Vertalen

Vandaag was ik weer aan het vertalen. Dat doe ik op regelmatige basis, zowel voor ACE Aware NL als voor mijn praktijk en mijn bestuurswerk. Gezien de onderwerpen waarop ik focus, zit ik daardoor soms dagenlang non-stop met mijn neus in teksten, termen en concepten die gaan over veilige hechting, sensitief ouderschap, responsieve interactie, compassie, verbinding, veerkracht. Dat is mooi; dat houdt me dicht bij het onderwerp waarvan ik houd en bij het gebied waarop nog zoveel werk te verzetten is.

Tegelijk is het ook intensief. Het brengt me bij herhaling met mijn gedachten bij mensen, bij situaties en bij omstandigheden waarin er aan die veilige hechting en veerkracht van alles ontbreekt, omdat de start zo verdrietig was.

Het werken aan die teksten confronteert me ook met culturele ideologieën die de behoeften van het totaal afhankelijke kind niet of nauwelijks op de voorgrond zetten en die in de krant, op de televisie en zelfs in de wetenschap desondanks worden gepresenteerd als logisch en normaal.

En tot slot vormen die vertalingsuren dikwijls een scherp reflecterende spiegel van mijn eigen ervaringen met onveilige hechting. Die reflectie roept veel vragen op: “Wat was er destijds zo moeilijk in mijn eerste levensjaren? Waarom wéét ik heel veel dingen niet meer, maar vóel ik ze des te beter? Voor welk gemis was welk gedrag een ‘coping strategy’?”

 

Zoektocht naar verbetering

‘Verbeter de wereld, begin bij jezelf’: het is een kreet die je zomaar overal kunt tegenkomen en die tegenwoordig vaak gaat over wat je eet, hoe je je verplaatst, waar je naartoe gaat op vakantie en of dat alles wel duurzaam en verantwoord is. Nog lang niet altijd gaan die maatschappelijke debatten en persoonlijke overwegingen over de vraag of alles rondom het begin van het leven wel duurzaam en verantwoord verloopt, terwijl er langzamerhand veel inzichten zijn die de invloed van die vroege levensfase op volwassen gezondheid en welzijn laten zien.

Soms lijkt daar, heel plat, maar één belangrijke overweging voor te zijn: met de prioriteiten van het huidige systeem kost het de samenleving op de korte termijn te veel geld om die eerste jaren wat geduldiger en meer ontspannen te laten verlopen. Een langer bevallingsverlof, meer ouderschapsverlof, kleinere klassen en groepen in onderwijs en kinderopvang, diverse vormen van voorbereiding op het ouderschap waarbij er aandacht is voor trauma in de voorgeschiedenis… ze worden vaak nog als kostenposten gezien, niet als investering voor de toekomst.

De kans is echter groot dat er naast die financiële nog wel een andere verklaring is voor de afwezigheid van het thema ‘duurzaamheid’ rondom de vroege levensfase: het doet zeer om terug te kijken en te zien dat je niet kreeg (en wellicht als ouder, professional of beleidsmaker ook niet gaf?) wat in die kinderjaren zo’n onontkoombare behoefte is: open verbinding, oprechte aandacht, ongehaaste nabijheid, vreugdevolle liefde, enthousiaste aanmoediging… het diepe vertrouwen, kortom, dat je als kind gezien, gehoord en bemind wordt, dat je welkom bent in al je unieke eigenheid.

Vertalen vanuit verschillende perspectieven!


Bij jezelf beginnen

Bij jezelf beginnen? Hoe kun je dat doen? Hoe zorg je dat je niet overweldigd raakt door de reikwijdte van de vele mogelijke vragen?

“Kan ik mijzelf vergeven voor hoe ik eerder was en deed? Kan ik groeien voorbij de schaamte over dingen die anders hadden gekund of gemoeten? Zie ik de vooruitgang in het feit dat ik nu *zie* dat ‘misstappen’ en ‘wangedrag’ voor een deel uit die onveilige hechting voortvloeiden? Ben ik bereid te erkennen dat wanneer ik mijn vroegere handelingen als ‘misstappen’ en ‘wangedrag’ kwalificeer, ik nog steeds in een verdedigingsmodus verkeer? Lukt het, om een onderscheid aan te brengen tussen twee vormen van bewustzijn: enerzijds het kindbewustzijn, waarin negatieve beoordelingen over mijzelf een middel zijn om de pijn van onvervulde behoeften toe te dekken, en anderzijds het volwassen bewustzijn, waarin ik eigenaarschap kan nemen voor de fouten die ik maak, zonder mezelf daarbij de grond in te praten? Op welke wijze zou ik via ‘compassionate inquiry’ nog meer te weten kunnen komen over de knelpunten waar ik nog steeds tegenaan loop? Kan ik een dergelijke zachte, compassievolle nieuwsgierigheid aan de dag leggen jegens anderen, maar zeker ook jegens mijzelf?”

 

Op weg helpen

Grondige reflectie raakt aan grote thema’s. Ze raakt aan thema’s waarmee psychologen, sociaal werkers en traumatherapeuten zich bezighouden. In een veilige omgeving kunnen we echter ook onszelf op die thema’s bevragen, open en eerlijk. De antwoorden kunnen ons op weg helpen om onze levensgeschiedenis te vertalen en zo ons doen en ons laten, ons weten en ons voelen beter te snappen. Lief zijn voor jezelf is geen ‘softe’ aanpak; als we dat moeilijk vinden, is de kans groot dat we aan trauma raken, aan de overtuiging dat we die zorgzaamheid niet verdienen. Daar kunnen we dag voor dag aan werken: ‘Zou ik, wat ik nu tegen mezelf zeg, ook tegen een ander zeggen?’ Het omgekeerde kan evenzeer ons bewustzijn vergroten: ‘Hoe zou ik me voelen als dat wat ik nu tegen een ander zeg, tegen mij zou worden gezegd?’ Vaak vinden we dan wel aanknopingspunten voor hoe het anders kan. Vriendelijkheid, naar jezelf en naar anderen, lijkt wellicht een wat al te simpel instrument, maar kan op onszelf én op de ander een zeer krachtige uitwerking hebben.

Wanneer we weten dat kinderen ‘wired for connection’ ter wereld komen, dat ze vanaf het allereerste begin gericht zijn op het vriendelijke, open contact met ons als volwassenen en dat ze van ons zullen leren hoe veilig die wereld al dan niet is en hoezeer ze daarin al dan niet op onze ondersteuning kunnen vertrouwen, dan kunnen we zien hoe breed onze opdracht is, hoe groot onze verantwoordelijkheid om ‘connection before correction’ te laten gaan, zoals een collega dit weekend zei. Wat een mooi motto om naar de praktijk te vertalen!

Unspoken thoughts

We bumped in to one another on the street near our home and had a chat. He was doing his usual round and asked me how I was. It was warm and sunny; I wore my favourite scarce cotton dress, busy getting the outdoors and indoors ready for the summer holiday. As usual, he was in the mood for a relaxed conversation in which all kinds of topics can come to the surface. He never seems to be in a hurry and before you know it, half an hour has passed. We came to talk about a relative of ours that had died and he told about the child of a friend of a friend, who had committed suicide by jumping in front of a train. “It was the second try! The first time, he did not succeed, but now he did. So sad, for everyone involved… Why, I want to know, why, do we not help these people?!” He looked at me, clearly expecting me to respond to his desperation and indignation and more or less demanding a solution. He knows me just about well enough to know that this is a topic I have both expertise on and a heartfelt interest in. I asked him what his thoughts were, what kind of help, in his opinion, a person in such a state of despair would need, where that help should start and in what life stage the troubles were rooted. He shrugged, held his head tilted and pondered: “Yeah… well… hard to say… Do you have ideas about it?” I said I did.

I said that oftentimes, suicide is not a sudden event, even if it seems so to outsiders, but the tragic finale of a long and difficult life trajectory. Regularly, something went wrong early on, as with a house lacking a solid foundation, even if standing for decades and looking like a secure shelter from the storm.
I spoke about inner working models, the image that gets built up in the early years by the parental reflection of love and sensitivity for the child’s needs. A positive model sustains and supports us when we have challenges to deal with. It will cheer us on and we experience that cheer as love and trust in our abilities. It gives us courage and wings to fly. A negative model shakes and subverts us even when we only have to deal with the daily duties. It will talk us down and we experience that talk as a blow to our true selves, to the point where we lose connection with that self altogether and wither away on the inside. It feeds our anxiety and urge to lie low, not soar high.
I explained that humans are wired for connection and if they feel it, they can move mountains. If they don’t, life may seem to consist of mountains only, ones that cannot be conquered, regardless of their size. You can build stamina to keep trying, but sooner or later you’ll feel exhausted.
I asked how, if the parental reflection appears to say: “You are not lovable, you are not worth our effort, you’re up to no good, you’re tiring, you disturb the life I had before you came”… how, then, can a child build up an image of itself as lovable, worthy, good, delightful and enriching for close others? It is easy to say that you simply have to love yourself, but if it feels like no one else does, how can you keep that image alive and kicking?
And I added that if that is what a child experiences, it is often a handed-down inheritance from a previous generation that was struggling itself and did not manage to heal its wounds.

He had been listening closely and looked me in the eye: “Yes. I see what you’re getting at. I know a story like that, of a boy who was taken in by his grandparents, because the parents wanted to keep leading a wild life, as if there were no kid around. The grandparents did really well, but the boy had to see a psychiatrist later on anyway, because so much had been missing at the start.” I nodded. “You see…? That’s how it goes. It’s really sad, and changing it is really hard, because we all tend to say we are okay, even when we are not. Suppose I asked you how you were and you would not be well… what would you say?” He smiled; he clearly got a hunch of what I was heading towards. He shrugged again and smiled. “Well, you know… I can’t simply say I’m not okay, can I? I can’t bother you with that, can I?” I smiled back: “There you go… if I don’t know you are not well, how can I come up with ideas for things that might help you feel better again? How can I be there for you in whichever way, with proper holding space, if you don’t tell me you need that closeness, so that you won’t jump in front of a train?” His eyes lit up and widened: “That thought has never crossed my mind, fortunately!” “Aah, that’s good, but do you see it is only a gradual difference, not a fundamental one?” He slowly shook his head from left to right and his friendly smile returned: “I guess you have to continue with what you are doing, or it won’t get done in time, because I feel that this is going to be a very long conversation, if we get to the bottom of it!” I laughed out loud and agreed with him: “Yes, there is a lot to say about this, indeed! Your question about why we don’t help people who are so lonely that suicide appears to be the only escape , is not an easy one to answer, but we can begin by listening carefully when people say they are not so okay. That is a start to that answer you are looking for and an answer that could change our whole society!”

He walked away a few metres in the direction that would bring him back to his own place. He is such a friendly, well-meaning man and I know he has his own burden to take care of these days. He raised his hand to greet me and wish me a beautiful holiday and I thanked him. I realised that this is what Felitti and Anda meant when they were talking about the commonality of ACEs. I realised as well that shame and fear of vulnerability are ubiquitous, too. Why is it so hard for us to speak our minds, to open our souls, to express how we feel, to admit we are scared? If it all comes down to shame, then each of us can do something about this societal issue: don’t shame other people. Say what you like. Say whom you love. Acknowledge good being done to you. Be kind, be compassionate, be gentle. Try to imagine how challenging something may be for someone else, how their heart pounds while they try to do what is expected or needed, how dearly they miss a dearly loved one, how they wish they were not ashamed of past practices. Try to think of how they maybe just dried their tears and had to take a very deep breath before leaving home and facing the world. If we all do that, we will all be treated with much more grace, patience and humanity. As Scottish ACE Aware-colleague James Docherty says in the article below: “I have never seen a long term positive outcome from shame.” Well said, James; I hope we can meet shortly and you have time for a talk together, as it is the human story, the personal narrative, that can help us understand how we are shaped by what goes on between our entrance into this world and the day we draw and exhale our last breath. May there be a lot of understanding, connection and compassion in between, to create awesome childhood and adult experiences!

(More on the James’ important remark about how some brains never had a chance in a next blog.)

 

Focus op oxytocine

Na een blog over het belang van oxytocine lijkt het zeer gepast om aandacht te besteden aan de 3-daagse cursus die Zorgdragen Opleidingen (Karin Brügemann en Wendy Haisma) en Instituut voor Hechting (Kirsten Minnen) samen hebben georganiseerd! In oktober zal Kerstin Uvnäs Moberg in het paviljoen van Nationaal Park De Hoge Veluwe haar onschatbare kennis delen met de cursisten. ACE Aware NL spreekt met Wendy over hoe het zover kwam. Vanaf een zonnige boscamping in Frankrijk vertelt ze haar verhaal.

Wendy: We zagen dat Kerstin in Stockholm in maart deze cursus organiseerde en ik wilde er eigenlijk wel heen, net als collega Kirsten en we vermoedden dat dat voor meer mensen zou gelden. We vonden het alleen niet zo milieuvriendelijk om allemaal daarheen te vliegen, dus toen besloten we samen om als Zorgdragen Opleidingen en Instituut voor Hechting deze cursus zelf te organiseren! We doen wel vaker dingen samen, dus dit paste heel goed.

Wij: En het hele onderwerp is natuurlijk in lijn met wat jullie sowieso nastreven met je praktijken?

Wendy: Ja, klopt! Zowel bij Kirsten als bij ons is een groot gedeelte van de cursusinhoud gericht op hechting. Dat oxytocine een geweldig mooi hormoon is, komt daarbij natuurlijk ook aan bod! Ik ben er een groot fan van, van oxytocine! Dat kon dus niet missen, want hechting is een belangrijk onderdeel van het dragen, of eigenlijk van het leven. Een cursus door Kerstin leek ons dan ook een prachtige gelegenheid om die kennis breder te verspreiden en er ook zelf nog weer meer over te weten te komen.

Wij: En drie volle dagen, geloof ik?

Wendy: Ja, zeker! Die kan ze vast gemakkelijk vullen! Ze heeft er wel een plan voor, maar het gaat ook op geleide van wat mensen in de cursus aandragen. We bestuderen een aantal van haar boeken voorafgaand aan de cursus, zodat we de basiskennis goed op orde hebben en dan tijdens de cursus de diepte in kunnen met elkaar. Wie al wel op de hoogte is van oxytocine, kan er ook nog weer van alles uit halen. Ik heb de boeken nu mee als vakantieliteratuur en wil er nog weer even goed doorheen.

Kerstin Uvnäs Moberg

Wij: Ja, die boeken zijn prachtig; afhankelijk van je eigen leerproces pik je er ook bij herlezing nog weer andere dingen uit. Er zitten zoveel thema’s in! Gaat Kerstin per dag een thema bespreken of hoe gaat ze dat doen?

Wendy: Het zullen wel grofweg zes thema’s zijn, zes dagdelen, zeg maar, zoals het geboorteproces, hechting, de gezondheid van moeder en kind. Het gaat vooral om de geboorte en het eerste jaar, ook al speelt het natuurlijk je hele leven.

Wij: En jullie zitten in het paviljoen van Nationaal Park De Hoge Veluwe. Is de locatie ook een overnachtingslocatie?

Wendy: Nee, het is alleen voor overdag, maar de plek en de mogelijkheden zijn zo prachtig hier, midden in het bos, en dat vonden we wel een belangrijk punt en een voordeel ten opzichte van een plek in bijvoorbeeld een hotel tussen de snelwegen. De plek is ook sympathiek omdat de verhuur is bedoeld om de exploitatie van het park te ondersteunen en zo dragen we daaraan bij. De producten die worden gebruikt, zijn zoveel mogelijk uit het park. Er wordt ook met respect voor de omgeving gebruikgemaakt van het paviljoen, want zodra het donker wordt, gaan het park en de locatie dicht, om de rust voor de dieren niet te verstoren.

Wij: En kon je het financieel goed rondbreien, want dat is natuurlijk altijd spannend, als je zoiets organiseert?!

Wendy: Ja, dat is goed gelukt, om daarover mooie afspraken te maken. Wij vinden de locatie heel belangrijk. We hadden in een achterafzaaltje kunnen gaan zitten en dan waren we voordeliger uit geweest. Dan hadden we er zelf wellicht ook nog een leuk bedrag aan overgehouden, maar voor ons woog heel zwaar dat we het echt een mooie belevenis willen laten zijn. Fijne plek, prachtige omgeving, heerlijke lunch… Collega Karin Brügemann heeft ook weleens cursussen gehad in een achterafzaaltje. Dan is de cursus wel leuk, maar dan word je van de omgeving niet heel blij, zeg maar, en op De Hoge Veluwe wel! [Wendy lacht en zegt grappend:] En als mensen de cursus dan niet echt wat vinden, was in ieder geval de locatie goed! [Ze lachen samen.]

Wij: Dat komt vast wel goed, met de inhoud van die cursus!

Wendy: Vast wel, inderdaad! We hebben ook accreditatie aangevraagd bij IBLCE voor de lactatiekundigen. Dat is een hele puzzel, omdat bij die organisatie rond te krijgen, maar we hopen dat ook in orde te krijgen. Als dat wat gemakkelijker zou zijn, zoals bij veel andere beroepsverenigingen, zouden er misschien ook wel meer cursussen en studiedagen zijn die voor lactatiekundigen geaccrediteerd zijn. Maar in ieder geval, we hopen uit zoveel mogelijk achtergronden mensen te krijgen voor deze cursus. We doen het samen, Zorgdragen Opleidingen en Instituut voor Hechting, en hopen dat het drie mooie dagen worden!

We danken Wendy voor haar tijd in deze vakantieperiode en wensen haar een goed verblijf in Frankrijk. Op, naar een mooie 3-daagse in oktober!

 

 

‘When states become traits’

In het voorjaar van 2008 nam ik in mijn eentje het vliegtuig naar Leeds, Engeland, voor de jaarlijkse conferentie van LCGB, de organisatie van lactatiekundigen in het Verenigd Koninkrijk. Ik zat een half jaar voor mijn internationale lactatiekundige examen. Ik was meer dan gretig naar kennis die me zou helpen om mijn vak goed uit te oefenen en dus besloot ik het mooie programma van de Engelse collega’s te volgen met vier beroemde sprekers: Karleen Gribble (Australië), Brian Palmer (Verenigde Staten), Kathleen Kendall-Tackett (VS) en Kerstin Uvnäs Moberg (Zweden).

De conferentie hanteerde dat problematische concept van parallelle sessies, waardoor je altijd het gevoel hebt dat je dingen misloopt. In ieder geval wilde ik naar Kerstin. Ik had haar boek ‘De oxytocinefactor’ gelezen en had deze mondiale grootheid op het gebied van oxytocine al eerder gehoord. Het hormoon werd onlangs in een webinar door Suzanne Zeedyk en collega’s in Schotland ‘the cuddle chemical’ genoemd, in het Nederlands ‘knuffelhormoon’. Het is een stof die in Kerstins eigen woorden zorgt voor een staat van ‘calm-and-connect’. Het is de tegenhanger van de hormonale ‘fight-flight-freeze’-staat waarin we ons onder stressvolle omstandigheden dikwijls bevinden. Die ‘calm-and-connect’ helpt ‘to tend-and-befriend’: zorgzaam en liefdevol contact maken met anderen. Kerstin legde uit hoe oxytocine, ondanks de korte halfwaardetijd (de tijd die nodig is om het gehalte in het bloed met 50% terug te brengen), bij herhaalde aanwezigheid toch langetermijneffecten kan genereren. Ik zat naast Karleen, die ik virtueel kende van een online borstvoedingsplatform. In mijn verslag over de conferentie schreef ik over Karleens begeleidende, samenvattende commentaar:

Karleen sat next to me during Kerstin’s talk and whispered: “States become traits.” That is a great one-liner and a wonderful reason to strive for the dyad to spend as much time as possible in a mutually quiet alert state. That is the state in which valuable interaction and a great deal of learning takes place. If we can aid the dyad in reaching and cherishing that state and both can turn that into a trait… what a head start, in motherhood and in life!

Destijds had ik nog niet in de gaten dat dit al jaren een inzicht was in de neurobiologische wereld. Pas toen ik me jaren later meer in de (ja, daar is ‘ie weer) psychoneuroimmunoendocrinologie ging verdiepen, realiseerde ik me dat Karleen in die tijd al over veel meer kennis beschikte dan ik als groentje doorhad. Dat is het interessante van leerprocessen: wat zich als simpel en logisch laat aanhoren, is het gecondenseerde resultaat van jaren en jaren kennis vergaren. Het is een proces dat we telkens opnieuw kunnen aangaan, vooral in die staat van ‘calm-and-connect’ waarin we ‘tend-and-befriend’, omdat een gevoel van veiligheid belangrijk is voor leerprocessen.

Die veiligheidsbeleving, die is de kern van waarom we er goed aan doen als volwassenen kinderen zoveel mogelijk te marineren in oxytocine. Die stof is niet alleen een hormoon, maar ook een neurotransmitter en genereert direct in de hersenen effecten. Onder invloed van fysiologische ‘states’ worden daar netwerken aangelegd die in een mens ‘traits’ creëren: als je maar vaak genoeg een bepaald gevoel hebt dat tot een bepaalde reactie leidt, dan wordt dat wie je bent, of in ieder geval hoe je je naar de buitenwereld toe laat zien. Een zeer belangrijk artikel over dit onderwerp is al in 1995 geschreven door Bruce Perry et al.: ‘Childhood Trauma, the Neurobiology of Adaptation, and “Use-Dependent” Development of the Brain: How “States” Become “Traits” .

Uit ‘De oxytocinefactor’

Perry et al. beschrijven in hun artikel de invloed van trauma in de kindertijd op het emotionele, gedragsmatige, cognitieve, sociale en lichamelijke functioneren van kinderen. Trauma heeft een enorme impact op de neurologische ontwikkeling van de hersenen. Daarmee is ook de invloed op het volwassen functioneren potentieel groot. Het artikel stelt: ‘The acute adaptive states, when they persist, can become maladaptive traits’ (in het Nederlands minder mooi: ‘De acute staat van aanpassing waarmee het kind met de omstandigheden omgaat, kan, wanneer die staat aanhoudt, een onaangepaste karaktertrek worden.’) Het doet er dus enorm toe, in wat voor staat een kind zich in de vroege ontwikkelingsfase veel bevindt. In die fase gebeurt er veel qua groei van allerlei organen en systemen en het kind is daarom kwetsbaar. Het is echter ook de fase waarin veel volwassenen denken dat een kind veerkrachtig is en dat het wel een beetje losloopt met de impact van heftige gebeurtenissen. Het begrip ‘veerkracht’ wordt nogal eens verward met ‘aanpassingsvermogen’. Bij ‘veerkracht’ veer je terug naar hoe het daarvoor was. Bij aanpassing ga je weliswaar dóór en vérder, maar níet precies op dezelfde manier als daarvoor. In de aanpassing die het kind ontwikkelt, schuilen de risico’s. Vaak gaat het om aanpassingen die in meer of mindere mate een overlevingsstrategie vormen: wat alerter, wat agressiever, wat minder geduldig, wat minder geconcentreerd, wat minder toeschietelijk naar anderen, wat meer focus op het eigen in plaats van andermans belang… of juist (te) veel aandacht voor andermans belang ten koste van het eigen welzijn. Het zijn in de kindertijd soms misschien maar kleine verschillen, die niet altijd opvallen of tot grote problemen leiden. We weten echter wat er gebeurt als je een raket of een vliegtuig een paar graden uit koers laat vertrekken: dan is de eindbestemming waarschijnlijk niet slechts een beetje anders. Dan is die totaal afwijkend van wat de bedoeling was.

Niet aankomen op de bestemming die in het verschiet lag: dat is wat er gebeurt met kinderen die te vaak en te lang zonder ondersteuning aan ellende worden blootgesteld. Kinderen kunnen niet goed gedijen zonder sensitieve volwassenen die hen ‘op koers’ kunnen houden, die met liefdevolle aandacht en zorgzame nabijheid het kind van ‘fight-flight-freeze’ naar ‘calm-and-connect’ en ‘tend-and-befriend’ kunnen coreguleren. Zonder die coregulatie worden die stress-‘states’ in het kind probleem-‘traits’. Daarmee gaat een enorm potentieel aan authenticiteit en creativiteit verloren. Perry et al. zeggen: ‘It is the human brain from which the human mind arises and within that mind resides our humanity.’ We weten inmiddels hoe groot de invloed is van omgevingsfactoren op de menselijke persoonlijkheid: ‘Experience (…) creates a processing template through which all new input is filtered.’ Hoe vroeger die input, hoe sterker het effect en hoe moeilijker de ‘trait’ te veranderen is. Anders gezegd: hoe jonger zich bepaalde gedragspatronen ontwikkelen, hoe stabieler ze zijn. Dat geldt uiteraard zowel voor gunstige als voor problematische eigenschappen. Kortom, als altijd: ‘It’s easier to build strong children than to repair broken men’! Die uitdaging blijft: kinderen begeleiden tot robuuste volwassenen via positieve, oxytocine-rijke omgevingsinvloeden, zodat positieve ‘states’ constructieve ‘traits’ worden!

(Ook ‘The Hormone of Closeness van Kerstin Uvnäs-Moberg is zeer de moeite waard! Zie ook de Boeken-pagina.)

“Ik ben er voor jou; ik laat jou niet los!” – Een interview met een leerkracht in het basisonderwijs

Onlangs had ACE Aware NL een interview met een leerkracht in het basisonderwijs. Het opstarten na de lockdown was een situatie die bijzondere aandacht vroeg. Tegelijk is Ria (pseudoniem) ook onder normale omstandigheden alert op de zorg voor het geestelijk welzijn van ‘haar’ kinderen. Dat was dan ook het hoofdonderwerp van het gesprek.

Wij: Kun je iets vertellen over wat je aan de kinderen merkte bij het weer opstarten?

Ria: In eerste instantie waren de kinderen heel blij, ontzettend enthousiast om de juf of meester weer te zien en vooral ook om elkaar weer te zien. Veel kinderen hebben elkaar echt gewoon de hele periode niet gezien. Dat was heftig voor ze, en dat merkte je aan alles. Eerst hadden we halve klassen en dat vond ik fantastisch. De rust daaraan was geweldig; sommige kinderen zijn echt geïsoleerd geweest, en dan is het heel confronterend om ineens weer zoveel andere kinderen om je heen te hebben. Die periode duurde een week of vier en sinds vorige week hebben we weer hele klassen en dat vind ik minder een succes. Eerst kijken ze de kat uit de boom, zo van ‘wat gebeurt er allemaal weer’, en nu moet iedereen moet weer z’n eigen plekje in die groepsdynamiek zien te verwerven. De vermoeidheid slaat ook ontzettend toe, want ze zijn de schooldrukte niet meer gewend. Ik vind de overgang naar hele dagen voor de kleinere kinderen ontzettend belastend. Normaal na een vakantie is dat anders. Dan zijn ze vaak weg uit hun eigen omgeving geweest en hebben ze veel contact met buurkinderen gehad; dat is een andere situatie.

Ria vertelt dat ze een scheiding moesten maken om kinderen uit één gezin naar school te laten komen in de halve klassen. Daarbij was er geen focus op vriendschappen, maar op gezinnen, om kruisbesmetting te voorkomen.

Wij: Hoe was voor jou de balans tussen aandacht voor het cognitieve en voor het sociaal-emotionele?

Ria: Ik vind allebei belangrijk; ik vind het cognitieve niet compleet ondergeschikt, want ik merk dat als kinderen iets kunnen, als ze vooruitgang boeken, dat ze daaraan ook zelfvertrouwen ontlenen. Er moet een basis zijn van veiligheid, maar dan geeft het leren ook eigenwaarde. Kinderen ontlenen daar iets aan voor hun gevoel van competentie. Ik vind dus dat je die twee niet helemaal gescheiden kunt houden.

We spreken over een situatie waarover Ria eerder iets heeft verteld, over een kind in de klas dat soms moeite heeft met de groepsdynamiek in de klas soms en met het soepel met andere kinderen omgaan.

Ria: Het is een kind met twee gezichten, een schatje én een boef. Ik vroeg me al een paar keer af: ‘Wat is er toch met jou? Wat heb je van mij nodig?’ Soms heb je het als leerkracht ook nodig dat je je afvraagt: ‘Op welke manier KIJK ik naar een kind, hè?’ Soms kunnen we als volwassenen alleen nog maar het negatieve zien en als je daarin blijft hangen, dan kun je er de klok op gelijk zetten: dan laat een kind ook alleen maar het negatieve zien, want dat versterk je dan zelf.

Ze vertelt over hoe het kind met een stok naar een poesje op het schoolplein liep en hoe Ria zich afvroeg wat er zou gebeuren. Ze greep niet meteen in, waarschuwde niet dat de poes niet geslagen mocht worden, maar liet het kind de eigen gang gaan. Het kind was vol aandacht voor het poesje en gebruikte de stok om het poesje uit te dagen tot spelen.

Ria: Wat ik zag, was zó lief! Toen realiseerde ik me weer dat je niet te snel van het slechte moet uitgaan. Ieder kind heeft een ander verhaal en heeft iets anders nodig van mij. Ik zie wat extra of wat specifieke aandacht dan ook niet als voortrekken, maar als afstemmen op de behoeften van het kind. Het ene kind heeft hulp bij het rekenen nodig, het andere kind moet sociaal wat worden ondersteund.

Wij: En als er op school lastige dingen gebeuren, hoe pak je dat op met de ouders?

Ria: Ik ben niet iemand die constant op het plein ouders aanspreekt. Zo ‘en plein publique’… dat is voor ouders vervelend en stigmatiserend. Ook kan een kind daardoor bij andere ouders gemakkelijk een stempel krijgen. Als er overleg nodig is, dan mail ik om een afspraak te plannen.

We spreken over de behoefte van kinderen aan lichamelijk contact als er iets moeilijks aan de hand is.

Ria: Lichamelijk contact… dat is voor mij een heel moeilijk onderwerp. Ik weet dat daarover regels bestaan en toch vind ik dat ik een kind soms echt moet aanraken. Ik had een keer een kind dat ik echt bij de arm moest pakken, want het deed andere kinderen pijn, maar ik heb daar van de ouders veel kritiek op gehad: ‘Jij komt niet aan mijn kind!’ Daarom schakel in zulke situaties nu eerder de leidinggevende in, want onze positie als leerkracht is dan juridisch heel ingewikkeld en kwetsbaar. Ik had ook een keer een kind waarbij sprake was van seksueel misbruik. Dat kind was soms intens verdrietig en er was dikwijls geen land mee te bezeilen. Ik kon dat kind dan alleen maar vastpakken en troosten en dan ontlaadde het helemaal. Dikke tranen! Soms ook was datzelfde kind heel, heel boos. Ik dacht: ‘Ik kan heel boos terugdoen tegen je, maar het enige wat jij nodig hebt, is een arm om je heen. Je kunt boos zijn, maar ik laat jou niet los; ik heb jou, ik ben er voor jou.’

We spreken over het letterlijk en figuurlijk niet loslaten van een kind en dat het voor kinderen juist het kwijtraken van de verbinding is wat traumatiserend werkt.

Ria: Ja, dat vasthouden is belangrijk. En als je zo’n kind vasthoudt en je voelt zo’n lijfje ontspannen… [ze zucht] … dan kruipt het kind tegen je aan en alle tranen vloeien… dat is heel heftig en dat vind ik ook heel moeilijk, om een kind dan niet vast te houden… Ik heb ook nog nooit besloten om het niet te doen als het wél nodig is, maar juridisch gezien is het heel lastig. Er is geen duidelijk beleid voor in onze organisatie. Elke handeling wordt achteraf beoordeeld, wat het voor leerkrachten heel onveilig maakt. We krijgen dan het verwijt dat we grenzen overschrijden, terwijl de grenzen niet goed duidelijk zijn en kinderen wél die soms intense behoefte aan troost en nabijheid hebben. Het is goed dat er regels zijn en kinderen en ouders hebben daar ook recht op, maar soms voelen wij ons daardoor vogelvrij.

Ria heeft in de periode van de lockdown allerlei creatieve manieren gezocht om toch les te geven en contact met de kinderen te houden via Teams. Iedere week had ze met ieder kind even een uitwisseling om de verbinding niet te verliezen. We spreken in dat kader over veiligheid en authenticiteit.

Ria: Ik vind dat je als leerkracht zeker ook je eigen emotie mag laten zien, want dat maakt het eerlijk. Je kunt de beste uitlegger van de wereld zijn, maar als je niet echt bent, krijg je er niks in. Als jij echt bent, voelen de kinderen dat zij dat ook mogen zijn. Dat is belangrijk, want anders wordt een kind ook onecht. Dat is een overlevingsstrategie, maar wel één die tot onveilige gehechtheid leidt. Daarom moet je je als leerkracht heel erg bewust zijn van hoe ONTZETTEND veel macht je hebt. MACHT! Dat moet je niet onderschatten en daar kun je dus ook heel gemakkelijk misbruik van maken als je er niet bewust bij stilstaat. Daaraan wordt in de opleiding te weinig aandacht besteed. Ik heb het er met stagiaires wel altijd over, want ik vind het echt heel erg belangrijk. Soms krijg je met kinderen heel grappige dingen als je zegt dat iets echt niet mag. Dan zeggen ze soms: ‘Ja, maar ik heb het toch netjes gevraagd?’ Dan zeg ik: ‘Ja, en dat is ook heel goed, maar toch gaat het niet door. “Nee” is ook een antwoord.’ Vaak zeg ik dat ik er later nog op terugkom en soms vergeet ik dat in de waan van de dag. En wat je vaak ziet, is dat kinderen er dan zelf wel op terugkomen als het belangrijk voor ze is: ‘Juf, maar je zei toch dat…?’ en meestal hebben ze dan gelijk en dan hebben we samen de mooiste gesprekken. Dat vind ik fantastisch!

Wij: Daarvoor is wel veiligheid nodig, als basisvoorwaarde; anders komen ze niet, toch?

Ria: Ja, absoluut. En je moet ook kunnen zeggen: ‘Ja, je had gelijk.’ Je mag ook als leerkracht fouten maken, maar ik vind het belangrijkste dat je goed kijkt en het kind serieus neemt en dat je de kinderen aanmoedigt elkaar ook serieus te nemen. We oefenen nu de ‘oversteektechniek’: ‘Denk eens na of… Wat zou die ander eigenlijk willen? Wat vraagt ze eigenlijk? Misschien wil hij meespelen? Begrijp je dan beter waarom je klasgenoot op een bepaalde manier reageerde?’ Je ziet kinderen dan heel erg nadenken: ‘Oh, ja! Zal ik dan vragen of hij wil meedoen?’ ‘Goed idee; wil je dat ik je daarbij help?’ ‘Dat kan ik zelf wel, juf.’ Okay, helemaal goed! [Ze lacht.]

We spreken over manieren om een kind waarmee het moeilijk gaat, te benaderen. Het woord ‘time-out’ valt en Ria fronst haar wenkbrauwen.

Ria: Ik ben niet voor de time out als het betekent dat je een kind apart zet. Dat wil ik niet. Mijn uitgangspunt is: als het een time out is, dan zit je lekker naast me en dan ben ik niet boos op jou. Als ik naar ‘De Nanny’ kijk… Kinderen willen niet op die trap zitten; hun gedrag is niet hun boodschap. Hun boodschap is: ‘HOOR mij, ik wil erbij horen!’ Een kind dat alles al moeilijk vindt, ook nog eens apart zetten… hoe verdrietig kun je een kind maken?! Dus dat doen we niet. Je komt maar lekker bij me en je houdt mijn hand maar vast, en dan ga ik gewoon mijn ding doen terwijl je bij me zit.

We spreken nog over hoe het voelt om fysiek afstand te houden tot de kinderen.

Ria: Afstand houden met kinderen is heel ingewikkeld. Dat gaat toch niet, dat ik achter een tafeltje zit, terwijl we gezellig in de kring zitten? Je kunt het wel uitleggen, ook aan de kleintjes, maar wat doet die afstand met het onderwijs? Ik heb daar zorgen over, omdat die interactie en juist dat contact heel belangrijk zijn. Wij zeggen dus ook heel duidelijk van als dat niet kan, dan moet je eigenlijk gewoon geen les willen geven.

Contact en verbinding met de kinderen, als basis voor hun veiligheid op school: wat een mooie benadering past Ria in haar werk toe! We ronden af, met dank aan Ria voor haar tijd.