Boekbespreking ‘Het bevuilde nest. Transgenerationeel trauma’ door José Al (English below)

“Wanneer zwijgen en ‘het uithouden’ een overlevingsmechanisme zijn geworden en de psyche en emoties geen kant meer op kunnen, dan doorbreekt het lichaam het stilzwijgen.”
“Als je opgroeit in trauma, wordt chronische pijn een achtergrondbehang waar je zo aan gewend bent dat het nauwelijks opvalt.”

Lichaam en geest als losstaande, onafhankelijk van elkaar functionerende delen van een mens… Al decennia geleden liet wetenschappelijk onderzoek zien dat we zo niet in elkaar zitten. Lichaam en geest zijn één geheel; invloeden van binnenuit en van buitenaf hebben voortdurend op heel genuanceerde manieren impact op hoe het met ons gaat. Als we voortdurend te zwaar belast worden, komt er echter een moment dat het lijntje breekt: we worden ziek of lopen anderszins vast. Dit wordt kernachtig weergegeven door deze twee citaten uit ‘Het bevuilde nest’ van José Al (respectievelijk op pagina 148 en 201).

Vroegkinderlijk trauma kruipt onder de huid en laat zich meestal vroeg of laat via het lichaam kennen als ziekte. De pijn van misbruik, verwaarlozing en emotionele overbelasting in de kindertijd kunnen zich ook uiten als emotionele problemen of sociaal disfunctioneren. De citaten stippen bovendien een heel bijzondere tegenstrijdigheid aan. Enerzijds geeft het lichaam signalen af die als teken van onderliggende pijn zouden moeten worden geïnterpreteerd. Anderzijds zijn degenen die met trauma zijn opgegroeid zo aan die pijn gewend, dat ze geneigd zijn die te negeren. Ze zullen die vaak niet bewust interpreteren als signalen van pijn die in het lichaam ligt opgeslagen.

Loskomen uit dit dilemma is waar het helingsproces omtrent trauma over gaat. Hoe kan een mens de pijn in het lichaam leren voelen en die met het hoofd leren begrijpen? Soms begint de heling bij het voelen in het lijf en soms begint het herstelproces met toegenomen kennis, die helpt om fysieke signalen goed te leren duiden. Wat als de veiligste route voelt, zal per persoon verschillen. Voor degene die zich met intellectuele vaardigheden een weg uit de ellende wist te banen, zal het een uitdaging zijn om zich (weer) meer door het lichaam te laten leiden. Voor degene die er via lichamelijke klachten in is geslaagd om bepaalde vormen van zorg en aandacht te krijgen die op een andere manier ontbraken, kan het een confrontatie zijn te ontdekken dat het lichaam via ziekte trauma weerspiegelt. Ziekte blijkt ineens niet slechts ‘pech’, maar kent neurofysiologische verklaringen. José Al laat met haar boek zien hoe ingrijpend het is om de eigen achtergrond te analyseren en het leven een andere draai te geven. sommige kinderen moeten doorstaan, is zó heftig, dat het waarachtig een wonder mag heten dat velen van hen er ondanks alles in slagen een ogenschijnlijk bevredigend bestaan op te bouwen. Daarom is het problematisch dat er nog zoveel stigma rust op openheid over misbruik, verwaarlozing en trauma. Volwassenen met een verwond innerlijk kind verdienen vooral compassie. In de woorden van Al: “Laten we (…) niet vergeten dat een kind dat een bevuild nest overleeft, wel bijzonder vindingrijk moet zijn in het overleven onder moeilijke omstandigheden. Het is gewend door te zetten wanneer alles tegenzit en mogelijkheden te zien waar anderen vast kunnen lopen” (p. 164). Met dat als uitgangspunt kunnen we, ook als samenleving, anders leren kijken naar mensen die geestelijk worstelen of het maatschappelijke tempo en de eisen niet (meer) kunnen of willen bijbenen.

 

De opbouw van het boek

Het boek is opgebouwd uit drie delen. Het eerste deel beschrijft het persoonlijke verhaal van het personage ‘Astrid’. We worden deelgenoot van haar heftige levensgeschiedenis, waarin heel veel gebeurtenissen nét niet tot aan het einde worden uitgeschreven. Zo blijft er voor de lezer een soort dreiging in de lucht blijft hangen, waardoor men enkel kan raden hoe een gebeurtenis zal aflopen – precies wat het leven voor een kind in een bevuild nest zo ingewikkeld maakt. Er is een constante dreiging en het kind is daardoor voortdurend hyperalert. Het kind leeft continu in opperste staat van paraatheid om alle signalen uit de sociale omgeving goed op te vangen en correct te interpreteren. Dat geeft wellicht de mogelijkheid te anticiperen op wat er komt.

Het tweede deel omvat, zoals de auteur het zelf noemt, de ‘toelichting en onderbouwing geschreven en benaderd vanuit mijn dagelijkse praktijk in de psychotraumahulpverlening’. Via een thematische bespreking komen allerlei aspecten aan bod van het leven van een kind dat met misbruik en verwaarlozing te maken heeft (gehad). Onderstaand benoemen we kort een aantal van de thema’s.

Onzichtbare persoonlijke grenzen – over een verminderde lichaamsbeleving, over privacy die met voeten wordt getreden, en over het continue zwijgen en de schuld en schaamte die daarbij horen.
Magisch denken – over de verklaringen die het kind zelf verzint om te begrijpen wat er gebeurt, over de hoeksteen en de molensteen, over rolomkering.
Verwevenheid met de verinnerlijkte daders – over de machtsverhoudingen tussen kind en ouder(s), over daarvan loskomen en de innerlijke terreur stoppen, over de dans tussen redder en slachtoffer.
Schaamte – over schaamte voor de ouders, over schuldgevoel, over het verbod op slechte gedachten over de ouders, over het daardoor ontstaan van een negatief zelfbeeld.
Maskerende mythes en blinde vlekken – over misvattingen: over slachtoffers, over thuis en moeders als veilige plek, over misbruik als enkel een verschijnsel binnen sociaal zwakkere milieus.
Verborgen trauma als een innerlijk slapende krokodil – over het verleden dat steeds het heden inhaalt.
Rouwen om ouders die je nooit gehad hebt – over het verdriet om wat je hebt gemist, ook als het je later beter gaat, en over mantelzorgers die geven wat ze nooit kregen (uit verlangen naar erkenning).

Het derde deel beschrijft de antwoorden op de onderzoeksvragen aan een populatie van tweehonderd cliënten. Zij geven aan wat het voor hen betekende om twee onveilige ouders te hebben.

 

Vormgeving van het boek

Het boek is prachtig vormgegeven. Het is in hardcover in een handzaam formaat uitgegeven en bevat mooie foto’s. Deze hebben een sobere, verstilde en toch ook warme kleurstelling, waarin de eenzaamheid bijna tastbaar is. Dat komt mede door de donkere tonen, die een verdrietige, zware sfeer neerzetten. Door het hele boek heen zijn veel gedichten opgenomen die aspecten van de besproken materie op poëtische wijze verwoorden. Wat fijn zou zijn, is een literatuurlijst en een trefwoordenregister.

Om de inhoud van dit boek goed op je te laten inwerken, hoef je geen professional te zijn. Het taalgebruik is toegankelijk en maakt het verdriet en de pijn zeer invoelbaar. Dat effect wordt mede bereikt door de royaal toegepaste beeldspraak in allerlei passages. Zo spreekt Al over ingehouden boosheid die in het lichaam kwaadaardig woekert in de vorm van tumoren (p. 37), over meubilair en serviesgoed dat door een agressieve ouder als door een wervelwind wordt vernield (p. 74), over willen verdwijnen in het afvoerputje, omdat je je zo kwetsbaar voelt tegenover je vader die plotseling in de douche tegenover jouw naaktheid staat (p. 85), over gebrek aan respect voor je persoonlijke grenzen dat voelt als ongenode vreemdelingen die hun gang gaan in je huis (p. 125), over de ervaring van allesomhullende onzekerheid die als een zware grijze sluierjas om het kind heen hangt en niet meer kan worden afgelegd (p. 131).

Conclusie

Interesse in onderwerpen rondom trauma is meestal gerelateerd aan eigen ervaringen. Velen van ons hebben in de kindertijd traumatische ervaringen opgedaan; hebben we die overwonnen of spelen die bewust of onbewust nog in hoe we functioneren? Hoe ben je je hiervan bewust in je rol als ouder, partner, leerkracht, zorgverlener, politieagent? Hoe spelen je eigen (onverwerkte) ervaringen mee in het contact met en je verwachtingspatronen richting de ander? Hoe oordeelt de neoliberale samenleving over mensen die het leven ingewikkeld vinden en vastlopen op de hoge eisen? Wat betekent het om als volwassene te concluderen dat je ouders niet het beste met je voor hadden? Of hadden ze dat wél, maar was hun werkelijkheid gebaseerd op hun eigen getraumatiseerde achtergrond?

Het boek roept heel veel vragen op en reikt enorm veel stof tot nadenken aan. Eén ding is zeker: het is moedig dat mensen hun verhaal vertellen, in welke positie ze ook zaten of zitten. Dat vraagt dikwijls om het tot op zekere hoogte loslaten van loyaliteit jegens ouders die het nest bevuilden, die hun kind geen veiligheid en geen liefdevolle start konden bieden. Ook degenen die niet met zwaar seksueel misbruik door beide ouders te maken hadden, maar zich thuis wel vaak onveilig hebben gevoeld, zullen veel dingen herkennen. Dat kan inzicht in en compassie jegens de eigen geschiedenis voeden.

Voor professionals is het boek daarnaast een krachtig statement: wanneer het niet lukt om de cliënt of patiënt zich veilig te laten voelen bij jou, als je er niet in slaagt ‘voorbij de eigen blinde vlekken’ te kijken (p. 110), wanneer je niet de moeilijke vragen durft te stellen, dan bestaat het risico dat je trauma toevoegt in plaats van heelt. Jouw moed, je betrokkenheid en je zachtheid in het contact met overlevenden van misbruik, verwaarlozing en trauma kunnen een wezenlijke factor zijn in hun herstel. Wanneer jij je durft te laten raken door wat bij hen onder de huid is gekropen, kan er werkelijk verbinding ontstaan tussen jou en je medemens… en wellicht tussen jou en je eigen innerlijke kind. Dit boek geeft daarvoor een schat aan materiaal en de uitnodiging om ‘met een ruimere blik om ons heen [te] durven kijken’, lijkt ons het aannemen meer dan waard!

Posted in Boek- en filmbesprekingen.