Onze samenleving en Adult Supremacy, Deel 3 (English below)

Afgelopen week bespraken we dat gezondheid en welzijn worden beïnvloed door de biosociale erfenis, de zeer complexe en historisch gevormde interactie van sociale factoren en biologische mechanismen. Daarin spelen machtsverhoudingen een belangrijke rol. Kinderen kunnen, in al hun afhankelijkheid, niet aan de keuzes van volwassenen ontkomen en moeten geregeld een deel van hun authenticiteit opofferen om de hechtingsrelatie te behouden, met alle gevolgen van dien. Hoe kunnen we die link tussen machtsrelaties en gezondheid begrijpen?

Ontwikkeling en copingstrategieën

Om te groeien, het volle potentieel te bereiken en gezond te blijven, heeft het menselijk brein stimulerende sociale interactie nodig. Het brein is geen ‘geïsoleerde dataprocessor’, maar een ultrasociaal orgaan dat intensief met andere aspecten van het organisme is verbonden. Via de ervaringen die het opdoet, bouwt het een wereldvisie en een morele attitude op, zoals sociaal-wetenschappers Meloni en Narvaez het omschrijven. De eerder genoemde onrijpheid van het mensenkind bij de geboorte betekent dat het grootste deel van die ontwikkeling buiten de baarmoeder plaatsvindt. Voordeel daarvan is dat die ontwikkeling zich dan optimaal kan afstemmen op de leefwereld waarin het kind terechtkomt; dat vergroot de overlevingskansen in het nu. Mogelijk nadeel is dat problematische omgevingsfactoren leiden tot een haperende of gebrekkige ontwikkeling, met een afstemming die voor later de overlevingskansen juist onder druk zet.

Voor baby’s en jonge kinderen is een sociale omgeving met tekorten aan responsieve zorg een heikele kwestie. Vaak vooral onbewust is er die belangrijke vraag: ‘Wiens behoeften staan hier centraal? Wie is in deze situatie de baas? Kan ik invloed uitoefenen op deze omstandigheden? Welke strategie moet ik toepassen: fight, flight or freeze?’ Hoe de keuze ook uitvalt… bij alle drie de copingstrategieën is er sprake van stress. In het lichaam stijgen de niveaus van de stresshormonen en het kind komt in een overlevingsmodus: er ontstaat onrust, het lontje wordt korter, tot tien tellen wordt moeilijk, anderen rustig en vertrouwensvol tegemoet treden wordt een zware opgave, leerprocessen goed doorlopen wordt bijna ondoenlijk. En in dat alles staan voortdurend alle systemen in het lichaam onder druk. Dat is slopend; dat mat het lichaam af en verkort de levensduur. Op basis van de ACE-studie uit 1998 zijn er diverse pyramide-afbeeldingen ontwikkeld die dit proces laten zien. Nieuwe versies ervan worden steeds completer doordat ze steeds meer aspecten van de biosociale erfenis opnemen. Onderstaand vind je één van die pyramides.


Is stress altijd slecht?

Het is niet zo dat we helemaal geen stress kunnen verdragen als mens. We hebben die ook gewoon nodig om tot prestaties te komen. Er wordt in die context wel gesproken van ‘gezonde stress’: je maakt je druk en na de prestatie kom je weer tot rust. In situaties die moeilijk zijn, maar overkomelijk, spreken we van ‘draaglijke stress’: het is zwaar en het pakt je aan, maar met een liefdevolle sociale omgeving vind je je balans weer terug. Wanneer er voortdurend of bij herhaling sprake is heftige stress waaraan niet te ontkomen valt en waarin de meest nabije volwassenen het kind geen bufferende bescherming bieden, spreken we van ‘toxische stress’. Het woord ‘giftig’ is gebaseerd op het feit dat hersencellen onder zulke hoge stressniveaus afsterven en de hogere hersenfuncties beschadigd raken.

Hoe kunnen we die vormen problematische vorm van stress voorkomen? Hoe kunnen we als volwassenen tegemoet komen aan de intense behoeften van onze kinderen? Hoe wegen we onze eigen belangen en behoeften af tegen die van de baby of het jonge kind? Richten we ons leven en de samenleving in rond de behoeften van het kind of streven we ernaar dat het kind zich aanpast aan het leven dat we leidden voordat we ouders waren, aan de hectiek van de samenleving zoals we die kennen? In de meeste gevallen is dit geen beslissing die we op puur persoonlijke basis kunnen nemen. We zijn als volwassenen immers ingebed in een cultureel, maatschappelijk en sociaaleconomisch systeem dat eisen aan ons stelt en verwachtingen heeft ten aanzien van onze beschikbaarheid. Hier wordt andermaal zichtbaar dat de biosociale erfenis een belangrijke speler is waar het onze gezondheid betreft. Die biosociale erfenis beïnvloedt namelijk de mate waarin we de evolutionair gevormde biologische blauwdruk van onze kinderen serieus kunnen nemen, met alles wat daaruit voortvloeit: behoefte aan en vaardigheid tot verbinding, compassie, moed, nieuwsgierigheid, vertrouwen, vriendelijkheid, veerkracht – de zeven pijlers van ACE Aware NL.

Groei en sociale verhoudingen

Met het verstrijken van de tijd worden kinderen niet alleen lichamelijk groter; ook hun persoonlijkheid groeit. Onderzoek bij ratten laat zien dat de kwaliteit van moederlijke zorg een cruciale factor is voor de toekomst van het jong: een zorgzame moeder brengt zorgzame pups voort. Bij mensen is dat soort onderzoek niet zo eenvoudig te realiseren: een mensenleven duurt lang en gedurende dat leven zijn er waanzinnig veel invloeden en gewoontes die op het vroege fundament doorbouwen en het versterken of juist verzwakken. Toch blijkt uit wat we wél weten telkens weer dat de vroege fase van grote invloed is op de rest van het leven. Met dat inzicht dient zich de onvermijdelijke vraag aan: hoe creëren we een situatie waarin een hoge kwaliteit moederlijke (en gezins- en gemeenschaps-) zorg kan worden gerealiseerd? Van Nelson Mandela is dit prachtige citaat: ‘There can be no keener revelation of a society’s soul than the way in which it treats its children.’ Hoe doen we dat? Hoe behandelen we onze kinderen en hoe gaan we om met hun behoeften? En hoeveel zeggenschap hebben onze kinderen over de beslissingen die hun welzijn bepalen?

White supremacy en male supremacy

Wanneer we vragen wie de beslissingen neemt, wie de baas is, spreken we over dominantie, of, in geval van een nog sterkere overheersing, van suprematie. In een situatie van suprematie plaats je jezelf en je eigen belangen boven die van de ander. Jouw wil is wet, jouw visie is de norm, jouw activiteit heeft prioriteit. Bij het begrip ‘white supremacy’ uit zich dat in achterstelling van niet-witte mensen; bij ‘male supremacy’ gaat het om de achterstelling van vrouwen en meisjes. Deze achterstelling heeft grote gevolgen voor de betrokken groepen. Je kunt daarbij denken aan de invloed op onderwijs, huisvesting, werksituaties en sociale positie (acceptatie, aanzien, invloed, gezag).
De conclusie is dus dat suprematie van de ene groep het welzijn en de gezondheid van de achtergestelde groep in gevaar brengt. Daarbij is het interessant om te kijken naar de sociale positie van kinderen (en naar hun aanzien, invloed en gezag!). Twee vragen hielden mij bezig toen ik hierover nadacht. Ten eerste: is er een overkoepelend concept in gebruik dat de achterstelling van kinderen benoemt? Ten tweede: is er een concept dat op de positie van kinderen betrekking heeft en bovendien mede een verklaring zou kunnen bieden voor white supremacy en male supremacy? Mij lijkt er geen ontkomen aan: er moet een link zijn tussen fysiologie en sociologie, tussen suprematie en empathie, tussen gezondheid en macht. Er moet een link zijn tussen volwassen suprematie en het welzijn en de gezondheid van kinderen.

Adult Supremacy

We weten vanuit de fysiologie dat een responsieve, sensitieve benadering van de ander de beste garantie biedt voor empathie, voor je leren inleven in en mededogen hebben voor de ander. Als we zouden moeten concluderen dat kinderen structureel worden achtergesteld, dat ze vaak volledig onderworpen zijn aan de keuzes van volwassenen, dat ze weinig mogelijkheden hebben om daarin verandering aan te brengen en dat de gevolgen daarvan hun gezondheid negatief beïnvloeden… zou dat alles, analoog aan die andere begrippen, dan niet Adult Supremacy moeten heten, volwassen suprematie? En zou dat bovendien niet een tamelijk logische verklaring zijn voor andere vormen van discriminatie? Als de behoeften van het kind niet worden bevredigd en het kind voelt zich geregeld onveilig of bedreigd, hoe zit het dan met de ontwikkeling van het empathisch vermogen van het kind? Hoe kan het zich inleven in een ander (met een andere culturele achtergrond of een ander geslacht) als het dat empathisch vermogen ontbeert?
Op basis van mijn gedachten over deze aspecten heb ik voor Adult Supremacy de volgende definitie geschreven:
Adult Supremacy (AS) is een machtspositie waarin volwassenen er bewust of onbewust voor zorgen dat hun privileges, ambities en niet-(h)erkende biosociale behoeften het welzijn van het kind overtroeven, waardoor de minderjarige een minderwaardige wordt.

Conclusie

De conclusie van vandaag is dat kinderen onder stress copingstrategieën ontwikkelen die zijn afgestemd op de situatie waarin ze (over)leven. Stress wordt toxisch wanneer de steun van een beschermende volwassene ontbreekt en het kind er gevoelsmatig of letterlijk structureel alleen voor staat. Een hoge kwaliteit van zorg voorkomt dat stress het kind overweldigt en toxisch wordt. Een situatie waarin de belangen van het kind voortdurend worden overvleugeld door de ambities en privileges van de volwassenen voert die stress juist verder op en schaadt het welzijn en de gezondheid van het kind. We kunnen dit, analoog aan white en male supremacy, Adult Supremacy noemen.

Volgende week zullen we kijken naar praktische voorbeelden van Adult Supremacy en wordt het concept nog nader uitgewerkt.

Our Society and Adult Supremacy, Part 3

Last week, we discussed that health and wellbeing are influenced by the biosocial inheritance, the very complex and historically formed interaction of social factors and biological mechanisms. Because of their complete dependence, children cannot escape adult decisions and will regularly have to sacrifice part of their authenticity to maintain the attachment relationship, with all due consequences. How can we understand the link between power relations and health?

Development and coping strategies

To grow, to reach its full potential, and to remain healthy, the human brain needs stimulating social interaction. The brain is not an ‘isolated data processor’, but an ‘ultrasocial and multiply connected social brain’. Through its experiences, it builds up a worldview and moral attitude, as social scientists Meloni and Narvaez describe it. The previously mentioned immaturity of the human baby at birth means that the biggest part of its development will take place outside of the womb. The advantage of that is that this development can then be optimally attuned to the lifeworld into which the child is born; that increases the survival chances in the present. A possible disadvantage however, is that problematic environmental factors lead to a stunted or deficient development, with an attunement that puts survival chances in the future under pressure.

For babies, infants, and young children, a social environment that is lacking in responsive care is a tricky issue. Often mostly unconsciously, there is this important question: ‘Whose needs are central here? Who is in control in this situation? Can I influence these circumstances? What strategy am I to use: fight, flight, or freeze?’ Whatever the choice may be… with all three coping strategies there will be stress. In the body, levels of the stress hormones increase and the child will enter a survival mode: restlessness arises, the fuse gets shorter, counting to ten becomes more difficult, approaching others calmly and confidently becomes an arduous assignment, accomplishing learning processes becomes an almost insurmountable problem.
And in all of this, all bodily systems are continuously under pressure. That is grueling; that wears out the body and shortens the lifespan. Based on the 1998 ACE-study, different pyramids have been developed to show this process. New versions become increasingly detailed by incorporating more of the different aspects of the biosocial inheritance. Below, you find one of those pyramids.

Is stress always bad?

It is not that as humans we are not able to tolerate any amount of stress. We simply need some stress, or we will not be able to reach any performance at all. In that context, the term ‘healthy stress’ is often used: you make an effort and exert yourself and afterwards you unwind and can come to rest. Situations that are hard, but can be handled, are categorised as ‘tolerable stress’: it is tough and you have to grapple with it, but with a loving social environment you find your balance back again. When severe stress is constant or repetitive and there is no escape from it, in a situation where the most close adults do not offer the child buffering protection, we speak of ‘toxic stress’. The word ‘toxic’ is based on the fact that brain cells die under such high stress levels and that the higher brain functions are harmed.

How can we prevent those problematic forms of stress? How, as adults, can we meet the intense needs of our children? How do we weigh our own interests and needs against those of the baby or infant? Do we organise our lives and societies around infant needs or do we strive for the child’s adjustment to the lives we led before we were parents, to the hectic of society as we know it? In most cases, this is not a decision we can make on a purely individual basis; after all, as adults we are embedded in a cultural, societal and socioeconomic system that makes demands on us and has expectations of us with regard to our availability. In this, it can once again be noticed that the biosocial inheritance is an important player where our health is concerned. That biosocial inheritance influences the extent to which we can take the evolutionarily built biological blueprint of our children seriously, with everything that flows from it: need and ability for connection, compassion, courage, curiosity, confidence, kindness, resilience – the seven pillars of ACE Aware NL.

Growth and social relationships

With the passing of time, children do not only grow physically; their personality grows as well. Studies with rats show that the quality of maternal care is a crucial factor for the future of the young: a caring and sensitive mother raises caring and sensitive pups. With humans, that kind of research is not very feasible: a human life spans a long period of time and during that time, there are incredible amounts of influences and habits that build on that early foundation and strengthen or, in contrast, weaken it. Still, from what we do know, it is constantly confirmed that the early stages strongly impact the rest of a human life. With that knowledge, the inescapable question arises: how do we create circumstances in which we can realise high quality maternal (and family and community) care? From Nelson Mandela we have this wonderful quote: ‘There can be no keener revelation of a society’s soul than the way in which it treats its children.’ How do we do that? How do we treat our children and how do we treat their needs? And how much of a say do our children have over decisions that determine their wellbeing?

White supremacy and male supremacy

When we ask about who makes the decisions, who is the boss, we speak about domination, or, in case of more stronger forms, about supremacy. In a situation of supremacy, you and your interests are placed above those of the other person. Your will is law, your vision is the norm, your activity has priority. In ‘white supremacy’, this shows itself in subordination of non-white people; in ‘male supremacy’, the issue is subordination of women and girls. This subordination has major consequences for the groups involved. You can think of influences on education, housing, work and social standing (social acceptance, reputation, prestige, authority). What we can conclude is that the supremacy of the one group threatens the health and wellbeing of the subaltern group. In this context, it is interesting to look at the social standing of children (and their social acceptance, reputation, prestige, authority!). Two questions puzzled me while thinking about this. First, is there an overarching concept in use that addresses the subordination of children? Second, is there a concept in use that relates to the social standing of children and in addition offers at least a partial explanation for white and male supremacy? My impression is that there is no way around it: there has to be a link between physiology and sociology, between supremacy and empathy, between health and power. There has to be a link between adult supremacy and the health and wellbeing of children.

Adult Supremacy

We know from physiology that a responsive, sensitive approach of others offers the best guarantee for the development of empathy, for learning to feel what someone else feels and for having compassion with them. If we would have to conclude that children are structurally subordinated, that quite often they are completely subjected to the choices adults make and that they have little opportunity to effect change in that situation and that the consequences negatively affect their health… should all of that, analogous to the other two concepts, not be called Adult Supremacy?
And would that not be a fairly logical explanation for those other forms of discrimination? If the infant’s needs are not met and the child regularly feels unsafe and insecure or threatened, how can we expect the child’s development of empathy to go smoothly? How can the child put itself in someone else’s shoes (with a different cultural background or a different gender), if it lacks that competence for empathy?
Based on my thoughts on these aspects, I have written the following definition for Adult Supremacy:
Adult Supremacy (AS) is a power position in which adults consciously or unconsciously cause their privileges, ambitions, and unrecognised biosocial needs to trump child wellbeing, rendering the minor minor.

Conclusion

Today’s conclusion can be that under stress, children develop coping strategies that are attuned to the situation in which they live or have to survive. Stress becomes toxic when there is no buffering support from an adult and the child feels or actually is structurally left to their own devices. High quality care prevents stress from becoming overwhelming and toxic. A situation in which the interests of the child are constantly trumped by ambitions and privileges of adults, will increase that stress and harms the health and wellbeing of the child. Analogous to white and male supremacy, we can call this Adult Supremacy.

Next week, we will look at practical examples and the concept of Adult Supremacy will be worked out in more detail.

Onze samenleving en Adult Supremacy, Deel 2 (English below)

Afgelopen week hebben een aantal basale aspecten van menselijk samenleven besproken en de behoefte van kinderen om zich veilig en opgenomen voelen binnen een gemeenschap. Vanaf daar werken we verder richting het begrip Adult Supremacy (AS). Vandaag stellen we de vraag hoe de interactie tussen sociale factoren en biologische mechanismen van invloed is op gezondheid en welzijn.

De biosociale erfenis

Vorige week bespraken we hoe historische aspecten mede de volksaard vormen. Daarin hebben we te maken met eigenschappen van de natuurlijke en sociale omgeving, maar daarin speelt uiteraard veel meer mee. Ieder land heeft een geschiedenis; daarin vonden oorlogen plaats, natuurrampen, revoluties, technologische innovaties, infrastructurele ontwikkelingen, veranderingen in maatschappelijke opvattingen en nog veel meer. Dit hele samenspel heeft zowel oorzaken in de politiek en de economie van een land als gevolgen daarvoor. Het beïnvloedt bovendien hoe de sociale omgeving en verhoudingen gestalte krijgen. En, in het kader van ons Adult Supremacy-thema nog belangrijker: al deze aspecten kennen machtsfacetten, die zowel impliciet als expliciet kunnen zijn, en die resulteren in minder of meer afhankelijkheid ten aanzien van de beslissingen van anderen.
Wie heeft op het mondiale toneel de touwtjes in handen? Wie bepaalt welke behoeften in de samenleving de overheid beleidsmatig en financieel helpt bevredigen? Wie beslist wat wanneer voor wie belangrijk is? En op het microniveau: wat betekenen die volwassen beslissingen voor het dagelijks leven en de gezondheid van baby’s en jonge kinderen? Hoe werken die sociale aspecten uit op hun biologie?

Een visuele representatie van het Raamwerk van de Biosociale Erfenis; de donkerblauwe factoren staan in het oorspronkelijke model, de lichtblauwe kunnen worden beschouwd als aanvullende factoren die van invloed zijn op de Biosociale Erfenis.

Antropologen Hoke en McDade hebben het resultaat van al deze interacties samengevat in de term ‘Biosocial Inheritance’, de biosociale erfenis. Dit houdt in dat de ‘erfenis’ die we meekrijgen van onze ouders en grootouders en van de samenleving waarin we opgroeien, wordt bepaald door zowel biologische als sociale aspecten, die onderling intensief op elkaar inwerken. Via dit mechanisme worden sociale en gezondheidsverschillen doorgegeven en vaak vergroot. Dit proces begint overigens niet pas na de geboorte, maar al in de baarmoeder, zoals het onderzoek van Tessa Roseboom heeft aangetoond. Zij onderzocht de invloed van de Nederlandse Hongerwinter op diverse aandoeningen in de volgende generatie. De ondervoeding en de stress van de oorlog bleken van invloed op de gezondheid van de kinderen die in die periode werden verwekt en geboren. (Hier zie je Tessa Roseboom samen met minister Hugo de Jonge tijdens een interview in 2019; de minister zegt dat we maar één kans hebben voor een goede start!)
Vanuit fysiologisch oogpunt is het logisch dat het sociale en het biologische samenhangen: als er veel dreiging is, als je je eenzaam voelt, of als er sprake is van hongersnood (sociale factoren), verandert de psychologische en emotionele beleving, wordt hormonaal gezien het stresssysteem geactiveerd, en past het metabolisme zich aan (biologische mechanismen). Dit heeft invloed op wat het organisme voor de toekomst leert uit zo’n situatie (de interactie). We móeten daaruit natuurlijk ook leren, want anders komt op de korte termijn onze overleving in gevaar. De vraag is alleen: welke prijs betalen we op de lange termijn voor negatieve gevolgen van die interactie?

Sociale constructie, hechting en authenticiteit

Wanneer we weten dat de invloed van culturele gewoontes, gebruiken en van menselijke interactie zo groot is, zou dan de wijze waarop we met baby’s en jonge kinderen omgaan niet veel meer aandacht moeten krijgen? Wanneer die periode, in onderzoek na onderzoek, grotendeels een verklaring blijkt te zijn voor hoe een kind als volwassene in de wereld staat en die tegemoet treedt en voor hoe de gezondheid zich ontwikkelt, is verandering dan niet zeer dringend gewenst? Gezien de grote maatschappelijke ziektelast is hier zeker veel voor te zeggen. Deze kwesties mogen voor de hand liggend lijken, maar eenvoudig te beantwoorden zijn ze niet. Daar zit een zoektocht aan vast, waarin de rol van de volwassene een factor van betekenis is. Dat is een rol die uiteraard ook weer de last van zijn eigen biosociale erfenis draagt.
Baby’s en jonge kinderen zijn afhankelijk van de verzorging van de volwassenen om hen heen. Ze hebben een diepe behoefte en noodzaak om zich aan hen te hechten en tegelijkertijd een intense drang om zichzelf te mogen zijn. Ze hebben weinig tot geen mogelijkheden om een tekortschietende sociale omgeving te verlaten en een andere te zoeken, eentje waar de eigen persoonlijkheid beter tot haar recht komt en het jonge individu wél wordt gezien, gehoord en gewaardeerd om de unieke eigenheid. Het gevolg is vaak dat als de behoefte aan expressie van de persoonlijkheid ten koste dreigt te gaan van die hechting, de hechting voorrang krijgt: zonder de volwassenen kan het kind immers niet overleven. De authenticiteit wordt onderdrukt en het kind raakt vervreemd van zichzelf: de basis voor trauma. In deze video legt traumaspecialist Gabor Maté dit principe verder uit.

Sociale conventies en de status quo
Het spanningsveld tussen hechting en authenticiteit is een gegeven dat aandacht verdient, want er zijn veel culturele gewoontes waarvan we weten dat ze een gezonde ontwikkeling en een krachtige authenticiteit verstoren of die negatief beïnvloeden, gewoontes die daarom een kritische beschouwing verdienen of zelfs vereisen. Dat is niet gemakkelijk en dikwijls heel confronterend, omdat het vaak over gewoontes gaat die diep in onze cultuur zijn ingebed. We vinden ze zo normaal dat het moeilijk is om in overweging te nemen dat ze schadelijk zijn, dat het sociale conventies betreft die een negatieve impact hebben op de biologie van onze allerjongsten. Neem bijvoorbeeld de zogenaamde ‘survivorship bias’, het argument van ‘tsja, mij zijn ook allemaal rotdingen overkomen, maar ik ben er niet minder van geworden, toch, dus zo erg is het allemaal niet als een kind op z’n lazer krijgt!’ Als we zulke patronen onder de loep nemen, betekent het vaak namelijk ook dat we de status quo moeten herzien, dat we machtsposities moeten heroverwegen. Denk maar eens aan discriminatie en segregatie van bepaalde bevolkingsgroepen, maar ook aan lijfstraffen (‘billenkoek’, ‘liefdevolle tik’), aan het niet respecteren van de lichamelijke integriteit van een kind, aan echtscheidingen met veel ruzie en vervreemding. Je kunt bovendien denken aan geïnstitutionaliseerde vormen van beleid waarin stress voor het kind op de loer ligt of vaststaat: heel vroege kinderopvang weg van de ouders, geboortepraktijken waarbij moeder en baby niet bij elkaar worden gehouden, besnijdenis zonder medische indicatie, opvoedmethodes waarbij chantage, vernedering, afzondering en volwassen dominantie worden gebezigd of aangemoedigd (‘als je niet [x] doet, dan mag je niet [y]’, ‘wat ben je toch een mislukkeling’, ‘ik ben vreselijk teleurgesteld in je’, ‘ga maar naar je kamer, want ik wil je even niet meer zien’, ‘leer je kind wie de baas is’).

Conclusie

De conclusie van vandaag is dat gezondheid en welzijn worden beïnvloed door de biosociale erfenis, de zeer complexe en historisch gevormde interactie van sociale factoren en biologische mechanismen. Daarin spelen machtsverhoudingen een belangrijke rol. Kinderen kunnen, in al hun afhankelijkheid, niet aan de keuzes van volwassenen ontkomen en moeten geregeld een deel van hun authenticiteit opofferen om de hechtingsrelatie te behouden, met alle gevolgen van dien.

Volgende week zullen we kijken naar de invloed van verschillende vormen van stress op de ontwikkeling en komen machtsrelaties prominenter in beeld.

Our Society and Adult Supremacy, Part 2

Last week, we discussed several basic aspects of human coexistence and children’s need to feel secure and integrated within their communities. From there, we work further towards the concept of Adult Supremacy (AS). Today, we pose the question of how the interaction between social factors and biological mechanisms influences health and wellbeing.

The biosocial inheritance

Last week, we looked at how historical aspects are partly responsible for building the local character. In that, we deal with properties of the natural and the social environment, but of course, there is much more involved. Every country has a history; there were wars, natural disasters, revolutions, technological innovations, infrastructural developments, changes in societal views, and much more. This whole interplay is both caused by and consequential for a country’s politics and economy. It also influences how relationships and the social environment take shape. And, in relation to our Adult Supremacy-theme, even more important: all these aspects have power facets, that can be explicit or implicit, and that result in less or more dependency on the decisions of others.
Who is in charge at the global stage? Who determines which societal needs the government will support to satisfy, policy-wise and financially? Who decides what is important, when and for whom? And at the micro level: what do those adult decisions mean for the daily life and health of babies, infants and children? How do those social aspects impact their biology?

A visual representation of the Framework of Biosocial Inheritance; the dark blue social factors are in the original model, the light blue ones could be seen as additional factors influencing the Biosocial Inheritance.

Anthropologists Hoke and McDade summarised the result of all these interactions in the term ‘Biosocial Inheritance’.  This means that the ‘inheritance’ we receive from our parents and grandparents and from the society in which we grow up, is built by both biological and social aspects, that mutually influence one another intensively. Through this mechanism, social and health disparities are transmitted and often reinforced. This process, by the way, does not start after birth, but already begins in the womb, as the research by Tessa Roseboom showed. She studied the influence of the Dutch Hunger Winter in the Second World War for several health issues in the next generation. The famine and stress of the war turned out to have an influence on the health of the children who were conceived and born in that period. (Here, you see Tessa Roseboom together with Minister of Health, Hugo de Jonge, in an interview in 2019; the minister says that we only have one chance to get it right for a healthy start!)
From the physiological perspective, the coherence between the social and the biological is logical: if there is a lot of threat, if you feel lonely, or if you live in famine (social factors), your psychological and emotional perceptions change, leading to the activation of your stress system and an adaptation in your metabolism (biological mechanisms). This influences what the organism learns from each situation for the future (the interaction). Of course, we do indeed have to learn from such situations, because if we do not, our survival in the short term is at risk. The question is, however: what price do we pay in the long term for the negative consequences of that interaction?

Social construction, attachment and authenticity

If we know that the influence of cultural habits, traditions, and human interaction is so big, shouldn’t we give more attention to the way we communicate with and treat babies and young children? If, in study after study,  that early period turns out to be the main explanation for how a child approaches the world as an adult and how health develops, should we not consider change to be urgent? The high burden of disease that results from it at a societal level surely speaks for doing so. These issues may seem obvious, but they are not that easy to solve. They imply a quest in which the role of adults is a significant factor. Of course, that role, in and of itself, again also carries its own biosocial inheritance.
Babies and infants are dependent on the care of the adults around them. They have a deep need to attach to those adults and simultaneously an intense urge to be and show themselves. They have little to no opportunity to leave a deficient environment and find a new one, an environment that does more justice to their personality and in which the young human is actually being seen, heard and valued for their unique individuality. Often, the consequence is that if the need for personal expression comes at the expense of attachment, attachment is favoured: after all, without the adults, the child cannot survive. Thus, authenticity is being suppressed and the child becomes alienated from themselves: the basis for trauma. In this video, trauma specialist Gabor Maté further explains this principle.

The tension between attachment and authenticity is something that deserves attention, seeing there are many cultural practices of which we know that they disturb or negatively influence a healthy development or powerful authenticity, practices that therefore deserve or even require a critical  reexamination. That is not easy, and usually pretty confronting, because what we find will often be about habits that are deeply ingrained in our culture. We view them as so normal that it is hard to consider the thought that they might be harmful, that they constitute social conventions with a negative impact on the biology of our youngest. Take for instance the so-called ‘survivorship bias’, the argument of ‘yes, these bad events happened to me, but I turned out alright, didn’t I, so it isn’t all that bad if my child gets its butt kicked!’ If we closely investigate such patterns, it often actually means that we have to revise the status quo, reconsider the power positions. Think, for example, of discrimination and segregation of certain population groups, but also of corporal punishment (spanking, a ‘loving slap’), of not respecting a child’s physical integrity, of divorces with a lot of quarrels and alienation. Furthermore, you can think of institutionalised forms of policy in which stress for the child is lurking or certain: very  early childcare away from the parents, birthing practices in which mother and baby are not kept together, circumcision without a medical indication, parenting methods in which blackmail, humiliation, isolation and adult supremacy are utilised or encouraged (‘if you will not do [x], then you will not be allowed to [y]’, ‘you are such a disappointment, ‘go to your room, I don’t wanna see you for a while’, ‘teach your child who is the boss’).

Conclusion

Today’s conclusion can be that health and wellbeing are influenced by biosocial inheritance, the very complex and historically formed interaction of social factors and biological mechanisms. In all that, power relations play an important role. Children, due to their dependence, cannot escape the choices of adults and will regularly have to sacrifice part of their authenticity to maintain their attachment relationships, with all due consequences

Next week, we will look at the influence of different forms of stress on development and power relations will be featured more prominently.

Onze samenleving en Adult Supremacy, Deel 1 (English below)

Afgelopen week noemden we in ons blog het concept ‘Adult Supremacy’ (AS), de dominantie van (belangen van) volwassenen. Omdat dit thema zo nauw is verbonden met alles waar ACE-bewustzijn over gaat, willen we hier graag wat dieper op ingaan, gebaseerd op eerdere artikelen die Marianne heeft geschreven over dit onderwerp. De kernvraag zal zijn of we in staat zijn ons bij de hand te laten nemen door de basale oerbehoeften van de baby en of we onze samenleving op zodanige wijze kunnen inrichten dat verzorgers gemakkelijker aan die behoeften tegemoet kunnen komen dan nu het geval is. Wat kunnen we doen om, in de woorden van ontwikkelingspsycholoog Darcia Narvaez, vast te houden aan de ‘evolved developmental niche’, de geëvolueerde ontwikkelingsniche, waarin een koesterende omgeving leidt tot uitkomsten qua gezondheid en welzijn die kenmerkend zijn voor onze soort? Het blog van vandaag is het eerste in een serie en bespreekt een aantal basale aspecten van menselijk samenleven.

Socialisatie

Mensenkinderen komen heel onrijp ter wereld en hun ontwikkelingsstadium bij de geboorte maakt dat ze volledig van de zorg van anderen afhankelijk zijn. De kwaliteit van de zorg waarmee ze worden omringd, is van invloed op hoe hun lichamelijke, sociale en emotionele systemen ‘uitrijpen’. Die onrijpheid betekent dat een kind veel behoeften heeft. Elke ouder weet dat: de zorgbehoefte van een baby is immens!
Ondanks alle aanvankelijke onrijpheid worden kinderen overal ter wereld over de hele linie echter competente leden van hun sociale gemeenschap: ze doorlopen het proces van socialisatie. Ze beheersen de lokale taal in woord en in lichaamsgebaren, ze weten wat er van hen wordt verwacht en ze hebben al snel in de gaten wat ‘hoort’ en wat niet. Elke omgeving stelt eigen eisen en is anders in wat ze te bieden heeft. Kinderen zullen in een vijandige, schrale leefomgeving daarom andere vaardigheden moeten aanleren dan in een overvloedige of vriendelijke setting. Stel je maar eens voor hoe het millennialang was: een kind dat opgroeide op de steppe of savanne, waar water en vegetatie meestal schaars en roofdieren altijd op jacht zijn, moest een ander gedragsrepertoire aanleren dan een kind dat opgroeide in een subtropische omgeving met veel regen en gewassen, of een kind op de Noordpool, gericht op bescherming tegen de kou en het vangen van vis. De verschillen tussen geïndustrialiseerde samenlevingen zijn misschien minder groot, maar ook daar hebben kinderen te maken met specifieke maatschappelijke karakteristieken die het dagelijks leven en de sociale interactie beïnvloeden. Een tamelijk krachtig voorbeeld daarvan zijn de voortdurende veranderingen in de manier waarop kinderen met elkaar omgaan – we kunnen vandaag de dag waarnemen dat ze meer tijd doorbrengen op allerlei ‘gadgets’ (mobiele telefoons, tablets) en veel minder in de speeltuin of buiten op straat dan we ons twintig jaar geleden konden voorstellen, laat staan 100 jaar geleden.
Op de één of andere manier moeten we ons allemaal aanpassen aan onze leefomgeving om te kunnen overleven.

De cover van de dvd ‘Babies’, over het eerste levensjaar van vier baby’s in vier verschillende locaties ter wereld (Namibië, Japan, Mongolië en de Verenigde Staten)

Universele omgevingsinvloeden?

Gedurende een groot deel van de menselijke geschiedenis waren samenlevingen sterk afhankelijk van wat de leefomgeving te bieden heeft en die invloeden zijn niet zomaar verdwenen. De wijze waarop een samenleving wordt ingericht en de gebruiken, tradities en rituelen die daarbij horen, zullen daarmee tot op zekere hoogte samenhangen. Zo heeft het feit dat Nederland bekend staat als een ‘poldercultuur’ deels wortels in dat omgevingsaspect. In een land waar de waterstand en de kracht van het water altijd een bedreiging vormen, niet alleen voor je thuisbasis, maar ook voor je oogst en je handelsactiviteiten, moet je, of je dat nu leuk vindt of niet, samenwerken om de voeten droog te houden. Het veelbesproken en vaak verguisde ‘polderen’ in de politiek en in allerlei werkomgevingen heeft daarmee een cultureel-materialistisch karakter: de natuurlijke omgeving beïnvloedt gedurende eeuwen de lokale volksaard. In dit geval betekent dat: je moet je constructief verhouden tot kanaalbeheerder, die je misschien niet kent en die misschien ver weg zit, voor het gewenste waterniveau in de sloot langs je land. Dat is heel iets anders dan een goede verstandhouding onderhouden met de neef van je moeder die de waterput in je dorp beheerst.
Hoe zich een cultuur ontwikkelt, wordt weliswaar niet gedetermineerd door de omgeving en haar natuurlijke en door de mens gecreëerde hulpbronnen, maar een effect heeft die omgeving meestal wél, met veelal een heel oude historische oorsprong. In de antropologie is deze sociale constructie een kernthema, dat we geregeld min of meer als volgt besproken hebben horen worden: ‘Hoe mensen zich gedragen, ligt niet vast, maar wordt bepaald door sociale en culturele invloeden. Deze bepalen hoe iedereen in een groep met zaken omgaat. We kunnen daar geen universeel geldende uitspraken over doen, want dat is overal anders.’ Is dat inderdaad het geval? Kunnen we geen overeenkomsten ontdekken in de effecten van bepaalde omstandigheden? Zijn er geen universele kenmerken en gedragspatronen die mensen met elkaar verbinden? Vermoedelijk wel, want als dat niet zo was, waarom vinden we discriminatie dan zo verwerpelijk? Is dat niet juist omdat we veel dingen met elkaar gemeen hebben en daarin in gelijk zijn, ondanks alle uiterlijke, ogenschijnlijke verschillen? Laten we ook daarnaar eens kijken vanuit evolutionair perspectief, naar dat wat ons verbindt.

Veel van de sociale conventies waaraan we ons houden, zijn niet zichtbaar en vaak niet eens bewust. We zullen in een latere aflevering dieper ingaan op dit aspect van de biopsychosociale invloed op gezondheid en welzijn. (Bron onbekend)

‘Wired for connection’

Binnen de mogelijkheden en beperkingen van de leefomgeving leren kinderen vaardigheden aan om in de eigen wereld te overleven en eruit te halen wat erin zit. Verbinding met anderen is daarbij essentieel, vanwege die eerder genoemde afhankelijkheid. Gelukkig zijn kinderen van nature geneigd om die verbinding met anderen te zoeken; ze zijn ‘wired for connection’, neurologisch gebouwd om contact te maken én te verwachten. Ze zijn bovendien ‘prosociaal’ van aard zijn: met hun grote ogen, bolle wangen en wipneus proberen ze om nabije volwassenen te verleiden tot zorgen, delen, helpen en ondersteunen en vanaf het begin zoeken ze ook zelf naar mogelijkheden om de relaties met anderen goed te houden, om te zorgen, te delen, te helpen, te ondersteunen. Het idee dat kinderen kleine egoïsten zijn, is een mythe waar we echt hoognodig vanaf moeten.
Prosocialiteit is een begrip dat vaak wordt gezien als een proactieve vorm van sociaal vaardig gedrag: we proberen niet alleen te voorkomen dat de boel in het honderd loopt en te voorkomen dat onderlinge relaties  worden gedwarsboomd, maar doen actief ons best om dingen positief te beïnvloeden. Die neiging tot empathie en samenwerking is aangeboren, maar heeft net als andere vaardigheden een responsieve omgeving nodig om tot bloei te komen. Aan prosociaal gedrag ligt een diep geworteld verwachtingspatroon ten grondslag, een existentiële behoefte om deel uit te maken van een gemeenschap, om door de groep mensen waar je bij hoort, te worden gezien, gehoord en gewaardeerd, omdat overleving zonder dat bijna niet mogelijk is. Sociale isolatie is voor een sociaal dier als de mens één van de ergste dingen die kunnen gebeuren.

Een beeld uit de dvd ‘Babies’, met een jong brusje dat voor een baby zorgt en dat dus verantwoordelijkheden mag dragen die empathie en zorgzaamheid vereisen

Conclusie

De conclusie van vandaag is dat kinderen zeer afhankelijk zijn bij de geboorte. Ze raken echter zeer snel gesocialiseerd in hun eigen leefwereld en leren omgaan met de mogelijkheden en beperkingen daarvan. Dat lukt ze zo goed, omdat ze een aangeboren vaardigheid hebben tot het aangaan van relaties met anderen in de sociale omgeving: ze zijn prosociaal en ‘wired for connection’ en willen een gewaardeerd lid zijn van hun ‘stamverband’.
Volgende week zullen we kijken naar de biosociale erfenis, de impact van de sociale omgeving op onze biologie.