Boekbespreking van ‘The Body Keeps the Score’ door Bessel van der Kolk, Deel 2 (English below)

Afgelopen week behandelden we Deel 1, 2 en 3 van het boek ‘The Body Keeps the Score’. In deze delen bespreekt Van der Kolk hoe de wetenschap trauma in medische diagnoses begon op te nemen, hoe neurologische beeldvormingstechnieken het mogelijk maakten om zicht te krijgen op de effecten van trauma op het zenuwstelsel, en wat de impact is van trauma en hechtingsstijlen op de wijze waarop we ons ontwikkelen naar volwassenheid.
Deze week duiken we dieper in hoe zich het geheugen vormt na blootstelling aan tegenslag of trauma, en op welke manieren mensen kunnen helen van trauma, zeker ook in relatie tot de ondertitel van Van der Kolks boek: ‘Mind, Brain en Body in the Transformation of Trauma’ (geest, brein en lijf in de transformatie van trauma).

Deel 4
Deel 4 gaat helemaal over de herinnering aan trauma. In dit deel illustreert Van der Kolk in detail hoe de samenleving aankijkt tegen de narratieve versus de traumavorm van herinneren vanaf de 19e eeuw. Hij legt het verschil uit tussen de twee vormen van herinneren. Enerzijds vertellen mensen het verhaal over de traumatische gebeurtenissen die ze hebben doorgemaakt (en dat vertellen kan moeilijk zijn, maar maakt het mogelijk om een nieuwe wending of betekenis aan de gebeurtenissen te geven, afhankelijk van de toehoorder). Anderzijds ervaren mensen de herbeleving (die zich herhaaldelijk voordoet en waarbij mensen het gevoel hebben vast te zitten in dat moment of die situatie). In het traumageheugen kunnen mensen dissociëren (het proces waarbij men mentaal vlucht of zich losmaakt van een ervaring of een herinnering) of een tweede zelf ontwikkelen (het verlies van de verbinding met het authentieke zelf). In essentie is het verschil tussen beide vormen dat het narratieve geheugen een gevoel van controle geeft over hoe het verhaal zich ontvouwt, terwijl het traumageheugen focust op de belichaamde ervaring, de fysiek geïnternaliseerde beleving van het gebeurde.
Samen met de analyse van deze concepten stipt de auteur het probleem aan van misdiagnose, waarbij hij als voorbeeld de diagnose ‘hysterie’ aanhaalt voor vrouwen in de 19e eeuw, die achteraf gezien duidelijk leden aan traumagerelateerde stoornissen. Hij benoemt bij herhaling het thema van weerstand en onwil in de samenleving als geheel om over trauma te spreken en, nog belangrijker, om te luisteren naar hen die trauma hebben overleefd.

Deze twee onderwerpen, (narratief en trauma-)geheugen en de tegenzin van de samenleving om over trauma te praten, zijn onderling met elkaar verbonden. Aan de ene kant streven slachtoffers ernaar om het trauma te vergeten, omdat het te pijnlijk is om je te realiseren dat andere mensen zo gewelddadig of onmenselijk kunnen zijn dat ze een ander trauma bezorgen, of dat de wereld zo chaotisch, beangstigend en wreed kan zijn. Het kan ertoe leiden dat je het fundament onder je bestaan gaat betwijfelen of het kan ervoor zorgen dat je meerdere persoonlijkheden of werkelijkheden creëert als een manier om om te gaan met het verlies van veiligheid en Sense of Coherence (SoC).
Aan de andere kant wil de samenleving als geheel trauma liever als de uitzondering zien en de rest van de wereld als veilig en goed geordend beschouwen, omdat de erkenning van trauma op de één of andere manier het bewijs levert van problematische sociaal-culturele praktijken. Het kan betekenen dat er in de status quo iets moet veranderen; dat is ongemakkelijk, want systemen streven naar continuïteit en stabiliteit, niet zozeer naar verandering. Deze twee houden elkaar gevangen: het individu vindt het moeilijk om het eigen verhaal te vertellen, omdat de samenleving moeite heeft dat verhaal aan te horen, en de samenleving vindt het moeilijk om trauma te erkennen, omdat het systeem moeite heeft zich aan te passen aan een nieuwe benadering of zelfs een heel nieuw paradigma. Tegen het einde van dit deel van het boek vinden we het onderstaande citaat, dat laat zien hoe deze twee onderwerpen verbonden zijn en hoe we naar herstel kunnen toewerken, het onderwerp van Deel 5 van het boek.

“Niemand wil zich trauma graag herinneren. In dat opzicht verschilt de samenleving als geheel niet van traumaslachtoffers. We willen allemaal leven in een wereld die veilig, hanteerbaar en voorspelbaar is en slachtoffers herinneren ons eraan dat dat niet altijd de realiteit is. Om trauma te begrijpen, moeten we onze natuurlijke tegenzin overwinnen om die werkelijkheid onder ogen te zien, en moeten we de moed ontwikkelen om naar de getuigenissen te luisteren van hen die trauma hebben overleefd.”

Rembrandt van Rijn: Christus geneest de zieken Gebaren van troost worden universeel herkend en laten de kracht zien van goed afgestemde aanraking.

Deel 5
Dit is één van de meest krachtige en optimistische delen van het boek. In de laatste acht hoofdstukken deelt Bessel van der Kolk zowel decennia aan onderzoek als zijn ervaringen in het werken met professionals van over de hele wereld in onderzoekssettings, buurt- en wijkcentra en schoolomgevingen. Hij beschrijft de mentaliteitsveranderingen, strategieën en methoden die hij als nuttig heeft ervaren voor de behandeling van trauma. Hij onderkent het feit dat de gewaarwordingen die je tijdens bepaalde gebeurtenissen hebt gevoeld en ervaren, worden opgeslagen in je lichaam, je geest en je ziel. Dat betekent dat je het verleden niet simpelweg kunt uitwissen, omdat er in je lichaamsgeheugen een opgeslagen herinnering leeft aan wat er is gebeurd. Dat betekent echter niet dat je geen vooruitgang kunt boeken in je genezing en dat het gevoel van angst, alertheid en verdwazing niet kunnen worden verminderd om ervoor te zorgen dat je niet voortdurend aan het trauma wordt herinnerd of daardoor gaat dissociëren. Hij bespreekt een aantal doelen die mensen zich kunnen stellen als ze onderweg zijn naar herstel, zoals het gebruik van kalmeringstechnieken en het leren om in het hier en nu aanwezig te zijn. Liefdevolle en veilige, goed afgestemde aanraking kan in dat proces een belangrijke rol spelen, omdat die helpt elkaars zenuwstelsel te coreguleren.

De hoofdstukken in Deel 5 zitten vol met ideeën waarmee mensen aan de slag kunnen om zich van hun trauma bewust te worden, hen te helpen dit in woorden tot uitdrukking te brengen, en hun lichaam te integreren in al het werk dat ze misschien doen voor hun geestelijke groei om het trauma op te lossen en daar uiteindelijk sterker en veerkrachtiger uit te komen.

Bessel van der Kolk

Nadere analyse
Eén van de sterkste punten van dit boek is dat het erin slaagt om de weg naar herstel te beschrijven zonder dat het goedkoop klinkt of vol clichés zit. Bessel van der Kolk’s schrijfstijl is vol compassie en toch fris en open door de inzichten die hij deelt vanuit zijn onderzoek en zijn ervaring, tot leven gebracht via de levensechte verhalen en dialoogfragmenten van zijn patiënten. Dit maakt dat je je als lezer kunt herkennen in het materiaal dat hij aanreikt en dat je je ertoe kunt verhouden. Daarbij is het schokkend om te beseffen met hoeveel lagen van trauma sommige mensen onder ogen moeten zien. Dit is bekrachtigend én het maakt je nederig.
Een ander sterk punt duikt op in Hoofdstuk 17, waar Van der Kolk uitlegt dat de geest de optelsom is van de ervaringen en gewaarwordingen die een mens opdoet. Wanneer men het eigen trauma wil genezen, of anderen wil helpen met het herstel van hun trauma, dan moet men in staat zijn de geest als een puzzel te zien, met alle verschillende lagen van complex trauma die zich daarin bevinden. Hij vertelt een fascinerend verhaal van Jane, die onbedwingbare driftbuien heeft en zich schuldig voelt over haar relaties met anderen. Pagina na pagina na pagina legt hij vast hoe hun sessies verlopen, waarbij hij gebruikmaakt van Internal Family Systems-therapie (IFS). Hij illustreert hiermee in onze beleving op perfecte wijze twee belangrijke dingen. Ten eerste laat hij zien dat genezing binnen de context van een groter systeem moet plaatsvinden en niet slechts in individuele mensen (wat een reductionistische benadering zou zijn). Ten tweede laat hij zien hoe complex trauma is, en dat het daarbij gaat om schaamte en schuld, om zelfkritiek en zelftwijfel. Dit gaat in tegen het vaak nog gangbare idee dat trauma een eenmalige gebeurtenis is die leidt tot een enkelvoudig, scherp afgebakend persoonlijk probleem dat door de persoon in kwestie zelf moet worden opgelost, een soort ‘leer er maar mee leven’-verhaal. Niet altijd is bekend hoe indringend en diepgaand de effecten van trauma zijn voor de totale mens, effecten op gedrag en gewoontes, op de wereldvisie en het sociale functioneren. Een zodanig veelzijdig probleem vereist dan ook een multidisciplinaire en onbekrompen attitude.

Samenvattend kunnen we zeggen dat ‘The Body Keeps the Score’ één van de meest invloedrijke boeken is op het gebied van trauma en psychologie en dat is zonder meer terecht. Van der Kolk legt vanuit diverse perspectieven de neuroendocrinologie van trauma uit en daarnaast de effecten van trauma niet alleen op het individu, maar op de samenleving als geheel. Hij neemt een kritisch standpunt in aangaande onderzoek en gangbare medische praktijken en werpt licht op de misdiagnoses en het gebrek aan traumadiagnose dat tot op de dag van vandaag bestaat op verschillende gebieden van trauma. In lijn met het bespreken van de rol van de samenleving ten aanzien van trauma biedt hij strategieën en therapieën om trauma te voorkomen en te genezen wanneer het zich toch voordoet.
Wat hij bepleit, is iets waar veel experts op het gebied van trauma voor opkomen: voor de mens, die is gemaakt voor sociale verbinding, zijn veilige relaties met anderen de sleutel tot het doorlopen van een herstelproces. Het vergt moed en compassievolle nieuwsgierigheid van zowel degene die de ervaringen doorleefde als degene die ‘holding space’ biedt (liefdevolle gespreksruimte) om als gemeenschap werkelijk te helen. Dit boek draagt op indrukwekkende wijze bij aan dat doel.

P.S. Dit boek is naar het Nederlands vertaald en heet dan ‘Traumasporen’; je vindt het op onze websitepagina bij ‘Meer informatie’, kopje ‘Boeken‘.

Book Review of ‘The Body Keeps the Score’ by Bessel van der Kolk, Part 2

Last week, we dealt with Parts 1, 2, and 3 of the book ‘The Body Keeps the Score’. In these parts of the book, Van der Kolk discusses how science started including trauma in medical diagnoses, how neuroimaging allowed us to see the effects of trauma on the nervous system, and the impact of trauma and attachment styles on the way we develop into adulthood.
This week we will dive in deeper on memory formation after exposure to adversity or trauma  and ways of healing from trauma, especially in relation to Van der Kolk’s subtitle of the book: ‘Mind, Brain and Body in the Transformation of Trauma’.

Part 4
Part 4 is all about remembering the trauma. Here, Van der Kolk provides a detailed illustration of how society perceived narrative versus traumatic memory from the 19th century onwards. He explains the difference between the two forms of memory. On the one hand, people might be telling about the traumatic events they went through (which can be hard, but also allows for reshaping what happened depending on who is listening). On the other hand, people might be reliving the traumatic event (repeatedly and while feeling trapped in that moment or situation). In the traumatic memory, people might dissociate (understood as a process of mentally escaping or detaching from an experience or a memory), or form a second self (understood as losing the connection with your authentic self). In essence, the difference between the two is that the narrative memory gives one a sense of control over the story’s unfolding, whereas the traumatic memory focuses on the embodiment aspects of the experience.
Together with the analysis of these concepts, the author touches upon the problem of misdiagnosis, using as an example the diagnosis for ‘hysteria’ in women during the 19th century. These women were, in hindsight, clearly suffering from trauma-related disorders. He repeatedly mentions the theme of the reluctance of society at large to talk about trauma, and more importantly, to listen to the survivors.

These two topics, memory (narrative and traumatic) and society’s reluctance to talk about trauma, are interconnected. On the one hand, victims strive to forget trauma, because it’s too painful to realise that other people can be so violent or inhumane as to inflict trauma, or that the world can be so chaotic, scary, and cruel. It can make you doubt the foundation under your existence or it could make you create multiple selves or realities in order to cope with this loss of security and Sense of Coherence (SoC). On the other hand, society at large prefers to view trauma as being the exception and the rest of the world being safe and orderly, because acknowledging the trauma is somehow proof of sociocultural practices being problematic. It can mean that something in the status quo has to change, which is uncomfortable, because systems tend to strive for continuity and stability, not so much for change. Both keep one another captured: the individual has a hard time telling their story because society has difficulty hearing it, and society has a hard time acknowledging the trauma because the system has difficulty adjusting to a new approach or a new paradigm altogether. To the end of this part, we find this quote that both summarises how these two are connected and how we can move on to healing, which is dealt with in Part 5 of the book.

“Nobody wants to remember trauma. In that regard society is no different from the victims themselves. We all want to live in a world that is safe, manageable, and predictable, and victims remind us that this is not always the case. In order to understand trauma, we have to overcome our natural reluctance to confront that reality and cultivate the courage to listen to the testimonies of survivors.”

Rembrandt van Rijn: Christ healing the sick. Gestures of comfort are universally recognisable and reflect the healing power of attuned touch.

Part 5
This is one of the most powerful and optimistic parts of the book. In these last eight chapters, Bessel van der Kolk shares decades of research and his experience in working with professionals from all over the world in research settings, community centers and school environments. He describes the mindset shifts, the strategies and the methods he has found useful in treating trauma. He acknowledges the fact that your body, your mind, and your soul store the sensations you experienced during certain events. That means that the past cannot simply be erased, because there is an embodied memory of what happened. That, however, does not mean that no progress in healing can be made; you really can reduce the sense of fear, alertness or fog in order to not constantly remind you of the trauma or make you dissociate. He discusses a few goals one can set on the journey to healing, such as using calming practices and learning to be present in the here and now. Loving, secure, and attuned touch can play an important role in this process, as it helps co-regulate each other’s nervous systems.

The chapters in Part 5 are full of ideas for a person to face or help face their trauma, help express it in words, integrate their body in all the mental work they might be doing to resolve the trauma, and ultimately to rise stronger and more resilient.

Bessel van der Kolk

More detailed analysis
One of the biggest strengths of this book is that it manages to describe the path to healing without sounding cheesy or being full of cliches. Bessel van der Kolk’s writing is full of compassion, yet fresh with insights from his research and experience, that are brought to life by the real-life stories and speech fragments from his patients. This makes the material relatable, shocking at the layers of trauma a person can face; it is both humbling and empowering.
Another strength surfaces in Chapter 17 where Van der Kolk explains that the mind is the sum of the experiences and sensations the person feels. If one wants to heal their trauma, or help other people heal theirs, one has to be able to see the mind as a puzzle, with many layers of complex trauma. He has a fascinating story of Jane, who would have uncontrolled temper tantrums and feel guilty for her affairs with other people. Page after page after page, he documents their sessions using internal family systems therapy (IFS). By doing so, there are two things that we feel are perfectly illustrated. One, he shows how healing needs to happen in the context of a system and not just in people on their own (which would be a reductionist approach); and two, he indicates the complex face of trauma which involves shame and guilt, criticism and self doubt. This goes against the often still held perception that trauma is a one-time event leading to a single, defined personal issue that needs to be solved by the person alone, a sort of ‘you have to deal with it’ narrative. It is not always known how pervasive the effects of trauma are on the person as a whole, on behaviours and practices, on worldviews and social functioning. Such a multifaceted issue therefore requires  a multidisciplinary and open-minded attitude.

To sum it all up, The Body Keeps the Score is one of the most influential books in trauma studies and psychology, and rightly so. Van der Kolk explains the neuroendocrinology of trauma from different perspectives and the effects of trauma not only on the individual, but on society as a whole. He takes a critical view of the research and common medical practices and sheds light on the misdiagnosis or the lack of trauma diagnosis that exists (to this day) in different aspects of trauma. In line with discussing the role of society in trauma, he provides strategies and therapies to prevent and to heal trauma when and if it happens.
What he makes a plea for is really something we see advocated by many experts on the topic: for humans, being wired for connection, secure relationships with others are key in order to come to a healing process. It takes courage and compassionate curiosity on the side of both the one who lived through the experience and the one who creates holding space to truly heal as a community. This book greatly contributes to that goal.

Boekbespreking van ‘The Body Keeps the Score’ door Bessel van der Kolk (English below)

In dit blog bespreken we een boek van Bessel van der Kolk, een (van oorsprong Nederlandse) psychiater, onderzoeker en auteur van onder andere het boek ‘The Body Keeps the Score’, naar het Nederlands vertaald als ‘Traumasporen’. Sinds de publicatie in 2014 is het boek een bestseller geworden en het is één van de meest prominente boeken over de effecten van trauma op het biopsychosociale niveau, zowel voor de persoon in kwestie als voor de samenleving als geheel. Van der Kolk is tevens de grondlegger van het National Child Traumatic Stress Network (NCTSN); dit is een netwerk van organisaties en professionals in veel verschillende sectoren van de samenleving die gespecialiseerd zijn in de behandeling van getraumatiseerde kinderen en hun gezinnen overal in de Verenigde Staten.
Hoewel de inleiding van zijn boek haast als een curriculum vitae voelt, is deze zeer relevant om het werk van Van der Kolk te begrijpen, evenals de manier waarop hij zijn ideeën en argumenten presenteert. Hij gebruikt veel levensechte voorbeelden (uiteraard volledig geanonimiseerd om de identiteit van de gezinnen te beschermen). Hij bepleit multidisciplinaire samenwerking binnen sociale gemeenschappen, op de manier waarop hij ook in het NCTSN samenwerkt met professionals uit heel de wereld.
Per deel van het boek geven we een overzicht van de belangrijkste thema’s die hij bespreekt.

Deel 1
Deel 1 is een weergave van hoe Bessel van der Kolk begon met zijn onderzoek naar trauma en dit is bijna het relaas van hoe het terrein van trauma-onderzoek zich heeft ontwikkeld tot wat het heden ten dage is. Hij begon zijn carrière via het werken met Vietnam-veteranen met symptomen van PTSD. In de jaren 70 was PTSD in de VS echter nog geen officiële diagnose. Van der Kolk observeerde veel veteranen die de kliniek binnenkwamen met klachten over nachtmerries, paniekaanvallen, extreme woede, agressie, neiging tot overmatig drinken en middelengebruik en die vervolgens nauwelijks ondersteuning vonden wegens gebrek therapiemogelijkheden. Om hun een minimale vorm van steun te bieden, organiseerde hij een informele groepsbijeenkomst waar de veteranen, die zich vaak niet in staat voelden om over hun ervaringen te praten (omdat ze zich verdoofd voelden of de woorden niet konden vinden), hun verhalen binnen deze groep begonnen te delen. Men voelde zich gesteund, kwam terug voor een volgende sessie en bleef vervolgens wekenlang terugkomen voor de bijeenkomst.
In 1980 begon Van der Kolk te werken met een andere patiëntengroep: overlevenden van kindermisbruik. Hij merkte op dat dit veld net zo onderbestudeerd was als de PTSD in de veteranen en dat er qua symptomen overeenkomsten waren met die van de oorlogsveteranen. In de jaren rond 1990 begonnen de technieken rondom beeldvorming van de hersenen wetenschappers te ondersteunen bij het vaststellen van de effecten van trauma op het brein en daardoor ontstond er veel meer inzicht in wat trauma inhoudt. Van der Kolk beschrijft dit als volgt:
“Trauma resulteert in een fundamentele reorganisatie van hoe de geest en het brein omgaan met wat ze waarnemen. Trauma verandert niet alleen hoe we denken en waarover we denken, maar vooral ook de vaardigheid van het denken zelf. We hebben ontdekt dat het van enorme betekenis is om traumaslachtoffers te helpen om woorden te vindens waarmee ze kunnen omschrijven wat hen is overkomen; meestal is dat echter niet voldoende. Het vertellen van het verhaal verandert namelijk niet noodzakelijkerwijs de automatische lichamelijke en hormonale reacties van het lichaam dat hyperwaakzaam blijft, ieder moment voorbereid op het moment waarop het wordt aangevallen of misbruikt. Om echte verandering te bewerkstelligen, moet het lichaam leren dat het gevaar is geweken en dat het mag leven in de realiteit van het heden.”

Deel 2
Deel 2 gaat dieper in op de neurowetenschap en de manieren waarop brein en lichaam reageren op toxische stress en trauma en hoe mensen wel of niet in staat zijn grip te krijgen op hun traumatische ervaringen. Twee afbeeldingen en begeleidende verhalen laten dit op opmerkelijke wijze zien, zoals hieronder wordt uitgelegd.

Het eerste verhaal: kleine Noam was getuige van de aanval op het World Trade Center op 9/11. Hij zag het eerste vliegtuig crashen op de Twin Towers en zag hoe mensen hun dood tegemoet vielen. De volgende dag maakte hij een tekening van wat hij had gezien; in zijn tekening vielen de mensen echter niet hun dood tegemoet, maar landden ze op een trampoline (de zwarte cirkel net rechts van de deur). Van der Kolk legt uit dat Noam opgroeide in een liefdevol gezin; zijn verzorgers bleven rustig en waren responsief. Hoewel de gebeurtenis waarschijnlijk een vluchtreactie in Noam teweeg had gebracht, was hij, in de veiligheid van zijn thuissituatie, in staat om de hele gebeurtenis waarvan hij getuige was geweest, te verwerken.

Het tweede verhaal: Stan en Ute hadden,  als stel, een vreselijk ongeluk in 1999. Drie maanden later hadden ze allebei last van flashbacks; ze waren gespannen, hypersensitief en snel geïrriteerd. Ze vroegen aan het team van Van der Kolk om een hersenscan. Stan’s brein liet zien dat hij het trauma keer op keer herbeleefde, waardoor hij begon te zweten en te trillen en waardoor zijn hart op hol sloeg. Ute’s scan was heel anders; deze liet zien dat iedere keer dat ze aan het ongeluk werd herinnerd, helemaal bevroor. Dit bracht Van der Kolk tot de overtuiging dat er sprake moest zijn van voorgaand, niet opgelost trauma, dat haar geconditioneerd had om te dissociëren.
Van der Kolk legt uit dat de hersenen van getraumatiseerde mensen moeite hebben om interne en externe prikkels goed te verwerken; ze zijn geneigd om bepaalde signalen als bedreigend te ervaren, hoewel het gevaar allang voorbij is.

Om de verbinding tussen lichaam en geest duidelijk te maken, noemt Van der Kolk twee beroemde wetenschappers: Charles Darwin en onze tijdgenoot Stephen Porges.
Darwin legde de reacties vast die veel dieren laten zien wanneer ze zich bedreigd voelen en zijn observaties maakten hem duidelijk dat wanneer een organisme in de overlevingsmodus verkeert, het geen ruimte heeft voor koestering en liefde. Hij legt dit prachtig uit, zoals het volgende citaat laat zien:
“Wanneer een organisme gevangen zit in de overlevingsmodus, richt het alle energie op het bevechten van onzichtbare vijanden, waardoor er geen ruimte overblijft voor koestering, zorgzaamheid, en liefde. Voor ons mensen betekent dit dat zo lang als de geest zichzelf verdedigt tegen onzichtbare aanvallen, de relatie met onze meest nabije dierbaren wordt bedreigd, evenals onze verbeeldingskracht en de vaardigheid om te plannen, te spelen en te leren en aandacht te hebben voor de behoeften van anderen.”
V
ervolgens schetst hij de grote lijnen van de polyvagaaltheorie van Stephen Porges als een theorie die lichaam en geest verenigt en die de lichamelijke reactie van het lichaam op toxische stress en trauma kan verklaren.



Deel 3
In Deel 3 bestudeert Van der Kolk nauwkeurig de vroege levenservaringen en het belang voor kinderen om veilige hechtingsrelaties op te bouwen met de verzorgers. Wanneer kinderen daar niet in slagen, kan zich een vorm van onveilige hechting ontwikkelen. In het algemeen worden er drie vormen van onveilige hechting onderscheiden:

  • vermijdend gehecht: wanneer de ouders/verzorgers in belangrijke mate emotioneel niet beschikbaar of niet responsief waren, waardoor het kind zich emotioneel afstandelijk en wantrouwig voelt;
  • angstig/ambivalent gehecht: wanneer de ouders/verzorgers overbezorgd, inconsistent of onvoorspelbaar reageren en het kind grote stemmingswisselingen laat zien;
  • gedesorganiseerd gehecht: wanneer de ouders/verzorgers een bron zijn van zowel geruststelling als angst, waardoor het kind een gebrek aan vertrouwen in zichzelf en anderen heeft en zich heel verward voelt.

In de rest van Deel 3 bespreekt Van der Kolk de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM), het internationale handboek dat wordt gebruikt door werkers in de geestelijke gezondheidszorg om psychische stoornissen te diagnosticeren. Hij wijst op de problemen die zijn verbonden aan de praktijk om mensen een traumadiagnose te geven (die soms uitloopt op PTSD), zonder aandacht te schenken aan de onderliggende oorzaken van hun gezondheidsproblemen. Hij benoemt verder de trage vooruitgang die in medische settings wordt geboekt bij het herkennen van signalen of gedrag als een symptoom van trauma en met het vertalen van die signalen naar een traumagerelateerde diagnose. Bovendien bespreekt hij de resultaten van onderzoeken op het gebied van ACE’s en hoe deze het bewijs leveren voor een veel grotere, verborgen epidemie van ontwikkelingstrauma dat, ondanks de grote omvang, nog steeds niet wordt geclassificeerd als een gezondheidsrisico en waarvoor geen formele behandelingen bestaan.

Volgende week zullen we kijken naar Deel 4 en 5 en een korte analyse geven van het totale boek.

Book Review of ‘The Body Keeps the Score’ by Bessel van der Kolk

In this blog, we will review a book by Bessel van der Kolk, a (Dutch-born) psychiatrist, researcher and author of the book, among others, ‘The Body Keeps the Score’. Since having been published in 2014, the book has become a best-seller and is one of the most prominent books about the effects of trauma on the biopsychosocial level, both for the person and for the society as a whole. He is also the founder of the National Child Traumatic Stress Network (NCTSN), which is a network of organisations and professionals in many different sectors of society that specialise in treating traumatised children and their families all over the US.
Although the introduction of his book feels like a curriculum vitae, it is very relevant to understand Van der Kolk’s work and the way he chose to present his ideas and arguments. He uses many real-life examples (fully anonymously of course to protect the identities of the families). He advocates multidisciplinary cooperation within communities, the same way he works with different professionals from around the world and at the NCTSN.
Per part of the book, we will give an overview of the main aspects dealt with.

Part 1
Part 1 is an account of how Bessel van der Kolk started researching traumas and it is almost an account of how the field of trauma studies and trauma research evolved to what it is today. He started his career working with Vietnam war veterans who experienced symptoms of PTSD. However, in the 1970s in America, PTSD was not yet an official diagnosis. Van der Kolk observed many veterans walking into the clinic with complaints about nightmares, panic attacks, rage, aggression, urge to drink or use substances and finding little support because of the lack of resources. As a way to offer them a form of support, he organised an informal group meeting where the veterans who felt unable to talk about their experiences (because of numbing or loss of words) started to share their stories within this social group. People felt supported, came back for a next session and continued coming to the meeting for weeks.
In 1980, he started working with another group of patients: child abuse survivors. He noticed that this area of study was just as understudied as the PTSD in veterans, and that there were similarities with regard to the symptoms that the war veterans were exhibiting. In the 1990s, brain-imaging technology helped scientists to see the effects of trauma in the brain and brought about a new understanding of trauma. Van der Kolk describes this as:
“Trauma results in a fundamental reorganization of the way mind and brain manage perceptions. It changes not only how we think and what we think about, but also our very capacity to think. We have discovered that helping victims of trauma find the words to describe what has happened to them is profoundly meaningful, but usually it is not enough. The act of telling the story doesn’t necessarily alter the automatic physical and hormonal responses of bodies that remain hypervigilant, prepared to be assaulted or violated at any time. For real change to take place, the body needs to learn that the danger has passed and to live in the reality of the present.” 

Part 2
Part 2 delves even deeper into neuroscience and the ways the brain and the body respond to toxic stress and trauma and how people do or do not make sense of their traumatic experiences. Two pictures and their accompanying stories are showing this quite strikingly, as explained below.

First, little Noam witnessed the World Trade Center attack on 9/11. He witnessed the first airplane crushing on the Twin Towers and the people falling to their death. The following day he made this drawing of what he had witnessed; in his drawing, however, the people weren’t falling to their death but on a trampoline (the black circle just to the right of the door). Van der Kolk explains that Noah was growing up in a loving family; his caregivers were calm and responsive. Probably, while the initial event created a flight response in Noam, in the safety and security of his home, he was able to make sense of the whole incident he had witnessed.

Second, Stan and Ute, a couple, had a horrible accident in 1999. Three months later, they were both suffering from flashbacks; they were tense, hypersensitive and irritable. They asked Van der Kolk’s team to have a brain scan. Stan’s brain showed that he was reliving the trauma over and over again, causing him to sweat, tremble and feel his heart racing. Ute’s scan was different; it showed that she froze everytime she was reminded of the event, which led Van der Kolk to believe that this came from some unresolved previous trauma that had conditioned her to dissociate.
Van der Kolk explains that traumatised people’s brains have a difficult time processing internal and external stimuli and tend to interpret some signals as threatening although the danger has already passed.

In order to point out the connection between mind and body, Van der Kolk mentions two famous scientists: Charles Darwin and, our contemporary, Stephen Porges.
Darwin documented the responses many animals have in the face of threat and he observed that when an organism is stuck in survival mode, they have no room for nurture or love. He explains this beautifully in this quote:
“If an organism is stuck in survival mode, its energies are focused on fighting off unseen enemies, which leaves no room for nurture, care, and love. For us humans, it means that as long as the mind is defending itself against invisible assaults, our closest bonds are threatened, along with our ability to imagine, plan, play, learn, and pay attention to other people’s needs.”
He then goes on to outline Stephen Porges’ polyvagal theory, as a theory that unifies the body with the mind and that can explain the body’s response to toxic stress and trauma.

Part 3
In Part 3, Van der Kolk closely examines early life experiences and the importance for children to form secure attachments with caregivers. If they do not succeed in doing so, a form of insecure attachment may develop. Generally, three types of insecure attachment are distinguished:

  • avoidant attachment: when parents/caregivers are largely emotionally unavailable or unresponsive most of the time and the child feels emotionally distant and distrusting;
  • anxious attachment: when the parents/caregivers are overconcerned, inconsistent, or unpredictable and the child can have strong mood swings;
  • disorganized attachment: when parents/caregivers are a source of both comfort and fear and the child has a lack of confidence in self and others and feels very confused.

In the rest of Part 3, Van der Kolk discusses the Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM) used to diagnose disorders by mental health professionals. He points out the problems with giving people a diagnosis of trauma (sometimes resulting in PTSD), without paying attention to the root causes of their health issues. He also mentions the slow progress the medical community has been making in recognising issues as a sign or symptom of trauma and then translating them into trauma-related diagnoses. He also discusses the results of the ACEs studies and how these are proof of a larger, hidden epidemic of developmental trauma, which, despite its prevalence, remains unclassified as a health risk, and has no formal treatments.

Next week, we will look at Part 4 and 5 and provide a short analysis of the book as a whole.

Het smelten van ‘De kleine ijsberg’ – een kinderverhaal over genezing door verbinding (English below)

Vandaag bespreken we een boek met je, een boek met een kinderverhaal dat bij aandachtige lezing veel meer blijkt te zijn dan zomaar een kinderverhaal.

‘The Little Iceberg’, ‘De kleine ijsberg’, is het eerste kinderboek van connected baby, met zorg geschreven door Nicky Murray en verbluffend geïllustreerd door Sylvia Lynch. Meteen na publicatie is het boek een onverwacht groot succes geworden in het Verenigd Koninkrijk en in andere Engelssprekende landen en het mag zich verheugen in interesse van zowel ouders als professionals en scholen.

Nicky is sinds jaar en dag leerkracht en schooldirecteur in Schotland. Tijdens de jaren dat hij voor de klas stond, was hij geraakt door de hoeveelheid stress en angst die veel kinderen met zich meedragen en die door volwassenen vaak over het hoofd wordt gezien. Hij besloot dit verhaal te schrijven, een verhaal dat één van de manieren zou kunnen zijn waarop kinderen kunnen worden geholpen bij het herstellen van de verbroken verbinding die ze ervaren als gevolg van meerdere vormen van emotioneel trauma. Sylvia is al haar hele leven kunstenares en ze won de wedstrijd die was uitgeschreven om een illustrator voor het boek te vinden. Wij zijn helemaal weg van de visuele wereld die ze heeft gecreëerd en waardoor het verhaal zo levendig gestalte kan krijgen in de verbeelding van de lezer.

‘The Little Iceberg’ is een krachtig en creatief verhaal over een ijsberg en een kleine vogel, midden op de oceaan in de noordpoolcirkel.

  • De drijvende ijsberg is een metafoor voor een bang en eenzaam kind dat is losgeraakt van de (sociale) wereld waar het bij hoort, dat een beschermende laag van dik ijs om zich heen bouwt om te kunnen omgaan met de koude, vijandige omgeving, en dat, diep onder het zichtbare oppervlak, de zichtbare buitenkant, een grote last met zich meedraagt. Niemand besteedt aandacht aan de ijsberg, want het is er slechts één van vele en bovendien is iedereen bang om met de scherpe kantjes en dikke laag ijzige kou in aanraking te komen, terwijl dat het laatste is wat de ijsberg wil, dat iedereen zoveel afstand bewaart.
  • De vogel is een sneeuwgors, karakteristiek voor de noordelijke poolcirkel, die onvermoeibaar op de ijsrichels zit, zichzelf diep in de sneeuw ingraaft om warm te blijven, en communiceert met prachtige melodieën. De vogel symboliseert degene die een helpende hand uitsteekt, die niet bang is om afgewezen te worden, die de moed vindt om dag aan dag intens mededogen te hebben, die de ijsberg uiteindelijk laat zien dat de wereld niet zo’n eenzame plek is als ze soms lijkt, dat verbinding met anderen helpt om de eigen lasten te dragen, dat het mogelijk is om je open te stellen en te genezen van de pijn die je hebt opgelopen, dat vrijheid en geluk óók deel van onze wereld zijn. We leren de naam van de vogel niet kennen, want het doet er niet toe wie ze is; het kan iedereen zijn – oprechte vriendelijkheid is niet gebonden aan leeftijd of persoon.
  • De noordelijke poolcirkel plaatst het verhaal in een natuurlijke omgeving van een ver en onbekend ijzig land, van een eindeloze, diepe en koude oceaan, van storm en onbarmhartige wind, en allemaal staan ze symbool voor de wrede, vijandige wereld waar kinderen dagelijks mee te maken hebben als ze veel trauma ervaren en zich terugtrekken en afgesneden voelen van hun sociale leefwereld.


Een belangrijk aspect van het boek is de handleiding die erbij hoort, geschreven door de auteur, Nicky Murray, en onze zeer gewaardeerde collega dr. Suzanne Zeedyk, getiteld ‘Making sense of trauma’, trauma leren begrijpen. Behalve dat deze handleiding de setting van het verhaal uitlegt, neemt ze de lezer bij de hand voor een dieper inzicht in de thema’s in het verhaal: hoe kunnen we het beste de signalen herkennen die kinderen afgeven, hoe kunnen we een helpende hand uitsteken, hoe kunnen we ze ondersteunen bij het omgaan met stress, verlies en eenzaamheid, en hoe kunnen we dit verhaal gebruiken als een verhaal over genezing? Alle thema’s die in het verhaal besloten liggen (zoals eenzaamheid, het ‘scannen’ van de horizon, zintuiglijke ervaringen, emotionele stormen, ademhalen, vertrouwen en hoop), worden in de handleiding zorgvuldig uitgewerkt en volwassenen krijgen suggesties aangereikt voor de kleine acties die ze kunnen inzetten om kinderen te helpen bij het omgaan met trauma.

De oproep in ‘The Little Iceberg’ om te leren zorgvuldiger naar onze jongsten te luisteren is onderdeel van de problematische context die wij als ‘adult supremacy’ aanduiden, een machtspositie waarin volwassen belangen bewust of onbewust het welzijn van het kind overtroeven. Als volwassenen nemen we bij voortduring besluiten voor onze kinderen. Vaak is dit natuurlijk onvermijdelijk in de fase waarin we ze grootbrengen en hun ontwikkeling begeleiden. Zou het echter kunnen zijn dat we onze machtspositie soms onbedoeld misbruiken? Zou het kunnen zijn dat we het vaak echt heel moeilijk vinden om goed te observeren en aandachtig te luisteren naar wat onze kinderen ons proberen te vertellen? Zou het kunnen zijn dat ze op veel jongere leeftijd in staat zijn goed hun eigen behoeften te kennen en zichzelf te begrijpen dan we als samenleving vaak denken? Zou het kunnen zijn dat we ze geregeld niet serieus nemen wanneer we dat wél zouden moeten doen en ze onderschatten wanneer we dat níet zouden moeten doen? Resultaten uit wetenschappelijk onderzoek wijzen in de richting van een complex proces van wederzijdse afhankelijkheid tussen het kind en de volwassene, waarbij het kind weet en in staat is te luisteren naar de volwassene en dat ook uitgebreid doet, terwijl wij als volwassenen vaak nog midden in het leerproces verkeren van hoe naar het kind te luisteren.

Door onze kinderen serieuzer te nemen wanneer ze proberen ons iets te vertellen of wanneer we het gevoel hebben dat ze iets voor ons verbergen, valt er voor ons allemaal veel te winnen. Door manieren te vinden waarop we onze kinderen op empathische wijze de hand kunnen reiken en door te proberen zicht te krijgen op wat er zich in hun leven afspeelt, kunnen we onze liefde tonen en ze een gevoel van veiligheid en geborgenheid geven, van waardering en verbondenheid. Door met zachtheid hun verdriet bespreekbaar te maken, erkennen we hoe indrukwekkend de ervaring van verlies vaak is. Dit ontroerende verhaal onderstreept nogmaals wat de waarde is van rustig aanwezig zijn en actief luisteren, van weten waar je op kunt letten en hoe je daarop kunt reageren. Het is van grote waarde als we voor het emotionele leven van onze kinderen oprechte interesse kunnen tonen en begrip zonder oordeel. Onze compassie en vriendelijkheid zijn enorm behulpzaam om onze kinderen zich ervan bewust te laten worden hoe waardevol ze zijn als mens en om hun zelfvertrouwen te ondersteunen. Dit verhaal plaveit de weg voor hoe we precies dát kunnen doen.

Samenvattend kunnen we stellen dat dit boek de samenleving helpt om te ingewikkelde emoties te begrijpen en daar adequaat op te reageren, dat het kinderen leert om hun eigen gevoelens te begrijpen en anderen om ondersteuning te vragen, dat het volwassenen helpt om gedragsuitingen te herkennen die wijzen op emotionele onrust en trauma in kinderen, of dat nu in de rol van ouder of docent is, en dat het een weg wijst naar het herstellen van de persoonlijke verbindingen via compassie en vriendelijkheid. We zijn van mening dat dit een boek is waar iedereen wat aan heeft, ieder kind, iedere ouder, iedere leerkracht, iedere professional in het veld. Dat is de reden dat we ons ten doel hebben gesteld het boek te vertalen en in Nederland uit te geven, het te beschikbaar te stellen voor scholen, kinderopvangcentra, huisartsenpraktijken en alle andere relevante omgevingen. We zullen je op de hoogte houden van hoe het daarmee staat.

Hier is de link naar meer informatie over en bestelmogelijkheden voor ‘The Little Iceberg’:

Onderstaand vind je twee reacties op het boek:  

“Wat een prachtig boek! De illustraties zijn zoo mooi. Een schitterende manier om kinderen door een traumatische ervaring heen te helpen, in het bijzonder ook verlies, ze te helpen begrijpen dat mensen die om hen geven er voor hen zijn om ze daarbij te ondersteunen en hoe ze dit kunnen doen. Het helpt ze om zich open te stellen en hulp te ontvangen. Prachtig geschreven en ontworpen.” 

“Dankjewel voor dit boek! Het sprak me heel erg aan, mij als mens die een dierbare naaste heeft verloren zonder een afscheid, en ook als zorgprofessional en boekenliefhebber. Ik denk dat het een heel waardevol instrument zal zijn bij het ondersteunen van gezinnen en de kinderen aan wie ik onderwijs geef. Zonder meer prachtig.”