Ontluiken en tot bloei komen

Eergisteren was het 14 maart, de geboortedag van mijn moeder. Ze stierf in 2006, 70 jaar oud, na een leven dat haar zwaar was gevallen, met als gevolg dat het in mijn gezin van oorsprong ook allemaal heel moeizaam ging en mijn zusje op 32-jarige leeftijd stierf. Gisteren kreeg ik de vraag of ik nog bij mijn moeders verjaardag had stilgestaan en of die nog een sterke betekenis voor me heeft. Ik had er zeker bij stilgestaan: de geboortedag van je moeder… dat is een bijzondere datum. Zonder haar zou je er niet zijn geweest – je dankt je bestaan aan het feit dat zij je heeft gebaard. En al voor die baring was je onlosmakelijk met haar verbonden; voor ons mensen is de band met onze moeder de eerste relatie in ons leven. Die relatie vormt een blauwdruk voor alle relaties die volgen.

Daarom ben ik van mening dat het er wezenlijk toe doet hoe we als sociale omgeving en als samenleving omgaan met de moeder-kindrelatie, zeker in de vroege fase van het moederschap, waarin alles nog zo nieuw is en de moederrol nog zo onwennig voelt. Als we de moeder in de zwangerschap en het kraambed kunnen beschermen en vertroetelen, als we kunnen zien dat haar primaire, eervolle taak in die fase is dat ze met liefdevolle aandacht op haar baby kan focussen en niet wordt overbelast en overvraagd… dan creëren we omstandigheden waarin de baby een mens- en wereldbeeld kan ontwikkelen dat het toekomstige ouderschap nu al ondersteunt. Slagen we daar niet of onvoldoende in, dan leggen we een fundament voor pijn en verdriet, voor eenzaamheid en trauma. Dat weet ik zowel uit persoonlijke ervaring als uit professionele kennis.

Daarmee begon mijn dag afgelopen donderdag, met dat bewustzijn, via een verhaal dat me via een collega ter ore kwam. Een moeder was met haar baby in het ziekenhuis beland omdat haar kindje niet groeide en zowel zij als haar baby steeds verder in de stress kwamen. (Laten we de baby ‘Robin’ noemen.) Moeder gaf volledig borstvoeding en de borstvoedingsrelatie met Robin ervoer ze als heel belangrijk. Eenmaal in het ziekenhuis opgenomen kreeg ze te maken met de regels en protocollen aldaar. Zo liet de kinderarts weten dat moeder niet meer mocht aanleggen en alles moest kolven, zodat de verpleging kon zien hoeveel Robin dronk. Baby zou minimaal drie uur tussen de voedingen moeten laten en als Robin zich eerder meldde, moest moeder ‘rekken’ en baby laten wachten. Ze verbaasde zich daarover, aangezien de opname voornamelijk had plaatsgevonden wegens onvoldoende groei; zou ze dan niet juist heel váák moeten voeden, vroeg moeder zich af? De melk werd ingedikt, en Robin had daardoor moeite om te drinken. Robin werd er moe van en stopte dan; de verpleging nam Robin dan in de houdgreep en dwong de baby tot doordrinken.

Moeder kreeg de opdracht beperkt te knuffelen, want Robin zou rust nodig hebben. Niet mogen aanleggen en niet of nauwelijks mogen knuffelen creëerden bij moeder de angst voor borstweigeren door Robin en ze gaf aan de hele dag alleen maar te kunnen huilen, maar ze kreeg te horen: “Je bent hier niet voor niks, dus je moet nu even doen wat wij zeggen.” Door de stress van al het beleid was de melkproductie nog verder gedaald. Het voeden met de fles was een strijd, want Robin had af en toe een pauze nodig die haar niet of nauwelijks werd gegund en daardoor had ze in ieder geval één keer de halve voeding er weer uit gespuugd, met nog een hele poos onrust daarna. Moeder voelde zich gebroken, liet weten haar grenzen niet meer te kunnen aangeven en niet meer voor zichzelf te kunnen opkomen; ze ervoer bovendien weinig tot geen steun in haar eigen sociale omgeving. Wel was ze blij met de steun en reacties uit de digitale omgeving.

Ik las het verhaal, las tientallen reacties en voelde pijnlijk verdriet en flinke boosheid opwellen. En ja… dat zegt natuurlijk ook iets over mij, dat me dat zo raakt… daar ben ik mij terdege van bewust. En toch… de essentie is dat in deze situatie vanuit protocollen en regels is gehandeld, niet vanuit de biologische blauwdruk van moeder en kind. Waarschijnlijk gebeurde dit op grond van kennisgebrek, maar de kans is groot dat er ook trauma speelde, zowel bij de zorgverleners (die geen vertrouwen meer hadden in het proces) als bij de moeder (die haar stem niet meer durfde laten horen). In die zin was compassie meer gepast en was mijn boosheid dus eigenlijk niet op haar plaats, maar ja… soms neemt het gevoel van onrechtvaardigheid over het functioneren van het ‘systeem’ de overhand. Met de aanpak die hier werd gekozen, wordt immers het natuurlijke gedrag van moeder en baby ondermijnd en belemmerd. Dat is niet het begin dat je moeder en kind toewenst, uitgaande van een ‘kansrijke start’ gedurende de ‘eerste 1000 dagen’. Het is niet de ervaring die ze in dit vroege begin zouden moeten opdoen. Het kraambed is idealiter een fase waarin moeder en kind samen in oxytocine worden ‘gemarineerd’: dan kan de neurologische ontwikkeling van de baby een vliegende start maken en landt in de moeder het gevoel dat ze krachtig en competent is, toegerust voor haar taak als beschermer en ‘cheerleader’ van haar baby.

Het is dan ook diep droevig, dat ondanks het vele hameren op ‘evidence based’ werken in de zorg, een moeder-kindkoppel op deze manier wordt bejegend. Een aanpak als deze… daar is niks ‘evidence based’ aan; deze aanpak gaat juist tegen alle evidence in.
Dat roept de vraag op hoe het komt dat we als samenleving vaak nog zo tekortschieten met die perinatale zorg. Wat zijn daarvan de consequenties? Realiseren we ons met z’n allen wel voldoende hoe dingen daardoor enorm uit de hand kunnen lopen op de langere termijn…? En wat kunnen we doen om het kennistekort terug te dringen en attitudes te transformeren? Hoe kunnen we zorgen dat traumasensitief werken in alle sectoren de norm wordt, zodat mensen tot bloei komen?

Afgelopen dinsdag sprak ik voor Elaa/ONE, de organisatie die in Almere het Kansrijke Start-programma uitvoert. Na een korte inleiding keken we met elkaar naar de documentaire ‘Resilience – The Biology of Stress & the Science of Hope’, en na afloop gingen we met elkaar in gesprek over wat er in de film voorbijkomt. Er werden mooie dingen ingebracht en ik had met liefde en plezier een hele dag met de groep aan het werk gewild. Hopelijk kunnen we er een vervolg aan geven, want mensen waren geïnspireerd: ‘Bij jonge ouders beginnen’, ‘Bewustzijn creëren’, ‘Hoe je met elkaar omgaat als oorzaak van depressie (niet de genen)’, ‘Ik ga meer doorvragen’, ‘Je eigen problemen aanpakken, zodat je ze niet doorgeeft’, ‘De invloed van emoties en trauma en het belang van erover praten’. Dat zijn mooie inzichten! Over emoties praten is inderdaad heel belangrijk: de oorsprong van het woord ‘e-motie’ betekent ‘naar buiten bewegen’. Emoties willen gedeeld, gehoord en gezien worden; blijven ze binnenin ‘vastzitten’, dan geeft dat stress en stress is de basis van bijna alle gezondheidsproblematiek.

Onverwerkte emoties… ze waren de basis van mijn moeders moeite met het leven. Ze waren ook de basis van het vroege overlijden van mijn zusje. Hun levenspijn is een belangrijk aspect van mijn intrinsieke motivatie voor dit onderwerp: kinderen en jonge ouders verdienen erkenning en steun voor alles wat zich aandient. We zijn er als individu, gezin, familie – als samenleving allemáál bij gebaat dat de start van het leven veilig en koesterend verloopt. Dat is waar ik op de verjaardag van mijn moeder altijd weer aan denk, aan hoe zij dat heeft gemist. Het is ook waaraan ik bij iedere presentatie, iedere training, ieder consult denk, hoe ik zaadjes kan zaaien bij wie ik tegenover me heb, hopend en vertrouwend dat die zaadjes, met warmte en een voedende omgeving, op hun eigen tijd zullen ontluiken.

Geplaatst in Diversen.