetstoornis van hun kind. Zou het kunnen zijn dat ouders en/of hun kinderen óók te maken hebben met de gevolgen van ACE’s, zonder dat zij zich hiervan bewust zijn? Zou het kunnen zijn dat kinderen ons dan in liefde spiegelen hoe wij met onszelf omgaan? Is het een uitnodiging aan ons als ouders om ook zélf naar binnen te keren, met onze eigen issues aan de slag te gaan en zo samen te helen? Ik ben me in ieder geval veel meer bewust van de impact van trauma op mijn leven en daarmee ook op dat van mijn kinderen. Mijn wens is ouders te kunnen bijstaan die in een vergelijkbare situatie zitten. Is de kennis rondom ACE’s het ontbrekende puzzelstukje? Dat is waar ik de komende tijd verder in wil duiken!

 

Trauma, triggers, en je grenzen bewaken, Deel 3 (slot)

Afgelopen week vertelde ik over de herinneringen die bovenkwamen in de CI-sessie en vandaag deel ik het inzicht dat ik opdeed.

Mijn collega vervolgde haar compassionate inquiry en vroeg welke emoties er opkwamen bij die walging. Ik liet alles de revue passeren en werd verdrietig over de treurnis die het zo vaak had veroorzaakt, over de emotionele afwezigheid als gevolg van alle verslaving, en ineens realiseerde ik me hoe woedend ik óók was. Ik verhief mijn stem: “Ik ben ook gewoon hartstikke kwaad! Altijd dat gelieg over dat gezuip! Ik wil die geur niet ruiken! Ik wil niet dat je dicht bij me komt! Blijf bij me vandaan! Rot op!” Ik schudde mijn hoofd, ik kneep mijn ogen dicht en gromde met open mond, ik strekte mijn armen voor me uit in een afwerend gebaar, trok ze met gebalde vuisten weer in en huilde terwijl ik schreeuwde. Mijn collega bleef aanwezig; haar gezicht op het scherm bracht me langzaam tot rust en we waren samen stil. Ze hield continu haar ogen op mij gericht en peilde hoe het met me ging. “Hoe moet dat zijn geweest voor het meisje dat je destijds was?”

Ook die vraag kende ik natuurlijk en we doken er samen in, hoe triest het is als je zo groot moet worden. Je kunt als kind weinig doen in zulke omstandigheden en met haar vragen leidde ze mij naar het inzicht dat ons allebei bekend is: de ‘freeze’ die je als kind ervaart, kan overweldigend zijn en kan je opnieuw te pakken kan nemen als je later in vergelijkbare omstandigheden komt. Dát was wat er was gebeurd: ik was in een freeze geraakt toen de dame dronken op mij af kwam en dingen van mij wilde die ik totaal niet bereid was te geven: aandacht, erkenning, fysieke nabijheid. Ik was het jonge meisje dat niet bij haar moeder terecht kon, maar haar moeder ook niet dronken om zich heen kon verdragen.

‘Ik begrijp dat je geen scène wilde maken, ook al zat niet jij, maar die vrouw fout, maar wat had je wél kunnen zeggen?’ Ik dacht in gedeelde stilte na. ‘Euh… ik had iets kunnen zeggen in de trant van: ik geloof dat je dronken bent en het lijkt me beter dat we dit gesprek nu niet voeren.’ Ik lachte om mezelf: die zin was eigenlijk heel simpel, heel ‘cool and collected’! Die had ik best kunnen uitspreken; die had niet tot ‘toestanden’ hoeven leiden, toestanden die me op zichzelf wellicht weer aan vroeger hadden herinnerd. Die zin was ook respectvol naar haar geweest. En als zíj vervolgens tóch een toestand had gemaakt, was ik daarvoor niet verantwoordelijk geweest. Ook dat was interessant, natuurlijk, mijn poging om de lieve vrede te bewaren en geen ‘toestanden’ te creëren, terwijl wat er gebeurde beslist grenzen overschreed. Hoe bang was ik voor ‘toestanden’? Hoeveel van mijn eigen grenzen en wensen was ik bereid op te geven om ‘toestanden’ te voorkomen? Hoe verantwoordelijk voelde ik mij voor het voorkomen van ‘toestanden’ en bovendien voor het veiligstellen van het welzijn van de mensen om mij heen, voorbijgaand aan dat van mezelf? Sinds wanneer en met welke consequenties had ik dat als kind gedaan en als volwassene voortgezet?

Vervolgens werd ik me ervan bewust dat ik niet goed begreep hoe er twee dagen lang plenair over deze thema’s was gesproken en dat iemand vervolgens op deze manier een andere congresganger tegemoet treedt. Terwijl ik het uitsprak, realiseerde ik me hoeveel trauma er is en hoe zelfs de beste leraar niet kan zorgen dat de leerling er klaar voor is om de volle omvang van de boodschap te horen en tot zich te nemen. Als we er niet klaar voor zijn, kunnen we de les niet leren. Als we nog in survival mode zijn, werkt onze neocortex, ons intellectuele brein, niet goed. Dan vallen we terug op primaire instincten en defensieve mechanismen. In die zin was het wel interessant dat ze had gezegd dat ze me dankbaar was voor het feit dat ik haar had gespiegeld. Was ze niet gewend een grens tegen te komen? Had ze haar dronken staat nodig gehad om dat te kunnen onderkennen…? Ooit las ik: ‘When the student is ready, the teacher will appear.’ (Als de leerling er klaar voor is, zal de leraar verschijnen.’) Onlangs zag ik een vervolg daarop dat erbij hoort: ‘When the student is really ready, the teacher will disappear.’ (Als de leerling werkelijk klaar is, zal de leraar verdwijnen.) Ze had naar eigen zeggen iets van mij geleerd en met hulp van mijn CI-collega had ik nu ook iets van háár geleerd. Ook al prefereer ik beslist een sobere leraar voor mijn leerproces – ik had wel weer een inzicht opgedaan.

Een belangrijke vraag die Gabor altijd stelt, is of je weleens je intuïtie hebt genegeerd en daar later spijt van had. Dat deed ik als kind waarschijnlijk geregeld, mijn intuïtie negeren, mogelijk zelfs continu. Er gebeurde van alles in ons gezin en in de bredere familiekring wat niet okay was, maar er werd niet over gepraat en ik leerde niet aan (of leerde af) er zelf wat over te zeggen. Als mijn moeder zei dat ze niet gedronken had terwijl dat wél zo was, begon ik ondanks de intuïtieve signalen tóch aan mijzelf te twijfelen: ‘Zie ik het zo verkeerd? Ben ik zo’n nare dochter, dat ik mijn moeder wantrouw, dat ik niet geloof wat ze zegt? Misschien heb ik het toch mis…’ Eigenlijk realiseer ik me pas sinds kort hoe diep de impact is van al deze dynamieken en hoe ze leidden tot vervreemding van mijzelf.

Daar ligt de kern van trauma: de verbroken verbinding met het ware Zelf, het verloochenen van je authenticiteit omwille van (je pogingen tot het behouden van) de hechtingsrelatie. Er was met de dronken dame geen hechtingsrelatie, maar wel een poging van mijn kant om geen ‘toestanden’ te veroorzaken, iets wat zou kunnen gebeuren als ik met kracht en gezonde boosheid mijn grenzen zou bewaken. Ik voelde die best, die grenzen, en ook dat ze eroverheen ging, maar ik was verlamd. Ik liet me overrompelen in de overtuiging dat ik dan het snelst van haar af zou zijn en haar nooit meer zou zien. Ergens vanaf willen zijn hoeft echter geen reden te zijn om anderen finaal over je grenzen heen te laten gaan. Dit soort voorvallen kunnen overigens wél een reden zijn om je eigen triggers onder de loep te nemen. Wat had het in mij teweeggebracht dat ze te laat kwam en omstandig bezwaar maakte tegen de beperkte ruimte? Wat had mij doen besluiten voor mijn collega een stoel te regelen? Waarom maakte de rusteloosheid in de rij mij plaatsvervangend ongemakkelijk voor de spreker? Wat had me zo gestoord aan haar poging om voor te dringen bij de signeersessie? Welke pijn hadden haar vuurspuwende ogen en haar afgewende hoofd in mij aangeraakt? Met compassievolle nieuwsgierigheid zou er nog veel meer te ontdekken zijn in mijn ervaringen – als leerling ben ik er klaar voor en een leraar heb ik al.

Twee dagen later had ik nog een mooie slotbijeenkomst; tot mijn verrassing verscheen de dame daar ook. Opnieuw zag en hoorde ik bijzondere dingen. Ik had me bij haar (te late…) binnenkomst echter voorgenomen de confrontatie niet aan te gaan. Ik wilde van de bijeenkomst genieten en mijn energie steken in het maximaal indrinken van de rijkdom van de avond. Ik voelde bovendien geen noodzaak of verantwoordelijkheid te werken aan de relatie met haar of bij te dragen aan haar proces. Een buddhistische uitspraak die ik ooit hoorde: ‘Als je het niet beter kunt maken, is het al winst als je het niet slechter maakt.’ Dat klinkt me ‘compassionate’ genoeg in de oren: daarvoor had ik gekozen.

Met hulp van mijn collega had ik eerder op de dag ontdekt dat er simpele uitspraken denkbaar zijn waarmee je zo nodig je grenzen kunt aangeven en bewaken. Via de walging had het lichaam ‘nee’ gezegd en voortaan mag het hoofd via de mond ook vriendelijk ‘nee’ zeggen. Als de ander daardoor getriggerd raakt, is er voor de ander werk aan de winkel waar het een compassievol onderzoek naar de eigen reactie betreft en als ik daarvoor ruimte voel, kan ik daarbij behulpzaam zijn. Duidelijkheid over je eigen grenzen is bovendien respectvol naar de ander toe. ‘Clarity is kindness’, aldus mijn lieve, wijze Schotse ACE-bewuste collega Suzanne Zeedyk.

Al met al leerde ik een waardevolle les. Het voorval en de sessie hebben me geholpen nog weer beter de oude patronen te doorgronden die verscholen liggen achter ogenschijnlijk nieuwe omstandigheden. Cognitief wist ik dat allang, maar ik ervoer het nu vanuit de taal van mijn lichaam. En wanneer het lichaam ‘nee’ zegt… dan mag je daar naar luisteren en naar handelen – de wijsheid van je lichaam is groot!

Trauma, triggers, en je grenzen bewaken, Deel 2

Vorige week  deelde ik een gebeurtenis met een dronken vrouw en hoe ik op haar reageerde. Deze week vertel ik over hoe ik die reactie verder onderzocht.

‘Zullen we eerst een grounding doen of wil je meteen beginnen?’ Mijn collega vroeg het me lachend. We hadden al twee sessies achter de rug en nu was het haar beurt om therapeut te zijn, dit keer met mij als cliënt. Ik had nog niet helemaal bedacht wat mijn intentie voor de sessie was en welke lastige situatie ik verder wilde uitdiepen via Compassionate Inquiry (CI). Een grounding leek me een goed idee; de stilte ervan had al vaker tot mooie inzichten geleid.
Ik sloot mijn ogen en gaf me over aan haar stem. Het duurde maar twee of drie van haar zinnen en toen wist ik het: de situatie met de dronken dame die me omhelsde en zoende – daarover zou mijn sessie vandaag gaan. Meer inzicht krijgen in wat daar eigenlijk was gebeurd – dat was mijn intentie.

Het is met CI de bedoeling dat we snel afdalen in onze lichamelijke ervaringen, maar ik had even tijd en tekst nodig om mijn collega de context uit te leggen. Ik vertelde het verhaal en hoe ik walgde van het idee dat ze me zou omhelzen. Dat woord pikte ze terecht op – walging is een krachtige emotionele ervaring. Ze vroeg me hoe dat voelde, walging. Ik tastte met mijn gedachten mijn lichaam af, dacht terug aan de bewuste avond. ‘Ik werd er misselijk van. Zelfs als ik het nu vertel, zou ik willen kotsen’, antwoordde ik. ‘Kunnen we even bij dat gevoel blijven?’ We zijn beide CI-student; ook ik ken de vragen, en ik weet wanneer je ze ongeveer kunt verwachten, maar toch… als je in de cliëntrol zit, is het anders. Voor de cliënt verschijnen de vragen die je als therapeut het beste kunt stellen of die je als observant graag wilt zien komen, soms tóch als een verrassing. En soms is de vraag zelf geen verrassing, maar is het gevoel dat gepaard gaat met het waarnemen van de lichamelijke sensatie dat wél. Die waarneming is soms echt intens, confronterend, schokkend. Dat was ook nu het geval: ik voelde nu haast meer walging dan op het moment zelf, toen ik overrompeld was en alleen maar dacht aan hoe ik de situatie optimaal kon ‘managen’ zonder er een toestand van te maken, daarmee een verantwoordelijkheid op mijn schouders nemend die daar niet thuishoorde. Zij drong zich immers aan mij op, niet andersom.

We bleven een poosje bij de walging en al snel realiseerde ik me dat deze walging niet over deze vrouw ging, maar over een andere vrouw – over mijn moeder. Zij was jarenlang een soort verborgen alcoholist. Ze loog tegen mij over of ze gedronken had. Pepermunt en goedkope eau de toilette werden ingezet in een poging de odeur van alcohol en nicotine te verdoezelen. In combinatie met kleding die doortrokken was van de stank van verschaalde sigarettenrook resulteerde dat in een geurenbouquet dat ik na verloop van tijd niet meer kon verdragen en dat jaren later, als ik het ergens waarnam, via associatie het hele palet aan ellende opriep. Als ik bij mijn moeder alcohol meende te ruiken, ontkende ze het meestal. Dan zei ze dat het de medicijnen waren of ze verzon iets anders.

Tijdens onze CI-sessie herinnerde ik me bovendien een situatie waarin we midden in de nacht terugkwamen van het bezoek aan een stel kennissen van mijn ouders. Ze hadden de hele avond beneden zitten klaverjassen met z’n vieren, terwijl mijn zusje en ik samen met de twee zoons van het stel boven films keken en chips en ijsjes aten. Als we zachtjes deden, zouden ze ons waarschijnlijk vergeten en mochten we extra lang opblijven. Eén zo’n avond was het weer laat geworden. Mijn zusje en ik werden op de achterbank van de auto geïnstalleerd, comfortabel in een slaapzak, zodat we de rit van een dik half uur naar huis slapend konden doorbrengen. Mijn moeder had geen rijbewijs, dus mijn vader reed altijd en ging daar verantwoord mee om. Eenmaal thuis parkeerde mijn vader op zijn vaste plek voor de deur. We werden wakker en moesten met onze slaperige koppies en rillerige lijfjes (we zullen iets van 7 en 9 of 8 en 10 zijn geweest) de auto uit. Mijn vader deed zijn stoel naar voren en liet ons uitstappen, zodat we de trap op konden lopen van de portiek van onze flat. Ook mijn moeder kwam de auto uit, maar vlak voordat ze de portiek in stapte, braakte ze op de stoep voor onze flat alles eruit wat er die avond in was gegaan – naast de hapjes vermoedelijk heel veel sherry of vermout, dé drankjes in die tijd, met voldoende alcohol om beroerd van te worden als je er een hele avond mee doorhaalt.

Ik schaamde me; wie zou hier morgenochtend getuige van zijn, van zo’n vieze plek op de stoep, vlak naast de auto, vlak voor de voordeur? Dat hoorde niet, zo voelde ik. Kotsen is tot daar aan toe desnoods; daar kun je niet altijd wat aan doen, maar op de stoep voor de voordeur, na een avond uit?! Ik doorgrondde niet alles, maar als jong kind vond ik dit zeker niet in orde. Ik heb er, terugdenkend, een gevoel bij dat ook mijn vader zich schaamde en ook dat hij boos was, hoewel hij niks zei. Ik weet niet hoe het is afgelopen die nacht, of één van beiden nog naar beneden is gegaan om er bijvoorbeeld een emmer water overheen te gooien. Wel had mijn vader jarenlang maagproblemen: hij had te veel geslikt wat hij niet te verteren vond, denk ik.

Dat drinken van mijn moeder was dus niet pas een ding toen ik volwassen, getrouwd en moeder in mijn eigen gezin was. Dat was vast en zeker al ouder, al weet ik niet zeker of het die keer een incident was, of een voor ons zichtbare gebeurtenis in wat ook toen al een patroon kan zijn geweest. Hoe dan ook had het tot gevolg gehad dat ik mij decennialang verre zou houden van alles wat mogelijk tot een ongecontroleerde staat van zijn kon leiden: geen overvloed aan alcohol, geen sigaretten, geen drugs, geen wiet – meer algemeen: geen al te dolle uitspattingen. Ik zou me niet als een experimenterende puber lekker vrij en onbezonnen laten gaan, maar mezelf in bedwang houden: geen toestanden, geen drama, geen gênante vertoningen.

Over vastberadenheid gesproken: ik zou voor mezelf en zeker later voor de kinderen niet een situatie creëren waarin ze bijvoorbeeld door winkelpersoneel in de stad zouden worden aangesproken met de opmerking: ‘Joh, ik vind het heel vervelend, maar mijn personeelsleden zeggen soms tegen elkaar van kijk, daar komt die dronken vrouw weer aan, maar dat is jouw moeder…’ Wat kon ik eraan doen? Ja, ze was mijn moeder en nee, ik was niet verantwoordelijk voor haar gedrag en ja, ik had geprobeerd er wat tegen te doen en nee, dat was totaal niet gelukt en ja, ik vond het totaal waardeloos dat ik niet trots op mijn moeder kon zijn, zoals andere kinderen in de klas. En ‘waardeloos’ was een complex begrip: ik was intens verdrietig, maar ik was ook gewoon hartstikke boos. Waarom maakte ze er zo’n puinhoop van? Waarom was ze er niet voor ons? Waarom zoop en rookte ze zo veel, hoewel ze er niet gelukkig van werd? Er was veel verwarring, verdriet, teleurstelling, woede, en ja, ondanks alles ook heel veel vastberadenheid en zelfbeheersing, overlevingsdrang en dapper doorzettingsvermogen.

Volgende week deel ik het verdere verloop van de sessie en mijn opgedane inzicht.

Trauma, triggers, en je grenzen bewaken, Deel 1

Het overheerlijke toetje was op; het feest liep ten einde, toen ze op me afkwam en me met een dubbele tong toesprak: “Je zei een paar dingen die me niet bevielen…” Ze aarzelde, richtte zich tot de man naast me met de vraag hun gedeelde eigen taal om te zetten naar woorden die ze in het Engels zelf niet kon vinden en vervolgde: “Ik vond het niet okay, maaarrr…” Ze pauzeerde en maakte een weids gebaar met haar rechter arm: “Ik vergééf je. Echt, ik vergeef je!” Ze zocht mijn ogen en wachtte op hoe ik haar woorden in ontvangst zou nemen. Ze keek verwachtingsvol en leek op mijn dankbaarheid te rekenen. Ik was perplex en zei: “Okay…?” Ik had geen idee hoe het verder zou gaan en wat er nog meer zou komen. “Dus!” Haar stem streefde naar vastberadenheid, maar de dubbele tong en lange uithalen bleven: “Dus! Ik hou van je en ik wil je een knuffel geven!” Ze pakte me beet, me min of meer dwingend om op te staan en haar knuffel in ontvangst te nemen. Ik was overdonderd en vond het raar wat ze deed, zeer impertinent bovendien. Ik had helemaal geen zin in een beschonken knuffel van haar en ik zat evenmin te wachten op haar vergiffenis, maar dat zei ik niet. Ik glimlachte en stond als aan de grond genageld.

In een flits dacht ik terug aan de dag ervoor. Ze had bij mij in de rij gezeten in het publiek, ik op de derde stoel vanaf de zijkant, zij op de vijfde, en ze had zich met klem aan me voorgesteld. Na de pauze kwam ze te laat terug (de spreker was alweer van start gegaan) en wurmde ze zich tussen onze stoelen en de rij voor ons door. De ruimte was beperkt, gevuld met neergezette handtassen, rugzakken en goodie bags. Op de over elkaar geslagen benen rustten notitieblokken waarin aantekeningen werden gemaakt over vroegkinderlijk trauma, compassie, heling en zelfreflectie. Ze ging zitten en keek met een frons om zich heen. Ze nam royaal plek in en zat, anders dan in het eerste deel van de ochtend, wat bekneld. In de pauze was er namelijk een stoel aan de rij toegevoegd. Ik had de organisatie laten weten dat mijn collega helaas verlaat was en bij aankomst waarschijnlijk graag naast me zou willen zitten. Ik vroeg hoe we dat zouden kunnen regelen en de organisatiedame liep met me mee naar voren. Ze keek, liep naar achteren, kwam met een extra stoel terug en herschikte de rij een beetje. Ik was haar, omwille van mijn collega, dankbaar voor deze praktische aanpak en hoopte dat mijn collega snel zou kunnen aanschuiven.

De stoelen waren hierdoor echter ietsje dichter op elkaar komen te staan en dat wreekte zich nu: de rijgenoot voelde dat ze minder bewegingsruimte had en raakte geïrriteerd. Rusteloos beklaagde ze zich bij deze en gene om haar heen, waaronder ik. Ik fluisterde dat het kwam door de extra stoel. De blik in haar ogen werd feller, de energie die ze uitstraalde werd heftiger. Ze draaide, wiebelde, blies, hijgde, zuchtte en kreunde en eiste toen met meer volume een oplossing. Ik werd er ongemakkelijk van; iedereen zat, net als ik, met aandacht naar de spreker te luisteren en ik ervoer de situatie als verstorend. Aangezien we op de derde rij zaten, begon ik me bovendien bezwaard te voelen richting de spreker. Ik keek opzij; de mensen naast me hadden de ogen op hem gericht. Ik wilde ze niet afleiden en zag geen kans iets te ‘organiseren’ met die stoelen. Ik keek haar aan: “Als je wat eerder was gekomen, hadden we misschien wat kunnen schuiven, maar ik zie daar nu geen mogelijkheid toe…” Dat viel verkeerd. Haar mond verstrakte; haar ogen spoten vuur en ze draaide haar hoofd van mij af.

Later op de dag stond ze ergens achter me in de rij voor het signeren door de schrijver. Vlak voordat degene voor mij aan de beurt was, werd ons verzocht terug te keren naar onze plaatsen. We besloten de volgorde van de rij te onthouden en bij de volgende signeersessie opnieuw onze beurt af te wachten. Die beurt kwam, maar de boze dame drong zich naar voren in de rij om iedereen die vanaf de zijkant instroomde voor een handtekening, weg te sturen en hun uit te leggen dat achter aansluiten de bedoeling was. Nu ze toch al vooraan stond, probeerde ze van die plek gebruik te maken om haar eigen handtekening te scoren, hoewel wij met wat anderen rustig stonden te wachten. Ik maakte haar erop attent dat ze niet meer op de juiste plek in de rij stond. Ook dat viel niet goed en na afloop van de dag wilde ze met mij het gesprek aangaan over één en ander. Ik had inmiddels besloten dat ik er geen energie in wilde steken. Een deel van de dag was gewijd geweest aan het belang van leren ‘nee’ zeggen als je een ‘nee’ voelt. Dit leek me een goede mogelijkheid om weer te oefenen, dus ik zei vriendelijk: “Ik wil het er graag bij laten.” Haar gezicht maakte duidelijk dat dat als een verrassing kwam, maar ik zei het ‘firm and gentle’, zoals iemands benadering onlangs werd gekwalificeerd.

Dit alles ging door mijn hoofd, toen ze me na haar liefdesverklaring wilde laten opstaan voor een knuffel. Ik wilde weer ‘nee’ zeggen, maar zag niet hoe ik op dit moment onder haar avances uit kon komen zonder een scène te creëren. Strikt genomen en logisch bekeken lag de oorzaak van de eventuele scène natuurlijk niet bij mij maar bij haar; desondanks voelde het ingewikkeld. Mijn gedachten tuimelden over elkaar heen: “Ik wil dit niet! Ik walg hiervan! Ik vind dit verwerpelijk. Wat kan ik doen om dit op afstand te houden, om deze totaal ongewenste intimiteit op afstand te houden, kortom… om háár op afstand te houden?” Ik wist het niet, en voordat ik er erg in had, stond ik al en had ze haar armen om me heen geslagen en zoende ze me op mijn wang. Ik was geschokt en maakte me zo snel mogelijk los uit de omhelzing. Ze lachte, wauwelde nog wat en liep beneveld weg.

Even later kwam ze terug en maakte ze opnieuw statements waarmee ik niks kon. Ze wilde bovendien met me op de foto en voordat ik me kon verzetten en een stevige tegenwerping kon maken, voordat ik iets had bedacht wat ik vriendelijk doch dringend kon zeggen, was het alweer gebeurd. Ik heb de foto niet bekeken; ik kreeg ‘m niet en ik wil ‘m niet. Ze zei nog iets in de trant van dat ze blij was me te hebben ontmoet en dat ik zo bijzonder was. Ze droop aangeschoten af, en terwijl ik napraatte met iemand anders, zag ik dat ze zichzelf met Jan en alleman op de foto zette. Mijn nieuwe gesprekspartner was degene naast wie ik de hele avond aan tafel had gezeten en met wie ik een fijn gesprek had gevoerd. Ze stelde een foto van ons samen voor. We pakten elkaar beet, leunden tegen elkaar aan en lachend en klierend maakte ze een aantal selfies, die ze me de volgende dag toestuurde.

Het was echter nog niet klaar. De dronken dame kwam een derde keer naar me toe en stak nogmaals een lofdicht op mij af en hoe het wel vervelend was allemaal, maar dat we elkaar nodig hebben in de wereld en dat ze mij wilde bedanken voor hoe ik haar en haar gedrag had gespiegeld en dat ze er wat van had geleerd waarmee ze blij was. Ik was er niet zeker van dat haar cognitieve brein op dit moment werkelijk in staat was om gedegen leerervaringen op te doen of te reproduceren, maar ook nu besloot ik het erbij te laten. Ik had hier geen verantwoordelijkheid. Wel had ik gedachten over hoe datgene wat we met z’n allen overdag te horen hadden gekregen, aansloot bij het gedrag dat ze nu liet zien… en ook bij het gedrag dat ik zelf nu liet zien door geen ‘nee’ te zeggen, getriggerd te raken en mijn grenzen niet te bewaken.

Dat laatste aspect liet me niet los. Toen ik anderhalve dag later mijn wekelijkse CI-sessie had, besloot ik deze gebeurtenis in te brengen en met mijn ‘therapeut’ te reflecteren op mijn reactie. Daarover lees je volgende week meer!