De ervaringsdeskundige, Aflevering 4 – Deze week: Mirjam, Deel 2

Afgelopen week starten we de serie over Mirjam, die openhartig vertelt over haar jeugdervaringen. Deze week vervolgen we haar verhaal.

We praten over haar vader, die ze omschrijft als ‘onzichtbaar’, vaak weg voor allerlei vergaderingen. Ze heeft het idee dat hij de situatie thuis ontvluchtte. Haar moeder maakte de oorlog mee en hield daar veel angst aan over, zeker ook omdat haar vader wat verzetsactiviteiten ontplooide. De angst van haar moeder was zó groot, dat opa met die activiteiten stopte, uit vrees dat zijn dochter zonder het te willen de zaak zou verraden door de uitdrukking op haar gezicht.
Haar angsten maakten dat ze stevig controle probeerde te houden over alles in het leven: “Toen wij verkering kregen, zei ze tegen mijn aanstaande man dat hij één ding goed moest weten, namelijk dat ze grip had op al haar kinderen. ‘Ik heb ze allemaal in de greep’, zei ze, en hij wist niet wat hij met een dergelijke uitspraak aan moest. Net als ik heeft hij echter ontdekt dat het waar was en dat mijn moeder ons werkelijk in de tang had en daardoor tussen ons als gezinsleden verdeeldheid zaaide. Onlangs hebben ook ooms en tantes aangegeven dat mijn moeder vroeger in het gezin niet gemakkelijk was. Haar angst dat spullen of kleren vies zouden worden, maakte dat mijn moeders aanwezigheid geregeld als beklemmend werd ervaren. Ik snap dat; ook ik zou los willen zijn van haar oordeel en me er eindelijk niet meer zo door willen laten beïnvloeden.”

Mirjam denkt terug aan de ongezonde dynamiek in het grootouderlijk gezin en illustreert andermaal wat zo vaak het geval is, namelijk dat problemen en trauma een intergenerationele geschiedenis hebben. Ze haalt pijnlijk gebleven herinneringen op. Zo was ze ooit bij wijze van hoge uitzondering op zondag naar de dierentuin met haar zus. De liefdevolle, kinderloze buren wilden de meisjes een dagje meenemen, omdat ze altijd zo hard werkten thuis. De zondag was problematisch (de ‘Dag des Heeren’), maar de zaterdag, dag van de schoonmaak, zou nóg erger zijn en dus gingen ze op zondag. “Mijn moeder had vooraf gewaarschuwd: ‘Vooruit, je mag mee, maar je mag NIKS kopen, want dan ga je naar de hel.’ Mijn zus en ik hadden vooraf vast besloten niks te kopen, maar bij aankomst realiseerden we ons dat er natuurlijk al entreekaartjes moesten worden gekocht en later wilden de buren wat eten en drinken in het restaurant. Wij probeerden dat nog te voorkomen, maar dat lukte niet. Die nacht hebben we God op onze knieën gesmeekt om te zorgen dat we niet verloren zouden gaan. Al met al was de schoonmaak mijn moeder dus nóg heiliger dan de zondag, want ze liet ons niet op zaterdag gaan en stelde ons voor mogelijk wangedrag op zondag de hel in het vooruitzicht. De lieve buurvrouw wist van niks. Mijn zus vertelde dat ze nog niet zo lang geleden verstijfde bij een bezoek aan de dierentuin en de aanblik van het restaurant. Zo aardsgemeen, om je kinderen zó te indoctrineren…”

Ze vertelt over haar jongste jaren, hoe ze werd verzorgd door een buurvrouw, omdat haar moeder het druk had op de boerderij of aan het schoonmaken was. Ook was ze vaak bij de inwonende opa en oma van vaders kant, die met hun gehandicapte zoon (haar oom) in het voorhuis woonden. Dat waren lieve mensen, van wie ze veel hield en die het soms ook expliciet voor haar opnamen, bijvoorbeeld toen haar moeder meerdere keren na haar geboorte zei dat ze haar dochter zo lelijk vond. Haar oma zei ooit: “Je moet eens ophouden daarmee; er kijken jou twee ogen aan en die vragen je om moeder te zijn van dit kind!” Ook in latere en zelfs vrij recente jaren zei haar moeder dit en als Mirjam vroeg waarom ze het zo belangrijk vond dit steeds te herhalen, zei ze: “Nou, de waarheid mag toch gezegd worden – je was gewoon lelijk.”

Na de middelbare school ging ze op kamers omdat ze ging studeren en om die reden hebben haar ouders haar bruiloft niet betaald. Ze vonden dat ze thuis moest blijven, waar ze jarenlang haar oma had verzorgd en later ook haar opa. Mirjams grens was echter bereikt: ze weigerde na de verhuizing van het gezin ook nog voor de gehandicapte oom te zorgen en vond dat een taak van de ooms en tantes. Maatschappelijk werkers zeiden dat als er ook maar één iemand tegen was dat de oom thuis zou blijven wonen toen het eigenlijk niet meer ging, hij naar een instelling zou verhuizen. Toen Mirjam aangaf ertegen te zijn, werd er echter geen rekening met haar wensen gehouden. Maatschappelijk werk was van mening dat ze haar keuze niet kon overzien: “Je krijgt er spijt van, als je dit je ouders aandoet”, was hun stelling. Daarop zei ze: “Als hij erin komt, ga ik eruit.” Zo geschiedde, maar haar moeder was daar boos over en zei: “Wacht maar, als je zelf later een gehandicapt kind krijgt, denk je nog wel eens aan deze egoïstische keuze terug.” Bij iedere zwangerschap dacht Mirjam daaraan en voelde ze angst, angst dat ze als ‘straf voor haar zonde’ een gehandicapt kindje zou krijgen.

De kinderen ontwikkelden hun eigen ‘coping strategies’; één kind hield geregeld de adem in en viel dan flauw – een zeer adequate methode om te zorgen dat ze werd ontzien. Een ander kind had ook geregeld fysieke klachten, zoals ernstig eczeem. Alleen Mirjam was goed gezond en moest het daarom vaak ontgelden.
Op kamers gaan wonen was dan ook een bevrijding, maar wel één die gepaard ging met leugens over haar studie-/werkrooster, want als haar moeder wist dat ze vrij was, wilde ze dat Mirjam naar huis kwam. Daarop had Mirjam een goed gesprek met de leidinggevende van haar opleiding, waarin ze aangaf dat ze geen toestemming gaf voor het doorgeven van haar rooster. Mirjam denkt dat haar moeder zich schaamde dat haar dochter ervoor koos om op kamers te gaan. Net als haar zussen kreeg Mirjam een auto aangeboden als ze thuis zou blijven wonen, maar Mirjam wees dat aanbod van de hand. Het gevolg was dat ze haar eigen opleiding moest betalen en, anders dan de anderen, geen autootje kreeg voor het heen en weer reizen. Desondanks was haar studietijd een prachtige tijd, een periode die ze graag nog wat langer had willen rekken: een eigen leven, met vriendinnen en vrijheid.

“De studie die ik koos, leek mijn moeder wel geschikt voor mij: ik zou er vast snel werk in vinden en dat was nodig, want ik was zo moeilijk en kritisch dat ik waarschijnlijk niet zou trouwen. Met een vaste baan in de zorg waarin ik ook op feestdagen en in weekenden moest werken, zou niemand met mij opgescheept zitten.”
Maar ze trouwde wél, op haar 24e, en toen het oudste kind werd geboren, realiseerde ze zich dat de vrijheid van die studiejaren niet meer op die manier zou terugkomen en dat haar kindertijd dus echt voorbij was. Ze was dolgelukkig met de kinderen en wilde zich met overgave inzetten om hen een andere jeugd te geven dan ze zelf had gehad. Desondanks voelde ze: “Je kunt later altijd nog allerlei mooie keuzes maken, maar de onbevangenheid die je in kinder- of studietijd zou moeten kunnen ervaren, is dan voorbij.”

We spreken over een aspect dat nog weleens over het hoofd wordt gezien, namelijk dat traumaexperts in toenemende mate benadrukken dat het voor kinderen dikwijls schadelijker is om níet te ontvangen wat ze verwachten te krijgen (namelijk liefdevolle aandacht en veiligheid), dan dat hun iets wordt aangedaan waarmee ze moeten zien te dealen. Het gemis van liefdevolle aandacht maakt het moeilijker om van jezelf te houden en dat heeft een enorme impact op hoe je in het leven staat en of je het gevoel hebt dat je ertoe doet. Mirjam herkent dat: “Ik vind het nog steeds heel moeilijk om naar de schoonheidsspecialiste te gaan of iets voor mezelf te kopen, of me te laten verwennen. Naar de kinderen ben ik heel vrijgevig, maar naar mezelf… écht heel moeilijk.”
Ze vertelt hoe ze in relatie tot de kinderen altijd heeft gekeken vanuit de vraag wat zij nodig hadden. Dat was haar intrinsieke houding: vragen en doorvragen, ook op gevoelens en ervaringen, en zoeken naar het beste voor het specifieke kind. “Dat is niet vergelijkbaar met hoe mijn moeder erin stond. Toen ik twaalf jaar geleden kanker kreeg, was het eerste wat ze zei: ‘Dan kom je zeker nog minder vaak naar mij toe? Dat míj dat nu weer moet overkomen. En wat erg ook, voor je werkgever, dat je nu niet kunt werken.’ Al dat soort situaties staan me nog haarscherp voor ogen en ze blijven pijn doen…”

We praten over mogelijke oorzaken van de gezinsdynamiek. “Het draaide bij ons thuis heel erg om wat andere mensen over ons zouden zeggen. Daarbij lag de lat voor het oordeel over onszelf nóg hoger dan voor het oordeel over anderen. Iedereen liep daardoor continu op de tenen. Het bijbelse ‘eert uw vader en uw moeder’ was leidend, maar mijn moeder vergat dat er ook staat ‘verbittert uw kinderen niet’. Mijn moeder zat in de slachtofferrol; verjaardagsfeestjes geven en bezoeken, uitgezwaaid worden bij een schoolreisje, gebracht en aangemoedigd worden bij diplomazwemmen… er werd geen tijd voor gemaakt: het werk ging altijd voor. Op zondag, de rustdag, mochten we lezen, puzzelen of huiswerk voor godsdienst maken, maar niet buitenspelen of iets doen waarvan je vies van kon worden. Pas later, bij vrienden, ontdekte ik de gezelligheid die er in een gezin kan zijn en die heb ik echt gretig ingedronken.”

Volgende week lees je het laatste deel in de serie over Mirjam.

De ervaringsdeskundige, Aflevering 4 – Deze week: Mirjam, Deel 1

Het is zonnig als ik kom aanrijden voor ons gesprek op een nazomermaandagmiddag. Net als ik wil aanbellen, komt haar man me tegemoet lopen uit de tuin. Ik vraag hem hoe het gaat en zeg erg te zijn geschrokken van het nieuws. Toen Mirjam en ik kort ervoor probeerden een datum te prikken, vroeg ik of het paste, ondanks de op handen zijnde verhuizing. Ze liet weten dat die niet zozeer een knelpunt vormde. Wat alles anders had gekleurd de afgelopen dagen, was het bericht dat de uitslag van de biopsie niet goed was: de knobbel die ze onder haar arm had ontdekt, bleek ondanks de luchthartige reactie van de radioloog wel degelijk kankercellen te bevatten. Gezien het feit dat ze die twaalf jaar geleden dacht te hebben overwonnen, was dit een enorme klap, zowel voor haar en haar man als voor de kinderen en hun gezinnen. We overlegden of een interview dan nu wel een goed idee was. Ik hield de optie open dat het nu misschien juist extra van belang was dat haar verhaal werd opgetekend en gehoord. Mirjam wilde er even over denken en ik zei dat welke beslissing dan ook okay was en dat het helemaal aan haar was om te beslissen of, en zo ja wanneer en waar we elkaar zouden spreken. Het duurde maar kort voordat ze antwoordde: “Mijn moeder is dit voorjaar overleden en na alles wat er tussen haar en mij is gebeurd, had ik zo gehoopt, nog een poos ontspannen te kunnen leven. We zijn allemaal heel verdrietig.”

Haar man kijkt me aan en zegt: “Ja, het is heftig. Het gaat op en neer. Soms heb je weer wat moed en op andere momenten kun je het eigenlijk niet geloven en overvalt je het machteloze gevoel van niet te weten wat je te wachten staat.” Terwijl we nog wat praten, opent ze de voordeur en valt ze in ons gesprek. We kijken elkaar aan en ogen vullen zich met tranen. De angst en onzekerheid werpen een grote schaduw over wat, na het overlijden van haar moeder en de verhuizing, een nieuwe start had zullen worden, een fase waarin ze was bevrijd van haar moeders oordelende blik.

Ik stap naar binnen, de hal in; ik strik mijn schoenen los, doe ze uit en dan omhelzen we elkaar. Ik houd haar lang vast en voel in haar lichaam de onrust die zo begrijpelijk is.
We lopen de woonkamer in en terwijl Mirjam thee zet, kijk ik om me heen. Ik zie dat de boekenkast al deels is ontmanteld: lege planken, ingepakte boeken. Bij het raam staan een tafeltje en een stoel die ik daar eerder niet heb gezien. Als ik navraag, blijken ze inderdaad uit de boedel van haar overleden moeder afkomstig te zijn. Op het tafeltje staat een bos zonnebloemen met gele gerbera’s en ook elders staan bloemen. Op het plateau naast de open haard staat een tiental handgeschreven kaarten van mensen die haar een hart onder de riem willen steken. Mirjam zet de koppen thee neer en steekt meteen van wal met wat er de afgelopen dagen alweer allemaal is voorgevallen in contact met zorgverleners.

Diverse gebeurtenissen herinneren haar pijnlijk aan hoe het twaalf jaar geleden verliep: een huisarts die het wel vindt meevallen en aanvankelijk aarzelt met een doorverwijzing, verpleegkundigen die informatie verstrekken die vanwege de eerdere operaties niet relevant is, radiologiemedewerkers die onbenullig staan te kijken als ze voor onderzoek komt, een radioloog die zegt helemaal niks te kunnen vinden: “Stelt dat niet gerust?” “Nee”, had ze geantwoord, “dat stelt helemaal niet gerust, want twaalf jaar geleden zei u dat ook en toen was het ook helemaal mis.” Hij was wat geïrriteerd geweest en had gezegd: “Nou, voor de geruststelling wil ik wel een biopt nemen, hoor, maar het zijn geen fijne prikken, dus je kunt er ook vanaf zien.” De sfeer van bagatellisering in de toon had haar getroffen, maar ze had aangedrongen. Toen ze een paar dagen later voor de uitslag kwam en twee mensen achter het bureau zag zitten, wist ze, met al haar verpleegkundige kennis, genoeg: ze zitten er alleen samen als ze een slecht-nieuwsgesprek moeten voeren. Dat werd het ook, en nu is ze in afwachting van de vervolgonderzoeken. in het gesprek komen we op de vraag of het de ervaringen in het nu zijn die haar zo boos, teleurgesteld en verdrietig maken, of dat die ervaringen raken aan alle pijn van vroeger, waardoor ze telkens opnieuw de oude wonden openrijten.

We nippen van de thee, omringd door de geur van versgebakken boterkoek. vertelt hoe hartverscheurend het was om het slechte nieuws aan de kinderen te moeten vertellen. Anders dan in haar ouderlijk gezin is hun eigen gezinscultuur er niet één waarin er voor dit soort verdrietige dingen geen tijd en aandacht is, maar één van openheid en samen delen. Ze kijkt dan ook met een pijnlijk gevoel terug op het sterven van haar moeder en hoe ze op afstand van elkaar om het bed heen zaten, een fysieke representatie van het gebrek aan contact dat ze in haar leven had ervaren. Bijna verontschuldigend jegens haar moeder zegt Mirjam dat er natuurlijk ook mooie ervaringen waren, maar het zijn de nare die schrijnende, belemmerende littekens hebben nagelaten. Een voorbeeld is de laatste Moederdag, waarop ze door omstandigheden haar moeder niet had bezocht. De reactie van haar zeer oude moeder: “Dat valt me zwaar tegen; het zal jij ook weer niet zijn die niet komt… Komen je eigen kinderen wel bij jou deze zondag? Nee? Oh, dus ze vinden jou niet belangrijk genoeg om te komen? Nou, dan weet wat je voorland is en dit is nog maar het begin; het zal allemaal nog veeeel erger worden. Ik heb altijd al gezegd: je zondigt niet goedkoop door niet bij mij te komen, want wat je doet met mij, krijg je in tienvoud terug.”

We zijn samen stil; ik merk dat het kippenvel op mijn huid staat en ik kijk Mirjam aan als ze vervolgt: “Ik heb nog nooit zó’n rottige Moederdag gehad; voelde werkelijk alsof mijn moeder gewoon een vloek over me uitsprak. Ik was er helemaal kapot van. Je wilt het niet laten binnenkomen, maar dat gebeurt tóch. En dit was het laatste echte contact dat ik met haar had. Ze is vlak daarna overleden en omdat ik me zo gebroken voelde, had ik een tijdje niet gebeld. Dit gesprek was zo’n dreun voor me, dat ik het pas na haar overlijden aan de kinderen heb verteld…” Ik vraag wat haar overweging was om het niet meteen met de kinderen te delen. Ze valt stil en zoekt naar woorden. “Misschien angst… of schaamte? Stel je voor, dat ze toch gelijk heeft…?”

Mirjams stem trilt; ze vertelt wat ze in de tijd ervoor nog wél allemaal had gedaan en zoekt in feite nog steeds naar een antwoord op de vraag wat ze had kunnen doen om dit soort reacties van haar moeder te voorkomen. Als ik vraag of ze een idee heeft hoe zich dit gedrag laat verklaren, zegt ze: “Ik denk dat mijn moeder zelf een groot minderwaardigheidscomplex had, dat ze eigenlijk psychiatrisch patiënt was, al wilde ze dat zelf niet toegeven. Haar hele leven stond in het teken van schoonmaken in huis. Daar moest werkelijk alles voor wijken en het was haar manier om toch ergens de beste in te zijn. Onze eigen verjaardagen, feestjes van klasgenoten, uitjes in het weekend… er kon geen sprake van zijn. Zelfs de portemonnee moest tot in de uiterste hoekjes schoongemaakt met een schroevendraaier, kruidenpotjes moesten gesopt, lampfittingen met een kwastje geveegd… ik heb nog littekens van het zoutzuur waarmee de vloeren van de stallen moesten worden geboend. En als het te traag ging of niet goed genoeg, kon ze hysterisch worden.”

Mirjam vertelt verder: “Zij belde zelf elke dag met haar eigen moeder, maar wij deden dat niet en dat vond ze zwaar teleurstellend. Als zij iets van ons wilde waaraan wij niet tegemoetkwamen, noemde ze mensen die dat wél graag voor hun ouders over hadden. Bezochten we een vriendin, dan zei ze: ‘Oh dus dáár heb je wél tijd voor?’ Ze probeerde voortdurend onze schuldgevoelens te voeden. Jarenlang werden dergelijke uitspraken vooral richting mij gedaan, maar de laatste jaren hebben ook anderen uit ons gezin ermee te maken gehad. Dit heeft hun ogen geopend voor wat er decennialang speelde en waarin ik niet serieus werd genomen. Het heeft er bij hen nu ook fors in gehakt.” Ze vertelt hoe ze de relatie met haar moeder eigenlijk niet anders kent dan als één met veel verwijten: “Mijn moeder vond het vervelend dat ik in het voorjaar was geboren. Mijn verjaardag werd alleen gevierd wanneer die op zondag viel, want op andere dagen moest de grote voorjaarsschoonmaak worden gedaan, moesten de koeien weer naar het land en moesten de stallen geboend. Jarig zijn in het voorjaar kwam dus slecht uit… ik kwam slecht uit… Een briefje waarop ze dat had geschreven, kwamen we bij het leegruimen van haar huis tegen… in haar bijbel.” Opnieuw zijn we samen stil.

Volgende week vervolgen we het verhaal van Mirjam.

De ervaringsdeskundige, Aflevering 3 – Deze week: Isis, Deel 3

Afgelopen week eindigden we met een verdrietige constatering door Isis, namelijk dat ze zichzelf in de loop der jaren is kwijtgeraakt.

Na een moment van stilte vertelt Isis over haar eigen rebirthing-ervaring, waarin de therapeut vroeg of Isis wellicht was geboren na een ingeleide bevalling. Die vraag kon ze niet beantwoorden, maar haar moeder bevestigde dat. De zorgverleners zaten niet te wachten op een bevalling op zondag en dus werd haar moeder op zaterdagavond ingeleid. “Ik heb ervaren dat ik machteloos ter wereld kwam, dat ik niks kon doen… De bevalling ging te snel en te heftig en dat gevoel van machteloosheid kan ik nog vaak ervaren. Vreemd genoeg… Robin is na een natuurlijke thuisbevalling geboren, maar een dag later kreeg ik kraamvrouwenkoorts en ik werd per ambulance naar het ziekenhuis afgevoerd. Ik was zomaar ineens doodziek en dat is waarschijnlijk ook traumatisch geweest voor Robin en voor de oudste. Ook hier zit dus weer een overlapping met mijn eigen leven.”

Ik vraag Isis waaraan ze denkt bij het woord ‘traumatisch’: “Dat is een breed begrip, toch…? Ik denk aan een plotselinge gebeurtenis of aan verwaarlozing of andere chronische toestanden…”
Ik vertel wat veel trauma-experts als de essentie van trauma zien: het alleen zijn met de pijn van moeilijke ervaringen. Het gaat niet om die ervaring zelf, maar om wat die ervaring doet met je innerlijke, je emotionele wereld en hoe dat je gedragsrepertoire beperkt en minder flexibel maakt. Je vervalt al snel in de bekende overlevingsstrategieën: fight, flight, freeze en fawn (veinzen, je tegenstander ‘pleasen’). Hoe vroeger in het leven dat gebeurt, hoe groter de gevolgen. Isis had truckjes om zich niet de woede van haar vader op de hals te halen en om schelden en opsluiting te voorkomen, maar de angst was er voortdurend. Ze zag zich genoodzaakt haar authenticiteit deels op te offeren. Ze liet bepaalde delen van wie ze was niet zien, opdat ze iets van veiligheid in de relatie met haar ouders kon handhaven. Ze zegt dat ze, doordat ze vaak op stap was, ook lang niet alles meekreeg en dat ze er niet zo’n sterk bewustzijn over had. Desondanks is de impact er meestal wel, want hoewel we niet alles wat we meemaken via ons narratieve geheugen kunnen reproduceren (we kunnen het verhaal niet vertellen), slaan we de imprint die onze stresshormonen in onze cellen hebben achtergelaten, wel op. We hebben er dus wél een lichamelijke herinnering aan, ook als die niet bewust is, en die fysieke herinnering wordt getriggerd door situaties die lijken op wat we eerder meemaakten. Wat we in het ‘nu’ ervaren, is daarom vaak een herinnering aan wat er ‘toen’ gebeurde en waarin we alleen stonden, omdat er geen bufferende bescherming was van een volwassene die voor coregulatie zorgde en ons geruststelde. Dan zoeken we andere manieren om ons veilig en tevreden te voelen en dat zijn dikwijls ‘slechte gewoontes’ en verslavingen, vanwege hun hormonale bevredigingseffect. Die zijn ook Isis niet vreemd: ze noemt roken, drinken, slaapmedicatie en koffie.

Verslaving werd lang gezien als gedrag dat bestraft moest worden, toen als hersenaandoening en inmiddels bij voorvechters van een meer holistische kijk als een oplossing voor een onderliggend probleem, dat bijna altijd trauma is. Niet iedereen met trauma raakt verslaafd, maar mensen met een verslaving hebben bijna altijd trauma in hun voorgeschiedenis. Vanuit dit perspectief kunnen we met meer compassie kijken naar wat er speelt. Het laat ook zien dat het waarschijnlijk moeilijk is de verslaving te beëindigen als er voor het onderliggende trauma geen oprechte aandacht en erkenning is.

We stellen vast dat er veel moment zijn geweest waarop Isis de verbinding met zichzelf niet kon vasthouden en dat in veel situaties in haar kindertijd haar ouders er niet voor haar waren om haar liefdevol te begeleiden: “Het kwam niet in me op om moeilijke dingen met mijn ouders te bespreken. Ik sloeg me erdoorheen en zorgde dat ik het relatief naar de zin had.” Ze heeft al met al lange tijd een grote last met zich meegedragen en hoe verdrietig ze nu ook is… ze is ook moe daarvan en even niet voor Robin hoeven te zorgen, voelt voor een deel ook als verlichting van die last. Daarmee is ook duidelijk dat lichaam en geest nauw verbonden zijn: wat we geestelijk als een zware last ervaren, heeft gevolgen voor ons lichamelijk welzijn. De machteloosheid die Isis momenteel ervaart, is al heel oud, zo heeft ze aangegeven, want die stamt al van haar geboorte. Het is indrukwekkend om dit soort verbanden te kunnen zien en daarmee ook te ervaren dat we niet te gering mogen denken over hoe we omgaan met onze allerkleinsten op het moment dat ze ter wereld komen en in hun eerste 1000 dagen.

We zijn het erover eens dat het voor jezelf als ouder heel confronterend kan zijn om te zien dat je kinderen je spiegelen. Wat je moeilijk vindt in hen, is meestal wat heling in jezelf verdient. De zelfreflectie die daarvoor nodig is, vraagt echter om een veilige omgeving, één waarin je niet meteen weer in je ‘coping strategies’ vervalt, in gedragspatronen die je ooit logischerwijze ontwikkelde om te overleven. Pas als die veiligheid er is, kun je met compassie je eigen pijn aankijken en bevragen. Dan kun je weer leren luisteren naar je intuïtie en bepalen wat je in de interactie met anderen wilt aannemen en wat niet.

De boeddhisten zeggen: als je een cadeautje geeft en de ontvanger het niet aanneemt, dan blijft het geschenk van jou. Dat geldt voor mooie dingen (aandacht, liefde, blijdschap) en ook voor je boosheid: neemt de ander je boosheid niet aan, dan komt die bij jou terug, vaak dubbel en dwars, en dan kan die boosheid van alles triggeren. Wanneer we kunnen leren zien dat onder boosheid vaak heel diepe pijn zit, kunnen we meer compassie ervaren, zowel voor onszelf als voor de ander.
“Dat vind ik mooi”, zegt Isis, “over die boosheid niet aannemen… Ik probeer dat ook met Robin. Ik kan Robin’s gedachten over mij niet veranderen. Ik heb gezegd ‘ik hou van je’ en meer kan ik nu niet doen.”

Mijn gedachte is wat positiever; ik denk wél dat ze Robin’s gevoel kan beïnvloeden. Ik benoem een andere boeddhistische wijsheid, die zegt dat als het niet lukt om actief groei of verbetering te bewerkstelligen, het al winst is als je geen schade meer berokkent. Dan kan het stof van de strijd neerdalen en komt er voor iedereen meer zicht en ademruimte. Het stelt ook iedereen in staat om wat meer te voelen wat er in het eigen lichaam gebeurt en om daarop te reflecteren, zonder dat er telkens escalatie optreedt die ‘zwaar op de maag ligt’ of die ‘het bloed onder de nagels vandaan haalt’ – over de taal van het lichaam gesproken. Bovendien betekent meer ruimte creëren dat je elkaar niet belast met wat je van elkaar wilt en verwacht. Robin kan Isis niet geven wat Isis als kind heeft gemist. Isis kan Robin ook niet geven wat Robin als kind heeft gemist. Ze hebben allebei behoeftes die ze bij elkaar niet kunnen vervullen. Dat is enerzijds een verdrietig en anderzijds een cruciaal inzicht voor hen allebei om verder te komen. Als ze beiden een gesprekspartner kunnen vinden bij wie ze zich veilig voelen, die zonder oordeel, zonder dreigen met sancties en zonder het creëren van schaamte naar hen kan luisteren, naar alles wat ze voelen en ervaren, kunnen ze langzaam maar zeker de verbinding met zichzelf herstellen. En dát, zeggen trauma-experts, is de essentie van genezing: het herstel van de verbinding met je authentieke zelf. Die verbinding is de basis van waaruit je de verbinding met de ander kunt terugvinden of opbouwen.

Met die hoopvolle gedachte ronden we af. De komende tijd zal leren hoe het verder gaat met Isis en Robin en ik wens Isis en Robin daarbij alle goeds van de wereld!

De ervaringsdeskundige, Aflevering 3 – Deze week: Isis, Deel 2

De praktijkruimte is lekker warm; de kaarsjes branden en er staan verse bloemetjes. Vanuit het raam zie ik Isis aankomen en ik loop de trap af om haar welkom te heten. Het is fijn om elkaar, na een bondige telefonische uitwisseling, nu te ontmoeten. We beginnen ons gesprek met een korte creatieve check-in en dan leggen we het Mattenspel om in beeld te brengen hoe Isis de eigen kindertijd heeft ervaren en welke relaties daarin voor haar belangrijk waren op 16-jarige leeftijd. Al tijdens het leggen komen er dingen naar boven: “Ik heb geprobeerd er nog wat vrolijks van te maken”, is haar reactie als ik wijs op de blije smileys die pas in een laat stadium aan een aantal plekken en personen worden toegevoegd. Verderop in het gesprek komen we terug op deze veelvoorkomende behoefte om voor de binnen- en de buitenwereld een beeld hoog te houden van een gelukkige jeugd, ook als dat diep van binnen niet zo voelde. Als de legging naar de mening van Isis klaar is, kijken we er samen uitgebreid naar, bijvoorbeeld naar de boosheid die bij vader ligt. “Ik had foefjes om hem vrolijk te stemmen. Ik wist wat ik moest doen om straf te voorkomen. Zo moest je aan tafel bijvoorbeeld niks verkeerds zeggen, want als het allemaal niet netjes genoeg was en je ‘misdroeg’ je ondanks een waarschuwing, dan werd je in het magazijn achter de winkel opgesloten. Anders dan bij een zus is het mij nooit overkomen, maar de dreiging hing wel altijd in de lucht. Ik hield me dus stil, of ik verstopte me, en altijd voelde ik die spanning. Soms kreeg ik huisarrest, als ik betrapt was op een leugen. We werden niet gezien voor wie we waren en ik heb allerlei dingen gedaan om toch aandacht te krijgen, zoals dingen stelen uit de winkel van mijn ouders, of geld uit de portemonnee van mijn moeder. Ik heb haar dat niet lang geleden opgebiecht en hoewel ze het niet wilde geloven, heeft ze uiteindelijk toch mijn terugbetaling aanvaard. Ook met haar was en is het niet gemakkelijk, maar als kind voelde ik me bij haar nog relatief veilig; zij was in ons gezin meer de stabiele factor, al voelde ik me soms meer op mijn gemak bij de grotere luchtigheid en het gek doen van mijn vader.”

Isis vertelt hoe ze buiten het gezin haar heil zocht bij vrienden en vriendinnen, hoe ze spijbelde en wilde dingen deed. Met één vriend kreeg ze een relatie, maar bij hem thuis was de situatie bijna net zo moeilijk: onrust, spanning tussen de ouders, een botte vader… de dynamiek was vertrouwd. Ze gingen uit elkaar, kwamen later weer samen en trouwden toen Isis zwanger bleek te zijn. Na een miskraam werden er uiteindelijk drie kinderen geboren, maar het huwelijk hield geen stand en resulteerde in een vechtscheiding, die grote impact had op de partners en de kinderen. Als we tijdens ons gesprek meer in detail kijken naar de situatie van Isis, wiens vader al jong stierf, en naar die van haar eigen gezin, waarin de kinderen al jong hun thuisbasis verloren, dan zijn er opvallende overeenkomsten.

De reden dat Isis voor een gesprek bij mij is, is eigenlijk dat haar middelste kind, de 30-jarige Robin, het eigen leven niet goed op orde krijgt. Na een verbetering afgelopen jaar, toen Robin weer bij Isis woonde in een poging meer structuur te ontwikkelen, is er nu weer een terugval. Isis is verdrietig en vreest de verbinding met Robin te verliezen, ook omdat ze zich overweldigd voelt door alles wat er door de onrust wordt opgeroepen in haarzelf. “Je zou de plaatjes zo over elkaar kunnen leggen. Er zijn veel overlappingen in wat er in onze levens gebeurt. Robin en ik zijn allebei jong de deur uit gegaan en zijn gevlucht in weggaan en in verslavingen.” We spreken over de verschillende vormen van verslaving die er zijn en die veel meer omvatten dan alleen drugs of alcohol. Ook altijd de hort op zijn, voortdurend werken, op een negatieve manier aandacht vragen… het zijn allemaal gedragingen vanuit een diep verlangen om gevoelens van pijn en eenzaamheid te verdoven en de overtuiging te creëren dat je ergens bij hoort, dat je gezien en gehoord wordt. Ze helpen op de korte termijn, maar geven op de lange termijn schade en je kunt ze dan amper meer loslaten.

Dat Robin wél contact met vader heeft, maakt het emotioneel extra ingewikkeld voor Isis, die erg bezig is met wat haar eigen rol kan zijn voor Robin, wat er nodig is om weer verbinding te ervaren. We spreken over wat er bij het leggen van de geluksklavers in het Mattenspel gebeurde; bij diverse mensen lagen al klavertjes, maar bij Isis zelf nog niet en ze had gevraagd, terwijl ze mij aankeek: “Ik mag bij mezelf ook klavertjes leggen, zeker…?” Ik had geantwoord dat ze dat helemaal zelf mocht beslissen. Haar reactie was: “Hmmm… ja… ik vergeet mezelf een beetje…” In het vervolg van ons gesprek noem ik dat en Isis geeft aan dat ze zich ervan bewust was geweest. Nu ik er expliciet naar vraag, zegt ze dat het een rode draad in haar leven is, dat ze probeert het voor de ander goed te doen, maar daarbij niet vaak genoeg de vraag stelt of die keuzes ook goed voor háár zijn. We spreken in die context over authenticiteit en Isis zegt: “Nee, mijn authenticiteit blijft daarin niet goed overeind; dat realiseer ik me wel en ik ben daar meer mee bezig. Ik vind het alleen moeilijk om afstand te nemen en mijn eigen grenzen te bewaken, omdat men daar, toen ik kind was, zo vaak overheen is gegaan. Ik vraag me steeds weer af: ‘Was het wel goed genoeg? Had ik niet meer kunnen doen?’ Zo lastig allemaal…”

We zijn even stil samen; ik schenk opnieuw thee in en ik vraag haar hoe het nu met haar is. Ze denkt na; haar ogen vullen zich met tranen als ze zegt: “Ik voel verdriet; ik vraag me af… hoe verhoudt zich dit alles tot mijn relatie met Robin? Ik ervaar dat ik af en toe gewoon de weg kwijt ben, dat ik niet meer weet wat ik kan doen. Robin heeft zelf wel dingen geprobeerd tijdens de vechtscheiding om ons weer bij elkaar te brengen, maar de ontmoeting met mijn ex en mij die Robin een keer onaangekondigd organiseerde, vond ik heftig. Ik voelde me gemanipuleerd.” Ze is zich bewust van de vrijwel zeker goede intenties van Robin, maar toch werkte het niet. Ik kijk haar aan en voel haar innerlijke worsteling. Manipulatie… ik moet denken aan een andere interviewee die dat woord over zichzelf gebruikte en bij wie we er dieper op in gingen. We constateerden dat het een term was die de pijn van vroeger weerspiegelde, die ging over hoe ze werd bejegend door haar ouders, waarna ze in dat mantra was gaan geloven. In hoeverre was Isis als kind gemanipuleerd en triggerde de actie van Robin de pijn die vroeger was veroorzaakt? Ik vraag Isis wanneer ze zich voor het eerst gemanipuleerd voelde. Ze noemt haar huwelijk, maar als we verder zoeken, speelde het ook al in patronen in haar thuissituatie, waarin familieleden zeiden dat ze geen zin hadden om naar Isis te luisteren. “Nog steeds zeggen ze dat wel en dan komt er een heel diepe pijn bij mij naar boven; verdriet en boosheid voel ik.”

We spreken over haar eerdere uitspraak van ‘relatieve veiligheid’ die ze voelde bij haar moeder. “Ik wist wel dat het niet was zoals het moest zijn, maar ik nam er genoegen mee. Ik had geen keus en had het gevoel dat ik het hier dan maar mee moest doen en dat zij ook niet beter wisten en konden. Inmiddels heb ik best heel wat dingen bereikt en dan is het misschien verleidelijk alles weer weg te redeneren en te bagatelliseren, maar…” Ze valt stil en de tranen vloeien weer: “Veel patronen van vroeger bestaan nog steeds en ik heb een diepe angst dat ik Robin verlies. Ik geef nu mijn grenzen aan, maar met welke prijs gaat dát dan weer gepaard? Mijn angst Robin te verliezen was er zelfs al bij de geboorte… de angst om dat kleine hummeltje te verliezen… maar misschien was ik het zelf wel…”
We zwijgen samen in diepe ontroering, omdat ze nu vrijwel letterlijk zegt wat ze bedoelt, wat ze voelt als gevolg van wat er is gebeurd, namelijk dat ze zichzelf is kwijtgeraakt in de loop van haar leven. Dat ziet ze nu gespiegeld in haar kind en dat doet intens zeer.

Volgende week analyseren we een aantal van de punten die Isis naar voren heeft gebracht.

De ervaringsdeskundige, Aflevering 3 – Deze week: Isis, Deel 1

Mijn cliënt en ik waren via een ongebruikelijke route in contact gekomen. Ik had met iemand over mijn werk gesproken en die persoon had een ​​paar dagen later contact met me opgenomen met de vraag: “Doe je consulten over dit trauma-onderwerp, naast je lactatiekundige werk? Ik ken iemand die worstelt met een volwassen kind dat een terugval heeft in de verslaving en die op dit moment niet met elkaar in gesprek zijn. Zowel ouder als kind hebben het moeilijk om alle pijn van de verstoorde relatie te verwerken en misschien kunnen jouw kennis en inzichten hen helpen om dingen weer in beweging te krijgen, al is het maar een klein beetje. Het kind leek vorig jaar vooruitgang te hebben geboekt, maar alles lijkt nu een zorgwekkende wending te hebben genomen.” Mijn reactie was geweest dat ik zeker benaderd kan worden voor dit werk, hoewel ik niet pretendeer een therapeut te zijn. Aan de andere kant… we hoeven als mens geen therapeut te zijn om een ​​therapeutisch effect te hebben op de processen die onze naasten doormaken. Het beschikbaar stellen van onze tijd en onze werkelijke aanwezigheid kan al enorm verzachtend werken.

Ik had er vertrouwen in dat mijn kennis van pas zou kunnen komen en legde uit dat zo’n gesprek tot doel zou hebben om erachter te komen hoe de kindertijd was geweest voor die persoon, ouder of kind. Ik heb een spel dat daarbij helpt en hoewel het is ontwikkeld om te worden gespeeld met kinderen, kan het ook bij gesprekken met volwassenen worden ingezet. Het is dan zaak de volwassene te vragen een leeftijd te kiezen waarvoor de elementen van het spel zullen worden gelegd. Ik had gezegd dat als ik het 30-jarige kind (laten we het Robin noemen) zou zien, het raadzaam zou zijn om  nazorg te waarborgen, omdat een sessie met mij triggerende en intense herinneringen en emoties zou kunnen oproepen.

We hadden afgesproken dat mijn gesprekspartner de ouder zou laten weten dat ik bereikbaar was en terwijl we nog wat door praatten, hadden we het over Robins negatieve ervaringen met zorgverleners, wat altijd een triest gegeven is. We kunnen allemaal in situaties komen waarin we gespecialiseerde zorg nodig hebben, maar als eerdere ervaringen met zorginstellingen aangrijpend of zelfs (her)traumatiserend waren, dan kunnen ze ertoe leiden dat de cliënt of patiënt zorgmijdend gedrag ontwikkelt, terwijl er misschien echt zorg nodig is. Tegelijkertijd is het belangrijk om te beseffen dat zorgverleners ook gewoon mensen zijn met hun eigen levensgeschiedenis en mogelijk met onopgelost trauma. Daarom is het zo belangrijk dat we reflecteren op onze eigen ervaringen, zodat we ervoor zorgen dat we niet werken als  ‘gekwetste mensen die mensen kwetsen’.
In mijn eigen overleg met cliënten richt ik mij altijd op hun autonomie. In wat ik zeg, is er niets wat ze moeten doen; ik geef ze informatie nadat ik heb geprobeerd ze te ondersteunen bij het aanboren van hun innerlijke wijsheid en als we afsluiten en afscheid nemen, is het volledig aan hen in hoeverre ze dat wat ik hun heb aangeboden, willen toepassen. (Oh, nou ja, er is één ding dat wél moet… de rekening betalen… 😉 )

Ik had mijn kennis gevraagd of ouder en kind beiden bereid waren om na te denken over hun eigen rol in de relatie, omdat kinderen soms lastige dingen ter sprake brengen, ervaringen die voor de ouder moeilijk kunnen zijn om te horen. Misschien wist de ouder iets niet of misschien wist de ouder het op een diep niveau wel, maar was er sprake van angst om er verder in te duiken. Het bleek dat de ouder, net als andere familieleden, op het punt stond het op te geven. Als ouders het moeilijk vinden om naar hun eigen aandeel in de dynamiek te kijken, is het vaak ook heel moeilijk om doorbraken te bewerkstelligen en het leek erop dat deze ouder moeite had om daarvoor de moed te vinden. Mijn kennis had het aspect naar voren gebracht dat als iets ‘eigen schuld’ is, het ook iets is wat je kunt veranderen. Mijn antwoord was dat ik niet in termen van ‘schuld’ spreek, omdat dat meestal niet erg behulpzaam is. Er is een fundamenteel verschil tussen ‘schuld’ en ‘oorzaak’. Je kunt ergens de oorzaak van zijn, zonder er verwijtbaar schuld aan te hebben.

Dat is de essentie van traumasensitief werken, dat je je er bewust van bent dat trauma meestal intergenerationeel is en dat iedereen in de meeste gevallen het uiterste heeft gedaan binnen de persoonlijke en indirecte mogelijkheden die men had. Dat is een cruciaal besef. Aan de andere kant kan het kind met de overtuiging leven dat de oorzaak van de problemen bij de ouders ligt. Bovendien moeten we onderkennen hoe moeilijk het voor ouders kan zijn om vertrouwen te houden en voortdurend de moed te hervinden om er voor het kind te zijn als er telkens weer een terugval optreedt. Hoe moeilijk het ook is, als ouders niet aan hun eigen genezing werken, is de kans groot dat ze het herstelpotentieel van het kind verminderen of op zijn minst compliceren. Voor het kind is de enige optie die overblijft misschien om zich los te maken van de ouderlijke invloed om volledig aan de eigen genezing te werken, hopelijk met steun van naaste en dierbare anderen.

Tijdens ons gesprek was er nog nieuwe informatie naar boven gekomen over de ouders van de ouder, dus we hadden vrij snel de conclusie getrokken dat er opnieuw intergenerationele pijn leek te zijn die wordt doorgegeven, zonder dat wie dan ook dat opzettelijk beoogt.
We waren het erover eens dat het voor de ouder misschien een bekrachtigend stap zou kunnen zijn om contact met mij op te nemen, gezien de momenteel moeizame communicatie met Robin. Op dit moment werd Robin beschouwd als degene die de slachtofferrol op zich nam, mede door beschamende dingen op Instagram te plaatsen en zo voor onrust te zorgen bij andere familieleden en vrienden. Het vermoeden was dat Robin daarbij onder invloed was geweest van drugs, hoewel Robin vorig jaar clean leek te zijn. Ik had gezegd dat zowel ouder als Robin welkom waren en dat ik hoopte dat de ouder ook Robin zou kunnen aanmoedigen om te komen, ook als het eigen consult met mij moeilijk zou blijken te zijn en verdriet zou oproepen.

Daar waren we gebleven. Het duurde maar een dag voordat de ouder me belde – wat dapper! We praatten wat, ik legde wat uit, dingen werden een beetje geïllustreerd… we kregen wat voeling met elkaar en eindigden ons telefoongesprek door een datum te prikken voor de week erna. Ik was geraakt door de getoonde moed en het gegeven vertrouwen. Ik besloot dat ik me goed zou voorbereiden en ervoor zou zorgen dat ik mijn volledige en aandachtige aanwezigheid zou kunnen bieden.

Volgende week zullen we zien hoe het gesprek met de ouder verliep.