Boekbespreking ‘Ik zweer trouw – Jezelf zijn in een uniforme wereld’ door Michiel van der Pols, Deel 2

Eerder deze week besprak ik de inleidende hoofdstukken uit ‘Ik zweer trouw – Jezelf zijn in een uniforme wereld’, geschreven door Michiel van der Pols. Mocht je inmiddels ook de podcastaflevering met hem hebben beluisterd, dan heb je gehoord dat we tegen het einde ook de cover van zijn boek hebben besproken.

Ik was nieuwsgierig naar de inhoud van het boek, maar bespeurde aanvankelijk enige aarzeling bij mezelf door de wat nationalistisch ogende cover. Mijn echtgenoot besloot begin jaren 80 om op grond van gewetensbezwaren militaire dienst te weigeren en ik kon mij daar zeer van harte in vinden. Het hele concept van militaire agressie stond me tegen en ook trouw zweren aan een organisatie (of zonder tegensputteren protocollen volgen die wetenschappelijk achterhaald zijn) vind ik al decennialang een zeer ingewikkeld concept. De titel, ‘Ik zweer trouw’, in rood (‘Ik’), wit (‘zweer’) en blauw (‘trouw’) op de cover, op de bovenste een derde aangevuld met een Nederlandse vlag waaronder een hand met twee opgestoken vingers te zien is tegen een donkergrijze achtergrond… ik wist niet zo goed hoe ik al die symbolen geacht werd te duiden. Vreemd genoeg oogden de twee opgestoken vingers (ringvinger, pink en duim dubbelgevouwen) door de vormgeving bij een snelle blik ergens als een opgestoken middelvinger. Was het de bedoeling dat ik die suggestie zou meewegen in mijn interpretatie en verwachtingen…? Ik wist het niet. De ondertitel, ‘Jezelf zijn in een uniforme wereld’, gaf al een stevige nuance aan het één en ander en ook de beschrijving op de achterkant gaf me het gevoel dat er wat bijzonders tot stand was gekomen met dit boek.

Dat is na lezing inderdaad mijn conclusie: dit boek verdient breed aandacht, reden waarom ik Michiel vroeg gast te zijn in de ACE Aware NL-podcast ‘Voed de veerkracht’. Zijn visie is namelijk een hartstochtelijk pleidooi voor een andere maatschappelijke blik op het omgaan met emoties. Wanneer leidinggevenden zich bewust zijn van de impact van vroegkinderlijk trauma en de kennis over de impact van het onderdrukken van emoties werkelijk integreren, zal hun leiderschapsstijl veranderen. Natuurlijk is het belangrijk dat traumasensitiviteit maatschappijbreed in het DNA gaat zitten en kinderen zonder ACE’s opgroeien. Wanneer de inzichten echter ingebed raken in de cultuur van grote, belangrijke organisaties, ontstaat er in ieder geval meer ruimte voor mensen om te helen, juist ook wanneer ze in hun kindertijd niet de gewenste veerkracht konden ontwikkelen. Juist ook in de hoog-risico sector, waar mensen belangrijk en regelmatig ook gevaarlijk werk doen om de vrede, vrijheid en veiligheid van anderen te waarborgen, is het van belang dat het mentale, emotionele welzijn van medewerkers de zorg krijgt die het verdient. Dat vraagt om aandacht voor de cultuur in de betreffende organisaties, zodat allerlei dynamieken een gezonder karakter krijgen en veerkracht wordt ondersteund.

Organisaties als de krijgsmacht en de politie hebben echter heel oude sociaalmaatschappelijke wortels, van waaruit de hiërarchische structuren kunnen worden verklaard. Dat maakt het dan ook een taak van formaat om tot een omwenteling te komen. In Hoofdstuk 7 geeft Michiel een overzicht van de geschiedenis van de krijgsmacht vanaf de 15e eeuw. Het strikte, hiërarchische klimaat is vaak een belemmering voor empathie. De angst om fouten te maken en daarvoor te worden (af)gestraft, voedt binnen deze (en ook in iedere andere) organisatie een heel toxische cultuur. Michiel heeft dat zelf aan den lijve ondervonden: “Het voelde alsof het binnen de kazernemuren altijd ernst was. Alsof het altijd oorlog was en we daarom op deze manier met elkaar moesten omgaan. (…) Goed gedrag wordt beloond, fout gedrag wordt bestraft” (p.215), mogelijk met een berisping, boete, strafdienst of uitgaansverbod als gevolg en, indien ernstiger, met tuchtmaatregelen uit het Militair Strafrecht. Afwijken van de uniformiteit in gedrag wordt als snel als lastig en bedreigend gezien en maakt iemand in de ogen van de leiding veelal onbetrouwbaar (p.216). Dat botst met hoe Michiel daar inmiddels naar kijkt, namelijk: “Hoe authentieker en zelfbewuster, hoe betrouwbaarder wat mij betreft” (p.326). In contact staan met de eigen emoties komt volgens Michiel je professionaliteit dus enorm ten goede. Die visie is revolutionair vernieuwend voor organisaties waar het opvolgen van orders vaak nog prominent in het systeem verankerd is.

Michiels visie is gebaseerd op inzichten die hij heeft verworven als doorbraakcoach. Deze zijn nauw verbonden met inzichten uit het traumaveld, waarin emoties en gevoelens als het innerlijke, richtinggevende kompas worden gezien. Ze zijn signalen van het lichaam die je duidelijk maken wat je te doen hebt. Michiel heeft zijn inzichten in vijf rode draden samengevat:

  1. Drijfveren (over de motivatie voor beroepskeuze: vanuit hoofd, niet vanuit hart)
  2. Identiteit (over de mate van identificatie met de professionele rol)
  3. Gevoel en emoties (over de moeite met het tonen daarvan en van eigen behoeften)
  4. PTSS (over PTSS als druppel in een emmer die overvol is als gevolg van jeugdtrauma)
  5. Onveiligheidsbeleving (over moeite met helemaal jezelf zijn, zowel in de kindertijd als nu)

De hoofdstukken 3, 4, 5 en 6 zijn gewijd aan deze aspecten; een groot aantal verhalen van mensen uit zijn coachpraktijk laat zien hoe deze thema’s voor hen een rol speelden in hun beroeps- en privéleven. De moeizame kanten ervan maakten dat mensen op allerlei fronten vastliepen en in een persoonlijke crisis belandden. Dat die mensen bereid waren om met naam en rang in Michiels boek te verschijnen en het verhaal van hun herstelproces te delen, laat de behoefte en bereidheid zien om kwetsbaarheid te tonen. Zo kunnen ook anderen moed vinden om de wijze waarop ze in hun werk met emoties omgaan, een andere wending te geven. In het boek en ook in de podcast zegt Michiel zichzelf als vertolker te zien van hun boodschap, die veel raakvlakken heeft met zijn eigen verhaal.

Mooi om te zien is dat Michiel een link legt tussen leidinggeven en ouderschap: “Opvoeden is bijna net zoiets als leidinggeven. Je leeft jouw kinderen voor en bent met jouw gedragingen hun spiegel. In hoeverre ben je in staat als ouder jezelf te zien en kan je ook jouw kind zien voor wie het werkelijk is? (…) De mate waarin de ouders trouw zijn aan zichzelf is de spiegel voor het kind ook trouw te zijn aan zichzelf” (p.201). Spiegels… een mooi en kernachtig beeld! Immers… de culturen in bepaalde organisaties en in samenlevingen als geheel (middelgrote en grote systemen) zijn een afspiegeling van de kleine systemen waarin we opgroeien: ons gezin van herkomst. Wanneer we ons daar gezien en vrij en veilig weten, kunnen we op constructieve, veerkrachtige wijze bijdragen aan welke organisatie of welk systeem dan ook.

Als altijd heb ik ook Michiels boek met een potlood in de hand gelezen, zodat ik aantekeningen kon maken bij mooie passages en belangrijke zinsneden. Dat zijn zoveel onderstrepingen geworden dat ik ze hier niet allemaal kan bespreken, hoezeer ze ook de moeite van het aanstippen waard zijn. Kortom: ga dat boek lezen, lieve mensen! Ergens benoemt Michiel de mogelijkheid dat hij dingen te veel heeft ‘platgeslagen’, maar dat was zeker niet mijn ervaring bij het lezen. Ik las een prachtig verhaal met specifieke nuances en veel relevante casuïstiek. Dat Michiel daarbij zo open is over zijn eigen kennis- en bewustzijnsachterstand in het begin van zijn carrière, geeft het boek voor mij veel overtuigingskracht. Hij stelt vragen die ertoe doen en maakt statements die ertoe doen, zoals bijvoorbeeld deze, op de laatste pagina, als hij samenvat wat er volgens hem nodig is voor een holistische benadering van het levensverhaal van mensen en dus voor een cultuurverandering: “Het vraagt om moed om oude gedragingen los te laten die niet meer passen bij de tijd van nu. (…) Het vraagt om de wil om bovenal trouw te zijn aan onszelf” (p.328). Wow, wat een mooie slotwoorden – wat een prachtige, bijna spirituele omkering van de woorden op de cover!

Boekbespreking ‘Ik zweer trouw – Jezelf zijn in een uniforme wereld’ door Michiel van der Pols, Deel 1

Via een post op LinkedIN raakte ik op de hoogte van het werk van Michiel van der Pols, die zich als oud-marinier toelegt op het begeleiden van mensen die vastlopen in de hoog-risico sector. Hij doet dat in zijn rol als ‘doorbraakcoach’, waarin hij met mensen op zoek gaat naar waar de gedragspatronen die nu belemmerend werken, ooit zijn ontstaan. In de loop van de tijd is hij daar duidelijke patronen in gaan ontdekken en in zijn boek ‘Ik zweer trouw – Jezelf zijn in een uniforme wereld’, zet hij die patronen, die hij ‘rode draden’ noemt, in negen stevige hoofdstukken gedetailleerd uiteen. Na een aarzelende start was ik zeer gefascineerd en heb ik het dik 300 pagina’s tellende boek, gepubliceerd in het voorjaar van 2023, rap uitgelezen.

Na het voorwoord door de commandant van het Korps Mariniers vertelt Michiel in vijf inleidende pagina’s wat hem tot het schrijven van zijn boek bracht. Daarin is hij meteen heel open over hoe hij jarenlang allerlei emoties in zichzelf had onderdrukt die uiteindelijk met alle kracht naar buiten kwamen: “Als kind al voelde ik weinig ruimte voor mijn eigen mening (…) Over mijn eigen problemen sprak ik niet (…) en bij het Korps Mariniers zette ik dit gedrag gewoon door” (p.17,18). In de sessies die hij geeft, blijken dergelijke oude familiedynamieken voor veel mensen van grote invloed te zijn op huidige overtuigingen en gedragspatronen. Die zijn vaak zo diep ingesleten dat het moeilijk blijkt eruit te stappen, maar “Groei binnen een comfortzone is maar zeer beperkt mogelijk” (p.21) en dus vergt verandering veel moed. De rest van het boek gaat in essentie over de onderliggende mechanismes en over de stappen die nodig zijn voor verandering. Het boek is rijk aan openhartige verhalen van mensen in de hoog-risico sector die samen met Michiel die uitdaging tot verandering zijn aangegaan en daarmee de emotionele verbinding met zichzelf herstelden.

Vanaf pagina 27 licht Michiel in acht pagina’s de kern van zijn gedachtegoed toe. Kinderen worden geboren met een aantal basisbehoeften en ontwikkelen manieren om te zorgen dat daaraan tegemoet wordt gekomen; het kind “beschermt zich tegen dat wat als onplezierig ervaren wordt” (p.27). Hoe dichter het kind bij de authentieke kern kan blijven, hoe gezonder en gelukkiger het zal zijn. Raakt het kind van zichzelf verwijderd en vervreemdt het van die authenticiteit, dan is er sprake van trauma. Hoe meer aanpassingen het kind doet, hoe meer compromissen het sluit, hoe subtiel en onzichtbaar die voor de buitenwereld ook zijn, des te meer de innerlijke balans wordt verstoord, met alle mogelijke problemen voor de lange termijn: “Als je jezelf lang aanpast en niet trouw bent aan wat jij nodig hebt, gaat het lichaam daarop reageren. De disbalans gaat zich uiten in een burn-out, depressie, verslaving, PTSS, vreemdgaan of het aangaan van ongezonde relaties” (p.29,30). Er ontstaat als het ware een aangepaste identiteit, die wordt verward met de eigen identiteit.

Relaties en werkomgevingen worden uitgekozen op die aangepaste identiteit en de hoog-risico sector kan dan aantrekkelijk zijn: die geeft een krachtige identiteit en moedigt aangepast, (letterlijk en figuurlijk) uniform gedrag aan. Anders gezegd: de cultuur in veel hoog-risico organisaties is zodanig dat mensen die hebben geleerd zich aan te passen, daar lange tijd ogenschijnlijk goed kunnen functioneren. Vooral het onderdrukken van emoties (nodig om het veeleisende, dikwijls gevaarlijke werk te kunnen doen) leidt uiteindelijk echter heel vaak tot het vollopen en overstromen van de emotionele emmer.

In Hoofdstuk 1 vertelt Michiel zijn persoonlijke levensverhaal. Hij blikt terug op hoe hij zich thuis onbewust leerde afsluiten en zijn emoties blokkeerde, hoe hij zich aanwende om alles alleen te doen en slechts op zichzelf te vertrouwen, hoe zijn rol als marinier hem houvast gaf en een mogelijkheid om te laten zien dat hij ertoe deed, hoe het individualistische denken vakkundig werd omgezet in collectief denken, en hoe hij zich op een gegeven moment realiseerde dat hij met het afleggen van de militaire eed gehoorzaamheid en onderwerping had beloofd aan een systeem dat hem ook mocht straffen als hij dat niet (goed) deed (p.51). Veel van zijn drijfveren waren niet authentiek, maar keuzes vanuit gemis waarbij hij veel van zijn authenticiteit opgaf in de zoektocht naar veiligheid.

Door uiteenlopende gebeurtenissen werd hij zich ervan bewust dat hij meer van zichzelf mocht laten zien, omdat hij daarmee ook meer van de ander te zien kreeg en veel diepgaandere verbindingen met anderen kon opbouwen (p.64). De ontmoeting met zijn huidige vrouw, die hij herkende terwijl hij haar nog niet kende, deed zijn hart helemaal opengaan en maakte hem duidelijk hoezeer hij zichzelf jarenlang had verstopt. Zijn aandacht verschoof van focus op het oordeel van de buitenwereld naar liefdevolle aandacht voor zijn eigen binnenwereld. Hij ging een intensieve persoonlijke helingsreis aan en daardoor ontstond ook de moed om beroepsmatig een andere koers te kiezen. Dat is hoe hij doorbraakcoach werd: zijn ervaringsdeskundigheid werd de basis voor het begeleiden van anderen die op zoek zijn naar herstel van de verbinding met hun authentieke zelf.

Michiel voelde een diepe drang zijn nieuwe beroep als coach zo gestalte te geven dat hij trouw bleef aan zichzelf: “Op een no-nonsense en impactvolle manier wilde ik anderen helpen hun blokkade op hun gevoelswereld te doorbreken en hun angsten om ‘gewoon’ zichzelf te zijn onder ogen te komen. (…) Als ik het zelf al niet doe, hoe zou ik dan een ander daarmee kunnen helpen?” (p.70).
De doorbraak die hij zijn gesprekspartners gunt, is dat ze via de tijdslijnen waarmee hij werkt, de weg terug vinden van denken met het hoofd, van analyseren, rationaliseren, compliceren en bagatelliseren van wat er in hen leeft, naar voelen met het hart, naar tolereren, valideren, accepteren en integreren – de wijze waarop we als baby ons leven beginnen. Daardoor kan er ruimte ontstaan om toe te groeien naar waarlijk weten vanuit de bron, naar realiseren en manifesteren, naar sensitiviteit die ons als mens met het goddelijke verbindt.

Later deze week volgt het tweede deel van deze boekbespreking, waarin ik de ‘rode draden’ die Michiel heeft gevonden, zal bespreken, naast nog een aantal theoretische punten die in het boek aan de orde komen. Ik had bovendien een prachtig podcastgesprek met hem, dat tussen deze twee blogdelen in online zal komen. Houd de socials in de gaten!

Boekbespreking ‘Vadervuur’ door Jeroen de Jong, Deel 2

Eerder deze week deelden we Deel 1 van deze boekbespreking; vandaag lees je Deel 2.

Zoals gemeld bevat ‘Vadervuur’ veel essentiële vragen, vragen die een open, zelfreflectieve houding vereisen en Jeroen zegt dan ook: “Bewust en betrokken vaderschap is niet voor watjes” (p. 42). Hij kaart aan dat er een verschil is tussen ontspanning en ontsnapping; er is ook vaak een verschil tussen wat we willen en denken te zijn en dat wat we daadwerkelijk doen (p. 47). Dat spanningsveld vraagt om regelmatig terugkerende momenten van stilstaan, afscheid nemen, achterlaten en rouwen (p. 54). Het heeft ook raakvlakken met de ACE’s die we als kind wellicht te verduren hadden. Zeker voor mannen kan dit een ingewikkeld thema zijn. Stoer zijn, doorgaan, niet klagen… dat zijn eigenschappen die in mannen vaak nog worden gewaardeerd, terwijl ze betrokken vaderschap in de weg kunnen staan. Bij reflectie kunnen ceremonies behulpzaam zijn, rituelen die overgangsmomenten markeren. Dat is één van de redenen waarom Jeroen en Wendy samen zo dol zijn op de zweethutten die ze met regelmaat organiseren (en waarvan ik een toegewijde bezoeker ben). Zweethutten zijn een manier om heel fysiek aandacht, tijd en ruimte te schenken aan wat er in je leeft. Ceremonies, welke dan ook, kunnen behulpzaam zijn om emotioneel in contact te blijven met wat belangrijk voor je is en om vast te stellen op welke manier je grenzen wilt trekken opdat je de ‘heilige ruimte’ (p. 59) van je ware Zelf, van je thuis en van je gezin goed kunt beschermen. Daarmee creëer je voor iedereen veiligheidsbeleving.

In heel dat spannende en uitdagende ouderlijke avontuur kun je daarom soms wel wat wijze raad gebruiken. De ‘elders’ (niet de ‘elderly’ – niet de oude, maar de rijpe, wijze mensen) zijn daarbij in veel culturen van groot belang. In de westerse wereld zijn we niet (meer) zo vertrouwd daarmee. Er zitten in feite twee richtingen in dat concept, en beide vragen kwetsbaarheid. De jongere vader kan van de oudere leren, van alles wat diegene al heeft doorleefd. En het omgekeerde is ook waar: oudere vaders (en opa’s) kunnen ook leren van de nieuwe inzichten die de jongere vaders delen. Dat is waarom Jeroen blij is dat zijn groepen heel divers zijn samengesteld, zoals ook tijdens de theateravond bleek. Veel ‘ervaren’ vaders in Jeroens groepen zijn bereid om verder te groeien in een nieuwe persoonlijke en maatschappelijke werkelijkheid, met nieuwe kennis en ervaring, met wat minder ego. Ook als je gezin al ouder is, als je kinderen al de deur uit zijn… dan nog heb je als ouder invloed op de cultuur in je gezin en blijft het ‘voorleven’ dat Jeroen aan het begin van zijn boek bepleit, van grote invloed en betekenis: “Iedere meester zou trots moeten zijn als zijn leerling hem overstijgt. Zo komen we verder met elkaar” (p. 67).

In wat we meenemen van hen die ons voorgingen, wordt zichtbaar hoe we als kind zijn ‘gemarineerd’ (p. 79): “Hoe beter je het nest kent waar je vandaan komt, hoe fijner het nest zal zijn dat jij bouwt voor jouw kinderen” (p. 80). In één van de hoofdstukken in dit deel over ouders stelt Jeroen dat die meestal diep geworteld zijn en meestal niet meer zo gemakkelijk in beweging te krijgen. Hij zegt dat de kans op verandering het grootst is als je als vader zélf in actie komt en niet wacht op hún stappen. Hoewel ik het ermee eens ben dat je zelf stappen kunt zetten als de benadering van je ouders niet overeenstemt met je eigen levensvisie, zou ik graag wat meer nuance aanbrengen in dat waartoe die ouders (nog) in staat zijn. Anders dan Jeroen ben ik al grootouder en ook die rol vraagt een heroriëntatie. Ik heb gemerkt dat dat juist ook weer een krachtige motivatie is om in beweging te komen, om de wortels een beetje op te (laten) graven en te onderzoeken of ze met wat spitwerk tot nieuwe groei zijn aan te moedigen. Dat kan voor de verse loten aan de boom heel heilzaam zijn (en regelmatig een zweethut bijwonen is daarbij heel behulpzaam… 😉).

Er is nog veel meer moois over ‘Vadervuur’ te vertellen, maar ik zou zeggen: ga het lezen, dat boek; als jonge vader zul je er veel uit halen, maar als moeder ook. Het boek geeft lucht, is zacht en vriendelijk, heeft grappige zelfspot en vrolijke humor. De holistische benadering is een verademing. Die moedigt aan de eigen emoties te herkennen en erkennen, die in jezelf en die in je oorspronkelijke en huidige familiesysteem. Heb vertrouwen in jezelf en in je kind en bedenk: “Voorleven is jezelf ontwikkelen met je kinderen als externe motivatie” (p. 147). Dat vraagt ook om ‘sorry’ te leren zeggen naar je kind, zodat jullie relatie veilig blijft voelen en je geen misbruik maakt van de onvermijdelijke macht die je als ouder hebt (p. 168). Weliswaar zul je grenzen hebben, maar je kind heeft die ook en ze verdienen over en weer te worden gerespecteerd. Daarmee stimuleer je de eigenheid van je kind.

Tegelijk is het ook mooi als er een zekere grenzeloosheid mag zijn, een puur en oprecht enthousiasme dat is gekoppeld aan gretigheid en een gevoel van overvloed. Jeroen omschrijft het als “happy, thank you, more please” (p. 223), een manier om los te komen van het vaak zo indringende ‘scarcity thinking’ dat meestal op trauma is gebaseerd. Denken in termen van overvloed, vanuit authenticiteit, zonder masker op, geeft een andere persoonlijke en gezinsdynamiek. Dat is niet altijd simpel, maar daarom eindigt Jeroen het boek met zijn motto: “Wel zelf doen, maar niet alleen” (p. 229), als uitnodiging om elkaar op te zoeken en van elkaar te leren. Dat is een belangrijke uitnodiging, want de overtuiging dat we ‘sterk’ moeten zijn en dat we de moeilijke dingen in het leven alleen moeten doen, is één van de veelvoorkomende traumaresponsen na een kindertijd met ACE’s. Jeroens aanmoediging tot openheid, sociale verbinding en uitreiken naar je ‘peers’, je collega-vaders, is daarom een belangrijke boodschap.

Ik heb genoten van ‘Vadervuur’ en één dezer dagen is ook de podcast met Jeroen online gekomen. We spraken elkaar vrij kort nadat het boek uitkwam en hadden een heerlijk gesprek over al deze thema’s. Je vindt de podcast hier .

Boekbespreking ‘Vadervuur’ door Jeroen de Jong, Deel 1

Wanneer je eenmaal in kringen van ‘Attachment Parenting’ en responsief, sensitief ouderschap terechtkomt, dan zijn er diverse mensen die je telkens weer zult ontmoeten. Eén van die mensen is Jeroen de Jong. Sinds 2013 is hij actief in een belangrijk deel van het ouderschapsveld, namelijk bij de jonge en oudere, rijpere en groene vaders, die allemaal op hun eigen manier zoekende zijn naar een vorm waarin ze gestalte kunnen geven aan hun rol als mannelijke ouder van hun kind(eren). Het is prachtig om te zien hoe Jeroen zijn plek gevonden heeft met het organiseren van allerlei activiteiten voor ‘betrokken vaderschap’ en hoe hij in dat avontuur niet alleen figuurlijk, maar ook letterlijk het vuur brandend wil houden. Nog mooier is dat hij daarover nu ook een boek heeft geschreven, zodat iedereen gemakkelijk toegang heeft tot zijn visie.

De officiële presentatie van ‘Vadervuur – Volg je eigen opvoedkoers en word de vader die je je kind gunt’ vond plaats op 31 mei 2023 in theater De Slinger in Houten en anders dan bij de meeste andere ouderschapsevents was de zaal nu in meerderheid gevuld met mannen. In de hal stonden stapels boeken klaar, die na de voorstelling werden uitgereikt aan degenen die een exemplaar hadden besteld of ter plekke besloten te kopen. Zoals de theateravond een feestje was, is het boek dat ook.

Onder de titel op de okergele cover staat een getekende zwartwit afbeelding met twee mannen en drie kinderen. De kinderen houden een stok met een marshmallow in de hand, die ze dicht bij de vlammen van een kampvuurtje houden. De vlammen zijn rood en het vuur lijkt lekker te branden. Onder Jeroens naam staat ‘De Praktijkvader’, de naam van het eigen bedrijf dat hij samen met zijn vrouw Wendy nu al geruime tijd runt en die bovendien aangeeft dat hij het putten uit de dagelijkse praktijk een warm hart toedraagt. Niet de regels staan voorop, maar de alledaagse realiteit. En die realiteit is onder andere dat betrokken vaders een zeer belangrijke rol vervullen voor een gunstige ontwikkeling van welzijn en gezondheid in hun kinderen en zo dus bijdragen aan de preventie van ACE’s.

‘Vadervuur’ heeft 53 korte hoofdstukken, ondergebracht in zeven themadelen, namelijk Ruimte maken (9 hoofdstukken), Inwijding (7), De plek van je ouders (8), Denken, voelen, doen (7), Van opvoeden naar voorleven (11), Ouders én geliefden (6), en tot slot: De wereld in (5). Dat is een mooie verdeling: ze wekt de indruk dat het belangrijkste van Jeroens boodschap is dat ‘opvoeden’ een lastig begrip is en dat het ouderschap meer om ‘voorleven’ gaat. Als je het mij vraagt, is dat inderdaad wat hij wil zeggen. En dan komt het er dus op aan hoe we als ouders in het leven staan en hoe we met zaken omgaan. Daarbij blijkt het voor de meesten van ons van groot belang te zijn hoe krampachtig of hoe krachtig we zijn verbonden met wat onze ouders ons leerden en voorleefden. Wat nemen we daarvan mee en wat laten we daarvan los? Wat hebben onze kinderen van ons nodig? Kunnen we in wat Jeroen de nieuwe wereld van het ouderschap noemt, open kijken, zonder oordeel, kinderlijk nieuwsgierig? In de zeven delen van het boek gaat Jeroen op zoek naar antwoorden op onder andere die vragen en ieder deel begint met een quote van een auteur die daarover waardevolle dingen heeft gezegd.

Jeroen probeert in zijn boek niet om het beter te weten dan degenen die hij toespreekt. Wat hij doet, is je deelgenoot maken van de ontdekkingsreis die hij zelf aanving met de geboorte van zijn oudste kind. Tijdens die reis, die nog altijd doorgaat, waren de (uiteindelijk drie) kinderen zijn grootste spiegel, waarin hij zag wat hij nog te leren had: “Mijn kinderen groeiden op en ik groeide met hen mee” (p. 13). Het boek is op een bepaalde manier een weergave van wat zich tijdens dat opgroeien de afgelopen twintig jaar allemaal heeft voorgedaan in zijn gezin en hij deelt de inzichten die hij heeft opgedaan.

Eén van de belangrijkste daarvan is dat een kind eigenlijk hetzelfde wil als jijzelf destijds: “iemand die er voor je was, helemaal, volledig aanwezig en zonder voorwaarden” (p. 31). Dat lukt beter wanneer ouder en kind niet te veel zorgen hebben. Hoe meer we denken dat we van alles moeten doen om die kinderen ‘goed’ te krijgen (opvoeden!), hoe moeilijker het allemaal wordt. Jeroen vertelt een mooi verhaal over een foto van zijn anderhalf jaar oude oudste zoon waarvan de levenslust afspatte, waarop een vriend zei: “Zo Jeroen, die kun je alleen nog maar verpesten” (p. 33). Daarmee is de toon gezet: niet meer aan ze willen sleutelen: “We mogen stoppen met opvoeden, want juist daar begint de ellende” dus: “Hoe kun jij die sprankelende vader zijn waar je kind op zit te wachten?” (p. 34). Dat is een mooi uitgangspunt voor een boek dat in de meeste boekhandels vermoedelijk toch ergens in het vak ‘Opvoeding’ zal belanden.

Opmerkelijk en verfrissend vond ik de talloze vragen in het boek. Veel hoofdstukken zijn er rijkelijk van voorzien, van vragen die confronterend kunnen zijn, maar waarop de antwoorden richting kunnen geven aan hoe je als vader (en ook als moeder) je ouderschap wilt vormgeven. “Wat zijn de behoeftes van dit kind? Welk offer vragen die behoeftes van mij? Wat heb ik als kind het meest gemist? Leef ik nog in overeenstemming met wie en hoe ik wil zijn?” Op allerlei manieren exploreert het boek deze thema’s via persoonlijke verhalen en deskundige vragen. De relevantie van dit soort vragen is groot, want als we ze eerlijk en diepgaand onderzoeken, komen we vaak oog in oog te staan met onze eigen levensgeschiedenis en met de pijn die daar ligt opgeslagen en ons handelen als ouder beïnvloedt.

Later deze week volgt Deel 2 van de boekbespreking.

 

 

 

 

 

 

Boekbespreking ‘Ik werk al (ik krijg er alleen niet voor betaald)’ door Lynn Berger, Deel 2

Zoals in Deel 1 aangekondigd, zal ik in dit blog wat dieper ingaan op mijn bezwaren tegen een benadering waarin wordt gesteld dat de zorg voor heel jonge kinderen niet per se door vrouwen hoeft te worden gedaan, omdat mannen dat precies net zo goed kunnen. Anders gezegd: ik zal ingaan op het verschil tussen gelijkheid en gelijkwaardigheid.

Ik sprak met twee mensen over het boekje ‘Ik werk al (ik krijg er alleen niet voor betaald)’. Eén van hen zei er dit over: “In al die maatschappelijke discussies over mannen vrouwen, arm en rijk, praktisch en academisch opgeleid, schiet wat mij betreft het onderscheid tussen gelijkheid en gelijkwaardigheid ernstig tekort. Gelijkheid is in veel gevallen simpelweg niet aan de orde, en het streven ernaar dreigt in mijn ogen de unieke waarde van ieder in gevaar te brengen. In dit geval heeft dat te maken met vrouwelijkheid, niet de vrouwelijke eigenschappen waarover mannen evenzogoed kunnen bezitten, maar alleen al het vrouwenlijf, dat een bepaalde rol met zich meebrengt, in dit geval gericht op die kleine hummeltjes.”
De ander zei dit: “Wat ik wel mis in haar boek is jouw vraag: wat wil het kind?” Iets specifieker gesteld is mijn vraag meestal: ‘Wat heeft het kind nodig?’ Dat is een wezenlijk verschil, maar ik ken de vraagsteller goed en weet dat die dat ook bedoelt.

De inhoud van deze opmerkingen was precies waarover ook ik zorgen had tijdens het lezen: wéér gaat het over wat mannen en vrouwen *willen* en nauwelijks over wat het onrijpe kind *nodig heeft*. Ik deel van harte de stelling van Berger dat ‘het kapitalisme parasiteert op onbetaalde zorgarbeid’ (p. 65). Daarnaast parasiteren we als samenleving echter met z’n allen op huidig en toekomstig welzijn van kinderen en op hun gezondheid nu en later, als we in deze welkome en belangrijke discussie andermaal vergeten te praten over wat op grond van de biologische blauwdruk en de evolutionaire erfenis hun behoeften zijn. Die behoeften moeten we echt onder ogen zien; de evidence is overweldigend.

 

De genoemde film ‘In Utero’ keek ik in het kader van het lunchwebinar van ‘Alles is Gezondheid’, dat op 16 mei 2023 plaatsvond en waarin Tessa Roseboom en Anna Verwaal aan de hand van de film vertelden over de invloed van de prenatale omstandigheden op het volwassen leven (zie ook hier). Ook daarin kwam duidelijk naar voren hoezeer het moederlichaam een onvergelijkbare rol speelt en niet zonder meer kan worden gelijkgesteld met wat een vader een pasgeboren baby te bieden heeft. Willen we een gezonde nieuwe generatie naar volwassenheid begeleiden, dan zullen we dus écht rekening moeten houden met wat onze kinderen nodig hebben. Zij zijn zonder meer ‘gebaat bij een rijke schakering aan rolmodellen opvoedstijlen en verzorgers’ (p. 71) en het is helaas ook waar dat ‘veel gezinnen helemaal geen veilige, warme of liefdevolle plek zijn om in op te groeien’ (ibid.). Dat is precies de reden dat het inderdaad ‘een collectieve verantwoordelijkheid’ is (ibid.) om de samenleving zo in te richten dat kinderen niet met toxische stress opgroeien.

Het is echter de vraag of ‘kinderopvang (…) als een basisvoorziening’ een plek is waar ‘ieder kind de kans krijgt zich zo goed mogelijk te ontwikkelen’ (p. 74). Voor sommige kinderen zal de kinderopvang inderdaad een betere plek zijn dan thuis. Als dat zo is, is dat heel verdrietig. Dat vraagt met hoge urgentie toegewijde zorg voor de ouders, zodat zij hun vaardigheden kunnen vergroten. Veelal is daarvoor traumaheling nodig. Voor veel andere kinderen zal thuis, zeker in de eerste, kwetsbare jaren waarin het kind nog zo klein en onrijp is, de allerbeste plek zijn, met name wanneer ouders stabiel en goed gereguleerd zijn en niet continu gestrest hoeven zijn over de meest basale kwesties in het leven, zoals een fatsoenlijk gehonoreerde baan, een betaalbare woning, en nutsvoorzieningen die niet ten koste hoeven gaan van de wekelijkse gezonde boodschappen.

Wanneer we vanuit een dergelijk perspectief kijken naar verdeling van arbeid, naar de strijd tussen betaald en onbetaald werk, naar de roep om financiële en maatschappelijke erkenning voor zorgarbeid in de thuisomgeving, zien we dat gezondheid en taakverdeling een sterk politiek karakter hebben en niet slechts een individuele verantwoordelijkheid zijn. Het wordt dus tijd dat we gezondheid niet langer depolitiseren door te doen alsof het uitsluitend een persoonlijke verantwoordelijkheid is. Het is jammer dat dit boekje enerzijds zo duidelijk en zo terecht de link legt tussen beleidsmatige invloeden en verdeling van arbeid, terwijl het anderzijds over het hoofd lijkt te zien dat niet alles te herverdelen valt, dat sommige taken écht beter door moeders kunnen worden gedaan en dat dat niks met gelijkheid en álles met gelijkwaardigheid te maken heeft. Ware emancipatie en ware weerstand tegen uitbuiting door het kapitalistische systeem vereisen dat we inzien dat misschien niet alles in geld is uit te drukken. Ware weerstand tegen discriminatie bestaat bovendien bij de gratie van het onderkennen van verschillen. Als iedereen gelijk is, is ‘discriminare’ (het Latijnse woord voor ‘onderscheid maken’) immers niet mogelijk.

Dat alles vergt om te beginnen dat we een bewustzijn ontwikkelen voor het gegeven dat iets niet pas waarde heeft als je er een prijskaartje aan kunt hangen. Ware emancipatie verlangt bovendien erkenning van de waarde van ongelijkheid, zonder afbreuk te doen aan gelijkwaardigheid. Er schuilt juist een intrinsieke waarde in de diversiteit van taken en vaardigheden, want die zorgt ervoor dat alles wat nodig is voor het goed laten draaien van een gezin, een lokale gemeenschap of een natie, tot stand komt. Kunnen we die unieke bijdragen zien, zonder oordeel, zonder jaloezie op wat de ander kan of doet? Kunnen we onze waardering verschuiven van ‘ego’ naar ‘eco’, van ‘wat wil ik?’ naar ‘wat heeft het kind nodig?’ Zeker, dat is een uitdaging, maar als we daarin slagen, dán zien we pas écht wat ‘werkt’. En als dat een triggerende gedachte is, dan is er persoonlijk innerlijk ‘werk’ te doen. De angst die we voelen als een ander iets mogelijk beter kan dan wijzelf, is niet aangeboren. Die angst is aangeleerd in een sociale dynamiek waarin voor die verschillen geen warm welkom was. Die kunnen we dus ook afleren.

In 3. geeft Berger vijf suggesties voor ‘een rijk, volwaardig en zorgzaam bestaan’ (p. 64):

  1. Verander de werkweek (en maak die korter of richt die anders in).
  2. Verbeter het verlof voor alle ouders (en niet slechts voor moeders).
  3. Maak van kinderopvang een basisvoorziening voor kinderen (met gratis, hoogkwalitatieve zorg).
  4. Zorg beter voor mantelzorgers (zodat zij ook goed voor zichzelf kunnen zorgen en zichtbaar wordt hoeveel hun inspanningen waard zijn, letterlijk en figuurlijk).
  5. Verander je kijk op zorg (en spreek je tegenover naasten en collega’s uit over regelingen die daaraan bijdragen, aangezien ‘presteren’ niet alleen gaat over ‘het beste uit jezelf halen’, maar ook over ‘iets bijdragen voor een ander’ (p. 80)).

Dat alles is nodig, stelt Berger, omdat ‘mensen, gezinnen, huishoudens, gemeenschappen, hele samenlevingen nergens zijn zonder het eindeloze werk dat hen onderhoudt, repareert en voortzet’ (p. 82), zonder het ‘werk dat al het andere werk mogelijk maakt’ (p. 14). Dat is een eindconclusie die ik decennia geleden al trok. Ook in mijn werk maak ik er meestal een opmerking over als moeders zeggen dat ze na de geboorte van een kind zijn ‘gestopt met werken’. Ik stel dan een alternatieve formulering voor, namelijk dat ze hun betaalde baan buitenshuis hebben opgezegd, omdat ze thuis aan het werk zijn. In dat kader voeg ik graag een zesde suggestie toe:

  1. Kies het perspectief van het kind en vraag je bij de organisatie van je dagelijks leven af: ‘Als ik mijn kind was, wat zou ik dan nodig hebben om me veilig en gezien te voelen?’

Dáár begint het, met zelfreflectie, met erkenning ook, van de pijn die we als volwassene vaak nog meedragen in ons eigen innerlijke kind. Als het bewustzijn groeit dat veel van wat we doen, een link heeft met onvervulde behoeften uit onze eigen kindertijd, wordt het gemakkelijker om te zien dat veel gedrag en behoefte aan erkenning door anderen, voortkomt uit overlevingsstrategieën. Dat is misschien een ‘uncomfortable truth’, zoals in ‘In Utero’ wordt benoemd, maar groei gaat vaak met ongemak gepaard. Laten we dat ongemak echter niet afschuiven op onze opgroeiende kinderen, maar die op volwassen wijze onder ogen zien en op onze volwassen schouders nemen. En als die draaglast te zwaar is voor de aanwezige draagkracht, mogen we hulp inroepen. Ook dat is een uiterst volwassen attitude, één die ertoe leidt dat we beter toegerust raken voor welk werk dan ook, betaald of onbetaald!

Een aantal oudere links die ook dit thema bespreken, vind je hier (Deel 1 van een serie), hier (Deel 2), hier (Deel 3) en hier (een ander blog).