Afgelopen week lazen we over de pijnlijke ervaringen van Esther. In dit laatste deel zien we voorzichtige, dappere aanzetten naar een andere aanpak.
We zijn al lang in gesprek en na een korte pauze is Esthers partner er nu bij komen zitten als ze over dit deel van hun leven samen vertelt. Als de emoties opkomen en ik haar uitnodig om de ogen te sluiten en te voelen wat er in haar lichaam gebeurt, merkt ze dat ze is afgeleid door de ademhaling van haar man. Ze doet iets ongewoons; ze zegt rustig, maar met vastberadenheid: “Ik word heel zenuwachtig van het horen van je ademhaling. Ik realiseer me dat ik toch graag weer met z’n tweeën wil praten.” Het is prachtig om te zien hoe haar partner dat oppakt: hij erkent haar gevoel, staat op van de bank, loopt naar de keuken, pakt iets te drinken en vraagt of zijn vrouw nog wat nodig heeft en dan verdwijnt hij naar boven, waar hun zoontje inmiddels in bed ligt voor zijn slaapje. We kijken elkaar aan: “Je had gelijk”, zegt ze, “ik ga met hem naast me inderdaad voor hém zorgen en niet voor mezelf.” Twee heel dappere mensen heb ik voor me: één die zich uitspreekt en één die daar met begrip op reageert.
We hervatten het gesprek over hun relatie. Ze geeft aan dat ze al haar veiligheid voelde wegvallen door het gebrek aan steun van haar ouders, alsof ze dakloos werd. Ze stelt zich op mijn uitnodiging voor wat het voor haar zoontje zou betekenen als hij zich zo zou voelen. De tranen wellen weer op: “Dat gevoel zou ik hem nooit willen geven… Daarom ben ik ook zo boos op mezelf over dat laten huilen…” Ook in dit oordeel over haarzelf zoeken we samen naar verzachting, naar meer begrip.

We werken langzaam naar een afronding toe. Ik vat een beetje samen wat ze heeft verteld, hoe ze in zoveel dingen is weggedreven van de diepe verbinding met haar Zelf, met wie ze werkelijk is, hoe ze zo vaak niet zichzelf kon zijn, en hoe ze nu net, met het erkennen van de zenuwen als gevolg van de aanwezigheid van haar partner, wél naar haar innerlijke weten heeft geluisterd. “Maar het is een diepe overtuiging, dat als ik niet voor de ander zorg, dat ik dan heb gefaald. Die loyaliteit, die mag ik niet beschamen.” Verstandelijk weet ze wel dat het haar verantwoordelijkheid niet is om voor de gevoelens van de ander te zorgen, maar het patroon is er diep ingeslepen en als ze nog verder vertelt, blijkt dat er ook intergenerationeel heel veel is wat daarvoor een verklaring biedt. Er zit veel bedreiging in de voorgeschiedenis, veel maatschappelijke onrust, en de neiging tot overbescherming door haar ouders zal daar zeer waarschijnlijk mee verbonden zijn. Die was echter contraproductief, want de vrijheid die ze daarmee probeerden veilig te stellen, was er daardoor juist niet meer: Esther voelde zich als een gevangene, iemand die niet voor zichzelf kon en mocht zorgen.
Ze is stil en ineens zegt ze: “Ja, dat klopt… en ik geef dat door op het moment dat ik mijn partner niet voor onze zoon laat zorgen, omdat ik het allemaal zelf wil doen… Toen er onlangs weer iets gebeurde, voelde ik wel dat ik een beetje mocht dimmen, dus ik heb gebeld en gezegd: ‘Doe het zoals jij het wilt.’ Inderdaad: dat is niet per se ‘minder’, maar gewoon ‘anders’ en dat mag best.” Ik herken haar gevoel van toen onze eigen kinderen jong waren: ook ik dacht dat ze met mijn benadering het beste af waren. Ze is beslist niet alleen in die ervaring en ze mag zichzelf daarvoor vergeven. Ze doet haar best met wat ze beschikbaar heeft; meer kan niemand doen. Wel kan het zijn dat ze met meer bewustzijn omtrent haar gedragspatronen tot andere keuzes komt, keuzes die het voor haar bovendien allemaal wat gemakkelijker en lichter maken.

De oordelen die ze van haar ouders niet waardeert, mag ze ook zelf proberen los te laten. Dan kan er een gevoel ontstaan dat ze er mag *zijn*, dat ze niet pas ertoe doet wanneer ze gezien wordt in wat ze *doet* in haar werk of in wat dan ook. Als ze een lievere ‘inner dialogue’ kan voeren, als ze zichzelf niet meer zo streng toespreekt, maar haar handelen met compassie beschouwt, kan alles meer tot rust komen. “Je hebt het net gedaan met je man – je kunt het, het zit in je!”, zeg ik als aanmoediging, terwijl ze me met grote ogen aankijkt. Ik vraag of ik haar mag vasthouden. Dat mag en ik sla mijn armen om haar heen. Ze leunt tegen me aan en ik voel hoe haar spieren zich ontspannen, hoe ze als een jong meisje wegkruipt in mijn omhelzing. Zo zitten we minutenlang, in stilte, zonder beweging. Na een poosje zegt ze in tranen: “Dit is wat ik van mijn moeder graag had willen krijgen, een omhelzing en het uitgesproken vertrouwen dat het goedkomt.”
We ronden af en ik vraag haar wat het haar heeft opgeleverd. Ze denkt even na en zegt: “Ik voel opluchting. Ik heb bepaalde dingen uitgesproken en het was de eerste keer dat ik écht naar mijn emotie heb geluisterd. Ik heb die aandacht gegeven en aangekeken, alsof ik tegen mezelf heb gezegd: ‘Ik zie jou nu!’ en daardoor verdween de heftigheid van wat ik voelde. Dat was echt de eerste keer, ondanks jaren therapie.” We zwijgen en staan samen stil bij deze overwinning die ze op zichzelf heeft geboekt, bij deze reuzenstap die ze heeft gezet op haar helingsreis.

Hiermee is niet alles klaar en opgelost, maar ze heeft een dappere doorbraak gerealiseerd en ze mag zichzelf tijd en ruimte gunnen om dat proces gaande te houden. Ze mag daarbij hulp inroepen als ze die nodig heeft, van haar partner, van vriendinnen, van familie, van wie ze dan ook maar werkelijk vertrouwt als reisgenoot. Ik heb haar kracht gevoeld en heb er alle vertrouwen in dat ze mooie vergezichten onthuld zal krijgen!