Boekbespreking ‘Ik werk al (ik krijg er alleen niet voor betaald)’ door Lynn Berger, Deel 1

Een aangenaam lange treinreis in de stiltecoupé en aansluitend een zondagavond met thee en wat lekkers… dat was de tijd die ik nodig had om het boeiende essay van Lynn Berger te lezen, dat in miniboekvorm is verschenen met de titel ‘Ik werk al (ik krijg er alleen niet voor betaald)’.  Het betoog telt een kleine 100 pagina’s op iets groter dan A6-formaat en maar liefst ruim 150 referenties. Wie verder wil lezen over het onderwerp ‘betaalde en onbetaalde arbeid’, kan dus nog even vooruit. Het is altijd een genoegen om te zien dat een betoog goed is onderbouwd.

Berger zelf spreekt in haar verantwoording van ‘een klein essay over een groot onderwerp’ (p. 85) en daar heeft ze een heel goed punt: haar lange lijst literatuurreferenties ondersteunt die stelling. Er zijn enorm veel perspectieven denkbaar van waaruit je kunt kijken naar (gebrek aan) beloning voor arbeid. Het feit dat het gebrek aan financiële en maatschappelijke waardering voor bepaalde werkzaamheden ertoe leidt dat die niet worden meegeteld in het Bruto Binnenlands Product, heeft allerlei beleidsmatige en psychosociale consequenties én oorzaken die onvoldoende worden erkend.
Overigens is het ook zo dat er, ondanks de lange lijst, nog heel veel literatuur onbenoemd is gebleven die het inzicht in heel dit onderwerp sterk zou kunnen vergroten. Daar kom ik nog op terug.

Het boekje is opgedeeld in drie delen:

  1. Het werk dat al het andere werk mogelijk maakt
  2. Deeltijdland Nederland: een kleine geschiedenis
  3. De strijd om ons levensonderhoud

In 1. krijgen we een overzicht van statistische gegevens over werk, vacatures, arbeidsverdeling tussen mannen en vrouwen, mantelzorg, overheidsuitgaven in diverse maatschappelijke sectoren en een toelichting op het spanningsveld tussen betaald en onbetaald werk. Daarmee wordt ook de discussie aangezwengeld over wat dat eigenlijk is, ‘werk’: wat verstaan we eronder? Wanneer noemen we bepaalde activiteiten ‘werk’? Het is een verademing om Berger te horen betogen dat heel veel activiteiten vanwege het feit dat ze onbetaald zijn, weliswaar niet worden gezien als werk, maar dat ze wel degelijk van onschatbare waarde zijn: ‘Zonder dit werk ís er geen economie’ (p. 18), omdat veel van deze taken werk zijn ‘dat de samenleving onderhoudt, repareert en voortzet’ (p. 14). Berger haalt een paar termen aan uit het publieke debat over onbetaald werk en zet ze tussen aanhalingstekens: ‘deeltijddecadentie’, ‘parttimeprinsesjes’, ‘participatiesamenleving’. Ze besluit dit deel met de conclusie dat zorgen óók werken is.

In 2. geeft Berger een overzicht van hoe de verdeling van arbeid door de eeuwen heen is verschoven van een thuissituatie waar álles gebeurde (huishouden, kinderen verzorgen, gewassen verbouwen, vee hoeden, levensmiddelen produceren, ambachten uitoefenen), naar geïndustrialiseerde settings die leidden tot specialisatie en opsplitsing van ‘zorgen thuis’ en ‘produceren elders’. Ze vat het zo samen: ‘Zo profiteerde het kapitalisme van onbetaald werk, zonder het te ondersteunen’ (p. 29). Vervolgens ontwikkelden zich het kostwinnersmodel en de verzorgingsstaat, beide ‘volledige gestoeld op het kerngezin waarin de man het geld verdiende en de vrouw onbetaald voor kinderen, ouderen en zieke familieleden zorgde’ (p. 30). Ze verklaart dit vanuit de achterstelling van vrouwen en de arbeid die zij door de eeuwen heel veelal verrichtten. Dit werd nog eens wettelijk aangemoedigd door vrouwen ‘handelingsonbekwaam’ te maken en ze het recht op betaalde arbeid te ontzeggen en ze te ontslaan zodra ze huwden.

Richting het einde van 2. verschijnen er thema’s in beeld waarin het voor mij begint te wringen. Zo spreekt Berger wat laatdunkend over de Nederlandse neiging om twee of drie dagen op de opvang wel voldoende te vinden voor het jonge kind. Het zou veel normaler moeten zijn, betoogt ze, om je kind daar gewoon voltijds naartoe te brengen, zodat je de handen vrij hebt voor welke arbeid dan ook, zeker ook betaalde arbeid. Ze merkt terecht op dat de emancipatie van sommige groepen vrouwen over de rug van andere vrouwen gaat, bijvoorbeeld wanneer hoogbetaalde vrouwen hulp inkopen voor het huishouden en de kinderen. Deze hulp wordt vaak geboden door slecht betaalde, zwartwerkende vrouwen (soms immigranten die elders hun eigen gezin hebben achtergelaten), die daardoor geen voorzieningen hebben en geen pensioen opbouwen (p. 46). Ze lijkt vrouwenemancipatie aan te moedigen, maar ik lees helaas geen pleidooi voor de emancipatie van de baby.

Over het bevallingsverlof zegt ze dat het vaak te kort is en eindigt op een moment waarop een moeder haar kwetsbare baby nog niet uit handen wil geven: ‘[E]n dus kiest zij voor deeltijd, om ook zelf nog een paar dagen voor de baby te kunnen zorgen’ (p. 47). En dat dat tot een beperking van het salaris van de moeder leidt, wordt aangeduid met de ‘babyboete’ (p. 48). Dat is niet haar term; daarvan ben ik me bewust, maar alles bij elkaar wordt het in mijn beleving nu wel een wat lastig verhaal, ook in combinatie met de term ‘moederschapsideologie’, ‘het geloof dat kinderen het meest baat hebben bij de toegewijde, voltijdszorg van hun moeder’ (p. 30) en de ‘vaderschapsideologie’, ‘het geloof dat de ideale vader er een is die genoeg geld verdient om een heel gezin van te kunnen onderhouden’ (p. 31). Berger zegt dat deze ideologieën hardnekkig en beperkend zijn, want ‘iedereen [komt] ter wereld met de hormonale, neurologische en psychologische mechanismen die een rol spelen bij zorg’ (p. 57). Dat mag zo zijn, maar bij de stelling dat het niets met hun aard of natuur te maken heeft dat vrouwen ‘meer, makkelijker en sneller zorgen’ (p. 58), zou ik toch een vriendelijk doch welgemeend en luid ‘Nee’ willen laten klinken. Dat baby’s hun moeder nodig hebben, is geen ideologie; dat is een biologisch gegeven.

Ik ben een warm voorstander van gelijkwaardigheid tussen mannen en vrouwen. Vanuit mijn visie vind ik het echter belangrijk om alert te zijn betreffende het verwarren van gelijkwaardigheid en gelijkheid. Mannen en vrouwen zijn niet gelijk. Het vrouwenlichaam is qua opbouw en functioneren biologisch wezenlijk anders dan het mannenlichaam. Net deze week keek ik na een aantal jaren opnieuw de film ‘In Utero’, over wat een kind in de baarmoeder ervaart (zie ook hier voor kijkopties). Dit is het veld van de pre- en perinatale psychologie en het handelt over de impact van de fysiologie van de moeder op de zich ontwikkelende foetus. Als de baby er eenmaal is, vol met imprints van het emotionele leven van de moeder, dat via geluiden en hormonen bij het ongeboren kind is terechtgekomen, gaat de baby als het goed is aan de borst. Daar worden zowel de maag van het kind als diens brein en immuunsysteem gevoed met alles wat baby’s nodig hebben om tot optimale ontwikkeling te komen. Ook dat is een zeer fijn en zorgvuldig afgestemd hormonaal proces waaraan het vaderlichaam weinig tot niets bijdraagt. (Yo, man: deal with it!) Zeker, hij beschermt moeder en kind tegen negatieve invloeden van buitenaf en ook dat is een cruciale taak. Daarmee is hij echter niet gelijk aan de moeder en de baby zal zonder de moederborst en het moederlichaam simpelweg slechter af zijn.

De vertrouwdheid van het moederlichaam, waarin de baby al maanden vertoefde, is behulpzaam bij het ontwikkelen van een gevoel van veiligheid en zelfregulatie. Alle hormonale veranderingen waar het zwangere, barende, zogende vrouwenlichaam doorheen gaat, maken dat zij optimaal is toegerust om fijngevoelig afgestemd te raken op (de behoeften en verwachtingspatronen van) de baby. Vaders kunnen op dat terrein zeker nog veel leren, maar er zijn ook dingen die ze simpelweg niet kunnen, namelijk dragen, baren en zogen. Berger haalt terecht in referentie 115 ‘Mothers and Others’ aan, het prachtige boek van Sarah Blaffer Hrdy over alloparenting (gedeeld ouderschap), maar ik weet niet of ze ook alle passages over de invloed van borstvoeding en lactatie op hechting, welzijn en gezondheid heeft doorgenomen. Blaffer zegt daar waardevolle en essentiële dingen over. Ik heb daarnaast nog een mooie bibliotheek met andere auteurs die het één en ander te vertellen hebben over borstvoeding. Berger is van harte welkom daarin eens te komen rondneuzen.

Volgende week zal ik wat dieper ingaan op het verschil tussen gelijkheid en gelijkwaardigheid en wat dat betekent voor de zorg voor jonge kinderen.

Boekbespreking ‘Van waanzin naar Wijsheid’ door Iris van Zomeren

Via haar mooie mail aan ACE Aware NL kwam ik in contact met de auteur van het boek ‘Van waanzin naar Wijsheid – Het autobiografische levensverhaal van Iris van Zomeren’. We spraken af dat ik het zou recenseren voor de website. Iris stuurde het me op en zodra ik erin begon te lezen, was ik gefascineerd. (Zie ook onze boekenpagina, volgorde op achternaam schrijvers.)

Het boek begint met een voorwoord van psychotherapeut Rachporn Sangkasaad Taal. Ze vertelt hoe ze Iris leerde kennen, die toen al allerlei vormen van therapie achter de rug had. Ze schrijft dat ze onder de indruk is van de posttraumatische groei (PTG) die Iris heeft doorgemaakt. Met haar inleiding maakt ze duidelijk dat het om een zeer bewogen leven gaat, maar om werkelijk goed te begrijpen hoeveel onveiligheid er voor Iris speelde, is lezen van cover-to-cover het beste wat je kunt doen.

Het boek is verhalend geschreven, met heel veel persoonlijke dialogen en uitwisselingen tussen Iris en andere hoofdpersonen. Dat maakt dat je als lezer wordt meegezogen in de indringende gebeurtenissen. Daarbij wordt er zoveel toegelicht op het gebied van psychologische en emotionele traumaverwerkingsprocessen dat waarschijnlijk bijna iedereen er waardevolle inzichten aan kan ontlenen. Iris neemt de lezer mee in de reis die ze heeft gemaakt en we zien haar langzaam maar zeker ‘openbreken’, opbloeien, licht en lucht geven aan dat wat ze heeft doorstaan. Daarbij komt ook de intergenerationaliteit duidelijk naar voren: haar ouders zijn beiden beschadigd geraakt in hun eigen jeugd en het helingswerk dat Iris nu verzet, heeft niet alleen voor haarzelf een positief effect, maar ook voor anderen in haar familielijn. Als lezer ben je getuige van haar diepe zelfonderzoek en haar aangrijpende herstelproces; met hoe ze schrijft, nodigt Iris je uit om daar ‘holding space’ voor in te ruimen.

Iris begint met een schets van haar gezinssituatie, met ouders met een achtergrond van onder andere huiselijk geweld en seksueel misbruik. Er is veel dat via intergenerationele overdracht bij Iris en de andere kinderen terechtkomt. Dat is dermate heftig dat Iris alleen kan overleven door emoties en herinneringen te bevriezen en te onderdrukken. Met meer traumasensitiviteit hadden diverse volwassenen waarschijnlijk signalen kunnen oppikken, maar Iris is, zoals veel kinderen, alleen met haar pijn en wanhoop.

In 38 veelal bondige hoofdstukken begeleidt ze ons langs haar ervaringen en in heel wat hoofdstukken zijn in duidelijke kaders toelichtingen opgenomen over bepaalde termen die in de tekst aan de orde komen. Daarmee zijn voor de niet-ingewijde lezer ook onbekende begrippen goed te volgen. Waar relevant heeft Iris passages uit brieven, correspondentie en dagboeken opgenomen; die zijn te herkennen aan de cursivering.

Rond haar twaalfde begint Iris zich meer en meer af te zetten tegen de thuissituatie en dat brengt complexe ‘coping strategies’ met zich mee. Ze vindt thuis geen begrip; haar ouders missen het vermogen om hun eigen rol in de problemen te onderkennen en aan te pakken. Iris raakt daardoor de verbinding met haar authentieke zelf steeds verder kwijt en er ontstaat een existentiële somberheid.
Rond haar twintigste begint er het één en ander boven te komen van haar pijnlijke ervaringen, maar de tijd is nog niet rijp en het gevoel van veiligheid is nog niet toereikend om alles onder ogen te zien. Die veiligheid ontstaat wél als ze begin dertig is en Erik ontmoet, de liefde van haar leven. Met hem naast zich komt er steeds meer naar boven van het in haar verborgen trauma. Het is een zware weg en ze komt steeds meer in een enorme woede terecht; die zet ook haar relatie met Erik onder druk. Ze merkt echter dat de woede ook een heel goede kant heeft en dat die haar helpt om haar eigenwaarde terug te vinden, om de ‘ver-ontwaardiging’ ongedaan te maken.* Daardoor komt ze geleidelijk aan meer en meer in contact met de onderliggende kwetsuren. Het besef groeit dat de woede geen sta-in-de-weg hoeft te zijn, maar een poort kan zijn om in contact te komen met jezelf. Iris beschrijft het prachtig: “Je ziet de woede als afleidend terwijl hij in essentie herleidend is” (p. 62).

De behoefte aan contact met haar gezin van oorsprong blijft bestaan, maar blijkt ook telkens opnieuw heel ingewikkeld. Dat komt met name omdat de overige gezinsleden de gebeurtenissen van vroeger volledig blijven ontkennen. Dit is een verschijnsel dat veel mensen ervaren die misbruik en verwaarlozing binnen het gezin aan de orde willen stellen. Er rust vaak een groot taboe op en dat maakt herstel van gezins- en familierelaties moeizaam en dikwijls ook tijdelijk of permanent onmogelijk.

Na twee bizarre en zeer heftige ervaringen komt ze dichter bij de oorsprong van haar trauma. Via een helder beschreven, zeer intensief therapieproces wordt ze zich ervan bewust hoe verschillende deelpersoonlijkheden het trauma voor haar hebben gedragen.

Zoals velen ontdekken tijdens hun helingsreis, blijft er lange tijd behoefte om de liefde die je als kind had moeten krijgen, te zoeken op plekken en bij mensen waar die niet te vinden is. De acceptatie dat je dat gemis van vroeger niet alsnog kunt goedmaken, is vaak heftig. Ze verdient rouw en verwerkingstijd, tijd waarin je leert om te heroriënteren, om te zien dat wat vroeger niet mogelijk was, nu wél kan: een sociale omgeving kiezen die jouw pijn kan verdragen en die tegelijk je moed en je potentieel ziet. Binnen een setting die veilig, koesterend, ondersteunend en stimulerend is, kan dan alsnog het ‘ontgiftingsproces’ (p. 161) plaatsvinden dat nodig is om naar je gezonde kern terug te keren en van daaruit het leven in een nieuw licht te zien en te ervaren.

Met alle posttraumatische groei die ze doormaakt, slaagt Iris er steeds beter in om de oorsprong van de gebeurtenissen van vroeger te traceren. Het doorvoelen, doorzien en doorleven van de oude pijn zorgt voor steeds meer compassie, niet alleen naar andere slachtoffers, maar ook naar de daders van vroeger. Compassie staat ook op de voorgrond als ze ontmoetingen heeft met personen uit haar verleden, met wie ze het gesprek aangaat over wat er destijds voor haar speelde. Dit helpt haar om de realiteit van haar verleden krachtiger te ervaren. Steeds meer ook ervaart ze dat het lichaam met alle ogenschijnlijk ‘disfunctionele’ reacties juist wijze oplossingen aanreikt om te overleven in omstandigheden die je bevattingsvermogen, pijngrens en draagkracht als kind ver te boven gaan. De pijn ligt opgeslagen in de meest basale delen van het brein en in het celgeheugen van het lichaam. De pijn kan daarom niet alleen via cognitief inzicht worden geheeld. Het lichaam mag spreken, mag het levensverhaal vertellen, ondersteund door therapievormen die daarbij behulpzaam zijn.

Iris eindigt haar boek met de volgende constatering: “Natuurlijk is het niet zo dat er geen oude dingen meer opkomen, maar er is in mij steeds minder verzet en veel meer geduld. En dit geduld is geen methode, maar het gevolg van mijn intense verwerkingsproces” (p. 303).

Ik zie in die conclusie een mooie link met het onlangs besproken boek van Viktor Frankl. In zijn visie is levensgeluk geen doel, maar het gevolg van ervaren zingeving. Iris zegt dat haar geduld geen doel was, maar het gevolg van haar verwerking. Het is bijzonder dat levenswaarden als geduld en geluk diepgaande processen lijken te vereisen om tot ontwikkeling te komen. Ze lijken een doel, maar ze blijken het resultaat van iets anders, namelijk een diep doorleefde ervaring van erkenning, acceptatie en betekenisvolle verbinding met het Zelf en de Ander.

De grote opdracht en het morele appèl die daarom wat mij betreft met kracht uit dit boek naar voren komen, richten zich op volwassenen: hoe meer moed zij opbrengen om hun eigen demonen in de ogen te kijken, hoe groter de kans dat ze deze kwade geesten niet doorgeven aan de volgende generatie. Werken aan je eigen traumaherstel is daarmee een immens geschenk voor je kinderen en kleinkinderen. De doofpotcultuur ten aanzien van familiegeheimen, waarover Iris spreekt in haar boek, kan dan een fundamentele verandering ondergaan. Daarvoor is oprechte compassie nodig, zodat oordeel en schaamte niet zo’n dominante plaats hebben als nu nog vaak het geval is. Iris heeft met haar boek een belangrijke bijdrage geleverd aan die broodnodige openheid ten aanzien van de levenslange impact van huiselijk geweld en misbruik op het jonge kind. Iedereen die daarmee te maken heeft (gehad), zal in dit boek, behalve waardevolle inzichten, veel herkenning, erkenning en ook troost en hoop kunnen vinden. Met meer maatschappelijk bewustzijn daaromtrent kunnen we zorgen dat onze kinderen niet via waanzin naar wijsheid hoeven te komen. Ze mogen dan hun kinderlijke, vaak oh zo wijze begaafdheid behouden en verder laten groeien.
Dit boek, waarin Iris haar levensverhaal op aangrijpende wijze heeft vastgelegd, kan zeer helpend zijn voor wie op zoek is naar kennis over en mogelijkheden voor de heling van trauma.

* In dit blog met Jet Markink spraken we over ‘ontschuldigen’; beide woorden, ‘ont-schuldigen en het ongedaan maken van ‘ver-ontwaardiging’, zijn belangrijke aspecten van het helingsproces.

Boekbespreking van ‘De zin van het bestaan’ door Viktor E. Frankl, Deel 2 (slot)

Vorige week hebben we een begin gemaakt met een recensie van Viktor Frankls ‘Man’s Search For Meaning’ en bespraken we wat er in Deel 1 van het boek aan bod kwam. Verschillende aspecten van het vinden van betekenis zijn het onderwerp van Deel 2 van het boek, waar logotherapie in een notendop wordt besproken.

Logotherapie wordt ook wel de ‘Derde Weense School voor Psychotherapie’ genoemd. Waar Sigmund Freud zich concentreerde op ‘de wil tot plezier’ (psychoanalyse) en Alfred Adler op ‘de wil tot macht’ (individuele psychologie), richtte Viktor Frankl zich op ‘de wil tot betekenis’ (logotherapie), aangezien betekenisgeving in het leven voor de meeste mensen de belangrijkste motiverende kracht blijkt te zijn. Dit is ook wat naar voren komt in het steeds meer gangbare concept van Positieve Gezondheid. Van de zes dimensies (lichaamsfuncties, mentaal welbevinden, zingeving, kwaliteit van leven, meedoen en dagelijks functioneren) blijken de spirituele aspecten het vaakst te worden genoemd als dat wat er echt toe doet. Mensen kunnen chronische gezondheidsproblemen hebben, maar zolang die redelijk goed onder controle zijn en mensen een doel in het leven hebben en zingeving eervaren, beschouwen ze zichzelf meestal als gezond. Als de fysieke gezondheid over het algemeen goed is, maar de zingeving ontbreekt, dan geven mensen veel neerslachtiger beschrijvingen van hoe het met ze gaat. Hoe meer betekenis mensen in hun leven kunnen onderscheiden, hoe groter de kans dat gezondheid en geluk daaruit voortvloeien. Die zijn dan geen doel op zich, maar zijn het gevolg van de gevonden zingeving en levensdoelen en van het kunnen bijdragen aan iets groters dan het eigen leven. In de woorden van Nietzsche, geciteerd door Frankl: ‘Hij die een waarom heeft om voor te leven, kan bijna elk hoe verdragen’ (p. 109, cursivering van de auteur).

Zonder zo’n zingeving, schrijft Frankl, kunnen mensen ‘existentiële frustratie’ ervaren. Je niet uitgedaagd voelen, maar verveeld en nutteloos, is begrijpelijkerwijs moeilijk, stelt hij, en verdient aandacht in plaats van medicatie:

Existentiële frustratie is op zich noch pathologisch noch pathogeen. De bezorgdheid van een mens, zelfs zijn wanhoop, over de waarde van het leven is een existentiële stress, maar geenszins een mentale ziekte. Het is heel goed mogelijk dat het interpreteren van het eerste in termen van het laatste een arts motiveert om de existentiële wanhoop van zijn patiënt te begraven onder een hoop kalmerende medicijnen (p. 108, cursivering van de auteur).

Met andere woorden: zorgverleners moeten de zorgen van hun patiënten serieus nemen wanneer ze geen of onvoldoende zin meer zien in het leven. Frankl ziet drie verschillende betekenislagen in het leven: ‘1) door werk te doen of een daad te verrichten (werk); 2) door iets te ervaren of iemand te ontmoeten (liefde); en 3) door de houding die we aannemen tegenover onvermijdelijk lijden (mentale kracht)’ (p.115). Het gevoel van zinloosheid, ‘is het resultaat van het niet bevredigen van onze existentiële behoeften, wat (…) een universeel fenomeen is geworden in onze industriële samenlevingen’ (p.141) en kan een ‘existentieel vacuüm’ creëren, vaak wijder verspreid op plaatsen waar spirituele, ceremoniële, professionele en familietradities verloren zijn gegaan. Dit kan ertoe leiden dat mensen ‘doen wat andere mensen doen (conformisme) of (…) wat andere mensen willen dat [ze] doen (totalitarisme)’ (p.111).

Het doel van logotherapie is ‘noch doceren noch propageren’ (p.114), maar mensen helpen hun blik te verbreden en hun eigen zin in het leven te vinden en daarom zal de logotherapeut ‘nooit toestaan dat de patiënt de verantwoordelijkheid om te oordelen aan de arts overdraagt’. Een mooie verklaring is deze: ‘Een schilder probeert ons een beeld te geven van de wereld zoals hij die ziet; een oogarts probeert ons in staat te stellen de wereld te zien zoals die werkelijk is’ (p.114,115). Logotherapie moedigt cliënten aan om de potentiële betekenis van hun leven te vinden en Frankl noemt dit ‘de zelftranscendentie van het menselijk bestaan’. Pas als we dit echt kunnen voelen en zien, kunnen we tot zelfverwerkelijking komen, ‘als neveneffect van zelftranscendentie’ (p. 115). Dit geldt vooral in moeilijke omstandigheden, wanneer de zaken er hopeloos uitzien.

Waar het dan [wanneer het lot niet kan worden veranderd] om gaat, is getuige te zijn van het uniek menselijke potentieel in optima forma, namelijk het transformeren van een persoonlijke tragedie tot een triomf, het omzetten van iemands hachelijke situatie in een menselijke prestatie. Als we een situatie niet meer kunnen veranderen (…) worden we uitgedaagd om onszelf te veranderen (p.116).

We worden echter opgeroepen om het lijden waar mogelijk wel te verlichten, want ‘onnodig lijden is eerder masochistisch dan heroïsch’ (p. 117). Wat hiervoor nodig is, is het vinden van de ‘superbetekenis’, niet ‘de zinloosheid van het leven verdragen, maar eerder het verdragen van het onvermogen om de onvoorwaardelijke betekenis ervan in rationele termen te vatten. Logos is dieper dan logica’ (p.122, cursivering auteur).
We kunnen nooit volledig vrij zijn van moeilijke omstandigheden, dus echte vrijheid is volgens Frankl de ‘vrijheid om een standpunt in te nemen tegenover de omstandigheden’ (p.132), een weg naar zelfbeschikking. Dit is typisch menselijk, want: ‘De mens is in staat de wereld ten goede te veranderen als het kan, en zichzelf ten goede te veranderen als het moet’ (p.133). Als zinloosheid ons gek maakt, bewijst dat slechts onze menselijkheid, zegt Frankl. Dit sluit aan bij een citaat uit het werk van Krishnamurti: ‘Het is geen teken van gezondheid om goed aangepast te zijn aan een intens zieke samenleving.’ Dat wil niet zeggen dat het altijd gemakkelijk is. We kunnen om veel verschillende redenen ten prooi vallen aan ‘opgeef-itis’ (p.141), waarbij we alle hoop verliezen, omdat we ons niet langer richten op de resterende zin van het leven. Daardoor verliezen we mogelijk elk vermogen om met het lijden om te gaan.
Er is echter een ‘verschil tussen waardevol zijn in de zin van waardigheid en waardevol zijn in de zin van nuttigheid’ (p.152). Elk lot waardig dragen betekent in groei en ontwikkeling boven onszelf uitstijgen en zo de vrede en het welzijn in de wereld vergroten.

Dat is inderdaad hoopgevend. Door met mensen die rouwen en lijden, compassievol te onderzoeken welke dingen hun leven nog steeds waardevol maken, kunnen we hen ondersteunen bij het terugvinden van de weg naar hun doelen en levensgeluk. Dit alles zo indrukwekkend goed uiteengezet te zien door iemand met een geschiedenis als die van Frankl, stemt een mens nederig.

Boekbespreking van ‘De zin van het bestaan’ door Viktor E. Frankl

Het is een klein boekje, in de paperbackversie van 2004, maar het bevat een cruciale boodschap en daarom werd het een klassieker. Oorspronkelijk werd het boek geschreven en gepubliceerd in 1946 met de titel ‘Ein Psycholog erlebt das Konzentrationslager’ (‘Een psycholoog overleeft het concentratiekamp’) en vervolgens kreeg het in 1978, met de Engelse vertaling, zijn nieuwe titel, die de inhoud treffend samenvat: hoe je zingeving kunt vinden, zelfs onder de meest gruwelijke omstandigheden. (We lazen het boek in het Engels, ‘Man’s Search For Meaning’, maar het boek is ook in het Nederlands vertaald. De vertaling van de citaten is echter van ons en niet afkomstig uit de Nederlandse editie. Daar kunnen dus verschillen aanwezig zijn.)
Viktor Frankl werd in 1905 in Wenen geboren en stierf er in 1997. Hij studeerde er geneeskunde, met als specialisaties neurologie en psychiatrie. Hij richtte zich op depressie en zelfdoding en de kennis en inzichten die hem dit opleverden, nam hij met zich mee toen hij eerst naar Theresienstadt (1942) en later naar Auschwitz en Dachau (1944) werd gedeporteerd. Het boek bestaat in essentie uit twee delen. Deel 1 is een verslag van zijn verblijf en beproevingen in de concentratiekampen en Deel 2 is een uitleg van ‘logotherapie’, de psychotherapeutische methode die hij al voor de Tweede Wereldoorlog ontwikkelde, maar die hij na de oorlog, terug in Wenen, nauwgezet beschreef en beoefende.

Logotherapie wordt ook wel de ‘Theorie van Zingeving’ genoemd, omdat het in de kern gaat over de vraag hoe je betekenis kunt vinden (logos betekent ‘woord’ of ‘betekenis’), hoe je veerkrachtig kunt blijven in het aangezicht van tegenspoed en onrecht. Er kunnen veel redenen zijn om de hoop en het vertrouwen te verliezen, en je kunt worden beroofd van je persoonlijke vrijheid, maar er is één vrijheid, volgens Frankl, die geen mens kan worden ontnomen: de keuze om te beslissen hoe te reageren op externe omstandigheden. In de context van ACE’s is dit uiterst relevant, aangezien de essentie van trauma het verlies is van de verbinding met je ware zelf. Als er manieren zijn om die verbinding te koesteren en authentiek te blijven, is het belangrijk om die te delen met mensen die moeilijke omstandigheden (hebben) ervaren.
Aanvankelijk wilde Frankl het boek anoniem schrijven, maar hij bedacht zich en vond dat hij ‘de moed moest hebben om [zijn] overtuigingen openlijk te verkondigen’ (p.20).

Zijn beschrijving uit de eerste hand van de gang van zaken in de kampen is indrukwekkend. De meeste lezers zullen wel een globale kennis hebben van deze tragische locaties, maar de helderheid waarmee Frankl erop terugkijkt, is bewonderenswaardig. De omstandigheden waren zo erbarmelijk dat hij schrijft dat je het mensen moeilijk kunt verwijten dat ze zichzelf probeerden te verdoven (p.24), hetzij met alcohol, hetzij op willekeurig welke andere mogelijke manier.
Hij beschrijft de fasen die mensen doormaakten bij binnenkomst in het kamp: shock (eerst gepaard gaande met pijnlijke emoties zoals verlangen, medelijden, afschuw en walging), apathie (emotioneel sterven, dat niets je nog wat kan schelen, een poging tot zelfbescherming), en ten slotte de psychologische reactie na de bevrijding.
Deze derde en laatste fase was moeilijk in die zin dat vreugde ‘opnieuw geleerd’ moest worden: ‘De druk die jarenlang op [de gevangene] had gelegen, werd eindelijk losgelaten [en] zijn verlangen om te spreken was onweerstaanbaar’ ( p.96). Frankl omschrijft dit proces weer als ‘van een zenuwenoorlog naar mentale rust’ (p.97). Idealiter gebeurt dit heel langzaam, stap voor stap, om te voorkomen dat er ‘moreel verval’ ontstaat in de vorm van wraak en schade toebrengen aan (eigendommen van) daders.
We kunnen hier een parallel zien met andere soorten trauma: je weer gelukkig voelen, pijn en verlies loslaten, kan moeilijk zijn, als die je hele leven je ontwikkelingsomgeving hebben gevormd.

Het grootste deel van het boek gaat echter over de tweede fase, die van apathie en hoe ermee om te gaan of die te voorkomen. Sommige mensen waren in staat om hun ‘spiritueel leven te verdiepen’ (p.47), schrijft Frankl:

Ze waren in staat zich terug te trekken uit hun verschrikkelijke omgeving naar een leven van innerlijke rijkdom en spirituele vrijheid. Alleen op deze manier kan de schijnbare paradox worden verklaard dat sommige gevangenen met een minder gehard karakter het kampleven vaak beter leken te overleven dan degenen met een robuuste persoonlijkheid (p.47).

Hij omschrijft het als de ‘overleving van de gevoeligen’. Wat onder normale omstandigheden zou kunnen worden omschreven als dissociatie, kan onder ernstige tegenspoed worden gezien als identificatie met de rijkdommen van het innerlijke leven door te putten uit eerdere ervaringen zoals liefde en vreugde en dankbaarheid, humor en nieuwsgierigheid. Dit alles is wat we zouden kunnen zien als ‘de wijsheid van trauma’, waarbij de capaciteiten van de geest worden gebruikt om het ondraaglijke heden te overleven. Het betekent ook dat hoe overvloediger die eerdere positieve ervaringen zijn, hoe groter de kans dat mensen er uit kunnen putten, of, anders gezegd, veerkracht kunnen tonen. Frankl zegt: ‘Een abnormale reactie op een abnormale situatie is normaal gedrag’ (p.32). In lijn hiermee waren de pogingen van gevangenen om in de menigte te verdwijnen, om niet de aandacht op zichzelf te vestigen, terwijl mensen in het normale leven graag gezien en erkend willen worden op grond van hun unieke individualiteit. Kleine stukjes privacy en eenzaamheid werden beschouwd als pure luxe, momenten om weer in contact te komen met het Zelf (p.61).

Toch zijn mensen niet louter het product van biopsychosociale factoren, stelt Frankl, wijzend op de emotionele, spirituele dimensie van de mensheid. Gedurende het hele leven kan ‘alles van een mens worden afgenomen, behalve één ding: de laatste van de menselijke vrijheden – om onder alle omstandigheden je houding te kiezen, om je eigen weg te kiezen. (…) Het is deze spirituele vrijheid – die niet kan worden weggenomen – die het leven betekenisvol en zinvol maakt’ (p.75,76). Door ‘dapper, waardig en onbaatzuchtig’ (p. 76) te blijven terwijl we lijden ervaren, en door het koesteren van hoop op en geloof in betere tijden, kan het leven een diepere betekenis krijgen. Het kan er zelfs toe leiden dat een iemand een enorme persoonlijke en spirituele groei tot stand brengt.

Volgende week bespreken we Deel 2 van het boek.

Boekbespreking ‘Ikigai’ door Héctor García en Francesc Miralles

Onlangs lazen we het boek ‘Ikigai – The Japanese Secret to a Long and Happy Life’, geschreven door Héctor García en Francesc Miralles. De term kan op verschillende manieren worden omschreven: zingeving, ‘raison d’être’, de reden waarvoor je in de ochtend uit bed komt.

Het is een belangrijk thema, zingeving. Wanneer er sprake is van trauma of indringend verlies, kunnen angstige en donkere gedachten en gevoelens zozeer de overhand nemen, dat het moeilijk wordt nog de zin van het leven te zien. Soms is het goed om voorzichtig weer te ontdekken wat vreugde geeft en welke elementen als een weldaad voor het lichaam voelen. Met kleine stapjes kan dan worden toegewerkt naar een situatie waarin ook grotere doelen weer een plaats kunnen krijgen voor de dagelijkse motivatie. Ook in de visie van Positieve Gezondheid heeft zingeving een cruciale plaats. Wanneer mensen worden bevraagd op de zes pijlers van het spinnenweb (lichaamsfuncties, mentaal welbevinden, zingeving, kwaliteit van leven, meedoen, en dagelijks functioneren), blijkt voor velen de component ‘zingeving’ de belangrijkste te zijn. We willen voelen dat we een zinvolle bijdrage leveren aan een groter geheel. Niet voor iedereen is dat hetzelfde onderwerp, maar wél delen we gezamenlijk die behoefte aan zingeving. Dit boek wil meer inzicht aanreiken voor zo’n salutogenetische benadering, een visie waarbij je niet dingen vermijdt zodat je niet ziek wordt, maar waarin je proactief dingen opzoekt die je gelukkig maken en zin geven aan je bestaan.

Na een inleidend Hoofdstuk I volgt Hoofdstuk II met een overzicht van kleine dingen die als optelsom een grote bijdrage leveren aan een lang en gelukkig leven. Denk bijvoorbeeld aan de Latijnse spreuk ‘mens sana in corpore sano’ – een gezonde geest in een gezond lichaam. Een open, flexibele geesteshouding helpt om je jong te blijven voelen, ook als het lichaam ouder wordt. Eén van de kernpunten van trauma is dat je een wezenlijk deel van je flexibiliteit verliest wanneer je structureel je overlevingsstrategieën moet inzetten. Stress bevordert celveroudering doordat het telomeren verzwakt, celstructuren die van invloed zijn op het herstellend vermogen van cellen en op de manier waarop ze verouderen (p. 23). Het stressniveau van je leven omlaag brengen kan bijvoorbeeld met hulp van meditatie, ademhalingsoefeningen en yoga. Ook zorgen voor voldoende beweging én voldoende slaap is belangrijk om lichaam en geest gezond te houden.

Hoofdstuk III bespreekt hoe het vinden van je ‘ikigai’, je doel in het leven, helpt om gezond te blijven. Het opent met een pittige vraag van de Oostenrijkse neuroloog, psychiater, en voormalig Auschwitz-gevangene Viktor Frankl (1905-1997), die naar verluidt zijn patiënten geregeld dit dilemma voorlegde: “Waarom pleeg je geen zelfmoord?” (p. 37). Hij zag dit als een manier om mensen indringend te confronteren met het feit dat ze in de meeste gevallen wel degelijk aspecten zagen die het leven de moeite waard maakten. Gevoelens van leegte, frustratie en angst, zo was de visie van Frankl, komen meestal voort uit de diepe behoefte aan een betekenisvol leven. Het hoofdstuk reikt vervolgens een mooi overzicht aan van het verschil tussen psychoanalyse en Frankl’s logotherapie, de methode waarbij patiënten worden aangemoedigd om heel bewust te ont-dekken wat de zin en het doel van hun leven zijn. Dat is helpend omdat ze dan werkelijk datgene kunnen gaan doen wat bij hun persoonlijke levensbestemming past. Frankl maakt daarbij een onderscheid tussen ‘mentaal ziekzijn’ en ‘spiritueel leed ervaren’ (p. 40): zonder zingeving lijdt de ziel. Dat is geen ziekte, maar een logisch gevolg van een onvervulde, inherent menselijke behoefte. De opdracht voor ieder mens is niet om zingeving te creëren, maar om de zingeving die diep van binnen in ons besloten ligt, te ont-dekken. Door te kijken naar situaties waarin we diep gefocust en ‘in flow’ zijn, waar alles vanzelf lijkt te gaan, kunnen we zicht krijgen op dat levensdoel.

De hoofdstukken 5 tot en met 8 reiken ervaringen aan van een groep zeer oude mensen in Japan en hoe zij kijken naar wat hen tot hier heeft gebracht,  welke visies, voedingspatronen en lichamelijke oefeningen daarbij behulpzaam waren.
Hoofdstuk 9 spreekt onder andere over drie begrippen die aanduiden hoe een persoon, een ding of een organisatie reageert op tegenslag. Wanneer er iets gebeurt en er ontstaat gemakkelijk schade, dan spreken we over ‘fragiliteit’. Wanneer er iets gebeurt en dit kan worden doorstaan zonder tot verzwakking te leiden, dan spreken we over ‘veerkracht’. En een derde begrip omschrijft de situatie waarin er heftige invloeden of zelfs schades optreden en de persoon, het ding of de organisatie wordt daar niet zwakker, maar juist sterker van. In dat geval spreken we van ‘antifragiliteit’ (p. 174). Het boek reikt drie strategieën aan om antifragiel te worden: creëer meer opties (met niet één maar meerdere banen of klanten ben je minder van één inkomstenbron afhankelijk), wees behoedzaam op bepaalde terreinen en neem op andere juist veel kleine risico’s (kleine risico’s kunnen veel resultaat opleveren, zonder dat we onszelf blootstellen aan grote gevaren), doe afstand van zaken die je fragiel maken (niet te veel snacken, je schulden afbetalen, geen tijd met toxische mensen doorbrengen) en bedenk bovendien dat iedere tegenslag een kans op groei biedt (p. 176-179). Meer over dit concept, zo zeggen de auteurs, is te vinden in het boek ‘Antifragile’ van Nassim Nicholas Taleb. Toevallig ligt ook dat boek hier ook – een kleine 500 fijn bedrukte pagina’s dik. 😉

De epiloog vat de belangrijkste punten van het boek samen:

  1. Blijf actief en ga niet met pensioen.
  2. Doe het rustig aan.
  3. Vul je maag niet volledig (maar slechts voor 80%).
  4. Omring jezelf met goede vrienden.
  5. Kom in vorm voor je eerstvolgende verjaardag.
  6. Lach
  7. Kom weer in contact met de natuur.
  8. Wees dankbaar.
  9. Leef in het moment.
  10. Volg je ikigai.

Dit boek biedt mooie aanknopingspunten om naar je levensdoel op zoek te gaan. Waar wat weinig aandacht voor lijkt te zijn, is dat het brein in geval van vroegkinderlijk trauma zodanig is ‘gewired’ dat de fysiologie allerlei aspecten van het leven lastig(er) maakt. Ook worden er weinig woorden gewijd aan welke rol maatschappelijke factoren hierin spelen. Het is vooral gericht op wat je binnen je eigen context zelf zou kunnen doen. Als je daar meer over wilt weten, is dit een prachtig handzaam, vlot leesbaar naslagwerkje!